201111694/1/A2. Datum uitspraak: 13 februari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ridderstee Holiday B.V., gevestigd te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 september 2011 in zaak nr. 10/2940 in het geding tussen: Ridderstee en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland. Procesverloop Bij besluit van 4 februari 2009 heeft het college aan Ridderstee een subsidie van € 200.000,00 ingevolge de "Tijdelijke verordening stimulering Voordelta" (hierna: de Subsidieverordening) voor het project "Ouddorp Duin" (hierna: het project) verleend. Bij besluit van 10 maart 2010 heeft het college het door Ridderstee daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 september 2011 heeft de rechtbank het door Ridderstee daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft Ridderstee hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2012, waar Ridderstee, vertegenwoordigd door mr. A.A. Kleinhout, advocaat te Amsterdam en mr. A.A. den Hollander, advocaat te Middelharnis, vergezeld van mr. R.H. Jongkees, werkzaam bij de gemeente Goedereede (thans: gemeente Goeree-Overflakkee), en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.M. van den Tweel en mr. M.R. Küthe, beiden advocaat te Den Haag, vergezeld van P. van der Kleij en mr. B.M.T.J. Hoppenbrouwers, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 2 van de Subsidieverordening kan subsidie worden verstrekt voor een activiteit ter stimulering van de sector recreatie & toerisme, die plaatsvindt in de subsidieregio Zuid-Holland en bijdraagt aan de realisering van ten minste het beleidsthema: a. duurzaamheid; b. innovatie en kennistransfer, of c. promotie en imagoverbetering. Ingevolge artikel 4, eerste lid, wordt subsidie slechts verleend aan ondernemingen en publiekrechtelijke instellingen of combinaties daarvan. Ingevolge het vierde lid wordt geen subsidie verleend indien daarmee de de-minimis-limiet wordt overschreden. Ingevolge artikel 5, eerste lid, bedraagt het subsidieplafond voor de subsidieregio Zuid-Holland € 4.500.000,00 voor de periode tot en met 15 oktober 2009. Ingevolge het tweede lid bedraagt de subsidie per activiteit ten hoogste € 4.500.000,00 en ten minste € 10.000,00. Ingevolge het derde lid laat het bepaalde in het tweede lid van dit artikel onverlet dat de aanvrager (indien relevant) inlichtingen doet verstrekken ter beoordeling van de drempel voor de de-minimis-steun door invulling van de de-minimis-verklaring. Ingevolge artikel 6, aanhef en derde lid wordt subsidie slechts verstrekt indien uit de begroting blijkt dat, met inbegrip van de subsidie, de benodigde financiële middelen beschikbaar zijn om het gestelde doel te realiseren. Ingevolge die aanhef en het vierde lid, wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de criteria gesteld bij of krachtens de Subsidieverordening. Ingevolge artikel 13, eerste lid, is er een Adviescommissie die verweerder adviseert ten aanzien van de beslissing op de ingediende subsidieaanvragen. 1.1. In de door de provincie Zuid-Holland uitgegeven NieuwsBrief Stimulering Voordelta nr. 2 van december 2008 (hierna: de NieuwsBrief) alsmede op de internetpagina van de provincie is de volgende toelichting op artikel 4, vierde lid, van de Subsidieverordening vermeld: "In artikel 4, lid 4, van de Subsidieverordening staat dat geen subsidie wordt verleend indien daarmee de de-minimis-limiet wordt overschreden. Deze uitsluiting heeft alleen betrekking op subsidieaanvragen waarbij sprake is van staatssteun. Wanneer staatssteun bij de verlening van de subsidie niet aan de orde is, doordat de subsidie bijvoorbeeld niet toekomt aan een onderneming dan is artikel 4, lid 4 ook niet van toepassing. Voorts beoogt artikel 4, lid 4 niet om subsidieaanvragen uit te sluiten waarbij een beroep kan worden gedaan op een specifieke vrijstellingsverordening." 2. Ingevolge artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) zijn, behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van Verordening 1998/2006/EG van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PB 2006 L 379; de De-minimisverordening) worden steunmaatregelen geacht niet aan alle criteria van artikel 87, eerste lid, van het EG-verdrag (thans, na wijziging, artikel 107, eerste lid, van het VWEU) te voldoen - en zijn derhalve vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting uit hoofde van artikel 88, derde lid, van het EG-verdrag (thans, na wijziging, artikel 108, derde lid, van het VWEU) - indien zij aan de in de leden 2 tot en met 5 vastgestelde voorwaarden voldoen. Ingevolge het tweede lid ligt het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan één onderneming