(2009)" (hierna: het ontheffingsbeleid) geen onevenredig nadeel voor haar zou opleveren, aldus [appellante]. 2.
- Het college heeft aan zijn besluit van 28 april 2011 het ontheffingsbeleid ten grondslag gelegd. Vast staat dat het bouwplan qua afmeting en ligging voldoet aan de in dat beleid gestelde eisen. In het ontheffingsbeleid is vermeld dat het in bijzondere omstandigheden mogelijk is dat het college medewerking aan een gevraagde ontheffing gemotiveerd weigert, indien toepassing van de beleidsregels in de bijzondere omstandigheden van het geval tot een ongewenste uitkomst zou leiden, ook al zou het verzoek in overeenstemming met de beleidsregels zijn. 2.
- De rechtbank is terecht niet gebleken van bijzondere omstandigheden die in dit geval nopen tot afwijking van het ontheffingsbeleid. Weliswaar zal de aanwezigheid van de schuur, zoals voorzien bij het bouwplan, enige vermindering van het uitzicht, bezonning en privacy van [appellante] ten opzichte van de bestaande situatie met zich brengen, maar dit betekent, gelet op de ligging en omvang van het te realiseren bouwplan alsmede nu het deels vervanging van een bestaande berging betreft, niet dat de aantasting van het woongenot van [appellante] zodanig is dat daarvan geen ontheffing op grond van het ontheffingsbeleid kon worden verleend. Dat het college geen bezonningsstudie heeft gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking mogen nemen dat het perceel in een omgeving met een stedelijk karakter is gelegen. Dat verderop aanlegplaatsen voor pleziervaart alsmede een agrarisch gebied zijn gelegen, doet aan het stedelijk karakter van de bebouwing direct rondom het perceel niet af. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] de waardedaling van haar woning als gevolg van het bouwplan onvoldoende heeft onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft zij dit niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft zich tot slot, anders dan [appellante] betoogt, niet uitgelaten over de kans van slagen van een verzoek om planschadevergoeding. Het betoog faalt.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat. w.g. Wortmann w.g. Montagne lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013 374-761.