201303077/1/R1. Datum uitspraak: 2 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, 2. het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, 3. [appellante sub 3], gevestigd te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, en anderen, 4. [appellante sub 4A], gevestigd te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, en [appellant sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), 5. [appellante sub 5], te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, 6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, 7. [appellante sub 7], gevestigd te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, 8. [appellante sub 8] te Loosdrecht, gevestigd te Blaricum, en anderen, 9. [appellante sub 9], wonend te Hilversum, 10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jachthaven De Waterburcht B.V. en [appellant sub 10A], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, 11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Caravanpark De Drechthoeve B.V. en [appellant sub 11A] (hierna tezamen en in enkelvoud: Caravanpark De Drechthoeve), gevestigd onderscheidenlijk wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, 12. [appellante sub 12A] en [appellant sub 12B], beiden wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, 13. [appellant sub 13], wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, 14. [appellant sub 14], wonend te Laren, en anderen, 15. de vereniging Watersportvereniging De Kavelaars, gevestigd te Hilversum, 16. [appellant sub 16], wonend te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, en de raad van de gemeente Wijdemeren, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 20 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Tussen de Dijken" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben alle appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft daarop zienswijzen naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2014, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord. Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nadere stukken in het geding gebracht. Overwegingen Het plan 1. Het plan voorziet in een actualisering van het juridisch-planologisch kader voor een gedeelte van het Loosdrechtse Plassengebied. Toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 1] 3. [appellanten sub 1] betogen dat ten onrechte aan de percelen, kadastraal bekend gemeente Wijdemeren, sectie F, nrs. 24 en 1148 (hierna: de percelen) geen agrarische bestemming is toegekend. Daartoe voeren zij aan dat zij op de percelen een schapenhouderij exploiteren en dat zij deze tot een volwaardige schapenhouderij willen uitbreiden, zodat zij in hun inkomen kunnen blijven voorzien. Zij wijzen daarbij op een universeel bedrijfsnummer dat door het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) is verleend. Voorts willen zij een bedrijfswoning op de percelen oprichten zodat toezicht kan worden gehouden op de schapen. Zij voeren aan dat deze bedrijfswoning op een afstand van ten minste 60 m van de as van de weg mogelijk had moeten worden gemaakt, omdat ook in andere gevallen nieuwbouw op een grote afstand van de as van de weg mogelijk is gemaakt. Verder is volgens hen ten onrechte de bestaande bebouwing op de percelen niet als zodanig bestemd. [appellanten sub 1] stellen dat deze bebouwing reeds sinds lang aanwezig is en dat voor de renovatie van deze bebouwing in de jaren ’70 toestemming is gegeven door het gemeentebestuur. 3.1. De raad wijst erop dat de percelen binnen de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) liggen. Voorts worden volgens de raad alleen bij volwaardige agrarische bedrijven bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. Verder is de bestaande bebouwing op de percelen volgens de raad illegaal opgericht. 3.2. Aan de percelen is de bestemming "Natuur" met de aanduiding "agrarisch met waarden" toegekend. Ingevolge artikel 1, lid 1.19, van de planregels wordt onder beperkt agrarisch medegebruik verstaan een agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen het agrarisch gebruik is toegestaan Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a en l, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurlijke en/of landschappelijke waarden en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "agrarisch met waarden" voor beperkt agrarisch medegebruik. Ingevolge lid 6.2 mag ter plaatse van de voor "Natuur" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming. Ingevolge lid 6.2., onder 6.2.1 en a, mag de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het behoud, herstel en/of ontwikkeling niet meer bedragen dan 16 m² met dien verstande dat de totale oppervlakte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 160 m². 3.3. Onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Tussen de Dijken" (hierna: het voorheen geldende plan), dat na goedkeuring door de Kroon in 1979 in werking is getreden, was aan de percelen de bestemming "Natuurgebied B" toegekend. Ingevolge artikel 13, eerste lid en onder a, van de voorschriften van het voorheen geldende plan waren de voor "Natuurgebied B" aangewezen gronden bestemd voor het behoud of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwetenschappelijke, landschappelijke of cultuurhistorische waarden alsmede voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met uitsluiting van het niet-bodemgebonden, agrarisch bedrijf, met dien verstande dat op deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mochten worden gebouwd. 