← Nederland

ECLI:NL:RVS:2013:285

201109366/1/R

  1. Datum uitspraak: 17 juli 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1], wonend te Ederveen, gemeente Ede,
  3. de vereniging Vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord (hierna: LTO Noord), gevestigd te Zwolle,
  4. [appellant sub 3], wonend te Wekerom, gemeente Ede,
  5. de stichting Stichting Natuur en Recreatie en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: Camping Beek en Hei), gevestigd te Otterlo, gemeente Ede,
  6. [appellant sub 5], wonend te Harskamp, gemeente Ede,
  7. [appellant sub 6], wonend te Barneveld,
  8. [appellant sub 7], wonend te Harskamp, gemeente Ede,
  9. [appellant sub 8], wonend te Ede,
  10. [appellante sub 9], gevestigd te De Klomp, gemeente Ede,
  11. [appellant sub 10], wonend te Otterlo, gemeente Ede,
  12. [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]), wonend te Ede,
  13. [appellant sub 12], wonend te Harskamp, gemeente Ede,
  14. [appellant sub 13], wonend te Otterlo, gemeente Ede,
  15. [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 14]), wonend te Lunteren, gemeente Ede,
  16. [appellante sub 15], gevestigd te Lunteren, gemeente Ede,
  17. [appellant sub 16], wonend te Lunteren, gemeente Ede,
  18. [appellant sub 17], wonend te Harskamp, gemeente Ede,
  19. [appellant sub 18], wonend te Lunteren, gemeente Ede,
  20. [appellant sub 19A] en [appellante sub 19B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 19]), wonend te Lunteren, gemeente Ede,
  21. [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], gevestigd te Lunteren, gemeente Ede,
  22. [appellant sub 21], wonend te Lunteren, gemeente Ede,
  23. [appellant sub 22], wonend te Harskamp, gemeente Ede,
  24. [appellant sub 23], wonend te Harskamp, gemeente Ede,
  25. [appellant sub 24], wonend te Wekerom, gemeente Ede,
  26. [appellant sub 25A] en [appellant sub 25B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 25]), wonend te Ederveen, gemeente Ede,
  27. [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], wonend te Lunteren, gemeente Ede,
  28. [appellant sub 27], wonend te Bennekom, gemeente Ede,
  29. [appellant sub 28A] en [appellant sub 28B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 28]), wonend te Lunteren, gemeente Ede, en de raad van de gemeente Ede, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 juni 2011, nr. 2011/46, heeft de raad het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], LTO Noord, [appellant sub 3], Camping Beek en Hei, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellante sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23] en [appellant sub 24] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], Camping Beek en Hei, [appellant sub 7], [appellante sub 9], [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Bij besluit van 4 oktober 2012, nr. 2012/69, heeft de raad het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede 2012" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], [appellant sub 25], [appellanten sub 26], [appellant sub 27] en [appellant sub 28] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 3], [appellant sub 7], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 25], [appellanten sub 26], [appellant sub 27] en [appellant sub 28] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 en 17 april 2013, waar een aantal partijen ter zitting is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is op 17 april 2013 [belanghebbende]] als partij gehoord. Overwegingen Toetsingskader
  30. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De plannen
  31. Het plan "Agrarisch Buitengebied Ede" voorziet in een actuele juridische regeling voor ruimtelijk relevante zaken in het buitengebied van de gemeente Ede. Het plan is hoofdzakelijk conserverend van aard. Het plan heeft betrekking op het gehele agrarische buitengebied, derhalve het hele grondgebied van de gemeente, exclusief het natuurgebied Veluwe en de kernen Ede, Bennekom, Lunteren, Ederveen, De Klomp, Wekerom, Harskamp en Otterlo. De raad heeft er bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" voor gekozen de besluitvorming gefaseerd te doen plaatsvinden. Nieuwe planologische ontwikkelingen en overgangsrechtelijke situaties zijn beoordeeld en vastgelegd in het plan "Agrarisch Buitengebied Ede 2012" dat het vervolg is op het plan "Agrarisch Buitengebied Ede". De raad ziet de bestemmingsplannen "Agrarisch Buitengebied Ede" en "Agrarisch Buitengebied Ede 2012" als één actualisatieproject.
  32. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover thans van belang en zoals dat luidde ten tijde van belang, brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.
  33. Het besluit van 4 oktober 2012 wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, nu dat besluit mede betrekking heeft op het plangebied waarop ook het besluit van 23 juni 2011 ziet. Gelet op artikel 6:18, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb worden de beroepen van [appellant sub 1], LTO Noord, [appellant sub 3], Camping Beek en Hei, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellante sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23] en [appellant sub 24] geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 oktober 2012, nu dat besluit niet geheel aan hun beroepen tegemoet komt. Hierna zullen eerst de beroepen tegen het besluit van 4 oktober 2012 worden behandeld. Het besluit van 4 oktober 2012 Overgangsrecht
  34. Uit de stukken, waaronder de Nota van uitgangspunten voor de eerste algehele herziening van het Bestemmingsplan Agrarisch Buitengebied 2012 (hierna: de Nota van uitgangspunten), volgt dat de raad uitdrukkelijk heeft beoogd om voor gevallen die met het plan "Agrarisch Buitengebied Ede" opnieuw onder het overgangsrecht vallen te beoordelen of deze als zodanig kunnen worden bestemd of dat in persoonsgebonden overgangsrecht kan worden voorzien. Voor bestaand gebruik dat bestond voor de relevante peildatum en waartegen in verband met het gebruiksovergangsrecht niet kan worden opgetreden, voert de raad het beleid dat dit gebruik als zodanig wordt bestemd.
  35. Ingevolge artikel 33, lid 33.2, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede 2012" (hierna: het plan) mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Ingevolge sub d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  36. Ingevolge artikel 33, lid 33.2, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" van 23 juni 2011 (hierna: het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede") mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Ingevolge ditzelfde lid onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  37. Ingevolge artikel 23 van de planregels van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" van 4 juli 1994 (hierna: het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994) mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing alsmede het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het in dit plan - behoudens in dit artikel - bepaalde en dat bestaat op het tijdstip, waarop het plan voor zover betrekking hebbend op de strijdigheid van dat gebruik van kracht wordt, worden voortgezet en/of gewijzigd, mits door die wijziging de strijdigheid met het plan niet wordt vergroot.
  38. Uit het voorgaande volgt dat als peildatum voor het overgangsrecht de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 geldt, te weten 9 mei
  39. Dit betekent dat het met het plan strijdig gebruik dat bestond op deze peildatum en dat nog steeds bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Dit is slechts anders voor zover het strijdige gebruik rechtens is gewraakt. Voor dit laatste is noodzakelijk dat betrokkene namens het college van burgemeester en wethouders vóór de peildatum 9 mei 1995 op ondubbelzinnige wijze te kennen is gegeven dat sprake is van illegaal gebruik en dat betrokkene duidelijk is gemaakt dat in voortgezette overtreding van dit illegale gebruik niet zal worden berust. De Afdeling verwijst naar de uitspraken van 25 maart 2009, nr. 200803773/1 en 24 juni 2009, nr. 200805092/1/H
  40. Het beroep van [appellant sub 1] Ontvankelijkheid
  41. De raad betoogt dat het beroep voor zover gericht tegen de aanduiding "speciale vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)", zoals dat is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor het perceel [locatie 1] te Ederveen, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat [appellant sub 1] dit planonderdeel niet in zijn zienswijze heeft bestreden. 10.
  42. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht. 10.
  43. [appellant sub 1] is in de zienswijze hoofdzakelijk ingegaan op de planregeling voor zijn perceel [locatie 2]. In de zienswijze staat tevens dat de inhoud van de reactie op het voorontwerpplan als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. In deze inspraakreactie richt [appellant sub 1] zich onder meer tegen de bestemming en de aanduiding ten behoeve van agrarische nevenactiviteiten van het perceel [locatie 1]. Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat [appellant sub 1] de aanduiding "speciale vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)" dat is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor het perceel [locatie 1] niet in zijn zienswijze heeft bestreden. [appellant sub 1] kan derhalve worden ontvangen in zijn beroep voor zover dat is gericht tegen voornoemde aanduiding. Het perceel [locatie 2]
  44. [appellant sub 1] voert aan dat aan zijn perceel [locatie 2] ten onrechte niet de aanduiding "speciale vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)" is toegekend. Hij stelt dat de bestaande agrarische nevenactiviteiten al op grond van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 bestemd hadden moeten worden, omdat in dat plan kleinschalige agrarische bedrijvigheid met een productieomvang tussen de 10 en 50 Standaardbedrijfseenheden (hierna: SBE) werd aangemerkt als een agrarische nevenactiviteit bij wonen. Volgens [appellant sub 1] heeft het agrarisch gebruik op zijn perceel een omvang van 13 SBE. Tot slot wijst hij erop dat aan het perceel [locatie 1] wel de voornoemde aanduiding is toegekend, terwijl de raad het verzoek om deze aanduiding aan zijn perceel toe te kennen niet heeft beoordeeld omdat dit is aangemerkt als een nieuwe ontwikkeling. 11.
  45. Aan het perceel is in het plan de bestemming "Wonen (W)" toegekend. Het plan voorziet niet in de door [appellant sub 1] gewenste aanduiding. 11.
  46. Zoals in overweging 2 is weergegeven vormen de plannen "Agrarisch Buitengebied Ede" en "Agrarisch Buitengebied Ede 2012" tezamen een actualiseringsproject. Uit de Nota van zienswijzen behorende bij het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" en de reactie op het deskundigenbericht, volgt dat de raad het verzoek van [appellant sub 1] om toekenning van de aanduiding voor agrarische nevenactiviteiten als een nieuwe ontwikkeling aanmerkt en dat de raad de beoordeling van dit verzoek daarom heeft doorgeschoven naar het onderhavige plan. 11.
  47. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de beoordeling van het verzoek nog gaande is. Door de raad is ter zitting toegelicht dat recent bedrijfsgegevens zijn overgelegd welke ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet bekend waren. De Afdeling overweegt dat de raad bij het opstellen van het plan de relevante feiten dient vast te stellen en de nodige kennis dient te vergaren over de af te wegen belangen. Dit betekent dat de raad zich op de hoogte dient te stellen van de aard en omvang van bestaand gebruik en tevens of dit gebruik legaal of illegaal is, zodat een keuze gemaakt kan worden of een, en zo ja welke, regeling met betrekking tot het gebruik in het plan wordt opgenomen. Gelet op de zienswijze van [appellant sub 1] waarin is vermeld dat het agrarisch gebruik op het perceel al sinds 1994 een omvang heeft van 13 SBE en gelet op het actualiseringsproject, had het op de weg van de raad gelegen om de voor de beoordeling van het verzoek van [appellant sub 1] benodigde informatie uiterlijk bij de vaststelling van het plan "Agrarisch Buitengebied Ede 2012" te verkrijgen. Dit is niet gebeurd. Het opnieuw doorschuiven van de beoordeling van de gewenste aanduiding acht de Afdeling niet aanvaardbaar. Gelet hierop is het plan in zoverre niet voldoende zorgvuldig voorbereid. Overigens heeft de raad ter zitting meegedeeld dat [appellant sub 1] op basis van de aangeleverde gegevens volgens de gehanteerde uitgangspunten bij de volgende planherziening, die naar verwachting begin 2014 zal worden vastgesteld, in aanmerking kan komen voor een aanduiding ten behoeve van agrarische nevenactiviteiten.
  48. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor het perceel [locatie 2] te Ederveen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden met betrekking tot dit plandeel behoeven derhalve geen bespreking meer. Het perceel [locatie 1]
  49. Volgens [appellant sub 1] is in het plan aan het perceel [locatie 1] ten onrechte de aanduiding "speciale vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)" toegekend. Hij voert hiertoe aan dat de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" voor dit perceel uit het vorige plan bij uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2005 is vernietigd. Het toekennen van de aanduiding is in strijd met het uitgangspunt van het plan dat nieuwe ontwikkelingen niet mogen worden meegenomen. Verder stelt [appellant sub 1] dat de raad zijn bevoegdheid om de bestemming op het perceel te wijzigen ten onrechte voor een ander doel heeft aangewend dan waartoe deze is gegeven. Tevens heeft [appellant sub 1] betoogd dat de vaststelling van de aanduiding op onjuistheden en bedrog is gebaseerd. 13.
  50. De raad brengt naar voren dat de woonbestemming met de aanduiding voor agrarische nevenactiviteiten uit een vorig bestemmingsplan diverse malen is aangevochten, maar dat deze bestemming en aanduiding met de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2007 onherroepelijk zijn geworden. Deze aanduiding is overgenomen in dit plan. 13.
