201301658/1/A4. Datum uitspraak: 18 december 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Asten, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 januari 2013 in zaak nr. 11/2583 in het geding tussen: [wederpartij], gevestigd te [plaats] en het college. Procesverloop Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning oprichten en in werking hebben van een inrichting op het perceel [locatie 1] te Asten. Bij besluit van 21 juni 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 januari 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit gedeeltelijk vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 4 oktober 2013 gevoegd behandeld met zaak nr. 201301856/1/A4, waar het college, vertegenwoordigd door T.J. Jeukens, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zijn verschenen. Na zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. Overwegingen Ontvankelijkheid 1. [wederpartij] stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep van het college niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de gronden van het hoger beroep buiten de daartoe gestelde termijn door de Afdeling zijn ontvangen. 1.1. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Ingevolge artikel 6:24 zijn deze artikelen van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld. 1.2. Het college heeft de gronden van het hoger beroep niet in het beroepschrift vermeld. De Afdeling heeft het college tot en met 20 maart 2013 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. De gronden zijn ontvangen op 22 maart 2013, derhalve na afloop van de gestelde termijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2007 in zaak nr. 200703018/1), dient de vraag of de gronden tijdig zijn ingediend, te worden beantwoord aan de hand van artikel 6:9 van de Awb. Blijkens het poststempel van TNT Post op de envelop is de brief waarin de gronden zijn vermeld, op 18 maart 2013 ter post bezorgd. Nu de gronden binnen een week na afloop van de gestelde termijn zijn ontvangen, leidt analoge toepassing van het tweede lid van artikel 6:9 de Afdeling tot het oordeel dat de gronden van het hoger beroep tijdig zijn ontvangen, zodat het hoger beroep ontvankelijk is. Inhoud hoger beroep 2. Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het college aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd wegens het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het opslaan van een partij carbon black zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1 en 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is verleend. 3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1 en 3, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten of in werking hebben van een inrichting. Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C. In categorie 28.1, onder a, sub 2, van onderdeel C van bijlage I van het Bor zijn inrichtingen aangewezen voor het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m³ of meer. In categorie 28.10 van onderdeel C van bijlage I bij het Bor zijn, kort weergegeven, als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit aangewezen de inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, tenzij de in die categorie genoemde uitzonderingen van toepassing zijn. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef, van de Wabo wordt onder afvalstoffen verstaan afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Ingevolge het zesde lid, worden afvalstoffen, indien zij een behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan, voldoen aan de ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde criteria en tevens behoren tot het soort afvalstoffen waarop die criteria van toepassing zijn, niet langer als afvalstoffen aangemerkt. Onze Minister kan inzake een afvalstof die een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan, besluiten dat deze niet langer als afvalstof wordt aangemerkt, voor zover voor deze afvalstof geen criteria van toepassing zijn als bedoeld in de eerste volzin en ook overigens wordt voldaan aan artikel 6, vierde lid, eerste volzin, van de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen, preparaten of voorwerpen in ieder geval, onverminderd het bepaalde in de eerste en tweede volzin, worden aangemerkt als afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. Als afvalstoffen worden in elk geval niet aangemerkt stoffen, preparaten of voorwerpen die bijproducten zijn in de zin van artikel 5 van de kaderrichtlijn afvalstoffen, indien deze bijproducten voldoen aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en aan de in een krachtens dat artikel vastgestelde uitvoeringsmaatregel daartoe aangegeven criteria. 4. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een omgevingsvergunning is vereist voor de opslag van de aangetroffen partij carbon black, omdat dit afvalstoffen zijn. Hiertoe voert het college aan dat de partij carbon black door de voormalige huurder van een opslagloods van [wederpartij] aan de [locatie 2] te Deurne is achtergelaten als afvalstof. Het college wijst er in dit verband onder meer op dat de partij afkomstig is van de fabriek van Cabot B.V. te Rozenburg en dat de directeur van Cabot B.V. heeft verklaard dat deze partij een afgekeurd product is waarvan het bedrijf zich heeft ontdaan. 4.1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft in het arrest van 15 juni 2000, C-418/97 en C 419/97, Arco Chemie Nederland e.a. (www.curia.europa.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.