201201521/1/R4. Datum uitspraak: 3 april 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Bergambacht, 2. [appellant sub 2], wonend te Bergambacht, 3. [appellant sub 3], wonend te Bergambacht, 4. de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie, gevestigd te Groningen, en de raad van de gemeente Bergambacht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 13 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en Gasunie beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2012, waar [appellanten sub 1], in de persoon van [appellant sub 1A], bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 3], bijgestaan door mr. C.J.A. Boere, advocaat te Alphen aan den Rijn, en de raad, vertegenwoordigd door M.A. Bruinen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Overwegingen Het plan 1. Het plan bevat een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van Bergambacht. Het beroep van [appellanten sub 1] 2. [appellanten sub 1] kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Natuur", voor zover toegekend aan het noordelijke deel van het perceel [locatie 1] te Bergambacht. Zij voeren in dit verband aan dat, in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2010 in zaak nr. 200901080/1/R1, aan het zuidelijke deel van dit bestemmingsvlak een woonbestemming had moeten worden toegekend, zodanig dat deze woonbestemming het water van de voormalige eendenkooi volgt. Uit deze uitspraak volgt naar hun mening ook dat de grens van de woonbestemming aan de westzijde had moeten worden gelegd in het midden van de sloot die zich daar bevindt. 2.1. De raad stelt dat in het belang van het behoud van het landschapselement ter plaatse van de voormalige eendenkooi, bestaande uit water met daaromheen hoog opgaande beplanting, daaraan de bestemming "Natuur" is toegekend. De begrenzing van het bestemmingsvlak is volgens de raad gelegd op de meest zuidelijke punt van het water van de voormalige eendenkooi. De raad stelt dat hiermee wordt voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2010. 2.2. Aan een deel van het perceel [locatie 1] is de bestemming "Natuur" met de aanduiding "agrarisch" toegekend. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder 10.1.1, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor: a. behoud, versterking en ontwikkeling van de aan de gronden eigen zijnde natuurwaarde; b. behoud, versterking en herstel van de aan de gronden eigen zijnde landschapswaarde; c. extensief recreatief medegebruik. Onder 10.1.2 is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "agrarisch" de gronden tevens zijn bestemd voor agrarisch gebruik. Ingevolge lid 10.3, onder 10.3.1, aanhef en sub d, is het verboden de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: het verwijderen van natuurlijke vegetatie. Onder 10.3.3 is bepaald dat het in lid 10.3.1 en 10.3.2 van dit artikel vervatte verbod niet geldt voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, welke uit een oogpunt van te beschermen belangen van ondergeschikte betekenis zijn, alsmede voor werkzaamheden ten behoeve van het rivierbeheer en het beheer van het natuurgebied. 2.3. In de uitspraak van 16 juni 2010 heeft de Afdeling met betrekking tot een deel van de gronden die grenzen aan het zuidelijk deel van de eendenkooi en die in gebruik zijn als tuin overwogen dat de raad, gelet op dat gebruik, zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de tuin behoort tot het landschapselement ter plaatse van de voormalige eendenkooi. Naar aanleiding van de uitspraak van 16 juni 2010 is in het onderhavige plan aan de bedoelde gronden de bestemming "Wonen" toegekend, waarbij de noordelijke grens van die bestemming is gelegd op het meest zuidelijke punt van het water van de eendenkooi. Als gevolg hiervan resteert ten zuiden van de eendenkooi nog een driehoekig stuk grond van beperkte omvang met de bestemming "Natuur". De raad heeft ter zitting gesteld dat dit deel van het perceel moet worden beschouwd als deel van het landschapselement ter plaatse van de voormalige eendenkooi, omdat eendenkooien van oudsher aan alle zijden zijn omgeven door bosschages. [appellanten sub 1] hebben dit niet gemotiveerd betwist. Mede gezien de beperkte omvang van het desbetreffende perceelsgedeelte heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling aan het belang van behoud van de voormalige eendenkooi als landschapselement in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van het gebruik van de gronden als tuin door [appellanten sub 1]. Daarbij betrekt de Afdeling dat volgens de toelichting bij het plan veel landschapselementen, waaronder eendenkooien, in het plangebied inmiddels zijn verdwenen en dat de nog bestaande elementen worden beschermd, en dat volgens de toelichting in het plan behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke structuur wordt nagestreefd. 