201302306/2/R
- Datum uitspraak: 6 mei 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: [verzoekster], wonend te Veere, verzoekster, en de raad van de gemeente Veere, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 13 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Zomerhuizenterreinen" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld. Tevens heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoekster] heeft nadere stukken ingediend. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 mei 2013, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door S.M. den Haan en C.J. van Belzen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is de vereniging Vereniging Van Eigenaren Duinpark Het Kustlicht, vertegenwoordigd door [gemachtigden], ter zitting als partij gehoord. Overwegingen
- Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
- De raad betwist dat met het verzoek om voorlopige voorziening een spoedeisend belang is gemoeid. Volgens de raad is voor het verwijderen van de duinpartij naast het perceel van [verzoekster] een omgevingsvergunning verleend, waaraan inmiddels gevolg is gegeven. De raad stelt daarnaast dat de planregels voor de speelvoorziening en voor de bouw van een recreatiewoning niet verschillen van het bestemmingsplan "Recreatie en Zomerhuizenterreinen Kustlicht II" zodat ook hierin geen spoedeisend belang is gelegen. 2.
- Uit de stukken volgt, hetgeen ter zitting is bevestigd, dat - kort weergegeven - een procedure aanhangig is bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant tegen de omgevingsvergunning voor het verwijderen van de duinpartij naast het perceel van [verzoekster]. Daarnaast is bij de Afdeling een procedure aanhangig tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 20 december 2012, met betrekking tot de weigering van het college van burgemeester en wethouders om handhavend op te treden tegen het plaatsen van speelvoorzieningen. De voorzitter acht niet uitgesloten dat het plan van invloed kan zijn op deze procedures zodat een spoedeisend belang in zoverre wordt aangenomen.
- [verzoekster] betoogt in de eerste plaats dat het plan, anders dan het bestemmingsplan "Recreatie en Zomerhuizenterreinen Kustlicht II", ten onrechte geen regels bevat ter bescherming van de duinpartij naast haar perceel [locatie] te Zoutelande. [verzoekster] betwist dat er geen ruimtelijke argumenten zijn om opnieuw planregels vast te stellen omtrent het afgraven van duinpartijen. Zij stelt dat ten tijde van voornoemd bestemmingsplan behoud van de duinpartijen door de raad van groot belang werd geacht voor de landschappelijke inpassing van de zomerhuizen. 3.
- De raad stelt dat het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk is dat het plan regels bevat inzake de bescherming van duinpartijen. Volgens de raad bevat het bestemmingsplan "Recreatie en Zomerhuizenterreinen Kustlicht II" weliswaar een aanlegvergunningstelsel ter behoud van de duinpartijen, maar deze regels bieden geen hoog beschermingsniveau. 3.
- Niet in geschil is dat het onderhavige plan in afwijking van het bestemmingsplan "Recreatie en Zomerhuizenterreinen Kustlicht II" geen regels bevat inzake het afgraven van duinpartijen. Gelet op de beperkte bescherming die uitging van de regels in het bestemmingsplan "Recreatie en Zomerhuizenterreinen Kustlicht II", zoals door de raad ter zitting is toegelicht, ziet de voorzitter niet in dat de raad vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gehouden moet worden geacht deze regels opnieuw op te nemen. Hierbij wordt betrokken dat de raad zich tot doel heeft gesteld met dit plan een uniform en eenduidig planregime voor alle zomerhuizenterreinen in de gemeente vast te stellen, dat is gericht op deregulering. Situatie specifieke regels omtrent het afgraven van duinpartijen passen hier volgens de raad niet in. Tot slot is van belang dat [verzoekster] niet aannemelijk heeft gemaakt dat anderszins gronden bestaan om een beschermingsregime voor de duinpartijen in de planregels te verankeren.
- [verzoekster] betoogt voorts dat het plan ten onrechte niet voorziet in een bebouwingsvrije strook rond haar perceel. Onder verwijzing naar onder meer een wegenplan van Haskoning van 9 december 1994 stelt zij dat haar is toegezegd dat een bebouwingsvrije strook rond haar perceel in acht zou worden genomen. Zij kan zich derhalve niet verenigen met de planregels die het toelaten dat speelvoorzieningen worden gerealiseerd in deze strook. Volgens haar zouden hier extra regels aan moeten worden gesteld, onder meer in verband met de geluidoverlast die het gebruik van de speelvoorzieningen met zich brengt. 4.
- De raad stelt dat het bestemmingsplan "Recreatie en Zomerhuizenterreinen Kustlicht II" eveneens voorzag in bebouwing van de door [verzoekster] gewenste bebouwingsvrije strook. De raad stelt daarnaast dat de regels voor het plaatsen van speelvoorzieningen gelijk zijn aan die in andere bestemmingsplannen voor het gemeentelijk grondgebied. Gelet op het recreatieve karakter van het gebied bestaat volgens de raad in dit geval ook geen reden hiervan af te wijken. 4.
- Voor zover al door de burgemeester van de toenmalige gemeente Valkenisse het voornemen is geuit een bebouwingsvrije strook te behouden rondom het perceel van [verzoekster], is naar het oordeel van de voorzitter in ieder geval niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich hieraan bij de planvaststelling gebonden had moeten achten. Hierbij wordt betrokken dat de toezegging al in 1994 zou zijn gedaan terwijl ook het bestemmingsplan "Recreatie en Zomerhuizenterreinen Kustlicht II" niet voorziet in een dergelijke bebouwingsvrije strook. Ten aanzien van de speelvoorzieningen ziet de voorzitter niet in dat de raad niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat, mede gelet op het recreatieve karakter van het gebied, geen ruimtelijke argumenten bestaan om extra planregels vast te stellen voor het realiseren van speelvoorzieningen in de nabijheid van het perceel van [verzoekster] ten opzichte van de in het plan al vastgestelde planregels.
- Gelet op het voorgaande bestaat onvoldoende aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek wordt daarom afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, ambtenaar van staat. w.g. Hagen w.g. Van Heusden voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2013 647.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.