(1999)(hierna: de Handleiding) bij de berekening van de geluidbelasting is toegepast. Uit paragraaf 5.2 van de Handleiding volgt dat een groep soortgelijke bronnen, die ongeveer gelijke hoogten hebben en waarvoor ongeveer gelijke omstandigheden voor de overdracht naar het immissiepunt gelden, vervangen kunnen worden door één puntbron. Het college heeft daarbij aangesloten [appellante] en anderen hebben geen argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de bronnen voor het uithalen van het kuilvoer bij de kuilvoerplaten niet tot één bron samengevoegd kunnen worden. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidbelasting van de representatieve bedrijfssituatie is onderschat. De beroepsgrond faalt.
- [appellante] en anderen betogen dat op twee referentiepunten op 50 m van de inrichting de geluidgrenswaarden van de Nota industrielawaai gemeente Putten worden overschreden en dat de geluidhinder als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting onjuist is berekend. 6.
- Deze gronden richten zich tegen overwegingen van de tussenuitspraak. De Afdeling overweegt dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.
- Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1, 5.1 en 6.1 is overwogen zijn de in de tussenuitspraak genoemde gebreken hersteld.
- Het beroep van [appellante] en anderen tegen het besluit van 26 april 2011 is gezien de tussenuitspraak gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, behoudens voor zover het de voorschriften 6.1, 6.2, 6.6, 6.7, 6.10, 6.14, 6.15, 6.16 en 6.20 betreft. Het beroep van [appellante] en anderen tegen het besluit van 24 januari 2013 is ongegrond.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2011 gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Putten van 26 april 2011, kenmerk 176589; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven, behoudens voor zover het de voorschriften 6.1, 6.2, 6.6, 6.7, 6.10, 6.14, 6.15, 6.16 en 6.20 betreft; IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 januari 2013 ongegrond; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Putten tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.228,52 (zegge: twaalfhonderdachtentwintig euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 1.180,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Putten aan [appellante] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat. w.g. Van Diepenbeek w.g. Kalter voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013 492-720.