  51. Het plan voorziet voor het perceel [locatie 1] in de bestemming "Wonen (W)" met de aanduiding "speciale vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)". Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Wonen (W)" aangewezen gronden als volgt bestemd: a. wonen; b. ter plaatse van de aanduiding "speciale vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)", zijn tevens agrarische nevenactiviteiten toegestaan; (…) 13.
  52. Bij besluit van 19 december 2002 heeft de raad het bestemmingsplan "Artikel 30-herziening Agrarisch Buitengebied" vastgesteld. In dat plan is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" en de aanduiding "agrarische nevenactiviteit" toegekend. Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2005 met zaak nr. 200408044/1 opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. In haar uitspraak van 14 maart 2007 (zaak nr. 200604350/1) heeft de Afdeling het daartegen door [appellant sub 1] ingestelde beroep ongegrond verklaard. 13.
  53. De Afdeling overweegt dat het goedkeuringsbesluit van 21 maart 2006 met de voornoemde uitspraak van 14 maart 2007 in rechte onaantastbaar is geworden en dat daarmee het bestemmingsplan "Artikel 30-herziening Agrarisch Buitengebied" ook voor zover betrekking hebbend op het plandeel voor het perceel [locatie 1] in werking is getreden. Aangezien dat bestemmingsplan reeds voorzag in de aanduiding "agrarische nevenactiviteit", heeft de raad terecht het standpunt ingenomen dat met het toekennen van de bestreden aanduiding in dit plan geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling. 13.
  54. Wat betreft de vrees van [appellant sub 1] dat als gevolg van de aanduiding recht voor zijn huis een rijhal voor paarden kan worden opgericht, overweegt de Afdeling dat aan de door hem bedoelde gronden de bestemming "Agrarisch (A)" zonder bouwvlak is toegekend en derhalve niet de bestreden aanduiding. Gelet op de van toepassing zijnde bouwregels staat het plan de bouw van een rijhal ter plaatse niet toe. Ter zitting heeft [appellant sub 1] desgevraagd verder niet kunnen aangeven welke materiële bezwaren hij tegen de aanduiding heeft. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat op het perceel geen kleinschalige agrarische activiteiten meer worden verricht, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad vanuit ruimtelijk oogpunt van het toekennen van de betwiste aanduiding aan het perceel had moeten afzien. 13.
  55. Het aangevoerde geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad bij de besluitvorming met betrekking tot de vaststelling van de aanduiding van onjuiste gegevens is uitgegaan. Anders dan [appellant sub 1] meent, kan uit de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2012 met zaak nr. 201111253/1/A1 (www.raadvanstate.nl) geenszins worden afgeleid dat bij het destijds gedane verzoek door de eigenaar van het perceel [locatie 1] om de agrarische activiteiten planologisch toe te staan sprake is geweest van bedrog. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van het bestemmingsplan heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. 13.
  56. Voor zover [appellant sub 1] bezwaren heeft aangevoerd tegen de verleende bouwvergunning aan de eigenaar van het perceel [locatie 1] dan wel bezwaren naar voren heeft gebracht over andere procedures, overweegt de Afdeling dat deze in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. 13.
  57. Voor zover [appellant sub 1] zich in het beroepschrift voor het overige heeft beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn inspraakreactie, wordt overwogen dat in de Nota van inspraak en vooroverleg en een begeleidende brief is ingegaan op deze inspraakreactie. In het beroepschrift, noch ter zitting zijn redenen aangevoerd waarom de weerlegging daarvan onjuist zou zijn.
  58. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)" zoals dat is toegekend aan het perceel [locatie 1] te Ederveen, ongegrond. Het beroep van LTO Noord
  59. LTO Noord kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan voor zover dit ziet op de plandelen met de bestemming "Agrarisch (A)". Hiertoe voert zij in de eerste plaats aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aard van de in het plangebied aanwezige bedrijven in relatie tot de hiervoor mogelijke uitbreidingsruimte. Volgens haar is het met het oog op een goede ruimtelijke ordening nodig dat de agrarische bedrijven worden onderscheiden in verschillende typen, zodat per type kan worden bepaald wat de uitbreidingsmogelijkheden zijn. Zij stelt dat nu dit niet is gedaan ook voor niet-intensieve veehouderijen in verwevingsgebied een maximale uitbreiding geldt van 30%, hetgeen verder gaat dan nodig is op grond van het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost (hierna: het Reconstructieplan). 15.
  60. De raad stelt dat voldoende onderzoek is gedaan naar de agrarische bedrijven in het buitengebied, doch dat geen aanleiding is gezien in het plan onderscheid te maken tussen verschillende typen agrarische bedrijven. Volgens de raad hangt dit samen met het percentage intensieve veehouderijen in het buitengebied van Ede. De raad stelt daarnaast dat het Reconstructieplan zich weliswaar primair richt op intensieve veehouderijen, maar dat dit geen aanleiding vormt om verschillende typen agrarische bedrijven te onderscheiden in het plan. Verder wijst de raad erop dat de lijn zoals die gold ten tijde van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 wordt voortgezet. 15.
  61. In het Reconstructieplan is vermeld dat de hierin opgenomen reconstructiezonering betrekking heeft op de intensieve veehouderij. De zonering intensieve veehouderij geeft ruimtelijke sturing aan de concentratie en ontwikkeling van intensieve veehouderij in landbouwontwikkelingsgebieden en de geleidelijke afbouw van de intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden. Om deze dynamiek ook daadwerkelijk op gang te brengen zijn aan de zonering regulerende en stimulerende maatregelen gekoppeld. 15.
  62. De Afdeling begrijpt het betoog van LTO Noord aldus dat zij zich niet kan verenigen met de door de raad gehanteerde plansystematiek nu hierin agrarische bedrijven niet worden onderscheiden naar type, maar naar omvang en ligging. Hieromtrent wordt overwogen dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan de raad vrijheid toekomt om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Van belang is dat het Reconstructieplan, anders dan LTO Noord betoogt, de raad niet beperkt in zijn mogelijkheden om zelf met het oog op een goede ruimtelijke ordening voorwaarden te verbinden aan uitbreiding van niet-intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied. De raad heeft in dit verband overwogen dat uitbreiding van niet-intensieve veehouderijen vanuit landschappelijk oogpunt onwenselijk is aangezien dit tot verdere verstening van het buitengebied leidt. Hierbij heeft de raad betrokken dat het buitengebied landschappelijk gevoelig is en dat extra bebouwing derhalve steeds maatwerk vereist, onder meer wat betreft de landschappelijke inpassing hiervan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat enige uitbreiding onder omstandigheden toelaatbaar kan zijn, doch dat hier een aparte procedure voor is aangewezen. Gezien het eerder genoemde belang bij het tegengaan van verstening in een landschappelijk kwetsbaar gebied, acht de Afdeling dit niet onredelijk. Daarbij komt dat het plan uitbreiding van de agrarische bedrijven niet in het geheel uitsluit. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat de gekozen plansystematiek leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van LTO Noord. Het betoog faalt.
  63. LTO Noord voert voorts aan dat de in artikel 3.4.9 van de planregels vervatte voorwaarden voor afwijking van de planregels in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, nu deze ten onrechte voor alle agrarische bedrijven in het extensiveringsgebied gelden. Volgens haar gaat een dergelijke beperking van de uitbreidingsmogelijkheden verder dan noodzakelijk is op grond van het Reconstructieplan. In dit verband stelt zij dat in het Reconstructieplan slechts is bepaald dat uitbreidingsbeperkingen dienen te worden opgelegd aan de vestiging of uitbreiding van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied. Verder is ten onrechte niet voorzien in compenserende maatregelen voor andere agrarische bedrijven dan intensieve veehouderijen. 16.
  64. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.9 van de planregels, voor zover thans van belang, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1, onder d, sub 1 en 2, verlenen voor het vergroten van de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied", met inachtneming van de volgende bepalingen: a. het vergroten van de oppervlakte is noodzakelijk in verband met wettelijke vereisten in het kader van dierenwelzijn en/of milieuwetgeving; er vindt geen toename plaats van het aantal dieren; b. de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen mag maximaal worden vergroot met 10% van de bestaande gebouwen en overkappingen (…). 16.
  65. LTO Noord heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet-intensieve veehouderijen ten gevolge van voornoemde afwijkingsregels in onevenredige mate worden beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden. Hiertoe is allereerst van belang dat, zoals hiervoor is overwogen onder 15.3, het Reconstructieplan de raad niet beperkt in zijn mogelijkheden om regels te stellen aan niet-intensieve veehouderijen. De enkele verwijzing van LTO Noord naar het Reconstructieplan is derhalve onvoldoende om haar betoog in zoverre te dragen. Voorts is van betekenis dat de raad onweersproken heeft gesteld dat de vaste maatvoering van agrarische bedrijven bij recht met 10% kan worden uitgebreid ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Agrarisch buitengebied". Nu LTO Noord voor het overige geen argumenten naar voren heeft gebracht die tot de conclusie moeten leiden dat de raad niet in redelijkheid aan de uitbreiding van alle agrarische bedrijven in extensiveringsgebied regels heeft kunnen verbinden als bedoeld in artikel 3, lid 3.4.9, van de planregels, faalt het betoog in zoverre. Gelet hierop valt niet in te zien dat de raad in redelijkheid gehouden was compenserende maatregelen in de planregels op te nemen voor niet-intensieve veehouderijen.
  66. LTO Noord wijst tot slot op artikel 3, lid 3.8.2 van de planregels en stelt dat het in verwevingsgebieden ten onrechte niet mogelijk is om van een middelgroot agrarisch bouwvlak naar een groot agrarisch bouwvlak te groeien zoals dat op grond van voornoemd artikel in landbouwontwikkelingsgebieden wel mogelijk is. 17.
  67. De raad stelt dat een groei van een agrarisch middelgroot bedrijf naar een agrarisch groot bedrijf in het verwevingsgebied niet mogelijk is voor intensieve veehouderijen volgens het Reconstructieplan en dat er geen aanleiding bestaat hiervan af te wijken in geval van niet-intensieve veehouderijen. 17.
  68. In het Reconstructieplan is bepaald dat in de verwevingsgebieden uitbreiding van en omschakeling (gebruikmakende van een bestaande locatie) naar intensieve veehouderijen, binnen de ter plekke beschikbare milieugebruiksruimte is toegestaan. Vergroting van het bouwperceel bij uitbreiding van intensieve veehouderijen kan volgens het Reconstructieplan pas aan de orde zijn wanneer deze uitbreiding door de betreffende gemeente is getoetst aan de ter plaatse van belang zijnde omgevingskwaliteiten (landschap, natuur en/of water). Bij deze toets zullen een te overleggen ondernemingsplan en de mogelijkheden van landschappelijke inpassing worden betrokken. Eventuele vergroting van het bouwperceel wordt in ieder geval beperkt tot een éénmalige uitbreiding van maximaal 30% van het bestaande bouwperceel, aldus het Reconstructieplan. 17.
  69. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder d, van de planregels, voor zover thans van belang, mag de totale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen per bouwvlak of een gekoppeld bouwvlak, niet meer bedragen dan:
  70. 2.500 m² ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf middelgroot (sa-abm)", tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
  71. 5.000 m² ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf groot (sa-abg)", tenzij anders op de verbeelding is aangegeven. Ingevolge lid 3.8.2, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch middelgroot (sa-abm)" te wijzigen in de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf groot (sa-abg)", met inachtneming van de volgende bepalingen (…). 17.
  72. Vaststaat dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" burgemeester en wethouders bevoegd zijn de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch middelgroot (sa-abm)" te wijzigen in "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf groot (sa-abg)". De raad stelt in dit verband terecht dat een dergelijke wijzigingsbevoegdheid voor alle agrarische bedrijven, die de uitbreiding van het maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing tot gevolg heeft van 2.500 m2 naar 5.000 m2, niet past binnen het Reconstructieplan nu dit uitgaat van een eenmalige maximale vergroting van 30%. LTO Noord heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet opnemen van een wijzigingsbevoegdheid als hier bedoeld voor niet-intensieve veehouderijen in verwevingsgebied leidt tot een onevenredige beperking van hun uitbreidingsmogelijkheden. De enkele stelling dat behoefte bestaat aan uitbreidingsmogelijkheden in verband met schaalvergroting is hiertoe onvoldoende. Het betoog faalt.
