(2009)9963; www.ec.europa.eu) gestelde kaders. Volgens de in bijlage 2 vermelde corporaties betekent dit, dat zij te gelegener tijd zouden moeten kunnen opkomen tegen de eindafrekeningen en in die procedures aan de orde moeten kunnen stellen dat de aan een individuele corporatie toegekende bijzondere projectsteun niet in overeenstemming met de beschikking van de Commissie van 15 december 2009 is besteed. Nu inmiddels is komen vast te staan dat de eindafrekeningen slechts een bevestiging van de subsidieverlening zijn, waartegen geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, moeten de steunbesluiten worden beschouwd als vaststellingsbesluiten in de zin van artikel 4:42 van de Awb. De corporaties betogen dat uit het beginsel van Unietrouw voortvloeit dat zij bij de bestuursrechter tegen deze besluiten moeten kunnen opkomen, om de volle werking van het staatssteunrecht te verzekeren. Gelet hierop moeten zij als belanghebbenden bij de steunbesluiten worden aangemerkt, aldus de in bijlage 2 vermelde corporaties. 6.
- Voorop moet worden gesteld dat de door de corporaties bedoelde uitspraak van de rechtbank van 26 november 2010 is vernietigd. In haar uitspraak van 2 november 2011 in zaak nr. 201100211/1/H2 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat de verlening van de bijzondere projectsteun niet in strijd is met de Europese staatssteunregels. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de door de corporaties aangehaalde uitspraak waarin zij heeft geoordeeld dat de steunmaatregelen verboden staatssteun inhouden. Het betoog faalt in zoverre. 6.
- Voor zover de in bijlage 2 vermelde corporaties betogen dat, indien zij niet als belanghebbenden bij de steunbesluiten worden aangemerkt, het hun onmogelijk wordt gemaakt om, indien met een individueel steunbesluit de Europese staatssteunregels worden geschonden, die schending aan de orde te stellen, overweegt de Afdeling als volgt. Van belang is dat het Unierecht geen voorschriften bevat die betrekking hebben op de vraag wanneer iemand belanghebbende is bij een besluit. Dat betekent dat, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, aan de hand van de maatstaf van artikel 1:2 van de Awb moet worden beoordeeld of de corporaties als belanghebbenden bij de steunbesluiten moeten worden aangemerkt. Zoals is overwogen in 2.2 en 4.2 zijn de financiële belangen van de betalende corporaties noch hun concurrentiebelangen rechtstreeks betrokken bij de steunbesluiten en kunnen zij derhalve niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij die besluiten worden aangemerkt. De Afdeling overweegt voorts, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie (arresten van 16 december 1976, 33/76, Rewe, punt 5; 16 december 1976, 45/76, Comet, punt 13; 14 december 1995, C-312/93, Peterbroeck, punt 12; 7 juni 2007, C-222/05-225/05, Van der Weerd e.a., punt 28; www.curia.europa.eu), dat, bij het ontbreken van een regeling ter zake in het Unierecht, het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen. Deze procedureregels mogen niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkheidsbeginsel), en zij mogen de uitoefening van de door Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Aan de vraag of dit al dan niet het geval is, gaat de vraag vooraf of de betalende corporaties aanspraken kunnen ontlenen aan het Unierecht. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord, nu de belangen van de betalende corporaties niet rechtstreeks zijn betrokken bij de steunbesluiten. Dit laatste betekent dan ook dat deze belangen evenmin worden getroffen als een individuele corporatie de bijzondere projectsteun op een met de staatssteunregels strijdige wijze zou aanwenden. Het betoog faalt derhalve ook voor het overige. Artikel 1 van het Eerste Protocol
- De betalende corporaties betogen dat de steunbesluiten, aangezien de hoogte van de door het Fonds verleende bijzondere projectsteun van invloed is op de hoogte van de te betalen bijdrageheffingen, een inbreuk opleveren op hun eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en zij daarom een rechtstreeks betrokken belang hebben. 7.
