(2009)313 definitief; hierna: de richtsnoeren) een handvat voor de interpretatie van de Richtlijn. Blijkens paragraaf 3.2 van deze richtsnoeren kunnen onder bepaalde omstandigheden veelvuldig gepleegde lichte feiten een bedreiging voor de openbare orde vormen, niettegenstaande dat elk strafbaar feit op zichzelf geen voldoende ernstige bedreiging vormt. De nationale autoriteiten moeten dit aantonen en bij hun beoordeling met name rekening houden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade. Het feit dat een persoon meermalen is veroordeeld, is op zichzelf niet voldoende. 3.
- De vreemdeling, van Poolse nationaliteit, is blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 28 juli 2011 ten minste acht keer onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van winkeldiefstallen in de periode van 11 juni tot 12 december 2010 tot straffen variërend van het betalen van een geldboete tot een gevangenisstraf van ten hoogste vier weken. De staatssecretaris heeft ter zitting bevestigd dat hij zich voor het besluit van 28 juli 2011 tot die strafbare feiten heeft beperkt. 3.
- De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling zich blijkens voormeld uittreksel veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstallen en dat de staatssecretaris zich daarom terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling heeft gerecidiveerd en geen verandering in gedrag heeft vertoond in reactie op strafrechtelijke maatregelen. Omdat de vreemdeling zich blijkens dit uittreksel op 12 december 2010 nog schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstal, vormt hij volgens de rechtbank een actuele en werkelijke bedreiging. Omdat de vreemdeling de lichtere strafbare feiten veelvuldig en stelselmatig heeft gepleegd, heeft de staatssecretaris zich volgens de rechtbank voorts terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ook een voldoende ernstige bedreiging vormt. 3.
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling een actuele en werkelijke bedreiging vormt, omdat uit de herhaaldelijke overlast die de vreemdeling mede in verband met zijn alcoholverslaving heeft veroorzaakt, voor welke verslaving de vreemdeling zich tijdens zijn verblijf in Nederland ook niet heeft laten behandelen, volgt dat hij geen positieve gedragsverandering heeft laten zien. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling zich ook na eerdere strafrechtelijke veroordelingen veelvuldig - tot enkele maanden voor zijn uitzetting - schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. In zoverre faalt de grief. 3.
- De vreemdeling klaagt echter terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling wegens de gepleegde winkeldiefstallen een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De staatssecretaris is niet ingegaan op het betoog van de vreemdeling dat de strafrechter, gelet op hetgeen onder 3.4 is weergegeven, ondanks de veelvuldigheid van de gepleegde strafbare feiten, geen aanleiding heeft gezien zwaardere straffen, in het bijzonder zwaardere vrijheidsstraffen, op te leggen. De staatssecretaris heeft evenmin toegelicht waarom de omstandigheid dat het OM geen aanleiding heeft gezien een ISD-maatregel te vorderen, niet afdoet aan het standpunt dat de vreemdeling een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Hoewel niet is uit te sluiten dat de vreemdeling, zoals de staatssecretaris de vreemdeling in het besluit van 1 april 2011 heeft tegengeworpen, met zijn strafbare gedragingen voor veel ergernis, overlast en financiële schade bij winkeliers heeft gezorgd en dat die gedragingen uiteindelijk de samenleving als zodanig raken, heeft de staatssecretaris voorts ten onrechte niet geconcretiseerd welke schade de vreemdeling aldus heeft veroorzaakt en is de staatssecretaris ten onrechte niet ingegaan op de omstandigheden waaronder de vreemdeling de strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris aldus ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt in de zin van artikel 8.22, eerste lid, van het Vb
- In zoverre slaagt de grief.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen het besluit van 28 juli 2011 alsnog gegrond worden verklaard en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.
- De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 juli 2012 in zaak nr. 11/24818; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie en Asiel van 28 juli 2011, kenmerk 9809-03-6075; V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink w.g. Schuurman voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013 282-760.