(2010)van april 2011 (pagina 14), dat is gebaseerd op onderzoek in detentieinrichtingen, komt het HHC met een aantal aanbevelingen. Aanbeveling 9 luidt als volgt: "Adequate training for jail staff should be ensured. Police and security staff needs to be trained effectively and on a regular basis in order to better know and respect relevant human rights obligations and to improve their intercultural and conflict resolutions skills. It would be useful if the Police cooperated with NGO’s and the UNHCR and other external experts in this respect." Op de door het HHC gedane aanbevelingen heeft de Hongaarse politie gereageerd en de door de politie gemaakte opmerkingen zijn aan dat rapport (pagina 15) toegevoegd: "The Police took steps to contract and train armed security guards to enable the withdrawal of regular guard-escort personnel serving at detention centres. The armed security guards are on duty since
- Their training took place with the participation of the Hungarian Helsinki Committee. (...) The Police and the Hungarian Helsinki Committee submitted a joint application for the enhancement of the knowledge and implementation of human right norms relating to the return of foreigners. Under this project a special curriculum is being prepared, and with the help of this material the training of 47 police officers is going to take place." 12.
- De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 15 juni 2012 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zich met klachten over de wijze waarop hij is behandeld kan wenden tot de aangewezen autoriteiten en instanties in Hongarije. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet mogelijk is geweest, aldus de staatssecretaris. 12.
- Uit de overgelegde rapporten blijkt dat in detentiecentra mishandelingen door de politie veelvuldig voorkwamen en dat het toedienen van kalmeringsmiddelen aan vreemdelingen in detentiecentra tot afhankelijkheid van die middelen heeft geleid. Uit de rapporten komt ook het beeld naar voren dat dit onder andere is veroorzaakt door het op korte termijn doorvoeren van wijzigingen in de organisatie van detentiecentra en het aanstellen van onopgeleide bewakers. Uit het UNHCR-rapport blijkt echter dat sedert een interventie van de UNHCR er significant minder klachten zijn over het toedienen van kalmeringsmiddelen aan gedetineerden. Verder blijkt uit het rapport van het HHC van april 2011 dat de politie nauw samenwerkt met het HHC om de opleiding van bewakers te verbeteren en hen bewust te maken van het respecteren van mensenrechten. Voorts is niet gebleken dat bij de Hongaarse autoriteiten niet over mishandelingen kan worden geklaagd, waarbij mede in aanmerking is genomen dat naar aanleiding van interventie door de UNHCR in individuele zaken door de politie onderzoeken zijn gestart.
- Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt dat er Dublinclaimanten na overdracht aan Hongarije worden gedetineerd, dat de effectiviteit van de rechtsmiddelen tegen detentie voor verbetering vatbaar is en dat er meldingen zijn ontvangen over mishandelingen gedurende de detentie. Uit de stukken en de brief van de Hongaarse minister van Binnenlandse Zaken blijkt evenwel ook dat niet alle in het kader van de Verordening aan Hongarije overgedragen vreemdelingen worden gedetineerd en dat rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen het opleggen en verlengen van detentie. Ook is gebleken dat de Hongaarse autoriteiten naar aanleiding van klachten over mishandelingen in detentiecentra maatregelen hebben getroffen onder andere door bewakingspersoneel beter op te leiden. Niet is gebleken dat bij de Hongaarse autoriteiten niet over mishandelingen in detentiecentra kan worden geklaagd. Ten slotte is gebleken dat de Hongaarse regering aan het parlement een aantal wetswijzigingen heeft voorgelegd om de asielwetgeving te verbeteren en bereid is in samenwerking met de UNHCR aan verdere verbeteringen te werken. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van de vreemdeling aan Hongarije een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM en dat de staatssecretaris zich om die reden niet met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kan stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Hongarije deze bepalingen niet zal schenden. Gelet op het vooroverwogene ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 juni 2012 in stand blijven.
- De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 12 juli 2012 in zaak nr. 12/19426; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 15 juni 2012, kenmerk 1205-15-1032; V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven; VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.124,00 (zegge: eenentwintighonderdvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro) voor het beroep en € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro) voor het hoger beroep. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink w.g. Graat voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2013 307-751.