3.4. De percelen hebben een oppervlakte van ongeveer 8,1 ha, waarvan ongeveer 7,8 ha uit trilveen, moerasbos en weidegrond bestaat. De overige 0,3 ha bestaat uit bebouwing en een erf. De percelen liggen in de EHS, behoudens een gedeelte van de bebouwing. De totale bebouwing op de percelen heeft een oppervlakte van ongeveer 437 m2. Deze bebouwing is zonder vergunning opgericht. Op de percelen worden ongeveer 50 tot 100 schapen gehouden. De opbrengst van de schapenhouderij bedraagt ongeveer 5.000 euro per jaar. 3.5. Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder a, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS) geldt voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan als EHS en als ecologische verbindingszone dat een bestemmingsplan de gronden als ‘natuur’ bestemt indien de natuurfunctie reeds is gerealiseerd. 3.6. In de toelichting bij de PRVS staat dat de aanleg van nieuwe en uitbreiding van bestaande woningbouw, bedrijven en andere opstallen een voorbeeld is van een ruimtelijke initiatief dat negatieve effecten heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. 3.7. De raad heeft terecht op grond van artikel 19, eerste lid, van de PRVS de bestemming "Natuur" toegekend aan de percelen. Op grond van deze bepaling dient een natuurbestemming te worden toegekend aan de percelen, nu daarop de natuurfunctie reeds is gerealiseerd. De percelen hadden onder het voorheen geldende plan de bestemming "Natuurgebied B" en bestaan voor het grootste gedeelte uit trilveen, moerasbos en weidegrond. De Afdeling stelt vast dat het houden van schapen door [appellanten sub 1] in de huidige vorm op de percelen als zodanig is bestemd. Dit gebruik kan als beperkt agrarisch medegebruik als bedoeld in artikel 1, lid 1.19, van de planregels worden aangemerkt, omdat dit gebruik ondergeschikt is aan de bestemming "Natuur". Daarbij is van belang dat op de percelen ongeveer 50 tot 100 schapen worden gehouden. Het voornemen van [appellanten sub 1] om hun schapenhouderij tot een volwaardig agrarisch bedrijf uit te breiden en een door het toenmalig Ministerie van LNV verleend universeel bedrijfsnummer, wat daarvan ook zij, kunnen aan het voorgaande niet afdoen, nu artikel 19, eerste lid, van de PRVS daaraan in de weg staat. Nu de raad terecht geen volwaardig agrarisch bedrijf op de percelen mogelijk heeft gemaakt, behoefde de raad in redelijkheid ook geen bedrijfswoning op de percelen mogelijk te maken. Gelet hierop behoeft de vraag op welke afstand van de as van de weg de door [appellanten sub 1] gewenste bedrijfswoning zou moeten worden gesitueerd niet te worden beantwoord. Wat betreft de bestaande bebouwing overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 1] niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze met een bouwvergunning is opgericht. Gelet hierop behoefde de raad deze bebouwing in redelijkheid niet als zodanig te bestemmen, nu de raad illegale bouwwerken in beginsel niet als zodanig behoeft te bestemmen. 4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 1] ongegrond. Het beroep van het college 5. Het beroep van het college richt zich tegen de meest noordelijke vlak en het op één na zuidelijkste vlak met de aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van de bestemming "Natuur" op het perceel kadastraal bekend gemeente Wijdemeren, sectie G, nr. 1323 dat in eigendom is van [belanghebbende] (hierna: het perceel). Het college betoogt dat het toestaan van recreatiewoningen ter plaatse in strijd is met artikel 14, eerste lid, van de PRVS, omdat daardoor verstedelijking buiten bestaand bebouwd gebied (hierna: BBG) mogelijk wordt gemaakt. 5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) niet kan gelden als argument bij de beoordeling van een bestemmingsplan indien niet aannemelijk is gemaakt dat een ontwikkeling een negatief effect heeft op de natuur. Voorts stelt de raad dat ter plaatse voorheen een aantal recreatieobjecten heeft gestaan, zodat de bestemming mede daarom ruimtelijk aanvaardbaar is. Volgens de raad is geen sprake van verstedelijking, omdat ter plaatse geruime tijd verblijfsobjecten hebben gestaan en in gebruik zijn geweest. 5.2. Ingevolge artikel 1, negende lid, onder a, van de PRVS wordt onder bestaande bebouwing verstaan bebouwing en bouwwerken geen gebouwen zijnde die rechtmatig aanwezig zijn of waarvoor een bouwvergunning is of kan worden verleend op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening. Ingevolge het drieëntwintigste lid wordt onder landelijk gebied verstaan het gebied, niet zijnde BBG. Ingevolge het achtendertigste lid, wordt onder verstedelijking verstaan alle functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover deze het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken. Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt als BBG aangewezen: a. het gebied, als zodanig aangegeven op kaart 2 en op de digitale verbeelding ervan, en; b. de bestaande of de bij een - op het moment van inwerkingtreden van de PRVS - geldend bestemmingsplan toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing en kassen, waaronder mede begrepen de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van openbare voorzieningen, verkeersinfrastructuur alsmede stedelijk water en stedelijk groen van een stad, dorp of kern. Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1 van de PRVS, in het landelijk gebied. 5.3. Aan het perceel is de bestemming "Natuur" toegekend met de aanduiding "recreatiewoning" voor de twee genoemde vlakken. Ingevolge artikel 1, lid 1.85, van de planregels wordt onder recreatiewoning verstaan een gebouw dat dient als recreatieverblijf, waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben. Ingevolge lid 1.92 wordt onder stacaravan verstaan een kampeermiddel in de vorm van een onderkomen zoals een caravan of een onderkomen op wielen dat daarop lijkt, dat periodiek is bedoeld voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en gelet op de afmetingen niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een auto te worden voortgetrokken. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder k, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" tevens bestemd voor een recreatiewoning of een stacaravan. 5.4. Onder het voorheen geldende plan was aan het perceel de bestemming "Natuurgebied A" toegekend. Ingevolge artikel 12, eerste lid en onder a, van de voorschriften van het voorheen geldende plan waren de voor "Natuurgebied A" aangewezen gronden bestemd voor het behoud of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwetenschappelijke, landschappelijke of cultuurhistorische waarden, met dien verstande dat op deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd. 5.5. In het deskundigenbericht staat dat ter plaatse van het op één na zuidelijkste vlak met de aanduiding "recreatiewoning" een onderkomen op wielen aanwezig is. Ter plaatse van het meest noordelijke vlak met de aanduiding "recreatiewoning" staat volgens het deskundigenbericht een toercaravan die in zeer ernstig vervallen staat verkeert. Volgens het deskundigenbericht zijn geen bouwvergunningen voor deze twee objecten overgelegd. 5.6. De Afdeling stelt vast dat de gronden ter plaatse van het meest noordelijke en het op één na zuidelijkste vlak met de aanduiding "recreatiewoning" niet tot BBG behoren. Deze gronden liggen op kaart 2 behorende bij de PRVS niet in het gebied dat als BBG is aangewezen. Ook kunnen het onderkomen op wielen en de toercaravan niet als bestaande bebouwing als bedoeld in de PRVS worden aangemerkt, reeds omdat niet is gebleken dat voor deze twee objecten een bouwvergunning is verleend. Voorts was onder het voorheen geldende plan, dat ten tijde van de inwerkingtreding van de PRVS gold, geen bebouwing toegestaan op deze gronden. De Afdeling overweegt voorts onder verwijzing naar haar uitspraak van 13 november 2013 in zaak nr. 201301168/1/R1 dat recreatiewoningen en stacaravans als verstedelijking als bedoeld in de PRVS moeten worden aangemerkt. Het plan voorziet derhalve ter plaatse van het meest noordelijke en het op één na zuidelijkste vlak met de aanduiding "recreatiewoning" in verstedelijking buiten BBG. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 14, eerste lid, van de PRVS. Gelet hierop behoeft niet te worden beoordeeld of de stelling van de raad dat de Nbw 1998 niet in de weg staat aan het mogelijk maken van recreatiewoningen ter plaatse juist is. 6. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de meest noordelijke en de één na zuidelijkste aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van de bestemming "Natuur" op het perceel, is vastgesteld in strijd met artikel 14, eerste lid, van de PRVS. Het beroep van het college is gegrond. Gelet hierop behoeven de overige door het college aangevoerde beroepsgronden geen bespreking. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen 7. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen richt zich tegen de planregeling voor het perceel voor hun horecabedrijf met de bestemming "Horeca" aan de [locatie 1] en de bestemming "Groen", de ten zuiden en ten oosten van deze gronden gelegen gronden met de bestemming "Natuur" en het perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 209 met de bestemming "Wonen". Het plandeel met de bestemming "Groen" 8. [appellante sub 3] en anderen betogen dat aan de gronden met de bestemming "Groen" ten onrechte geen horecabestemming is toegekend, met name ter plaatse van het terras ten oosten van hun horecabedrijf. Volgens hen zijn de gronden al geruime tijd in gebruik voor het horecabedrijf. Ook ligt volgens hen het terras op zodanige afstand van het perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 209 dat daarvan ter plaatse geen overlast wordt ondervonden. Het op de gronden aanwezige grindpad dient volgens hen een bedrijfsbestemming te krijgen, omdat dit pad door klanten van het horecabedrijf wordt gebruikt. Voorts is hun niet duidelijk of de raad bij de belangenafweging is uitgegaan van de locatie van de thans aanwezige woning op dat perceel of van de locatie die met het plan mogelijk is gemaakt. [appellante sub 3] en anderen betogen tevens dat het onredelijk is dat de raad de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 209 heeft vergroot en dat dit ten koste is gegaan van de mogelijkheden op hun perceel. 