  73. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3]
  74. [appellant sub 3] betoogt dat de bestemming "Wonen (W)" voor zijn perceel [locatie 3] te Wekerom onduidelijk is en geen recht doet aan de bestaande situatie. Hij stelt dat - gelet ook op de planologische mogelijkheden op omliggende percelen - de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteiten (sw-an)" had moeten worden toegekend aan zijn perceel. Te meer nu de raad volgens [appellant sub 3] geen planologische bezwaren heeft tegen het als zodanig bestemmen van de bestaande situatie en het gebruik al 17 jaar onder het overgangsrecht valt. Verder stelt hij dat de paardenstal op zijn perceel niet is aan te merken als een schuilgelegenheid en dat deze binnen het bouwvlak moet worden bestemd. Ook is volgens hem onduidelijk of de op zijn perceel aanwezige mestopslag en de buitenopslag van kuilgras, de zogenoemde foerageopslag, kunnen worden aangemerkt als kleine aan het gebruik bij een schuilgelegenheid gerelateerde opslag. 19.
  75. De raad stelt dat op hobbymatige basis paarden worden gehouden, nu hiervoor geen melding is gedaan of vergunning is verleend op grond van de Wet milieubeheer. Gelet hierop is de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteiten (sw-an)" niet toegekend. Het hobbymatig houden van paarden is binnen de bestemming toegestaan. De raad stelt daarnaast dat aan de door [appellant sub 3] genoemde percelen wel voornoemde aanduiding is toegekend omdat dit gebruik, anders dan in het geval van [appellant sub 3], ook was toegestaan op grond van het vorige bestemmingsplan. De raad stelt voorts dat de paardenstal is vergund als klein agrarisch gebouw buiten het bouwperceel, zoals schuilgelegenheden van vee en opslagschuurtjes voor gereedschap. De paardenstal kan volgens de raad worden aangemerkt als een schuilgelegenheid als bedoeld in artikel 1 van de planregels. De op het perceel aanwezige mestopslag en foerageopslag kunnen gelet op de omvang in relatie tot de omvang van de paardenstal worden aangemerkt als kleinschalige opslag bij een schuilgelegenheid en zijn derhalve eveneens als zodanig bestemd, aldus de raad. 19.
  76. Uit de Nota van uitgangspunten volgt dat het beleidsmatig ongewenst is om bij woonbestemmingen de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteiten (sw-an)" toe te voegen, in de eerste plaats omdat dit een beslag legt op de spaarzame milieuruimte voor de uitbreiding van agrarische bedrijven en daarnaast omdat het verrommeling van het landschap veroorzaakt. Tot slot is het onwenselijk omdat het een beleidsmatige scheefgroei in de hand werkt ten aanzien van de zware eisen die gesteld worden aan de vestiging van agrarische bedrijven. Gelet hierop voert de raad het beleid dat vanaf het moment van vaststelling van de nota in beginsel geen medewerking wordt verleend aan het toevoegen van de aanduiding bij een woonbestemming. Voor bestaande situaties geldt dat indien de productieomvang van de agrarische activiteit meer is dan 5 Nederlandse Grootte Eenheid (hierna: NGE), het perceel in aanmerking komt voor de planologische toevoeging van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteiten (sw-an)". Het is volgens de Nota van uitgangspunten van belang dat onomstotelijk wordt aangetoond dat sinds geruime tijd agrarische activiteiten ontplooid worden op het betreffende perceel. Om dit aan te tonen dient er sprake te zijn van een geldige milieuvergunning of een melding. Tevens dient uit zogenoemde mei-tellingen te blijken dat de agrarische activiteiten een aantal jaren onafgebroken zijn uitgeoefend op het perceel. Als richtsnoer wordt hierbij uitgegaan van minimaal 3 jaar voorafgaand aan de vaststelling van de nota. De eigenaar van de woning dient bovendien zelf de nevenactiviteit te hebben geëxploiteerd, aldus de Nota van uitgangspunten. 19.
  77. Vaststaat dat aan een deel van het perceel van [appellant sub 3] de bestemming "Wonen (W)" met de aanduiding "maximum oppervlakte (m2) bijgebouwen = 192" is toegekend. Aan het overige deel van het perceel van [appellant sub 3] is de bestemming "Agrarisch (A)" toegekend. Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder agrarische nevenactiviteit verstaan: een kleinschalige agrarische activiteit bij een woning gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder begrepen bomen en heesters, en/of het houden van dieren, waarbij opslag van ter plaatse voortgebrachte producten is toegestaan. Ingevolge ditzelfde artikel wordt onder schuilgelegenheid verstaan: Een overdekte ruimte voor weidedieren dat tot doel heeft het bieden van bescherming tegen weersomstandigheden waarbij (buiten)opslag niet is toegestaan met uitzondering van kleinschalige aan het gebruik gerelateerde opslag (onder andere voerproducten, stro, hooi en mest). Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, sub 3, voor zover thans van belang, zijn bestaande hulpgebouwen en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak toegestaan, inclusief noodzakelijke keerwanden met een maximale hoogte van 1 meter ten behoeve van kleinschalige aan het gebruik gerelateerde opslag. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, voor zover thans van belang, zijn de voor "Wonen (W)" aangewezen gronden bestemd voor wonen met daaraan ondergeschikt aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsactiviteiten en een paardenbak. Ingevolge artikel 28, lid 28.1, onder a, moeten de op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds-, hellings- en oppervlaktematen, met uitzondering van bijgebouwen bij woningen en woongebouwen als bedoeld in artikel 15.2.5 van dit plan, die meer bedragen dan de maximale maten welke in hoofdstuk 2 zijn voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden. 19.
  78. De Afdeling gaat uit van de volgende feiten. Op 16 juli 1998 is een bouwvergunning en een vrijstelling van het toen geldende bestemmingsplan verleend voor het oprichten van een paardenstal ter grootte van 85 m2 . De paardenstal bestaat uit vijf boxen en opslagruimte. De stal is aangesloten op water en elektriciteit. De mestopslag is in 1998 met vergunning gerealiseerd en is voorzien van keerwanden met een hoogte van 1,30 meter. In de mestopslag wordt 30-40 m3 mest per kwartaal gestort. De overige bijgebouwen worden volgens de vergunning gebruikt voor wonen. 19.
  79. Niet in geschil is dat de bestaande agrarische activiteiten op het perceel van [appellant sub 3] niet voldoen aan de vereisten voor het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteiten (sw-an)" zoals verwoord in de Nota van uitgangspunten. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de Nota van uitganspunten geen aanleiding vormt de aanduiding toe te kennen. Van belang is dat, anders dan [appellant sub 3] stelt, de raad wel planologische bezwaren heeft tegen het toekennen van de aanduiding. Zo heeft de raad onder meer overwogen dat het toestaan van agrarische nevenactiviteiten leidt tot verrommeling van het buitengebied. Voorts is door [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn bestaande activiteiten niet kan voortzetten onder de bestemmingen "Wonen (W)" en "Agrarisch (A)" die aan zijn perceel zijn toegekend, zodat dan ook niet is gebleken dat een deel van zijn activiteiten met het plan onder het overgangsrecht is gebracht. Ten aanzien van de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met de bestemmingen voor de omliggende percelen, te weten de nummers 62, 64, 70, 74 en 75, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat voor deze percelen in het vorige bestemmingsplan ook al gold dat agrarische nevenactiviteiten waren toegestaan. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hem genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Gelet op het voorgaande heeft de raad in de concrete omstandigheden van het geval geen aanleiding behoeven te zien af te wijken van de Nota van uitgangspunten. Het betoog faalt. 19.5.
  80. Wat betreft de paardenstal overweegt de Afdeling als volgt. Vaststaat dat de paardenstal is gesitueerd in het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)". Op grond van de hiervoor geldende planregels, zoals deze onder 19.3 zijn weergegeven, is een bestaande schuilgelegenheid toegestaan buiten het bouwvlak. Anders dan de raad stelt, kan de paardenstal, zoals hiervoor omschreven onder 19.4, niet worden aangemerkt als een schuilgelegenheid als bedoeld in artikel 1 van de planregels. Hiertoe is van belang dat de paardenstal niet louter is bedoeld om bescherming te bieden tegen de weersomstandigheden. Een dergelijke kwalificatie van het gebruik geeft geen blijk van een juiste opvatting van het feitelijk vergunde gebruik als paardenstal. Dit betekent dat de paardenstal, anders dan door de raad kennelijk is beoogd, niet als zodanig is bestemd. Het plan is in zoverre niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid genomen. Nu uit het voorgaande volgt dat de paardenstal niet kan worden gekwalificeerd als een schuilgelegenheid in de zin van artikel 1 van de planregels, kan evenmin worden geoordeeld dat de mestopslag en foerageopslag als zodanig zijn bestemd. Deze zijn immers slechts toegestaan bij een schuilgelegenheid, waarvan in dit geval geen sprake is. Dit betekent dat ook de mestopslag en foerageopslag, beide legaal gerealiseerd, anders dan de raad heeft beoogd niet als zodanig zijn bestemd. Ook in zoverre is het plan derhalve niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid genomen. Het betoog slaagt in zoverre.
  81. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit niet voorziet in een paardenstal, mest- en foerageopslag op het perceel [locatie 3] te Wekerom, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Gelet op het voorgaande is het beroep voor het overige ongegrond. Het beroep van Camping Beek en Hei
  82. Camping Beek en Hei kan zich niet verenigen met de in artikel 3 van de planregels opgenomen mogelijkheid van kleinschalig kamperen op gronden met een agrarische bestemming. Hiertoe voert zij aan dat zij door het soepele beleid dat geldt voor kleinschalig kamperen wordt benadeeld in haar bedrijfsvoering. Er is volgens haar sprake van concurrentievervalsing. Zij stelt dat het plan een overaanbod van kamperen tot gevolg heeft, hetgeen volgens haar in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 21.
  83. De raad stelt dat er geen planologische aanknopingspunten zijn om het kleinschalig kamperen te onderwerpen aan dezelfde eisen als reguliere recreatiebedrijven, nu deze niet met elkaar zijn te vergelijken. De raad stelt verder dat de marktomstandigheden zich lenen voor uitbreiding van het aanbod van minicampings. De raad licht toe dat het aanbod op reguliere campings verschuift van standplaatsen van kampeermiddelen naar jaarrond te gebruiken recreatiebungalows. Hierdoor komt er ruimte op de markt om op andere plekken standplaatsen voor kampeermiddelen mogelijk te maken. De raad stelt tot slot dat het aantal minicampings wordt gemonitord. 21.
  84. Ingevolge artikel 3, lid 3.5, onder e, mogen voor "Agrarisch (A)" aangewezen gronden niet worden gebruikt ten behoeve van kleinschalig kamperen. Ingevolge lid 3.6.2, voor zover thans van belang, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder e, voor het toestaan van kleinschalig kamperen bij agrarische bedrijven, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de omgevingsvergunning kan niet worden verleend voor gronden ter plaatse van de aanduiding "Waarde - Waardevol Open Landschap (wr-wol)"; b. het aantal standplaatsen mag niet meer bedragen dan 25; c. het kleinschalig kamperen moet in of aansluitend aan het bouwvlak worden gerealiseerd; d. de omgevingsvergunning wordt niet verleend voor permanente bewoning van kampeermiddelen; e. in afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 mag een extra oppervlak van 75 m² aan sanitairgebouwen en recreatieruimten worden gebouwd; (…) h. er wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen niet minder mag bedragen dan 110% van het aantal standplaatsen; i. de afstand tussen de gronden in gebruik ten behoeve van kleinschalig kamperen en het meest nabij gelegen bouwperceel van derden mag niet minder bedragen dan 50 meter; j. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een landschapsinpassingsplan; k. het kleinschalig kamperen leidt niet tot een onevenredige aantasting van de ecologische hoofdstructuur ter plaatse van de aanduiding "Waarde - Ecologische Hoofdstructuur (wr-ehs)"; l. het kleinschalig kamperen leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; m. het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning onder de voorwaarde dat het kleinschalig kamperen wordt beëindigd zodra het agrarische bedrijf wordt beëindigd.
  85. Hoewel niet uitgesloten is dat Camping Beek en Hei concurrentie kan ondervinden van het zogenoemde kamperen bij de boer dat het plan mogelijk maakt, stelt de Afdeling voorop dat geen aanleiding bestaat om in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter zake regulerend op te treden. Voor zover Camping Beek en Hei stelt dat het plan in zoverre een onaanvaardbare weerslag zal hebben op de ruimte, onder meer wat betreft eventuele verrommeling ten gevolge van optredende leegstand op haar camping en andere campings in het buitengebied, is van belang dat zij dit niet met feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij betrekt de Afdeling dat de bouwmogelijkheden voor kleinschalig kamperen beperkt zijn en dat het kleinschalig kamperen in of aansluitend aan het agrarisch bouwvlak moet worden gerealiseerd. In zoverre verschilt dit plan ook van het plan dat aan de orde was in de uitspraak van 5 december 2012, nr. 201200385/1/R
  86. Het betoog faalt.
  87. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het beroep van [appellant sub 5]
  88. [appellant sub 5] betoogt dat ten onrechte niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf groot (sa-abg)" is toegekend aan zijn perceel [locatie 4] te Harskamp. Hiertoe voert hij aan dat zijn agrarisch bedrijf niet kan worden aangemerkt als een agrarische nevenactiviteit als bedoeld in artikel 1 van de planregels. Volgens hem is in 2001 een milieuvergunning verleend voor het houden van 17244 legkippen, 20 melkkoeien en 25 stuks jongvee op zijn perceel, zodat sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf van 74,5 NGE. 24.