wordt verleend, niet hoger dan € 200.000,00 over een periode van drie belastingjaren (de de-minimislimiet). In 2009 heeft de Commissie de Gedragscode voor een goed verloop van de staatssteunprocedures (PB 2009, C 136; hierna: de Gedragscode) geïntroduceerd. Deze luidt als volgt: "1. In 2005 heeft de Commissie het Actieplan staatssteun — Minder en beter gerichte staatssteun: een routekaart voor de hervorming van het staatssteunbeleid (2005-2009) (hierna actieplan genoemd) vastgesteld teneinde de efficiëntie, de transparantie, de geloofwaardigheid en de voorspelbaarheid van de staatssteunregels krachtens het EG-Verdrag te verbeteren. Op basis van het beginsel minder en beter gerichte staatssteun is het hoofddoel van dit actieplan om de lidstaten ertoe aan te zetten het totale niveau van de door hen verleende steun te verlagen en de staatsmiddelen meer te richten op horizontale doelstellingen van algemeen belang. Om dit te bereiken wordt in het actieplan eveneens aangedrongen op doeltreffender, eenvoudiger en voorspelbaarder staatssteunprocedures. 2. De Commissie wil dit streven kracht bijzetten met de onderhavige gedragscode, teneinde de procedures voor alle betrokkenen zo productief en efficiënt mogelijk te maken. Deze gedragscode berust op de ervaringen die zijn opgedaan met de toepassing van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag en op interne studies van de Commissie inzake de duur van de verschillende fasen van de staatssteunprocedure, de behandeling van klachten en de instrumenten die voor het verzamelen van gegevens worden gebruikt. Deze gedragscode is vooral bedoeld als richtsnoer bij de dagelijkse uitvoering van staatssteunprocedures en beoogt daarmee een betere samenwerking en wederzijds begrip tussen de diensten van de Commissie, de autoriteiten van de lidstaten, de juridische wereld en het bedrijfsleven te stimuleren. (…) 9. De onderhavige gedragscode beschrijft dagelijkse, in de praktijk bewezen handelwijzen, teneinde de procedures op het gebied van staatssteun sneller, transparanter en voorspelbaarder te maken, en wel in elke fase van het onderzoek van een aangemelde of niet-aangemelde zaak of een ingediende klacht. (…) 10. Uit de ervaring van de Commissie blijkt dat contacten voorafgaand aan de aanmelding een toegevoegde waarde hebben, zelfs in kennelijke standaardzaken. Dergelijke contacten bieden de diensten van de Commissie en de aanmeldende lidstaat de mogelijkheid om de juridische en economische aspecten van een voorgenomen maatregel voorafgaand aan de aanmelding informeel en in wederzijds vertrouwen te bespreken, hetgeen de kwaliteit en de volledigheid van de aanmelding ten goede komt. In dit verband kunnen de lidstaat en de diensten van de Commissie tevens gezamenlijk constructieve voorstellen uitwerken om problematische aspecten van een voorgenomen maatregel te wijzigen. Deze fase maakt derhalve de weg vrij voor een snellere behandeling van aanmeldingen zodra zij formeel bij de Commissie zijn ingediend. Geslaagde contacten voorafgaand aan de aanmelding zouden de Commissie feitelijk in staat moeten stellen binnen twee maanden na de datum van aanmelding een beschikking te geven ingevolge artikel 4, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 659/1999. (…)." 3. Subsidie ingevolge de Subsidieverordening wordt verstrekt uit het Stimuleringsfonds Voordelta. Ridderstee heeft een aanvraag om subsidie ingevolge de Subsidieverordening ingediend ten bedrage van € 4.500.000,00 voor het project. Het project voorziet in de bouw van een hotel met 80 tot 120 kamers en de realisatie van een zogeheten elk-weer-voorziening met een theater, een overdekte speeltuin, een voorlichtings- en bezoekerscentrum, een bioscoop, een zwembad en een fitness- en wellnessruimte. Ridderstee heeft te kennen gegeven dat deze voorzieningen voor een ieder toegankelijk zullen zijn en niet alleen voor bezoekers van het nabij de projectlocatie gelegen Recreatiepark De Klepperstee, een dochteronderneming van Ridderstee. Daarnaast voorziet het plan in onder andere de aanleg van duinen, natuurgebied, voorzieningen voor invaliden om het strand voor hen toegankelijk te maken, een trimbaan en parkeerplaatsen. Onderdeel van het door het college ter beschikking gestelde aanvraagformulier is een modelverklaring de-minimissteun. Deze is door Ridderstee ingevuld en bij de aanvraag overgelegd. In vervolg op de aanvraag en ten behoeve van een gesprek tussen partijen over de verenigbaarheid van het project met de staatssteunregels heeft Ridderstee een notitie hierover van mr. E.H. Pijnacker Hordijk en mr. A.A. Kleinhout van 22 december 2008 overgelegd. Het college heeft de door Ridderstee