8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij bereid is het grindpad dat als ontsluiting dient van het terrein ten zuiden van het horecabedrijf als zodanig te bestemmen, maar dat dat niet geldt voor de gronden die als terras zijn ingericht. Deze gronden vormden volgens de raad altijd een groene buffer naar het perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 209 en vanwege het terras bestaat kans op geluidoverlast. Tevens stelt de raad dat met dit deel van het terras de maximale oppervlakte van 136 m² die met de horecavergunning is toegestaan wordt overschreden. 8.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. fiets- en wandelpaden; c. speelvoorzieningen; d. nutsvoorzieningen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f. erftoegangswegen. Ingevolge lid 4.2 mogen ter plaatse van de gronden met de bestemming "Groen" uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en geen overkappingen of erfafscheidingen worden gebouwd. 8.3. Onder het voorheen geldende plan was aan de gronden met de bestemming "Groen" en aan het perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 209 de bestemming "Natuurgebied B" toegekend. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de voorschriften van het voorheen geldende plan mocht het ten tijde van het van kracht worden van dat plan bestaande gebruik van gronden en bouwwerken dat plaatsvond in strijd met de bestemmingen en daarbij behorende voorschriften worden voortgezet en was een wijziging van het bestaande gebruik toegestaan, doch was het verboden dit bestaande gebruik van gronden en opstallen zodanig te veranderen dat de afwijking ten opzichte van het in dat plan bepaalde toenam. 8.4. In het deskundigenbericht staat dat het terras binnen de bestemming "Groen" op meer dan 10 m van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 209 ligt en dat onduidelijk is wanneer dit terras gerealiseerd is. 8.5. De Afdeling stelt vast dat het grindpad op de gronden met de bestemming "Groen" als zodanig is bestemd en dat het gebruikt mag worden ten behoeve van het horecabedrijf. Het toekennen van de bestemming "Horeca" aan deze gronden heeft derhalve geen meerwaarde. Wat betreft het betoog dat het terras ten oosten van het horecabedrijf als zodanig moet worden bestemd overweegt de Afdeling dat dit deel van het terras onder het voorheen geldende plan binnen de bestemming "Natuurgebied B" niet was toegestaan. Voorts hebben [appellante sub 3] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat dit deel van het terras sinds de inwerkingtreding van het voorheen geldende plan in 1979 aanwezig is. Voor dit deel van het terras konden zij derhalve geen beroep doen op het overgangsrecht van het voorheen geldende plan. Dit deel van het terras betreft derhalve illegaal gebruik. Gelet hierop behoefde de raad in redelijkheid het terras ten oosten van het horecabedrijf niet als zodanig te bestemmen, nu illegaal gebruik in beginsel niet als zodanig behoeft te worden bestemd. Daarbij heeft de raad ook in redelijkheid het belang van een ongestoord woon- en leefklimaat ter plaatse van het perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 209 in aanmerking kunnen nemen. De afstand tussen het terras en dit perceel is naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig groot dat kan worden gezegd dat op dit perceel geen gevolgen worden ondervonden van het terras. Toegestane horeca 9. [appellante sub 3] en anderen betogen dat ten onrechte slechts horeca tot categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten wordt toegestaan. Volgens hen valt hun horecabedrijf gedeeltelijk onder categorie 3 van de Staat van Horeca-activiteiten. 9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de activiteiten van het horecabedrijf onder categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten vallen, met uitzondering van de snackbar, die vanwege de openstelling in de avonduren onder categorie 3 valt. 9.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor: a. horeca-activiteiten tot en met categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten, opgenomen in bijlage 1 van de planregels; b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning": maximaal 1 inpandige bedrijfswoning; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals terras, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en erftoegangswegen. In de Staat van Horeca-activiteiten is een café/café-restaurant ingedeeld in categorie 2 en een snackbar in de vorm van avondhoreca ingedeeld in categorie 3. Zalenexploitatie (partycentrum) is ingedeeld in categorie 3. 9.3. In het deskundigenbericht staat dat het horecabedrijf bestaat uit een gedeelte voor het café-restaurant en een gedeelte waar een snackbar is gevestigd. De snackbar is van 10 uur ’s morgens tot 10 uur ’s avonds geopend, aldus het deskundigenbericht. Verder staat in het deskundigenbericht dat [appellante sub 3] en anderen een zaal verhuren en muziek- en dansavonden organiseren. 