  89. De raad stelt dat het perceel in het bestemmingsplan "Agrarisch buitengebied" uit 1994 was aangewezen voor wonen met daaraan ondergeschikte agrarische nevenactiviteiten. Volgens de raad staat de toegekende bestemming niet in de weg aan voortzetting van het bedrijf, nu de kleinschaligheid van een agrarisch bedrijf niet wordt bepaald aan de hand van NGE maar aan de hand van bebouwingsmogelijkheden. 24.
  90. Uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant sub 5] vanaf 1979 een pluimveehouderij exploiteert op het perceel. De schuren op het perceel die worden gebruikt voor de pluimveehouderij zijn in 1979 opgericht zonder bouwvergunning en hebben een omvang van 1800 m
  91. Sinds 2001 beschikt het bedrijf over een milieuvergunning. Volgens het deskundigenbericht worden 17.242 stuks pluimvee gehouden. 24.
  92. Vaststaat dat aan het perceel de bestemmingen "Wonen (W)" en "Agrarisch (A)" zijn toegekend. Tevens is de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)" toegekend aan de gronden met de bestemming "Wonen (W)". Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder agrarische nevenactiviteit verstaan: een kleinschalige agrarische activiteit bij een woning gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder begrepen bomen en heesters, en/of het houden van dieren, waarbij opslag van ter plaatse voortgebrachte producten is toegestaan. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, zijn ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)", tevens agrarische nevenactiviteiten toegestaan. 24.
  93. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad aldus dat het feitelijk bestaande gebruik op grond van het plan kan worden voortgezet. Nu de feiten zoals weergegeven onder 24.2 door de raad niet zijn weersproken gaat de Afdeling uit van de juistheid hiervan. Gelet op de omvang van de bedrijfsbebouwing, alsmede de omvang van de dierbezetting, zoals vergund in 2001, kan de raad niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het feitelijk bestaande gebruik kan worden aangemerkt als een kleinschalige agrarische nevenactiviteit als bedoeld in artikel 1 van de planregels. Dit betekent dat het feitelijk bestaande gebruik, anders dan de raad stelt, niet als zodanig is bestemd. Dit klemt te meer nu niet is gebleken dat de raad ruimtelijke bezwaren heeft tegen het als zodanig bestemmen van het feitelijk bestaand gebruik. Het besluit is in zoverre reeds daarom ondeugdelijk gemotiveerd. Het betoog slaagt.
  94. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" en het planonderdeel "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)" voor het perceel [locatie 4] te Harskamp, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 6]
  95. [appellant sub 6] betoogt dat de bestemming "Buurtschap", die gold op grond van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 en die woningbouw toestond, ten onrechte niet in het plan is overgenomen voor zijn percelen aan de Lagevalkseweg te Lunteren en de Edeseweg te Wekerom. Volgens hem wordt hij hierdoor onevenredig in zijn belangen geschaad. Hij stelt daarnaast dat een dergelijke handelwijze in strijd is met de conserverende doelstelling van het plan. 26.
  96. De raad stelt dat niet langer de mogelijkheid voor woningbouw in de vorm van buurtschappen is opgenomen in het plan omdat het beleid dienaangaande is gewijzigd. De raad wijst op de Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten alsmede het Ontwikkelingsplan Buitengebied Ruimte voor Kwaliteit (hierna: het Ontwikkelingsplan). De raad merkt tot slot op dat woningbouw niet zonder meer was toegestaan op grond van het vorige bestemmingsplan, nu dit niet als zodanig was bestemd maar door middel van vaststelling van een wijzigingsplan mogelijk kon worden gemaakt. 26.
  97. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In dit verband is van belang dat sinds de vaststelling van het voorheen geldende bestemmingsplan zowel het provinciaal als het gemeentelijk beleid is gewijzigd. In de Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteit is bepaald dat bij sloop van agrarische bedrijfsgebouwen de nieuw te bouwen woningen in de regel op het voormalige bedrijfsperceel gebouwd dienen te worden, teneinde verstening van het buitengebied tegen te gaan. Het Ontwikkelingsplan heeft hieraan toegevoegd dat woningbouw niet mag worden gerealiseerd in het landbouwontwikkelingsgebied. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bijzondere omstandigheden aanleiding geven af te wijken van dit beleid. Hierbij betrekt de Afdeling dat woningbouw op de percelen van [appellant sub 6] op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan niet zonder meer mogelijk was, maar slechts na de vaststelling van een wijzigingsplan. Voor het perceel aan de Edeseweg geldt bovendien ook in dit plan een wijzigingsbevoegdheid naar wonen gelet op artikel 31, lid 31.1, van de planregels. Voorts heeft [appellant sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat hem een concrete toezegging is gedaan dat aan zijn percelen een woonbestemming zou worden toegekend. Tot slot is van belang dat hoewel het plan hoofdzakelijk conserverend van aard is, dit niet betekent dat elke verandering ten opzichte van vorige bestemmingsplannen is uitgesloten. Te meer nu, naar de raad onweersproken stelt, de wijzigingsbevoegdheid op grond waarvan woningbouw mogelijk was op de percelen van [appellant sub 6], al geruime tijd niet wordt toegepast vanwege voornoemd gewijzigd beleid. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van een woonbestemming aan de percelen van [appellant sub 6]. Het betoog faalt.
  98. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het beroep van [appellant sub 7]
  99. [appellant sub 7] heeft zijn beroep, voor zover dit is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" voor zijn perceel [locatie 5] te Harskamp, ter zitting ingetrokken.
  100. [appellant sub 7] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een woning op het perceel [locatie 6] te Harskamp. Hij stelt dat op 11 mei 1966 vergunning is verleend voor het gebruik voor wonen en dat het sedertdien als zodanig wordt gebruikt. Volgens hem is het gebruik voor wonen hierdoor in dit plan opnieuw onder het overgangsrecht gebracht. Dat de raad het gebruik zou hebben gewraakt is volgens hem niet aannemelijk gemaakt en is bovendien geen omstandigheid die ertoe zou moeten leiden dat het gebruik niet als zodanig wordt bestemd, aldus [appellant sub 7]. 29.
  101. De raad betwist dat het gebruik voor een tweede woning onder het overgangsrecht valt van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit
  102. De raad stelt dat voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan uit 1994 de toenmalig eigenaar is aangeschreven dat de bewoning niet is toegestaan op basis van het bestemmingsplan en dat de gemeente hierin niet zal berusten. Volgens de raad is het gebruik hiermee gewraakt, en valt het daarom niet onder de werking van het overgangsrecht. De raad stelt voorts dat geen vergunning is verleend voor splitsing van een woning of een tweede woning op het perceel. 29.
  103. Vaststaat dat de woning op het perceel [locatie 6] in het plan en in het vorige bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" niet als zodanig is bestemd. Vaststaat eveneens dat het perceel in het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 en het bestemmingsplan "Artikel 30-herziening Agrarisch Buitengebied" was aangewezen voor "Agrarisch ontginningslandschap Wekerom". Niet in geschil is dat het gebruik voor wonen hiermee niet in overeenstemming was. 29.
  104. Niet in geschil is dat de woning sinds 1965 wordt bewoond en dat op de peildatum 9 mei 1995 de woning werd bewoond. Volgens artikel 23 van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994, zoals hiervoor onder 8 is weergegeven, betekent dit dat het gebruik onder het overgangsrecht valt van dat plan. Nu de woning tevens werd bewoond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en het vorige bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede", valt het gebruik voor wonen, behoudens tijdig gewraakt gebruik, opnieuw onder het overgangsrecht. Verwezen wordt naar hetgeen hiertoe is overwogen onder
  105. 29.3.
  106. Voor de vraag of de raad gevolgd kan worden in zijn standpunt dat het gebruik tijdig is gewraakt, wordt uitgegaan van de volgende feiten. Bij brief van 29 november 1999 is [appellant sub 7] aangeschreven om het strijdige gebruik en de zonder bouwvergunning uitgevoerde uitbreiding van het zogenoemde bakhuis op het perceel [locatie 6] te Harskamp ongedaan te maken. In deze brief wordt verwezen naar een brief van 26 april 1995 waarin eveneens aan [appellant sub 7] zou zijn aangegeven de illegale situatie te beëindigen. Deze brief maakt evenwel geen deel uit van het dossier, aangezien deze met het handhavingsdossier in 2007 is vernietigd. Gezien de peildatum van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 is laatstgenoemde brief uit 1995 bepalend voor de vaststelling van de wraking. Nu deze evenwel geen deel uitmaakt van het dossier is niet vast te stellen of [appellant sub 7] tijdig op ondubbelzinnige wijze te kennen is gegeven dat sprake is van illegaal gebruik en dat hem duidelijk is gemaakt dat in voortgezette overtreding van dit illegale gebruik niet zal worden berust. Nu een uitzondering op het overgangsrecht in de vorm van wraking niet is vast te stellen, moet het ervoor worden gehouden dat het gebruik van het perceel [locatie 6] voor wonen met dit plan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Gezien het beleid van de raad dienaangaande, zoals hiervoor weergegeven onder 5, bestaat reeds daarom aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.
  107. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor het perceel [locatie 6] te Harskamp, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 8]
  108. [appellant sub 8] betoogt primair dat ten onrechte geen woonbestemming is toegekend aan het perceel [locatie 7] te Lunteren. Het niet overnemen van de woonbestemming uit het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 is volgens hem in strijd met bestaande rechten. Subsidiair betoogt [appellant sub 8] dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om op het perceel een bedrijfswoning op te richten. Dit is in strijd met het beleid dat bij een bedrijf een bedrijfswoning mag worden gerealiseerd, zo betoogt hij. Voorts is [appellant sub 8] van mening dat hij er gezien dat beleid op mocht vertrouwen dat een bedrijfswoning zou worden toegestaan. [appellant sub 8] acht een bedrijfswoning noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. 31.
  109. De raad betwist dat het perceel op grond van het bestemmingsplan uit 1994 een zelfstandige woonbestemming had. De raad heeft uiteengezet dat vanwege de feitelijk bestaande situatie de keuze is gemaakt om het perceel planologisch af te splitsen van het naastgelegen perceel [locatie 8] en aan het perceel een afzonderlijke bedrijfsbestemming toe te kennen. Daarbij is de bestaande bebouwing als maximale maatvoering in het plan vastgelegd. 31.
  110. Op het perceel is geen bedrijfswoning aanwezig. Op de verbeelding is ter plaatse van het perceel de bestemming "Bedrijf (B)" opgenomen. Het perceel is voorzien van een eigen bouwvlak met daarbinnen de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 0" en de aanduiding "maximum oppervlakte bedrijfsbebouwing 92 m²". Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf (B)" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in bijlage 2, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.3, van de planregels gelden voor het bouwen van bedrijfswoningen de volgende bepalingen: a. tenzij anders op de verbeelding is aangeduid, is per bouwvlak of gekoppeld bouwvlak ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan; (…) 31.
  111. Partijen verschillen van mening over de vraag of het perceel in het bestemmingsplan uit 1994 een woonbestemming had. In dat bestemmingsplan waren de percelen [locatie 8] en 55a bestemd als "Agrarisch gebied rondom de Buzerd en de Valk" met de aanduiding "Wonen". Het plan stond op deze percelen één woning toe. De raad heeft zich onder verwijzing naar de bij dat plan behorende inventarisatiekaart op het standpunt gesteld dat de aanduiding "Wonen" betrekking had op de woning [locatie 8] en dat het gebouw met nummer [locatie 7] een bijgebouw bij deze woning was. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van de raad onjuist is. Zelfs indien aangenomen zou worden dat het pand [locatie 7] in het bestemmingsplan uit 1994 een woonbestemming had, dan betekent dat nog niet zonder meer dat het onderhavige plan daarin ook zou moeten voorzien. Daarbij is relevant dat in het algemeen aan een destijds geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. In dit geval heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om voor de [locatie 7] een woonbestemming in het plan op te nemen. Hierbij is van belang dat het pand niet in gebruik is als woning en de raad in redelijkheid een bestemming overeenkomstig de feitelijke situatie wenselijk heeft kunnen achten. 31.
