201301856/1/A4. Datum uitspraak: 18 december 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Deurne, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 januari 2013 in zaak nr. 11/3390 in het geding tussen: [wederpartij], gevestigd te [plaats] en het college. Procesverloop Bij besluit van 21 april 2011 heeft het college aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning in werking hebben van een inrichting en het in strijd met het bestemmingsplan opslaan van een partij carbon black op het perceel [locatie] te Deurne. Bij besluit van 6 september 2011 heeft het college het door [wederpartij]. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 januari 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij]. daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 21 april 2011 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [wederpartij]. heeft een verweerschrift ingediend. Het college en [wederpartij]. hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 4 oktober 2013 gevoegd behandeld met zaak nr. 201301658/1/A4, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Schönfeld en mr. V.M.J.A. Corstjens, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij]., vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zijn verschenen. Na zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. Overwegingen 1. Bij besluit van 21 april 2011 heeft het college aan [wederpartij]. (hierna: [wederpartij]) een last onder dwangsom opgelegd wegens het in werking hebben van een inrichting voor het opslaan van een partij carbon black zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is verleend. De last is voorts opgelegd voor het zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in strijd met het bestemmingsplan "Industrieterrein Helmondsingel" (hierna: het bestemmingsplan) opslaan van afvalstoffen. De last houdt in dat [wederpartij] de partij carbon black voor 15 mei 2011 van het perceel dient te verwijderen en verwijderd te houden. 2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 3, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in werking hebben van een inrichting. Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C. In categorie 28.1, onder a, sub 2, van onderdeel C van bijlage I van het Bor zijn inrichtingen aangewezen voor het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m³ of meer. In categorie 28.10 zijn, kort weergegeven, als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit aangewezen de inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, tenzij de in die categorie genoemde uitzonderingen van toepassing zijn. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef, van de Wabo wordt onder afvalstoffen verstaan afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Ingevolge het zesde lid, worden afvalstoffen, indien zij een behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan, voldoen aan de ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde criteria en tevens behoren tot het soort afvalstoffen waarop die criteria van toepassing zijn, niet langer als afvalstoffen aangemerkt. Onze Minister kan inzake een afvalstof die een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan, besluiten dat deze niet langer als afvalstof wordt aangemerkt, voor zover voor deze afvalstof geen criteria van toepassing zijn als bedoeld in de eerste volzin en ook overigens wordt voldaan aan artikel 6, vierde lid, eerste volzin, van de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen, preparaten of voorwerpen in ieder geval, onverminderd het bepaalde in de eerste en tweede volzin, worden aangemerkt als afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. Als afvalstoffen worden in elk geval niet aangemerkt stoffen, preparaten of voorwerpen die bijproducten zijn in de zin van artikel 5 van de kaderrichtlijn afvalstoffen, indien deze bijproducten voldoen aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en aan de in een krachtens dat artikel vastgestelde uitvoeringsmaatregel daartoe aangegeven criteria. 3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een omgevingsvergunning is vereist voor de opslag van de aangetroffen partij carbon black, omdat dit afvalstoffen zijn. Daartoe voert het aan dat de aangetroffen carbon black geen beoogd product is. Uit de aard en herkomst van de partij en de wijze waarop deze is aangetroffen, blijkt dat het een afvalstof is, aldus het college. Voorts voert het college aan dat hergebruik van de partij carbon black niet zeker was en dat mogelijke hergebruik in ieder geval niet als voorzetting van het productieproces kan worden beschouwd. Het college wijst voorts op de omstandigheid dat ten tijde van de aangevallen uitspraak de rechtbank ‘s-Hertogenbosch de directeur van [wederpartij] heeft veroordeeld voor het plegen of medeplegen van het hebben van een inrichting voor de opslag van de afvalstof carbon black zonder een daartoe vereiste vergunning. 3.1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft in het arrest van 15 juni 2000, C-418/97 en C 419/97, Arco Chemie Nederland e.a. (www.curia.europa.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.