201308949/2/R2. Datum uitspraak: 31 december 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: 1. [verzoeker sub 1], wonend te Doetinchem, 2. [verzoeker sub 2], wonend te Wehl, gemeente Doetinchem, 3. [verzoekers sub 3], beiden wonend te Wehl, gemeente Doetinchem, 4. [verzoeker sub 4], wonend te Doetinchem, en anderen, 5. [verzoekers sub 5], beiden wonend te Wehl, gemeente Doetinchem, verzoekers, en de raad van de gemeente Doetinchem, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoekers sub 5], [verzoekers sub 3] en [verzoeker sub 4] en anderen beroep ingesteld. Voorts hebben [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoekers sub 5], [verzoekers sub 3] en [verzoeker sub 4] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoeker sub 4] en anderen hebben nadere stukken ingediend. De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 december 2013, waar [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 3], allen bijgestaan door mr. G.J.M. Immens, [verzoeker sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, [verzoekers sub 5], en de raad, vertegenwoordigd door E. Ketels, werkzaam bij de gemeente, en E. Wentink, R. Barthen en P. Hartskeerl, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gebr. Bouwens Import-Export B.V., vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Roijers, advocaat te Rotterdam, de erven van [persoon A], vertegenwoordigd door M. Penninkhof en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HPG Wonen B.V., vertegenwoordigd door ing. J.C. Verheij, gehoord. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Het verzoek van [verzoeker sub 1] 2. [verzoeker sub 1] richt zich tegen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel en transport van vee" binnen de bestemming "Agrarisch" op de gronden ten zuiden van het perceel Broekstraat 16. [verzoeker sub 1] beoogt met zijn verzoek onomkeerbare gevolgen als gevolg van de inwerkingtreding van dit plandeel te voorkomen. [verzoeker sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte de aanleg van een keerlus mogelijk maakt en vreest hiervan overlast te zullen ondervinden. 2.1. De raad heeft toegelicht te hebben beoogd de realisatie van een keerlus voor het op het perceel Broekstraat 16 aanwezige bedrijf mogelijk te maken. Nu per abuis is verzuimd de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel en transport van vee" op te nemen in enige aan het desbetreffende plandeel toegekende bestemming, komt volgens de raad geen betekenis toe aan deze aanduiding, zodat het plan volgens hem niet voorziet in de aanleg van keerlus op de gronden ten zuiden van het perceel Broekstraat 16. Gelet hierop bestaat aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.2. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het verzoek van [verzoeker sub 1] bestaat geen aanleiding. De verzoeken van [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 5] 3. [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 5] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" dat voorziet in de bouw van een woning nabij het perceel Broekstraat 20. Zij hebben verzocht om terzake een voorlopige voorziening te treffen, teneinde te voorkomen dat kan worden begonnen met de bouw van de woning. 4. Ten aanzien van het betoog dat hun belangen zijn geschaad nu de bouwmogelijkheid eerst bij de vaststelling van het plan daarin is opgenomen, overweegt de voorzitter dat de raad bij de vaststelling wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Deze afwijking van het ontwerp is naar aard en omvang naar het oordeel van de voorzitter niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. 5. [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 5] betogen primair dat de woning ten onrechte is toegestaan met toepassing van het beleidskader "Hergebruik Vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing, nieuwe landgoederen & landelijk wonen in het buitengebied" (hierna: beleidskader functieverandering) zoals vastgesteld op 19 april 2007, nu dit beleidskader per 1 juli 2010 niet meer geldt. Zij betogen subsidiair dat niet aan de voorwaarden uit het beleidskader functieverandering is voldaan, nu onduidelijk is of het plan zal leiden tot een reductie van 50 procent van de bebouwing. 5.1. In het beleidskader functieverandering is vermeld dat in ruil voor de sanering van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied mogelijkheden worden geboden voor de bouw van woningen. De te slopen oppervlakte (m²) kan verruild worden tegen de inhoud (m³) van een nieuwe woning. Hiervoor geldt als spelregel onder meer dat het bebouwd oppervlak (inclusief bijgebouwen) met minimaal 50% dient te worden gereduceerd. 5.2. Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de raad de zogenaamde "Taskforce woningbouw" vastgesteld. Hierin is bepaald dat geen woningbouw meer wordt toegestaan met toepassing van het beleidskader functieverandering, met uitzondering van de woningbouwplannen die reeds bekend waren bij de gemeente. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat deze plannen op een lijst zijn vermeld en dat de onderhavige woning op de lijst staat. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de betreffende woning ten onrechte met toepassing van het beleidskader functieverandering mogelijk is gemaakt. Voorts heeft de raad toegelicht dat in het voorliggende geval een oppervlakte van 731,5 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en dat in plaats hiervan een woning met een inhoud van 531,5 m³ mag worden gebouwd. Door het te slopen oppervlakte in m² om te zetten in de inhoud in m³ die wordt gebouwd, is volgens de raad altijd gegarandeerd dat ten minste 50 procent van de bebouwing zal worden gereduceerd. [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 5] hebben de onjuistheid van deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan de voorwaarden uit het beleidskader functieverandering is voldaan. 6. [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 5] kunnen zich niet verenigen met de locatie waar de woning is voorzien. Zij achten het wenselijk de woning ter plaatse van het voormalige perceel Broekstraat 20 te bouwen. De bouw van de woning op de voorziene locatie brengt volgens hun een onevenredige beperking van hun uitzicht en woongenot met zich. 6.1. Blijkens de verbeelding in samenhang bezien met de planregels, voorziet het plan in de bouw van een woning met een maximale inhoud van 531,5 m³ en een maximale hoogte van 10 meter. De kortste afstand tussen het vlak met de bestemming "Wonen" tot de woning van [verzoeker sub 5B] bedraagt ongeveer 130 meter en de afstand tot de woningen van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 5A] ongeveer 60 meter. De raad heeft toegelicht dat de woning aan de rand van het voormalige agrarische bouwperceel Broekstraat 20 is voorzien en niet op een grotere afstand van de woningen van verzoekers. Dit is volgens de raad vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet mogelijk in verband met de nabijgelegen snelweg. Dat inmiddels een geluidwal is gerealiseerd bij deze snelweg doet hieraan volgens de raad niet af. Gelet hierop acht de voorzitter op voorhand deugdelijk onderbouwd dat het onwenselijk is de woning op de door verzoekers gewenste locatie te bouwen. Gelet op de bouwmogelijkheid waarin het plan voorziet en de afstanden tot de woningen van [verzoeker sub 2], [verzoekers sub 5], ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun uitzicht en woongenot. 7. [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 5] betogen voorts dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de bodemgesteldheid op de locatie waar de woning is voorzien. [verzoekers sub 5] wijzen in dit kader erop dat het bodemonderzoek dat heeft plaatsgevonden, op een andere locatie is verricht. 7.1. Ten behoeve van de realisatie van de woning is bodemonderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Verkennend bodemonderzoek conform NEN-5740" van 21 december 2011 van BOOT organiserend ingenieursburo B.V. (hierna: het bodemonderzoek). Hierin is geconcludeerd dat de kwaliteit van de onderzochte bodem geen belemmering vormt voor het beoogde gebruik als woning met tuin. Ter zitting is gebleken dat het bodemonderzoek niet is verricht op de locatie waar de woning in het plan is voorzien, maar op zeer korte afstand van deze locatie. Ook op deze locatie acht de raad de bodem geschikt, gelet op de conclusie uit het bodemonderzoek en de omstandigheid dat de bodem waar de woning thans is voorzien van vergelijkbare aard - weiland - en volgens hem onverdacht is, hetgeen volgens de raad ook uit de Bodemkwaliteitskaart 2012 blijkt. Verzoekers hebben de onjuistheid hiervan niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat de raad in redelijkheid ervan heeft mogen uitgaan dat de bodemgesteldheid niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 8. In hetgeen [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 5] voor het overige hebben aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden. 9. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 10. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de verzoeken van [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 5] bestaat geen aanleiding. Het verzoek van [verzoekers sub 3] 11. [verzoekers sub 3] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor zover dat voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor het op het perceel Kelderweg 1 gevestigde diervoederbedrijf. Zij hebben verzocht om terzake een voorlopige voorziening te treffen, teneinde te voorkomen dat kan worden begonnen met uitbreiding van het bedrijf. 12. Ten aanzien van het betoog dat hun belangen zijn geschaad omdat de uitbreidingsmogelijkheden eerst bij de vaststelling van het plan daarin zijn opgenomen, overweegt de voorzitter dat de raad bij de vaststelling wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Deze afwijking van het ontwerp is naar aard en omvang naar het oordeel van de voorzitter niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. 13. [verzoekers sub 3] achten het bedrijf dat mogelijk is gemaakt niet passend binnen de omgeving. Zij voeren voorts aan dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat, hoofdzakelijk van hun uitzicht en woongenot. 13.1. In de verbeelding is weergegeven dat aan het plandeel betreffende het perceel Kelderweg 1 de bestemming "Bedrijf" met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - productie van diervoeders" en "maximum oppervlakte (m²) = 1330" is toegekend. Voorts is aan het grootste deel van de perceel de aanduiding "maximale bouwhoogte (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.