  112. Wat betreft de gewenste bedrijfswoning is van belang dat in dit geval sprake is van splitsing van een bedrijfsperceel. In het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" waren de percelen [locatie 8] en [locatie 7] in hetzelfde bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf (B)" opgenomen. Ten aanzien van het thema splitsen van bedrijfspercelen staat in de Nota van uitgangspunten verwoord dat geen medewerking wordt verleend aan het planologisch splitsen van bedrijfspercelen, tenzij sprake is van een bestaande situatie die onder het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan uit 1994 viel. Voor de legalisatie van deze gevallen zijn in de Nota van uitgangspunten planologische randvoorwaarden geformuleerd. Legalisatie mag niet tot gevolg hebben dat extra verstening wordt toegevoegd aan het buitengebied ten opzichte van de bestaande situatie. Bij de planologische vertaling in het bestemmingsplan zal dus geen extra bebouwing worden toegestaan. 31.
  113. Gezien de planologische randvoorwaarden uit de Nota van uitgangspunten hanteert de raad bij de legalisatie van gebruiksovergangsrecht het uitgangspunt dat geen extra bebouwing wordt toegestaan. Anders dan [appellant sub 8] meent, voert de raad geen beleid om bij splitsing van bedrijfspercelen een bedrijfswoning toe te staan. Het betoog dat [appellant sub 8] vanwege het beleid erop had mogen vertrouwen dat het plan zou voorzien in de gewenste bedrijfswoning faalt derhalve. Nu op het perceel geen bedrijfswoning aanwezig is en in aanmerking nemende dat het beleid is gericht op het tegengaan van het toevoegen van extra bebouwing in geval van splitsing van een bedrijfsperceel, heeft de raad in redelijkheid in het plan niet hoeven voorzien in een bouwmogelijkheid voor een bedrijfswoning op het perceel [locatie 7]. Uit het door [appellant sub 8] aangevoerde is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die de raad aanleiding hadden moeten geven in dit geval van het beleid af te wijken.
  114. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het beroep van [appellante sub 9]
  115. [appellante sub 9] betoogt dat het feitelijk bestaand gebruik van haar perceel aan de Broeksteeg (ongenummerd) te Lunteren als gronddepot ten onrechte niet als zodanig is bestemd, maar opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Hierbij wijst zij erop dat dit gebruik is aangevangen voor het van kracht worden van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit
  116. Zij voert aan dat dit gebruik niet binnen de planperiode zal worden beëindigd en dat de raad geen ruimtelijke bezwaren naar voren heeft gebracht tegen dit gebruik. 33.
  117. De raad stelt dat het gebruik van het perceel als gronddepot niet als zodanig is bestemd omdat dit niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad stelt dat hoewel aannemelijk is dat het perceel als gronddepot werd gebruikt op de peildatum voor het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994, onduidelijk is wat de omvang van dit gebruik was. In dit verband stelt de raad zich op het standpunt dat het gebruik is geïntensiveerd. De raad stelt tot slot dat hij voornemens is in overleg te treden met [appellante sub 9] teneinde tot een persoonsgebonden regeling te komen met het doel het gronddepot te verplaatsen. 33.
  118. Uit het deskundigenbericht volgt dat het perceel al geruime tijd in gebruik is als gronddepot. Tevens volgt uit het deskundigenbericht dat de omvang van het gronddepot is teruggebracht tot 500 m
  119. 33.
  120. Vaststaat dat aan het perceel in het plan en het vorige bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" de bestemming "Agrarisch (A)" is toegekend. Eveneens staat vast dat het feitelijk bestaande gebruik als gronddepot niet kan worden voortgezet onder deze bestemming. Vaststaat dat het perceel in het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 was aangewezen voor "Agrarisch ontginningslandschap Ede-Meulunteren" en dat het gebruik als gronddepot hiermee niet in overeenstemming was. 33.
  121. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt vastgesteld dat het perceel van [appellante sub 9] op de peildatum van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 in gebruik was als gronddepot, zodat het, gelet op het voorgaande, onder het overgangsrecht van dit plan viel. Tevens was het perceel op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan en het vorige bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" in gebruik als gronddepot. Nu niet in geschil is dat de omvang van het gronddepot in ieder geval steeds een oppervlakte van 500 m3 besloeg, moet het er, anders dan de raad stelt, voor worden gehouden dat het gebruik in zoverre opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is overwogen onder
  122. Gezien het beleid van de raad op dit punt, zoals verwoord onder 5, bestaat reeds daarom aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.
  123. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" voor het perceel van [appellante sub 9] liggend nabij het perceel Broeksteeg 12a te Lunteren, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 10]
  124. [appellant sub 10] betoogt dat zijn bedrijf aan de [locatie 9] te Otterlo in het plan ten onrechte samen met het naastgelegen bedrijf aan de [locatie 10] in één bouwvlak is opgenomen, terwijl sinds eind jaren 70 sprake is van twee zelfstandige bedrijven. In dit verband wijst hij op het feit dat beide bedrijven over een eigen milieuvergunning beschikken. Omdat per agrarisch bouwvlak maar één agrarisch bedrijf is toegestaan, had de raad twee afzonderlijke bouwvlakken moeten toekennen. Volgens [appellant sub 10] is de situatie ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht gebracht. De raad heeft ten onrechte een onderzoek naar overgangsrechtelijke situaties achterwege gelaten, aldus [appellant sub 10]. 35.
  125. Volgens de raad is niet aangetoond dat sprake is van gebruiksovergangsrecht. Via het verweerschrift heeft de raad [appellant sub 10] uitgenodigd om dienaangaande aanvullende bewijsstukken over te leggen. 35.
  126. In het plan is aan de percelen [locatie 9] en 26 de bestemming "Agrarisch (A)" met één bouwvlak toegekend. Verder zijn de percelen voorzien van de aanduidingen "intensieve veehouderij (iv)", "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch bedrijf groot (sa-abg)" en "maximum aantal wooneenheden 2". Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch (A)" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij (iv)" tevens intensieve veehouderijen als hoofdtak is toegestaan. Ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder h, van de planregels is per bouwvlak of gekoppeld bouwvlak maximaal één inrichting toegestaan, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - twee inrichtingen (sa-ti)". 35.
  127. De plantoelichting vermeldt dat in navolging van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" en het daarvoor geldende bestemmingsplan uit 1994 het uitgangspunt is gehanteerd dat één inrichting per bestemmingsvlak is toegestaan. Ten aanzien van het thema splitsen van bedrijfspercelen staat in de plantoelichting en de Nota van uitgangspunten verwoord dat geen medewerking wordt verleend aan het planologisch splitsen van bedrijfspercelen, tenzij sprake is van een bestaande situatie die onder het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan uit 1994 viel. Indien de eigenaar aantoont dat hiervan sprake is, wordt planologisch geregeld dat twee inrichtingen zijn toegestaan, maar daarbij worden geen extra bouwmogelijkheden geboden, zo volgt uit de voornoemde stukken. 35.
  128. In het deskundigenbericht staat dat aan de [locatie 9] en 26 in het verleden één veehouderijbedrijf was gevestigd waarvoor op 5 april 1980 een vergunning op grond van de Hinderwet is verleend. Volgens het deskundigenbericht is onduidelijk gebleven of destijds wel of geen technische, functionele en organisatorische bindingen tussen de bedrijfsactiviteiten bestonden, maar in ieder geval is sinds eind jaren zeventig sprake van twee separate bedrijven. Op 24 augustus 2004 is een milieuvergunning verleend voor het houden van 51 melkkoeien, 31 stuks vrouwelijk jongvee, 150 vleesvarkens en 10 legkippen op de locatie [locatie 10]. In deze vergunning staat dat de aanvraag betrekking heeft op de splitsing van de bedrijfsactiviteiten aan de [locatie 9] en
  129. Op 5 april 2005 is milieuvergunning verleend voor het houden van 960 vleesvarkens op de locatie [locatie 9]. 35.
  130. Binnen het aan de percelen [locatie 9] en 26 toegekende bouwvlak zijn al jaren twee agrarische bedrijven gevestigd. Gelet op artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder h, van de planregels is slechts een van deze bedrijven planologisch toegestaan. De vraag is of sprake is van bestaand gebruik dat onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 viel. Bij het opstellen van het plan dient de raad de relevante feiten vast te stellen en de nodige kennis te vergaren over de af te wegen belangen. De raad heeft ten aanzien van de diverse bewijsstukken ter onderbouwing van het standpunt van [appellant sub 10] dat sinds 1978 sprake is van twee bedrijven te kennen heeft gegeven dat deze bewijsstukken volgens hem niet sluitend zijn om te beoordelen dat sprake is van een overgangsrechtelijke situatie. Bij de overgelegde bewijsstukken bevindt zich een deel van een notariële akte van 3 oktober 1980 welke betrekking heeft op de aankoop van het perceel kadastraal bekend gemeente Otterlo, sectie E nummer
  131. Door de raad is ter zitting meegedeeld dat de kadastrale percelen in 1992 zijn vernummerd en dat zal worden nagegaan welk kadastraal perceel dit betreft. Gelet op het vorenstaande had het op de weg van de raad gelegen om uit eigen beweging de voor de beoordeling van de overgangsrechtelijke situatie benodigde informatie uiterlijk bij de vaststelling van dit plan te verkrijgen en te beoordelen. Nu de raad dit heeft nagelaten, is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
  132. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" voor de percelen [locatie 9] en 26 te Otterlo, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 11]
  133. [appellant sub 11] betoogt dat het feitelijk bestaand gebruik van zijn perceel aan de Heremeijesteeg (ongenummerd) te Ede als gronddepot ten onrechte niet als zodanig is bestemd, maar opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Onder verwijzing naar de eerder verleende milieuvergunningen stelt hij dat dit gebruik is aangevangen voor de peildatum van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit
  134. Hij voert aan dat dit gebruik niet binnen de planperiode zal worden beëindigd en dat de raad geen ruimtelijke bezwaren naar voren heeft gebracht tegen dit gebruik. 37.
  135. De raad stelt dat nimmer planologische toestemming is verleend voor het gebruik van het perceel als gronddepot. De raad stelt daarnaast dat hoewel aannemelijk is dat het gebruik onder het overgangsrecht valt, onduidelijk is of dit gebruik is geïntensiveerd en zodoende welke omvang van dit gebruik onder het overgangsrecht valt. Vanwege deze onduidelijkheid en omdat het gebruik niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, is volgens de raad afgezien van het als zodanig bestemmen van het gronddepot. De raad stelt tot slot dat hij bereid is in overleg te treden met [appellant sub 11] over alternatieve locaties voor het gronddepot. 37.
  136. Uit het deskundigenbericht volgt dat 1 hectare van het perceel aan de Heremeijesteeg in gebruik is als gronddepot. Volgens het deskundigenbericht was het perceel reeds in 1986 in gebruik als gronddepot. Voor het gronddepot met een omvang van 5000 m2 is op 1 juli 1986 een vergunning in het kader van de Hinderwet verleend. 37.
  137. Vaststaat dat aan het perceel in het plan en het vorige bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" de bestemming "Agrarisch (A)" is toegekend. Eveneens staat vast dat het feitelijk bestaande gebruik als gronddepot niet kan worden voortgezet onder deze bestemming. Verder staat vast dat het perceel in het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 was aangewezen voor "Agrarisch veenontginningslandschap Ederveen" en dat het gebruik als gronddepot hiermee niet in overeenstemming was. 37.
  138. Niet in geschil is dat het perceel van [appellant sub 11] op de peildatum 9 mei 1995 werd gebruikt als gronddepot, zodat dit gebruik volgens artikel 23 van de planregels van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 onder het overgangsrecht van dat plan valt. Evenmin is in geschil dat dit gebruik voortduurt en ook op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en het vorige bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" niet was beëindigd. Dit betekent dat het gebruik, mede gelet op hetgeen is overwogen onder 37.3, opnieuw onder het overgangsrecht valt. Dat onduidelijk is wat precies de omvang was van het gronddepot op de relevante peilmomenten is niet bepalend voor de vraag of het gebruik op zichzelf onder het overgangsrecht valt. De raad heeft een en ander onvoldoende onderkend zodat, mede gelet op het beleid van de raad op dit punt, reeds daarom aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.
  139. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" voor het perceel van [appellant sub 11] tussen de percelen [locatie 11] en [locatie 12] te Ede, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 12]
  140. [appellant sub 12] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een bouwvlak voor de met bouwvergunning opgerichte schaapskooi op zijn perceel [locatie 13] te Harskamp (hierna: het perceel). Hij betwist het standpunt van de raad dat het bouwwerk kan worden aangemerkt als een hulpgebouw. Daartoe stelt hij dat de schaapskooi niet voldoet aan de definitiebepaling van een hulpgebouw, omdat de schaapskooi een zelfstandig bouwwerk is dat wordt gebruikt voor het permanent stallen van dieren. [appellant sub 12] betoogt dat het onder het overgangsrecht brengen van de schaapskooi leidt tot aantasting van bestaande rechten. Ook de omstandigheid dat sprake is van een zelfstandige inrichting waarvoor in 2007 een milieumelding is gedaan, rechtvaardigt volgens hem een agrarisch bouwvlak. 39.
