(2009), hebben de betreffende gronden de functie van groene long, en dragen aldus bij aan de kwaliteit van de stedelijke leefomgeving. Gelet daarop is meer bebouwing op deze gronden volgens de raad niet aanvaardbaar. De raad bestrijdt dat toezeggingen zijn gedaan om meer dan twee woningen mogelijk te maken. De raad heeft advies gevraagd aan RBOI Groep met betrekking tot de interpretatie van de in het verleden schriftelijk vastgelegde afspraken. Deze zagen volgens de raad in overeenstemming met dit advies op de mogelijkheid tot het bouwen van één extra woning. Daarvoor is inmiddels een vergunning verleend en een woonbestemming in het plan genomen. Ter zitting heeft de raad verklaard dat weliswaar op grond van ruimtelijke overwegingen geen medewerking zal worden verleend aan het opnemen van extra bouwvlakken op de nalatenschap, maar dat bereidheid bestaat aan de hand van een concreet plan te beoordelen of vervanging van de huidige, bestaande, woning met een ruimere maatvoering planologisch aanvaard kan worden geacht. Nu er echter geen plan is voorgelegd, waarvan de ruimtelijke gevolgen kunnen worden beoordeeld, heeft de raad geen aanleiding gezien reeds thans mogelijkheden in het plan op te nemen. 3.
- Aan de bestreden plandelen is onder meer de bestemming "Natuur" toegekend. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. 3.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat in het verleden toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan hij er op mocht vertrouwen dat meer woningen op de gronden zouden worden toegestaan overweegt de Afdeling dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in de gewenste bouwmogelijkheden op de gronden zou voorzien. De door [appellant] overgelegde correspondentie bevat met betrekking tot dit onderwerp de volgende passage: (…) "verklaart ons College zich bereid om aan [overledene] medewerking te verlenen voor de bouw van een woning op de in Uw brief van 16 november 1965, onder 3b, bedoelde percelen". De bedoelde passage in de brief luidt: "aan [overledene] wordt een schriftelijke bereidverklaring afgegeven, dat zij, wanneer zij dat ooit mocht wensen, een woning mag bouwen op perceel 1688 of 2633 en verdere Benvenuto Parknummers, te harer keuze". Naar het oordeel van de Afdeling ziet de afspraak op één woning, nu in de brieven slechts over een woning in enkelvoud wordt gesproken en tussen de concreet genoemde perceelnummers het woord "of" wordt gebruikt. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt. 3.
- Met betrekking tot het betoog dat de bestemming "Natuur" te beperkend is overweegt de Afdeling als volgt. De gronden van de nalatenschap maken blijkens de Verordening Ruimte Zuid-Holland onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht komt dit overeen met de functie die het gebied heeft ingevolge het gemeentelijk groenbeleid. De Afdeling overweegt dat in de bestemming "Natuur" activiteiten als kappen en planten van bomen, aanleg van paden en dergelijke niet zijn uitgesloten, zij het dat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Het gebruik van de gronden als tuin is derhalve, zij het met beperkingen, mogelijk. De Afdeling overweegt voorts dat, zoals ter zitting is gebleken, bereidheid bestaat bij de raad om aan de hand van een concreet plan te beoordelen of vervanging van de huidige, bestaande, woning met een ruimere maatvoering planologisch aanvaardbaar kan worden geacht. Nu nog geen concreet plan is voorgelegd behoefde de raad niet in dit plan te voorzien in ruimere bouwmogelijkheden. Gelet op al het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, gelet op de Verordening ruimte en gelet op het gemeentelijk beleid niet in redelijkheid de bestemming "Natuur" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat. w.g. Helder w.g. Drouen lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013 539-650.