201204288/1/V
- Datum uitspraak: 12 maart 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellante], tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 20 maart 2012 in zaak nr. 12/1577 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2012 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen haar een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Bij besluit van 16 maart 2012 heeft de minister de duur van het inreisverbod verkort tot één jaar. Deze besluiten zijn aangehecht. Bij mondelinge uitspraak van 20 maart 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het terugkeerbesluit en het tegen haar uitgevaardigde inreisverbod ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De minister (thans: staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen
- Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
- Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. 2.
- Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat de vreemdeling op 17 februari 2012 naar Vietnam is uitgezet. In het hogerberoepschrift heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris haar ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden Nederland zelfstandig te verlaten. Nu dit de grondslag vormt van het tegen haar uitgevaardigde inreisverbod en zij voorts ten onrechte op basis van het terugkeerbesluit in bewaring is gesteld, heeft zij belang bij het hoger beroep, aldus de vreemdeling. 2.
- Onder verwijzing naar de uitspraak van 8 augustus 2011 in zaak nr. 201105786/1/V3 overweegt de Afdeling dat aan de met het terugkeerbesluit vastgestelde terugkeerverplichting is voldaan, nu de vreemdeling na de uitreiking van dat besluit naar Vietnam is uitgezet. De duur van het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod is derhalve op 18 februari 2013 verstreken. Voorts kan het terugkeerbesluit niet meer aan een eventueel toekomstige inbewaringstelling ten grondslag worden gelegd. De Afdeling heeft daarnaast de inbewaringstelling van de vreemdeling reeds bij uitspraak van 12 december 2012 in zaak nr. 201201704/1/V3 van meet af aan onrechtmatig bevonden en de vreemdeling om die reden schadevergoeding toegekend. Onder deze omstandigheden heeft de vreemdeling geen belang meer bij het hoger beroep.
- Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk, ambtenaar van staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Den Dulk voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2013 565-689.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.