ingediende aanvraag ter advisering voorgelegd aan de Adviescommissie. Deze heeft, na de beoordeling van alle aanvragen, het project aan de hand van de criteria, vermeld in de Subsidieverordening, als tweede, na "Project aan Zee" te Westvoorne, gerangschikt. Aan "Project aan Zee" is een subsidie van € 200.000,00 toegekend, zodat voor het project in beginsel een subsidiebedrag van € 4.300.000,00 beschikbaar was. De Adviescommissie heeft evenwel geadviseerd om aan Ridderstee, onder voorwaarden, een subsidie van € 200.000,00 toe te kennen. Bij besluit van 4 februari 2009 heeft het college Ridderstee subsidie tot een bedrag van € 200.000,00 verleend, onder de opschortende voorwaarde dat Ridderstee binnen vier weken een nieuwe begroting indient waaruit blijkt dat, met inbegrip van de subsidie, de benodigde financiële middelen beschikbaar zijn om het gestelde doel te realiseren. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 maart 2010. Hieraan heeft het college, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat uitgangspunt van de Subsidieverordening is dat, ingeval toekenning van de gevraagde subsidie leidt tot verlening van staatssteun, geen groter bedrag aan subsidie mag worden verleend dan de de-minimislimiet, zijnde € 200.000,00. Dit vergt volgens het college in de eerste plaats een onderzoek naar de vraag of de subsidie zal kwalificeren als staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VWEU. Indien deze vraag positief wordt beantwoord, dient, zo stelt het college, te worden onderzocht of door toekenning van de gevraagde subsidie de de-minimislimiet wordt overschreden. Als dat het geval is, dient volgens hem ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Subsidieverordening het te verlenen subsidiebedrag te worden beperkt tot € 200.000,00. Het college heeft het project niet aan de Europese Commissie voorgelegd om haar te laten beoordelen of dit in overeenstemming is met de staatssteunregels. Op grond van de Subsidieverordening heeft het niet de bevoegdheid het project bij de Commissie aan te melden, aldus het college. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat toekenning van de gevraagde subsidie staatsteun oplevert. Aangezien de strekking van de Subsidieverordening is dat subsidie waarvan niet is uitgesloten dat deze staatssteun oplevert, wordt beperkt tot de de-minimislimiet, hoefde het college niet aan de Commissie het voornemen om de gevraagde subsidie te verlenen voor te leggen, aldus de rechtbank. Bewijslastverdeling 4. Ridderstee betoogt dat het aan het college is om aan te tonen dat verlening van de gevraagde subsidie leidt tot ongerechtvaardigde staatssteun. 4.1. De Afdeling stelt voorop dat uit artikel 4, vierde lid, van de Subsidieverordening volgt, mede gelet op de onder 1.1 weergegeven toelichting op deze bepaling in de NieuwsBrief, dat niet meer dan € 200.000,00 aan subsidie zal worden verleend, indien toekenning van een groter bedrag aan subsidie ertoe leidt dat ongerechtvaardigde staatssteun zou worden verstrekt. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank als uitgangspunt heeft genomen, in de Subsidieverordening niet is bepaald dat subsidie waarvan niet is uitgesloten dat deze staatssteun oplevert, wordt beperkt tot de de-minimislimiet. De rechtbank heeft evenwel terecht overwogen dat het, gelet op artikel 5, derde lid, van de Subsidieverordening, aan de aanvrager van de subsidie is om de feitelijke gegevens en onderbouwing aan te dragen voor de beoordeling hiervan. Het betoog faalt. Staatssteun 5. Ridderstee bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat verlening van de gevraagde subsidie zou leiden tot verstrekking van ongerechtvaardigde staatssteun en betoogt dat dit niet het geval is. Zij voert aan dat niet voldaan is aan het criterium dat de begunstiging een of meer bepaalde ondernemingen betreft, hetgeen leidt tot een -dreigende- vervalsing van de mededinging en dat niet voldaan is aan het criterium dat zich een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten voordoet. Zij betoogt voorts dat het college in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding de Commissie niet om advies heeft gevraagd met betrekking tot de verenigbaarheid van verlening van de gevraagde subsidie met de staatssteunregels, zoals door de bezwarencommissie was geadviseerd. Staatssteuncriteria 5.1. Om een maatregel als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VWEU te kunnen kwalificeren, moet deze volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) (onder meer het arrest van 16 mei 2002, zaak C-482/99, Frankrijk/Commissie, punt 68; www.curia.europa.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.