- Het betoog van de betalende corporaties gaat, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, eraan voorbij dat niet het toekennen van steun, maar het opleggen van de heffing een inbreuk oplevert op hun eigendomsrecht. De toekenning van bijzondere projectsteun tast het vermogen van de betalende corporaties niet aan. Tegen de inbreuk op het eigendomsrecht die het gevolg is van de heffing die aan de betalende corporaties is opgelegd bestaat, naar de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen, afdoende rechtsbescherming bij de bestuursrechter, nu dit aan de orde kan worden, en ook is, gesteld in de procedure tegen de heffingsbesluiten. Het betoog faalt. Terugbetalingsrisico
- De in bijlage 2 vermelde corporaties betogen ten slotte tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat het niet ondenkbaar is dat in het geval de steunbesluiten onrechtmatig blijken, het Fonds onvoldoende middelen heeft om de van hen geheven bedragen terug te betalen. Het risico dat eventueel onrechtmatige heffingen niet kunnen worden terugbetaald is te onzeker en staat in een te ver verwijderd verband om aan te nemen dat de betalende corporaties daardoor in hun belang zijn getroffen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de mogelijkheid dat het Fonds onrechtmatige heffingen niet terug kan betalen niet maakt dat de betalende corporaties een actueel, rechtstreeks belang hebben. Conclusie
- Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat van een rechtstreeks betrokken belang van de betalende corporaties bij de steunbesluiten geen sprake is en derhalve het Fonds de bezwaren van deze corporaties terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
- De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink w.g. Wieland voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2013 502-
- Bijlage 1 Naam - Rechtbanknummer Stichting Westhoek Wonen, gevestigd te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen - 10/3595 Patrimonium Woningstichting, gevestigd te Veenendaal - 10/3595 Omnia Wonen, gevestigd te Harderwijk - 10/3632 De Woonschakel Westfriesland, gevestigd te Medemblik - 10/3762 Woningstichting Het Grootslag, gevestigd te Wervershoof - 10/3762 Woningstichting Den Helder, gevestigd te Den Helder - 10/3762 Intermaris Hoeksteen, gevestigd te Hoorn - 10/3762 Stichting Volkshuisvestingsgroep Wooncompagnie, gevestigd te Hoorn - 10/3762 Stichting Woondiensten Enkhuizen, gevestigd te Enkhuizen - 10/3762 Algemene Woningbouwvereniging Monnickendam, gevestigd te Monnickendam - 10/3811 Stichting Woningbeheer De Vooruitgang, gevestigd te Volendam - 10/3811 Gemachtigde: mr. M.A. Grapperhaus Bijlage 2 Naam - Rechtbanknummer Stichting Wonen Zuidwest Friesland, gevestigd te Balk - 10/3720 Stichting Accolade, gevestigd te Drachten, gemeente Smallingerland - 10/3720 Stichting Actium, gevestigd te Assen - 10/3751 Stichting v/h De Bouwvereniging, gevestigd te Harlingen - 10/3720 Stichting Lyaemer Wonen, gevestigd te Lemmer, gemeente Lemsterland - 10/3720 Stichting Thús Wonen, gevestigd te Dokkum, gemeente Dongeradeel - 10/3720 Stichting Wonen Noordwest Friesland, gevestigd te Sint Annaparochie, gemeente Het Bildt - 10/3720 Stichting Woningbouw Achtkarspelen, gevestigd te Buitenpost, gemeente Achtkarspelen - 10/3720 Woningstichting Weststellingwerf, gevestigd te Weststellingwerf - 10/3720 Woningstichting De Wieren, gevestigd te Sneek - 10/3720 Stichting Delta Wonen, gevestigd te Zwolle - 10/3646 Christelijke Woningstichting Patrimonium, gevestigd te Groningen - 10/3633 Stichting Woonstade Hoogkerk Noorddijk, gevestigd te Groningen - 10/3634 Stichting Woonservice Drenthe, gevestigd te Westerbork, gemeente Midden-Drenthe - 10/3751 Woningstichting Wierden en Borgen, gevestigd te Bedum - Stichting "Woningbouw Slochteren", gevestigd te Slochteren - 10/3635 Woningstichting Openbaar Belang, gevestigd te Zwolle - 10/3645 Christelijke Woningstichting Talma, gevestigd te Hoogezand-Sappemeer - 10/3636 Woningstichting De Volmacht, gevestigd te Gieten - 10/3751 Stichting Domesta, gevestigd te Emmen - 10/3751 Woningbouwvereniging Woongoed Flakkee, gevestigd te Middelharnis - 10/3747 Stichting Mooiland, gevestigd te Wageningen - 10/3832 Vereniging Volksbelang, gevestigd te Geertruidenberg - 10/3798 Stichting De Leeuw van Putten, gevestigd te Spijkenisse - 10/3748 Stichting 3B-Wonen, gevestigd te Berkel en Rodenrijs - 10/3748 Woningbouwvereniging Hoek van Holland, gevestigd te Hoek van Holland - 10/3748 Woningstichting Samenwerking Vlaardingen, gevestigd te Vlaardingen - 10/3748 Patrimonium Woningstichting, gevestigd te Veenendaal - 10/3577 Stichting Westhoek Wonen, gevestigd te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen - 10/3577 De Woonschakel Westfriesland, gevestigd te Medemblik - 10/3749 Woningstichting Het Grootslag, gevestigd te Wervershoof - 10/3749 Woningstichting Den Helder, gevestigd te Den Helder - 10/3749 Omnia Wonen, gevestigd te Harderwijk - Intermaris Hoeksteen, gevestigd te Hoorn - 10/3749 Stichting Volkshuisvestingsgroep Wooncompagnie, gevestigd te Hoorn - 10/3749 Stichting Woondiensten Enkhuizen, gevestigd te Enkhuizen - 10/3749 Algemene Woningbouwvereniging Monnickendam, gevestigd te Monnickendam - Stichting Woningbeheer De Vooruitgang, gevestigd te Volendam - Gemachtigde: mr. J.R. van Angeren