2.4. Voor zover in het plan aan de strook grond gelegen tussen de westelijke grens van het bestemmingsvlak "Wonen" en de sloot ten westen van dat bestemmingsvlak de bestemming "Natuur" met de aanduiding "agrarisch" is toegekend, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat niet is beoogd aan deze strook een natuurbestemming toe te kennen, maar dat daaraan een woonbestemming had moeten worden toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. 3. [appellanten sub 1] kunnen zich verder niet verenigen met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "agrarisch", voor zover toegekend aan het westelijke deel van het perceel [locatie 1]. Zij voeren hiertoe aan dat op grond van deze bestemming en aanduiding enerzijds het fokken en houden van schapen lijkt te zijn toegestaan, maar dat dit in de praktijk onmogelijk is doordat vergaande beperkingen worden gesteld aan het verwijderen van natuurlijke vegetatie. Volgens hen blijkt uit de planregels niet duidelijk of frezen en omspitten van de grond, noodzakelijk om het perceel geschikt te houden voor schapen, ter plaatse zijn toegestaan. Het plan is naar hun mening in zoverre rechtsonzeker. Verder biedt de toegekende bestemming naar hun mening onvoldoende mogelijkheden voor de bouw van een schuurtje dat kan dienen als schuilgelegenheid voor de te houden schapen. Volgens hen vloeit uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2010 voort dat aan dit deel van hun perceel de bestemming "Agrarisch met waarden" moet worden toegekend. 3.1. De raad stelt dat op de gronden met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "agrarisch", ten westen van de woning van [appellanten sub 1], het fokken en houden van schapen is toegestaan. Het verwijderen van de natuurlijke vegetatie is op grond van de planregels in beginsel niet toegestaan, maar een uitzondering wordt gemaakt voor werkzaamheden die uit een oogpunt van de te beschermen belangen van ondergeschikte betekenis zijn, zodat volgens de raad de planregeling aan het hobbymatig houden van schapen niet in de weg staat. 3.2. Uit artikel 10, lid 10.1, van de planregels, hiervoor aangehaald, volgt dat het bedoelde perceelsgedeelte is bestemd voor behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden en extensief recreatief medegebruik, alsmede voor agrarisch gebruik. Het standpunt van de raad dat op grond van de toegekende bestemming en aanduiding het hobbymatig houden van schapen is toegestaan acht de Afdeling niet onjuist. Verder volgt uit lid 10.3 dat ter plaatse een verbod geldt voor het verwijderen van vegetatie, maar dat dit niet geldt voor zover een dergelijke activiteit uit een oogpunt van te beschermen belangen van ondergeschikte betekenis is. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat volgens hem het volledig frezen en omspitten van het gehele perceel op grond van deze bepaling niet is toegestaan, maar dat naar hij meent het plan niet in de weg staat aan een zodanig beheer van vegetatie dat het houden van schapen mogelijk blijft. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het op beperkte schaal verwijderen van vegetatie op het perceel, zoals toegestaan op grond van de planregels, onvoldoende is om het houden van schapen daarop mogelijk te maken. De Afdeling ziet gezien het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre rechtsonzeker is. Ter zitting heeft de raad - op dit punt onweersproken - uiteengezet dat het westelijke deel van het perceel is gelegen in de provinciale Ecologische Hoofdstructuur (hierna: de PEHS). In de plantoelichting staat verder dat de bestaande natuurgebieden worden uitgebreid in het kader van het Veenweidepact, zodat een samenhangend netwerk ontstaat met aaneengeschakelde natuurgebieden. Het plan streeft blijkens de plantoelichting behoud, herstel en ontwikkeling