  141. Volgens de raad is het vergunde bouwwerk als hulpgebouw op grond van het plan toegestaan. 39.
  142. Aan het perceel is in het plan de bestemming "Agrarisch (A)" toegekend zonder bouwvlak. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende bepalingen: a. bouwwerken mogen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat: (…)
  143. bestaande hulpgebouwen en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak zijn toegestaan, inclusief noodzakelijke keerwanden met een maximale hoogte van 1 meter ten behoeve van kleinschalige aan het gebruik gerelateerde opslag; (…) Ingevolge artikel 1 van de planregels is het begrip hulpgebouwen gedefinieerd als: een gebouw behorende bij een bedrijf, dat met het oog op een verantwoorde bedrijfsvoering niet binnen het bouwvlak gerealiseerd kan worden, dat zowel qua afmeting als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het (agrarisch) gebruik, en waarbij geen sprake is van permanente stalling van dieren. 39.
  144. Bij besluit van 13 september 2002 is aan [appellant sub 12] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het bouwen van een nachthok op het perceel Westenengerdijk ongenummerd te Harskamp, kadastraal bekend gemeente Otterlo, sectie F nummers 762 en
  145. 39.
  146. [appellant sub 12] exploiteert een veehouderij aan de [locatie 14]. Naast dit perceel heeft [appellant sub 12] ook het perceel [locatie 13] in eigendom. Laatstgenoemd perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 2 hectare en is in gebruik als gras- en maïsland. Daarnaast worden op het perceel 27 schapen gehouden en is een schaapskooi van ongeveer 80 m² aanwezig. Volgens het deskundigenbericht kan de schaapskooi als hulpgebouw als bedoeld in de planregels worden beschouwd, omdat de schaapskooi voorziet in een nachtverblijf voor 27 schapen. 39.
  147. De Afdeling overweegt dat bestaande hulpgebouwen op grond van artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de planregels buiten een bouwvlak zijn toegestaan. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het vergunde nachthok voldoet aan de definitiebepaling van het begrip hulpgebouw. De raad heeft de schaapskooi aangemerkt als gebouw behorende bij het bedrijf dat [appellant sub 12] aan de [locatie 15] exploiteert. Dit komt de Afdeling niet onredelijk voor. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de schapen niet permanent op stal staan, zodat het nachthok onder de definitiebepaling kan worden geschaard. Aangezien het bouwwerk als nachthok is vergund en het weiland overdag wordt gebruikt voor het houden van schapen, heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat in het nachthok geen sprake is van permanente stalling van dieren. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het nachthok aan de definitiebepaling van het begrip hulpgebouw voldoet. Derhalve is het vergunde bouwwerk, anders dan [appellant sub 12] veronderstelt, niet onder de beschermende werking van het bouwovergangsrecht zoals neergelegd in artikel 33, lid 33.1, van de planregels gebracht. Omdat het nachthok op grond van het plan is toegestaan, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om een bouwvlak aan het perceel toe te kennen. Evenmin behoefde de raad daarvoor aanleiding te zien in de omstandigheid dat op 22 november 2007 een melding in het kader van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan. Bij dit oordeel wordt in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht is gesteld dat van een zelfstandig agrarisch bedrijf op deze locatie geen sprake is. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd geen reden dit standpunt niet te volgen.
  148. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het beroep van [appellant sub 13]
  149. [appellant sub 13] is eigenaar van het perceel [locatie 16]/[locatie 17] te Otterlo (hierna: het perceel). [appellant sub 13] betoogt dat in het plan aan het perceel twee afzonderlijke woonbestemmingen toegekend hadden moeten worden in plaats van één woonbestemming. Hiertoe voert hij aan dat op het perceel al decennia lang een woongebouw staat waarin, ook volgens de WOZ-beschikking, twee woningen aanwezig zijn. Daarnaast is op het perceel in 2008 met bouwvergunning een nieuwe woning opgericht. [appellant sub 13] stelt dat de met deze vergunning samenhangende sloopverplichting onduidelijk is, maar volgens hem slechts betrekking had op één woning van de twee woningen in het oude woongebouw. Tevens betoogt hij dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of in dit geval sprake is van een overgangsrechtelijke situatie. 41.
  150. De raad stelt zich op het standpunt dat de sloopverplichting blijkens de gewaarmerkte tekening betrekking heeft op het gehele woongebouw. De sloopverplichting is volgens de raad niet voor meerdere uitleg vatbaar. Omdat het woonhuis dient te worden gesloopt is het volgens hem niet meer relevant om te onderzoeken of sprake is van gebruiksovergangsrecht. 41.
  151. In de verbeelding is aan het perceel de bestemming "Wonen (W)" toegekend met daarbinnen de aanduiding met "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)". Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen (W)" aangewezen gronden bestemd voor wonen. Ingevolge artikel 15, lid 15.2.3, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van woningen dat per bestemmingsvlak of een gekoppeld bestemmingsvlak ten hoogste één woning is toegestaan, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven. Op grond van het plan is op het perceel één woning toegestaan. 41.
  152. Bij besluit van 27 mei 2004 is aan [appellant sub 13] een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning aan de [locatie 16]. Aan deze vergunning is de voorwaarde verbonden dat de bestaande woning en de bij deze woning behorende bijgebouwen binnen een maand na oplevering van de nieuw te bouwen woning dienen te worden gesloopt. Daarvoor is op 26 mei 2004 een sloopvergunning verleend. 41.
  153. In het deskundigenbericht staat dat de sloopvergunning is aangevraagd voor het slopen van de woning met huisnummer [locatie 16]. Nummer [locatie 17] wordt in de aanvraag niet genoemd. Ook in de bouwvergunning wordt alleen vermeld dat de oude woning met huisnummer [locatie 16] na de realisatie van de nieuwe woning moet worden gesloopt. Volgens het deskundigenbericht lijkt het praktisch gezien niet mogelijk om alleen de woning met huisnummer [locatie 16] te slopen, omdat de woningen bouwkundig met elkaar zijn vervlochten. In zijn reactie op het deskundigenbericht heeft de raad gesteld dat de omstandigheid dat in de aanvraag en de bouwvergunning huisnummer [locatie 17] niet genoemd onverlet laat dat de bij de sloop- en bouwvergunning behorende gewaarmerkte tekening laat zien dat het gehele object [locatie 16] en [locatie 17] is aangemerkt als te slopen object. 41.
  154. De Afdeling overweegt dat de sloop- en bouwvergunning en de daarbij behorende tekeningen bepalend zijn voor de uitleg van de omvang van de sloopverplichting. Uit deze tekeningen blijkt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk dat het gehele woongebouw moet worden gesloopt, omdat dit woongebouw is gearceerd als te slopen woning. Daarbij komt dat de tekening bij de bouwvergunning in de nieuwe situatie maar één woning op het perceel laat zien. Verder acht de Afdeling van belang dat het woongebouw op de kadastrale percelen, gemeente Otterlo, sectie E nummers 2361 en 2362 is gelegen en in de aanvraag om de sloopvergunning beide nummers staan vermeld. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om voor een deel van het woongebouw een afzonderlijke woonbestemming toe te kennen in het plan. Het betoog faalt. 41.
  155. De Afdeling overweegt dat de raad het oude woongebouw in redelijkheid onder het bouwovergangsrecht heeft kunnen brengen. Daarbij betrekt de Afdeling dat gelet op de sloopverplichting aannemelijk is dat het bouwwerk binnen de planperiode zal worden verwijderd. Voor zover [appellant sub 13] met zijn beroepsgrond over het overgangsrecht doelt op het gebruiksovergangsrecht, overweegt de Afdeling dat uit het deskundigenbericht blijkt dat de twee woningen [locatie 16] en [locatie 17] in het woongebouw al sinds 2007 onderscheidenlijk 2010 leeg staan. Nu ten tijde van de inwerkingtreding van het plan geen sprake was van bestaand gebruik van bewoning van het woongebouw, is het gebruiksovergangsrecht niet van toepassing. Gelet op het voorgaande treft het betoog dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de vraag of sprake is van een overgangsrechtelijke situatie geen doel.
  156. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het beroep van [appellant sub 14]
  157. [appellant sub 14] voert aan dat het plan op het perceel [locatie 18]-[locatie 19] te Lunteren (hierna: het perceel) twee woningen toestaat, terwijl op het perceel naast twee bedrijfswoningen ook nog een kleine woning aanwezig is. [appellant sub 14] betoogt dat deze kleine woning, het zogenoemde bakhuis, ten onrechte onder het gebruiksovergangsrecht is gebracht. Hij acht het bovendien onjuist dat de raad geen onderzoek naar overgangsrechtsituaties heeft gedaan. Voor het bakhuis wordt al enkele jaren onroerend zaak belasting op grond van de WOZ geheven, zo wordt gesteld. Omdat het gemeentebestuur in een brief uit 1989 heeft meegedeeld dat de kleine woning na het beëindigen van de bewoning als recreatiewoning mag worden gebruikt, had het bakhuis volgens hem in ieder geval als recreatiewoning bestemd moeten worden. 43.
  158. De raad betoogt in het verweerschrift dat de beroepsgrond over de recreatiewoning wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dit niet in de zienswijze is aangevoerd. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Nu de raad in deze beroepsprocedure op de beroepsgrond kan reageren, is van strijd met een goede procesorde geen sprake. Het betoog faalt. 43.
  159. Volgens de raad is het bakhuis niet onder de werking van het overgangsrecht gebracht. In dit verband stelt de raad dat de permanente bewoning van het bakhuis door de schoonouders van [appellant sub 14A] in het verleden werd gedoogd waarbij de afspraak is gemaakt dat permanente bewoning na de beëindiging van de bewoning door de schoonouders niet meer is toegestaan. Dit is in een brief van 24 oktober 1989 aan [appellant sub 14A] kenbaar gemaakt en deze afspraak is nogmaals bevestigd in een brief van 2 augustus
  160. 43.
  161. Op het perceel staan twee bedrijfswoningen en het bakhuis. Het perceel is in het plan bestemd als "Agrarisch (A)". Binnen deze bestemming is, voor zover hier van belang, de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 2" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.3, van de planregels gelden voor het bouwen van bedrijfswoningen de volgende bepalingen: a. tenzij anders op de verbeelding is aangeduid, is per bouwvlak of gekoppeld bouwvlak ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan; (…) Ingevolge artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder d, voor het toestaan van nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. zorggerelateerde en recreatieve voorzieningen, met uitzondering van kleinschalig kamperen, zijn toegestaan tot een maximum van 25% van het bestaande oppervlak aan bedrijfsgebouwen met een absoluut maximum van 500 m², met dien verstande dat voorzieningen voor bed & breakfast alleen binnen de bedrijfswoning zijn toegestaan, waarbij de omvang niet meer mag bedragen dan 50 m²; b. overige nevenactiviteiten zijn toegestaan tot een maximum van 25% van het bestaande oppervlak aan bedrijfsgebouwen met een absoluut maximum van 350 m²; c. bij cumulatie van het bepaalde onder sub a en b mag de totale oppervlakte niet meer bedragen dan 25% van het bestaande oppervlak aan bedrijfsgebouwen tot een maximum van 500 m²; d. ten behoeve van de voorgaande leden is vervangende nieuwbouw toegestaan; e. buitenopslag ten behoeve van de nevenactiviteit is niet toegestaan; f. detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van ter plaatse streekeigen geproduceerde producten met een maximum oppervlakte van 50 m²; g. de nevenactiviteit mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben; h. de nevenactiviteit mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven; i. het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning onder de voorwaarde dat de nevenactiviteit bedrijfsmatig wordt beëindigd zodra het agrarische bedrijf wordt beëindigd, met uitzondering van bed & breakfast; j. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning met betrekking tot bed & breakfast verleent onder de voorwaarde dat een bedrijfsmatige exploitatie is vereist. 43.
  162. In het deskundigenbericht staat dat de schoonouders van [appellant sub 14A] in 2011 zijn overleden en dat de kleine woning sindsdien wordt gebruikt als opslagruimte. Dit in aanmerking genomen en gelet op het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat het bakhuis op het moment van de inwerkingtreding van het plan niet permanent werd bewoond. Gelet hierop is het overgangsrecht voor het gebruik van het bakhuis voor woondoeleinden niet van toepassing. De waardevaststelling van het pand in het kader van de WOZ maakt dit niet anders. Het betoog dat het gebruik van het bakhuis voor bewoning onder het overgangsrecht is gebracht mist, gelet op het voorgaande, feitelijke grondslag. Aangezien geen sprake is van permanente bewoning van het bakhuis, acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad daarvoor geen regeling in het plan heeft getroffen. 43.
