(2)dagbesteding voor een klein groepje (maximaal 8) kinderen/jongeren in de vorm van verzorging van dieren. Ingevolge lid 3.4 kan met een omgevingsvergunning in afwijking van het gestelde in lid 3.1, aanhef en onder a, dagbesteding worden toegestaan tijdens maximaal 15 weekeinden per kalenderjaar, mits de omgevingsvergunning ruim voor het begin van het kalenderjaar wordt aangevraagd. 4.
- Uit het bestreden besluit is af te leiden dat de raad beoogd heeft het gebruik van het perceel voor dagbesteding zonder beperking tot werkdagen toe te staan. Dit is ook af te leiden uit de doeleindenomschrijving in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, ten tweede, van de planregels. De raad heeft ter zitting erkend dat lid 3.4, dat wel uitgaat van een beperking tot werkdagen, ten onrechte nog in de planregels is opgenomen. Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid vastgesteld. 4.
- Voor zover het beroep zich richt tegen artikel 3, lid 3.1, onder a, ten tweede, van de planregels omdat daarin geen beperking tot de werkdagen voor de dagbesteding is opgenomen, stelt de Afdeling vast dat de exploitant reeds in een brief van 15 november 2012, dus vóór het ingetrokken besluit van 6 december 2012, aan de raad kenbaar heeft gemaakt dat deze beperking niet uitvoerbaar is. Gelet hierop kan het gewijzigde standpunt van de raad niet door dit argument worden gedragen. Verder overweegt de Afdeling dat voor zover met het opnemen van de beperking tot de werkdagen voor de dagbesteding in eerste instantie is beoogd om een compromis tussen partijen te faciliteren, dit niet kan worden aangemerkt als een ruimtelijk relevante motivering voor het opnemen van die beperking. Zeker nu van een compromis geen sprake bleek te zijn, had de raad derhalve alsnog een eigen afweging moeten maken. Uit het bestreden besluit noch uit de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit is een dergelijk afweging af te leiden. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het betoog slaagt. 4.
- In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 3, lid 3.4, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en voor zover het betreft artikel 3, lid 3.1, onder a, ten tweede, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 4.
- De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.1, onder a, ten tweede, van de planregels, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende. Vast staat dat [appellant] en anderen geen bezwaar hebben tegen het gebruik van het perceel voor dagbesteding als zodanig. De raad heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat voor de bedrijfsvoering in het bijzonder de zaterdag van belang is in verband met schooltijden en wendagen en dat op zondagen geen opvang plaatsvindt. De raad heeft ter zitting voorts gesteld dat een beperking tot werkdagen uit een oogpunt van woon- en leefklimaat niet nodig is gezien het geringe aantal kinderen dat toegelaten wordt. Gelet hierop heeft de raad aan het gebruik van het perceel voor dagbesteding, waarvan de zaterdag een essentieel een onderdeel vormt, in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant] en anderen bij een beperking van dat gebruik tot werkdagen.
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Boxmeer van 24 januari 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Voortweg 1B" voor zover het betreft: A. artikel 3, lid 3.1, onder a, ten tweede, van de planregels; B. artikel 3, lid 3.4, van de planregels; II. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd onder I. A, in stand blijven; III. veroordeelt de raad van de gemeente Boxmeer tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; IV. gelast dat de raad van de gemeente Boxmeer aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat. w.g. Hoekstra w.g. Boermans voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013 429-661.