na van natuurwaarden in zowel de natuurgebieden als in het agrarisch gebied. Het voorgaande in aanmerking genomen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het belang van de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurwaarden ter plaatse zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellanten sub 1] om in het plan aan het bedoelde perceelsgedeelte een agrarische bestemming toe te kennen. Ook aan het gegeven dat de toegekende bestemming, anders dan een agrarische bestemming, geen mogelijkheden biedt voor de bouw van een schuilgelegenheid heeft de raad geen doorslaggevend belang hoeven hechten, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de bouw van bijgebouwen op het aangrenzende gedeelte van het perceel met de bestemming "Wonen" is toegestaan. 4. Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond voor zover het is gericht tegen de bestemming "Natuur" en de aanduiding "agrarisch", voor zover toegekend aan de strook grond gelegen direct ten westen van het bestemmingsvlak "Wonen", tussen dat bestemmingsvlak en de ten westen daarvan gelegen sloot. Het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] 5. [appellant sub 2], die woonachtig is op het perceel [locatie 2] te Bergambacht, kan zich niet verenigen met de in de planregels voor zijn perceel opgenomen maximale oppervlakte voor bijgebouwen van 50 m2. Gelet op de omvang van 2,6 hectare van zijn perceel is deze maximale oppervlakte voor bijgebouwen volgens hem te klein voor opslag, het stallen van voertuigen en het hobbymatig houden van vee. Uitbreiding van deze oppervlakte is volgens [appellant sub 2] in het bijzonder nodig omdat op grond van het bestemmingsplan "De nieuwe wetering" op enige afstand van zijn perceel uitbreiding van een bedrijventerrein, met vestiging van milieucategorie 4-bedrijven, mogelijk is. Deze uitbreiding kan zorgen voor geluidoverlast en een bijgebouw kan in zo'n situatie volgens hem dienen als geluidreducerende buffer tussen zijn woning en het bedrijventerrein. [appellant sub 2] betoogt voorts dat, gezien de ligging van zijn perceel in een gebied met industriële uitstraling dat naar aard en karakteristiek verschilt van de overige in het plangebied gelegen percelen, een grotere oppervlakte voor bijgebouwen gerechtvaardigd is. Hij wijst op een aantal omliggende gemeenten die reeds de mogelijkheden voor de maximale oppervlakte voor bijgebouwen hebben uitgebreid. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de bestemmingsregels voor de bestemming "Wonen" ten onrechte slechts de mogelijkheid bieden een stal voor het hobbymatig houden van dieren op te richten op een afstand van ten hoogste 50 meter van de bestemming "Verkeer" of van een ontsluitingsweg. Hij wijst erop dat het plan voor de bestemming "Agrarisch met waarden" de mogelijkheid biedt om een dergelijke stal op te richten op grotere afstand dan 50 meter van de bestemming "Verkeer", wanneer die stal wordt gebouwd aansluitend aan de woonbestemming van de aanvrager. 5.1. De raad stelt dat ten opzichte van het vorige plan de bouwmogelijkheden voor burgerwoningen al zijn verruimd, van 650 m3 inclusief bijgebouwen naar 700 m3 waarnaast 50 m2 aan bijgebouwen is toegestaan. Volgens de raad kunnen bij bestaande woningen die geen afzonderlijk bijgebouw hebben ongeacht hun afmetingen bijgebouwen van maximaal 50 m2 worden gerealiseerd. De raad heeft ervoor gekozen voor alle woningen in het plangebied dezelfde maat te hanteren, welke maat als ruim voldoende wordt gezien voor een bergruimte voor een gezin. De raad stelt voorts dat gelet op de ligging van het perceel van [appellant sub 2] geen sprake is van een uitzonderingssituatie die de bouw van extra bijgebouwen rechtvaardigt. De afstand van 50 meter die ten hoogste mag worden aangehouden ten opzichte van de bestemming "Verkeer" bij de bouw van stalruimte is volgens de raad opgenomen om te voorkomen dat een stal midden in open gebied zou kunnen worden gebouwd. 5.2. Aan het perceel [locatie 2] is deels de bestemming "Agrarisch met waarden" en deels de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder 3.3.