201300289/1/V
- Datum uitspraak: 18 maart 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 december 2012 in zaak nr. 12/452 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij besluit van 21 december 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 december 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.
- Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, gelezen in samenhang met artikel 86, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, is de vreemdeling voor het door hem ingestelde hoger beroep griffierecht verschuldigd.
- De vreemdeling is bij brief van 8 januari 2013 op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen en is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 22 januari 2013 te voldoen. Nadat is gebleken dat de vreemdeling het griffierecht niet heeft voldaan, is hem bij aangetekend verzonden brief van 28 januari 2013 meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending van de brief, dat wil zeggen uiterlijk op 11 februari 2013, op de rekening van de Raad van State dient te zijn bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State dient te zijn betaald. Tevens is vermeld dat, indien van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, er rekening mee moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het bedrag is niet binnen de aldus gestelde termijn op de rekening van de Raad van State bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State betaald. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling geen feiten of omstandigheden gesteld in verband waarmee redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.
- Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink w.g. Van Loo lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2013 418.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.