  163. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de keuze van de raad om het bakhuis niet als recreatiewoning te bestemmen onredelijk is te achten. Weliswaar wijst [appellant sub 14] er terecht op dat in de gedoogbrief van 24 oktober 1989 van het college van burgemeester en wethouders staat dat het bakhuis na beëindiging van de permanente bewoning door de schoonouders van [appellant sub 14A] slechts als recreatiewoning mag worden gebruikt, maar hierin ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 14] aan deze brief het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat het plan in de gewenste recreatiewoning zou voorzien. Gelet op het tijdsverloop tussen deze brief en de vaststelling van het plan kan uit de brief niet zonder meer worden afgeleid dat een recreatiewoning gelet op de huidige planologische inzichten in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Niet gebleken is dat het pand als recreatiewoning is opgericht en dat het pand ten tijde van de inwerkingtreding van het plan als recreatiewoning werd gebruikt. De raad heeft erop gewezen dat artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven bevat op grond waarvan een recreatieve voorziening onder voorwaarden kan worden toegelaten. In dit verband heeft [appellant sub 14] ter zitting naar voren gebracht dat hij in de toekomst nevenactiviteiten wil gaan exploiteren en dat het aanvragen van een omgevingsvergunning ten behoeve van een recreatieve voorziening ten koste gaat van het maximum toegestane oppervlakte aan nevenactiviteiten. Dit laat evenwel onverlet dat het plan de mogelijkheid biedt om voor een recreatieve voorziening een omgevingsvergunning aan te vragen. Het betoog faalt.
  164. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Het beroep van [appellante sub 15]
  165. [appellante sub 15] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" aan het perceel [locatie 20] te Lunteren (hierna: het perceel) heeft toegekend. [appellante sub 15] wenst een bedrijfsbestemming, omdat op het perceel een transportbedrijf wordt geëxploiteerd. Het gemeentebestuur is op de hoogte van het gebruik van het perceel voor een transportbedrijf, omdat de in 2002 en 2009 gedane meldingen voor dit bedrijf zijn geaccepteerd. Volgens [appellante sub 15] heeft de raad ten onrechte de feitelijke en vergunde situatie niet als zodanig bestemd en is het onderzoek naar overgangsrechtelijke situaties ten onrechte doorgeschoven. [appellante sub 15] voert verder aan dat het bouwvlak niet toereikend is en dat het bedrijf als gevolg van het plan op slot komt te zitten. 45.
  166. Volgens de raad is een bedrijfsbestemming niet passend in het buitengebied en daarom is de wens niet gehonoreerd. De raad heeft gesteld dat het gebruik van gronden voor het stallen van vrachtwagens onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied" uit 1994 viel. Omdat daartegen niet handhavend kan worden opgetreden is ervoor gekozen om dit gebruik in het plan te legaliseren. De raad stelt echter geen aanleiding te hebben gezien om een regeling in het plan op te nemen voor de na de peildatum ontstane uitbreiding van het bedrijf met een kleine werkplaats en een wasruimte. 45.
  167. Aan het perceel is in het plan deels de bestemming "Agrarisch (A)" en deels de bestemming "Wonen (W)" toegekend en binnen een gedeelte van de woonbestemming is de aanduiding "specifieke vorm van wonen - stallingsruimte (sw-st)" opgenomen. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Wonen (W)" aangewezen gronden als volgt bestemd: a. wonen; (…) h. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - stallingsruimte (sw-st)", is tevens een stallingsruimte toegestaan; (…) met daaraan ondergeschikt n. aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsactiviteiten; (…) Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt in dit plan, voor zover hier van belang, onder kleinschalige bedrijfsactiviteiten verstaan: door de hoofdbewoner het bedrijfsmatig vervaardigen, herstellen, onderhouden of bewerken van producten en/of diensten in de vorm van bedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de van deze regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten. Ingevolge artikel 1 van de planregels is, voor zover hier van belang, de bestaande situatie ten aanzien van bebouwing als volgt gedefinieerd: legaal aanwezige bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning. Ingevolge artikel 15, lid 15.2.2, van de planregels gelden voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ter plaatse van de specifieke aanduidingen als bedoeld in lid 15.1, onderdeel b t/m h, van de planregels de volgende bepalingen: a. de totale oppervlakte aan gebouwen en overkappingen ten behoeve van de genoemde activiteiten mag, met uitzondering van het bepaalde in de leden 15.2.3 en 15.2.4 niet meer bedragen dan de bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; b. de goothoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 3.30 meter, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven; c. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 6,60 meter, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven; d. de dakhelling mag, met uitzondering van aan- en uitbouwen bij bestaande bedrijfsgebouwen, niet minder bedragen dan 15°. Ingevolge artikel 15, lid 15.5, aanhef en onder f, van de planregels geldt met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken tevens dat de in lid 15.1, onderdeel b t/m i genoemde activiteiten zijn gebonden aan het betreffende bestemmingsvlak en hoofdzakelijk door de hoofdbewoner worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 15, lid 15.6.1, van de planregels kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 15.5, aanhef en onder a, en toestaan dat de activiteit mag worden uitgevoerd in een bijgebouw, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 200 m²; b. er zijn geen milieuhygiënische belemmeringen; c. de activiteit niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en of ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; d. de activiteit heeft een ruimtelijke uitwerking en/of uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is; e. de activiteit mag geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer hebben en het parkeren dient op het eigen perceel te worden ingericht; f. het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning uitsluitend aan de hoofdbewoner van de betreffende woning en is niet overdraagbaar. 45.
  168. In het deskundigenbericht staat dat [appellante sub 15] in 1968 op het perceel een transportonderneming is gestart met één vrachtwagen en dat dit bedrijf in de loop der jaren is uitgebreid met twee vrachtwagens en een oplegger. Op het perceel staat een grote loods welke geschikt is voor het stallen van drie vrachtwagens en een oplegger. De loods heeft een oppervlakte van 665 m² met een overkapping van 78 m². Voor deze loods is op 16 januari 2002 een bouwvergunning verleend. 45.
  169. De keuze van de raad om geen bedrijfsbestemming ten behoeve van een transportbedrijf aan het perceel toe te kennen acht de Afdeling in beginsel niet onredelijk. Hierbij heeft de raad in redelijkheid kunnen betrekken dat een bedrijfsbestemming gelet op de ruimtelijke impact niet passend is in het agrarisch buitengebied. Daarbij komt dat een bedrijfsbestemming op grond van de Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteit niet zonder meer kan worden toegestaan. De omstandigheid dat het gemeentebestuur in 2003 en 2009 aan [appellante sub 15] heeft meegedeeld dat de melding op grond van het Besluit opslag- en transportbedrijven onderscheidenlijk het Activiteitenbesluit is geregistreerd, is in het kader van het vaststellen van bestemmingen en regels voor gronden niet doorslaggevend. Door deze meldingen is het gemeentebestuur wel op de hoogte gesteld van het feit dat op het perceel bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. 45.
  170. Met betrekking tot het gebruik van het perceel voor bedrijfsmatige activiteiten is de raad ervan uitgegaan dat dit gebruik ten tijde van de peildatum zoals genoemd in overweging 9 enkel uit het stallen van vrachtwagens bestond. De vrachtwagens worden gestald in de loods. Voor zover [appellante sub 15] aanvoert dat deze loods niet positief is bestemd, stelt de Afdeling vast dat de vergunde loods gelet op artikel 15, lid 15.2.2, aanhef en onder a, van de planregels gelezen in samenhang met de definitiebepaling van de bestaande situatie ten aanzien van bebouwing uit artikel 1 van de planregels als zodanig is bestemd. Voorts overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels ter plaatse van de toegekende aanduiding een stallingsruimte is toegestaan en dat kleinschalige bedrijfsactiviteiten ondergeschikt aan de woonfunctie zijn toegestaan. Voor deze bedrijfsactiviteiten geldt gelet op artikel 1 van de planregels de beperking dat alleen bedrijfsmatige activiteiten in de vorm van bedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. In deze Staat van bedrijfsactiviteiten komt geen omschrijving van transportbedrijf of stallingsactiviteiten voor of een andere omschrijving waaronder deze activiteiten geschaard zouden kunnen worden, zodat het bedrijfsmatig stallen van vrachtwagens in de loods planologisch niet is toegestaan. Nu de raad dit wel heeft beoogd, is het plan in zoverre niet zorgvuldig tot stand gekomen. 45.
  171. In de loods bevindt zich ook een kleine werkplaats en daarnaast is op het perceel een wasruimte aanwezig. Ten aanzien van dit gebruik, dat deel uitmaakt van de bedrijfsvoering, is in de Nota van Zienswijzen uiteengezet dat dit niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan uit 1994 viel. Behalve deze constatering heeft de raad niet gemotiveerd waarom de werkplaats en de wasplaats vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk zijn en waarom daarvoor geen regeling in het plan kan worden getroffen. Wel heeft de raad gesteld dat het mogelijk is om voor dit gebruik op grond van artikel 15, lid 15.6.1, van de planregels een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in lid 15.5, aanhef en onder a, van de planregels te verlenen. Daargelaten dat deze afwijkingsbevoegdheid ziet op kleinschalige bedrijfsactiviteiten die voorkomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten, neemt het door de raad gestelde niet weg dat niet is beoordeeld of voor de werkplaats en de wasruimte bij recht een regeling kon worden getroffen in het plan. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre geen blijk geeft van een afdoende gemotiveerde belangenafweging.
  172. In hetgeen [appellante sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor het perceel [locatie 20] te Lunteren, is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 16]
  173. [appellant sub 11] richt zich in beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor zijn perceel aan de [locatie 21] te Lunteren (hierna: het perceel). Volgens hem had de raad aan het perceel een bedrijfsbestemming moeten toekennen, omdat ter plaatse een werkplaats aanwezig is welke gebruikt wordt voor het ontwikkelen, produceren en repareren van gereedschappen en machines voor opdrachtgevers. Hij voert in dit verband aan dat een bouwvergunning voor het bouwen van een werktuigenberging is verleend en dat het gemeentebestuur de melding van de bedrijfsactiviteiten op grond van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer heeft geaccepteerd. [appellant sub 11] betwist dat de vergunde bedrijfsactiviteiten op grond van het plan zijn toegestaan. Tot slot is [appellant sub 11] van mening dat het gebruik en de bestaande bebouwing ten onrechte onder het overgangsrecht zijn gebracht. 47.
  174. Een bedrijfsbestemming op deze locatie acht de raad niet passend. Verder merkt de raad op dat bouwvergunning is verleend voor een bijgebouw van maximaal 150 m² en dat deze maatvoering op de verbeelding is opgenomen. Ook stelt de raad dat het huidige gebruik op grond van de toegekende bestemming in combinatie met de ontheffingsregeling uit artikel 15, lid 15.6.1, van de planregels is toegestaan. 47.
  175. Het perceel is op de verbeelding bestemd als "Wonen (W)". Daarbinnen is de aanduiding "maximum oppervlakte bijgebouwen 150 m²" opgenomen. Ingevolge artikel 15, lid 15.1 van de planregels zijn de voor "Wonen (W)" aangewezen gronden als volgt bestemd: a. wonen; (…) met daaraan ondergeschikt n. aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsactiviteiten; (…) Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt in dit plan onder aan huis verbonden beroepen verstaan: een door de hoofdbewoner uitgeoefend beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, alsmede een beroep op het terrein van persoonlijke verzorging, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt. Hieronder wordt in ieder geval niet verstaan (raam)prostitutie en/of escortbedrijf. Ingevolge artikel 1 van de planregels is, voor zover hier van belang, de bestaande situatie ten aanzien van gebruik als volgt gedefinieerd: het legaal gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan (rechtskracht heeft verkregen). Ingevolge artikel 15, lid 15.2.5, van de planregels gelden voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen bij een woning of woongebouw de volgende bepalingen: a. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 75 m² per bestemmingsvlak of 50 m² per wooneenheid voor een woongebouw, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven; (…) Ingevolge artikel 15, lid 15.5, aanhef en onder a, van de planregels geldt met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken tevens dat aan huis verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn toegestaan, met dien verstande dat de omvang van de activiteit niet meer mag bedragen dan 50 m² en plaats moet vinden in de woning. Ingevolge artikel 15, lid 15.6.1, van de planregels kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 15.5, aanhef en onder a, en toestaan dat de activiteit mag worden uitgevoerd in een bijgebouw, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 200 m²; b. er zijn geen milieuhygiënische belemmeringen; c. de activiteit niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en of ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; d. de activiteit heeft een ruimtelijke uitwerking en/of uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is; e. de activiteit mag geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer hebben en het parkeren dient op het eigen perceel te worden ingericht; f. het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning uitsluitend aan de hoofdbewoner van de betreffende woning en is niet overdraagbaar. 47.