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch aanverwant gebruik zoals het beweiden van dieren, al dan niet in het kader van de agrarische bedrijfsvoering. Ingevolge lid 3.3, onder 3.3.1, aanhef en sub d, kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a ten behoeve van het oprichten van stalruimten voor hobbymatig agrarisch gebruik, met dien verstande dat de stalruimte, voor zover niet gelegen aan een ter plaatse aanwezige ontsluitingsweg, dient te worden gesitueerd binnen een afstand van 50 meter vanuit de bestemming "Verkeer" dan wel aansluitend aan de bestemming "Wonen" van de aanvrager. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, onder 16.1.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen. Ingevolge lid 16.2, onder 16.2.1, aanhef en sub h, onder 1, geldt ten aanzien van de in lid 16.1 bedoelde gronden dat bij iedere woning bijgebouwen mogen worden opgericht, waarbij de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m2. Ingevolge lid 16.3, onder 16.3.4, aanhef en sub c, kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 15.2.1 [de Afdeling leest: 16.2.1] onder h, ten behoeve van het oprichten van stalruimten voor hobbymatig agrarisch gebruik, met dien verstande dat de stalruimte, voor zover niet gelegen aan een ter plaatse aanwezige ontsluitingsweg, dient te worden gesitueerd binnen een afstand van 50 meter vanuit de bestemming "Verkeer". 5.3. Volgens de plantoelichting ligt de waarde van het buitengebied van Bergambacht onder meer in de openheid van het landschap. Verder is volgens de toelichting voor het buitengebied onder meer kenmerkend dat de bebouwing niet nadrukkelijk aanwezig is en een ondergeschikte rol speelt. Uit de toelichting kan verder worden afgeleid dat het gemeentelijk en regionaal beleid mede is gericht op het behoud van een open karakter van het landschap. Het voorgaande in aanmerking genomen ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad een oppervlakte van 50 m2 aan bijgebouwen niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten voor het plangebied. Noch de omvang van het perceel van [appellant sub 2], noch de ligging daarvan geven aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij betrekt de Afdeling dat de afstand van zijn woning tot de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein "De nieuwe wetering" volgens de verbeelding ruim 370 meter bedraagt en dat de gronden die rondom zijn perceel zijn gelegen in hoofdzaak een open karakter hebben zonder bebouwing. Verder is van belang dat voor percelen met een oppervlakte van meer dan 1 hectare het plan voorziet in de mogelijkheid van afwijking bij omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van stalruimte voor het hobbymatig houden van dieren, zodat op dit punt voor grotere percelen al ruimere bouwmogelijkheden zijn opgenomen. Ten aanzien van de gevreesde hinder als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein acht de Afdeling, mede gezien de hiervoor vermelde afstand tussen het bedrijventerrein en de woning van [appellant sub 2], niet aannemelijk gemaakt dat zich onaanvaardbare hinder zal voordoen. Aan het gegeven dat omliggende gemeenten bestemmingsplannen hebben vastgesteld waarin ruimere mogelijkheden voor het oprichten van bijgebouwen worden geboden, heeft de raad geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. 5.4. De raad heeft uiteengezet dat de afstand van 50 meter gerekend vanuit de bestemming "Verkeer", die bij de bouw van stalruimten binnen de bestemming "Wonen" ten hoogste mag worden aangehouden, is bedoeld om te voorkomen dat stalruimten midden in open gebied worden gebouwd. Daarbij is toegelicht dat ook ten aanzien van de bestemming "Agrarisch met waarden" is beoogd te regelen dat stallen voor het hobbymatig houden van dieren alleen kunnen worden gebouwd op een afstand van ten hoogste 50 meter van de bestemming "Verkeer", overeenkomstig de regeling voor de gronden met de bestemming "Wonen". De bouw van dergelijke stalruimten op grotere afstand is volgens de raad uit ruimtelijk oogpunt niet gewenst. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen de bouw van stalruimte binnen de bestemming "Wonen" slechts mogelijk te maken tot een afstand van ten hoogste 50 meter van de bestemming "Verkeer". 6. [appellant sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit voor het overige onjuist is. 7. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3] 8. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarin de aanduiding "(-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.