(2010)van 16 juni 2010, het rapport 'Afghanistan: Investigate Any Newly Disclosed Civilian Casualty Incidents' van Human Rights Watch van 26 juli 2010, het rapport 'Afghanistan - Mid Year Report 2010 on Protection of Civilians in Armed Conflict' van augustus 2010 en het rapport 'Afghanistan: Update, Die aktuelle Sicherheitslage' van de Sweizerische Flüchtlingshilfe van 11 augustus
- 5.
- Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2 volgt dat uit de punten 35 tot en met 40 en punt 43 van het arrest van het Hof van Justitie van 17 februari 2009, C-465/07, (curia.europa.eu) kan worden afgeleid dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in dat artikelonderdeel bedoelde bedreiging. 5.
- De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich in Afghanistan, in het bijzonder in de provincie Uruzgan, evenbedoelde uitzonderlijke situatie heeft voorgedaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2011 in zaak nr. 201002738/1/V2) kon uit de in die zaak overgelegde documenten, in het licht van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 20 juli 2010, N. tegen Zweden (nr. 23505/09; JV 2010/373) en van 13 oktober 2011, Husseini tegen Zweden, nr. 10611/09 (www.echr.coe.int), niet worden afgeleid dat de mate van willekeurig geweld in de provincie Uruzgan dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 bedoelde bedreiging. De door de vreemdeling overgelegde documenten werpen daarop geen ander licht. Het betoog van de vreemdeling faalt derhalve.
- Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 6 juni 2011 in zaak nr. 10/37786; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink w.g. Verbeek voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013 574.