  176. Bij besluit van 25 mei 2010 is aan [appellant sub 11] een bouwvergunning verleend ter legalisatie van de bestaande werktuigenberging op het perceel [locatie 21]. Aan deze vergunning is onder meer de voorwaarde verbonden dat binnen een maand na vergunningverlening de overige bijgebouwen op het perceel moeten worden gesloopt. In de bouwvergunning is overwogen dat de gevraagde berging vanwege de aard van de werkplaats aanzienlijk groter is dan het bestemmingsplan toestaat, maar dat tegelijkertijd in totaal zo’n 200 m² aan bijgebouwen op het perceel wordt gesaneerd, zodat uiteindelijk sprake is van een aanzienlijke ruimtelijke verbetering. 47.
  177. De raad heeft uiteengezet dat op 25 mei 2010 een bouwvergunning is verleend voor de legalisatie van de werkplaats en dat deze werkplaats een oppervlakte heeft van 150 m². Verder stelt de raad dat in de bouwvergunning voor de overige bijgebouwen op het perceel (ongeveer 200 m²) een sloopverplichting is opgenomen. In aanmerking genomen de bouwvergunning en de daarbij behorende gewaarmerkte tekening is de raad er terecht van uitgegaan dat een werktuigenberging met een oppervlakte van 150 m² is vergund. Gelet op de aan het perceel toegekende aanduiding "maximum oppervlakte bijgebouwen 150 m²" in samenhang bezien met artikel 15, lid 15.2.5, aanhef en onder a, van de planregels heeft de raad zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de vergunde berging als zodanig is bestemd. Het betoog dat deze berging onder het bouwovergangsrecht is gebracht mist feitelijke grondslag. Voor zover [appellant sub 11] betoogt dat de raad ten onrechte de overige bijgebouwen op het perceel onder het overgangsrecht heeft gebracht, overweegt de Afdeling dat dit zonder omgevingsvergunning opgerichte bebouwing betreft waartegen het gemeentebestuur handhavend kan optreden. 47.
  178. Ten aanzien van het gebruik van de berging voor bedrijfsmatige activiteiten, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder n, van de planregels aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsactiviteiten ondergeschikt aan het wonen zijn toegestaan. In het deskundigenbericht is gesteld dat het begrip aan huis verbonden beroepen onder meer gekoppeld is aan een ontwerptechnisch beroep en dat het tijdens het locatiebezoek duidelijk is geworden dat dit overeenkomt met de feitelijke bedrijfsuitoefening van [appellant sub 11]. De Afdeling ziet geen reden dit standpunt onjuist te achten. [appellant sub 11] oefent zijn beroep uit in een bijgebouw. Gelet op de gebruiksregel uit artikel 15, lid 15.5, aanhef en onder a, dient dit beroep in de woning plaats te vinden. Derhalve kan de Afdeling het standpunt van de raad dat het gebruik van de berging voor bedrijfsmatige activiteiten positief is bestemd in het plan niet volgen. Ter zitting is duidelijk geworden dat de raad met de verwijzing naar artikel 15, lid 15.6.1, van de planregels niet bedoelt dat het gebruik na gebruikmaking van deze afwijkingsbevoegdheid planologisch kan worden toegestaan, maar dat in dit geval geen vergunning als bedoeld in dat artikel hoeft te worden aangevraagd omdat het gebruik gelet op de bouwvergunning volgens hem is toegestaan. Voor zover de raad ter zitting verder heeft gesteld dat sprake is van een bestaande situatie als bedoeld in artikel 1 van de planregels, wordt als volgt overwogen. Weliswaar is in dit artikel een definitiebepaling van de bestaande situatie ten aanzien van gebruik opgenomen, maar nu in de planregels bij de bestemming "Wonen (W)" geen koppeling is gemaakt met deze definitiebepaling komt daaraan in zoverre geen betekenis toe. Aangezien het bestaande gebruik, anders dan de raad heeft beoogd, niet als zodanig is bestemd in het plan is het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.
  179. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor het perceel [locatie 21] te Lunteren, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 17]
  180. [appellant sub 17] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een agrarisch bouwvlak voor zijn perceel Blaakweg (ongenummerd) te Harskamp (hierna: het perceel). [appellant sub 17] voert aan dat op het perceel een jongveestal aanwezig is waarvoor in 2003 een bouwvergunning is verleend. Daarnaast is voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij op deze locatie een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Volgens hem is sprake van een zelfstandige inrichting en bieden de vergunningen voldoende grond om een bouwvlak toe te kennen. Verder stelt [appellant sub 17] dat de stal niet als hulpgebouw kan worden aangemerkt, omdat daarin permanent dieren worden gehouden. Ten slotte acht hij het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel dat het legale bouwwerk onder het overgangsrecht is gebracht. 49.
  181. Onder verwijzing naar artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de planregels stelt de raad dat het vergunde bouwwerk als hulpgebouw op grond van het plan is toegestaan. 49.
  182. Het perceel is in het plan bestemd als "Agrarisch (A)". Op de verbeelding is ter plaatse van de stal geen bouwvlak opgenomen. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels gelden voor het bouwen van bouwwerken de volgende bepalingen: a. bouwwerken mogen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat: (…)
  183. bestaande hulpgebouwen en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak zijn toegestaan, inclusief noodzakelijke keerwanden met een maximale hoogte van 1 meter ten behoeve van kleinschalige aan het gebruik gerelateerde opslag; (…) Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt in dit plan onder hulpgebouwen verstaan: een gebouw behorende bij een bedrijf, dat met het oog op een verantwoorde bedrijfsvoering niet binnen het bouwvlak gerealiseerd kan worden, dat zowel qua afmeting als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het (agrarisch) gebruik, en waarbij geen sprake is van permanente stalling van dieren. 49.
  184. Bij besluit van 7 februari 2003 is vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een schuur (jongvee) op het perceel Blaakweg ongenummerd te Harskamp. Bij besluit van 23 juli 2002 is aan [appellant sub 17] een vergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij met 20 stuks vrouwelijk jongvee op het perceel. 49.
  185. In het verweerschrift licht de raad toe dat hij op basis van nader onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de bouwvergunning een uitdrukkelijke koppeling maakt met de milieuvergunning en dat daarmee het permanent huisvesten van jongvee in de stal is toegestaan. Ter zitting heeft de raad erkend dat de planregeling voor het perceel niet toereikend is, omdat in de vergunde stal permanent dieren mogen worden gehouden, terwijl de definitiebepaling van het begrip hulpgebouw dit niet toestaat. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Door de raad is overigens ter zitting meegedeeld dat op korte termijn in overleg zal worden getreden met [appellant sub 17], zodat het perceel in de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan, die naar verwachting begin 2014 zal worden vastgesteld, kan worden meegenomen.
  186. In hetgeen [appellant sub 17] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" voor het perceel Blaakweg (ongenummerd) tegenover het perceel [locatie 22] te Harskamp, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Het beroep van [appellant sub 18]
  187. [appellant sub 18] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)" voor het oostelijk deel van het perceel [locatie 23] te Lunteren (hierna: het perceel) heeft vastgesteld. [appellant sub 18] voert aan dat ter plaatse een agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd en dat dit bedrijf een omvang heeft van 20,4 Nederlandse Grootte Eenheden (hierna: NGE). Dit is volgens hem voldoende om in aanmerking te komen voor een agrarische bestemming voor een middelgroot bedrijf. Hij acht het onzorgvuldig dat het agrarische bouwperceel uit het voorheen geldende bestemmingsplan op basis van de melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer is wegbestemd. Daarbij is ten onrechte geen rekening gehouden met de feitelijke veebezetting en met eventuele uitbreidingsmogelijkheden. Ten slotte voert [appellant sub 18] aan dat het wijzigen van de bestemming niet past bij het conserverende karakter van het plan. 51.
  188. De raad stelt zich op het standpunt dat het legale veebestand ruimschoots minder is dan 20 NGE en dat daarom geen aanleiding bestaat om een agrarische bestemming toe te kennen. 51.
  189. Het bestreden plandeel is bestemd als "Wonen (W)" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)". Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Wonen (W)" aangewezen gronden als volgt bestemd: a. wonen; b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)", zijn tevens agrarische nevenactiviteiten toegestaan; (…) Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt in dit plan onder agrarische nevenactiviteit verstaan: een kleinschalige agrarische activiteit bij een woning gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder begrepen bomen en heesters, en/of het houden van dieren, waarbij opslag van ter plaatse voorgebrachte producten is toegestaan. Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt in dit plan onder NGE verstaan: Nederlandse Grootte Eenheid, een standaard eenheid voor de bepaling van de omvang van een agrarisch bedrijf zoals die gehanteerd wordt door het Landbouw Economisch Instituut (LEI). Ingevolge artikel 15, lid 15.4.5 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 15.2.2, onder a, voor het vergroten van de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)", met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen mag eenmalig worden vergroot ten behoeve van de agrarische nevenactiviteit tot maximaal 10% van de bestaande gebouwen en overkappingen, tot een absoluut maximum van 1.000 m² met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'Waarde - Ecologische hoofdstructuur', waarvoor een absoluut maximum geldt van 750 m²; b. behoudens het bepaalde in sub a kan de oppervlakte aan gebouwen en overkappingen worden vergroot indien dit noodzakelijk is in verband met wettelijke vereisten in het kader van dierenwelzijn en/of milieuwetgeving, met dien verstande dat:
  190. de vergroting niet meer mag bedragen dan 150 m²;
  191. er geen toename plaatsvindt van het aantal dieren; c. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een landschapsinpassingsplan; d. het vergroten van de oppervlakte leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. Ingevolge artikel 15, lid 15.8.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Wonen (W)" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteit (sw-an)" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch (A)" ten behoeve van de vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf, met in achtneming van de in dit artikel neergelegde bepalingen. 51.
  192. De plantoelichting bevat uitgangspunten voor het toekennen van een agrarische bestemming. Daarin staat beschreven dat het toekennen van een agrarische bestemming in eerste instantie is gebeurd op basis van de bestaande rechten uit het voorgaande bestemmingsplan. Daarbij is een ondergrens van 20 NGE gehanteerd. In de plantoelichting staat verder vermeld dat situaties waarbij tussen de 5 en 20 NGE aan agrarische functie aanwezig is, een woonbestemming met een aanduiding agrarische nevenactiviteit hebben gekregen inclusief uitbreiding van het bouwoppervlak met 10% ten behoeve van dierenwelzijn. 51.
  193. Op het perceel is een stal aanwezig waar 3 paarden, 25 zoogkoeien, 10 stuks vrouwelijk jongvee en 10 stuks mannelijk jongvee worden gehouden. Op 1 juni 1999 is een melding als bedoeld in het Besluit melkveehouderijen milieubeheer gedaan voor 25 zoogkoeien en 3 paarden. Niet in geschil is dat het huidige gebruik van het perceel als agrarische nevenactiviteit op grond van het plan is toegestaan. 51.
  194. Hoewel het plan hoofdzakelijk conserverend van aard is, betekent dit niet dat elke verandering ten opzichte van vorige bestemmingsplannen is uitgesloten. Bij het toekennen van een agrarische bestemming hanteert de raad een ondergrens van 20 NGE. Met de rekenmodule van het LEI heeft de raad berekend dat het bedrijf een bedrijfsomvang heeft van minder dan 20 NGE. Naar het oordeel van de Afdeling is de raad bij deze berekening terecht uitgegaan van de gegevens van de op grond van het Besluit melkveehouderijen milieubeheer gedane melding. Blijkens het deskundigenbericht heeft de deskundige aan de hand van deze melding en met dezelfde rekenmodule berekend dat het bedrijf van [appellant sub 18] een omvang heeft van 30,7 NGE. [appellant sub 18] heeft ter zitting naar voren gebracht dat deze berekening juist is. De raad heeft echter in zijn reactie op het deskundigenbericht gesteld dat deze berekening onjuist is, omdat ten onrechte gerekend is met de categorie melk- en kalfkoeien, terwijl sprake is van 25 zoogkoeien. Gelet hierop en gelet op het verhandelde ter zitting heeft de raad de Afdeling ervan overtuigd dat de deskundige bij zijn berekening van de bedrijfsomvang onjuiste invoergegevens heeft gebruikt. De door de raad naar aanleiding van het deskundigenbericht overgelegde berekening laat een bedrijfsomvang van 6,8 NGE zien. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze berekening niet klopt. Daarbij is van belang dat de raad bij de berekening in overee

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.