9.4. De Afdeling stelt vast dat de snackbar die deel uitmaakt van het horecabedrijf van [appellante sub 3] en anderen niet als zodanig is bestemd. In het plan zijn ter plaatse uitsluitend horeca-activiteiten tot en met categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten toegestaan en een snackbar die in de avonduren is geopend valt onder categorie 3. Ter zitting heeft de raad erkend dat hij dit niet heeft beoogd. Voorts zijn de zaalverhuur en de muziek- en dansavonden niet als zodanig bestemd, nu deze onder categorie 3 vallen. Ter zitting heeft de raad erkend dat hij niet heeft afgewogen of de zaalverhuur en de muziek- en dansavonden kunnen worden toegestaan. De raad heeft het bestreden besluit derhalve in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Bouwmogelijkheden 10. [appellante sub 3] en anderen betogen dat ten onrechte geen verblijfsrecreatie en een ponystal zijn toegestaan op haar gronden met de bestemming "Natuur". [appellante sub 3] en anderen voeren daartoe aan dat hun gronden met de bestemming "Natuur" niet in de EHS liggen of in het Natura 2000-gebied "Oostelijke Vechtplassen" (hierna: het Natura 2000-gebied). Dit klemt volgens hen te meer omdat aan het perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 209 een woonbestemming is toegekend, terwijl deze gronden in het vorige plan een natuurbestemming hadden en een woonbestemming verder van een natuurbestemming af staat dan het toestaan van verblijfsrecreatie. Ook is volgens [appellante sub 3] en anderen de container die op gronden met de bestemming "Natuur" staan ten onrechte niet als zodanig is bestemd. 10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het verzoek te weinig concreet is om daaraan medewerking te verlenen. Daarbij wijst de raad erop dat de gronden van [appellante sub 3] en anderen grotendeels binnen de EHS en het Natura 2000-gebied vallen, wat evenals de PRVS aan de gewenste ontwikkelingen in de weg kan staan. 10.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a , van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurlijke en/of landschappelijke waarden. Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.1 en a, mag de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het behoud, herstel en/of ontwikkeling niet meer bedragen dan 16 m² met dien verstande dat de totale oppervlakte van dergelijke gebouwen niet meer mag bedragen dan 160 m². 10.3. In het deskundigenbericht staat dat [appellante sub 3] en anderen geen concrete plannen hebben voor het oprichten van verblijfsaccommodatie op de gronden met de bestemming "Natuur" en dat zij eerder een aanvraag om een omgevingsvergunning hebben gedaan om op deze gronden een pony- of geitenstal op te richten. In het deskundigenbericht wordt tevens vermeld dat het grootste deel van de zuidelijke gronden van [appellante sub 3] en anderen ten tijde van de vaststelling van het plan binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied lag. 10.4. Over de door [appellante sub 3] en anderen gemaakte vergelijking met het naastgelegen perceel Nieuw Loosdrechtsedijk 209 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat in dat geval langdurig gebruik ten behoeve van bewoning van het perceel is gemaakt. In hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 3] en anderen genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. 10.5. De Afdeling stelt vast dat het plan de door [appellante sub 3] en anderen gewenste ponystal en gebouwen voor verblijfsrecreatie niet mogelijk maakt. De Afdeling stelt voorts vast dat het grootste deel van de gronden met de bestemming "Natuur" ten tijde van de vaststelling van het plan binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied lag. Verder waren aan de gronden met de bestemming "Natuur" onder het voorheen geldende plan de bestemmingen "Natuurgebied B" en "Bos" toegekend. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen weigeren om een ponystal en gebouwen voor verblijfsrecreatie toe te staan op de gronden van [appellante sub 3] en anderen met de bestemming "Natuur". 10.6. Wat betreft de container overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat voor deze container geen bouwvergunning is verleend. [appellante sub 3] en anderen hebben dit niet bestreden. Gelet hierop behoefde de raad deze container in redelijkheid niet als zodanig te bestemmen, nu illegale bouwwerken in beginsel niet als zodanig behoeven te worden bestemd. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat de container op gronden staat waaraan onder het voorheen geldende plan de bestemming "Natuurgebied B" was toegekend. Binnen deze bestemming was geen bebouwing toegestaan, zie hiervoor onder 3.3. 11. Volgens [appellante sub 3] en anderen is voorts onduidelijk welke bouwmogelijkheden aan hun gronden met de bestemming "Horeca" zijn toegekend. Volgens hen is onduidelijk op welke wijze bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak aanwezig zijn. Eveneens is onduidelijk of bijgebouwen bij de bedrijfswoning buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden. Het zou volgens hen geen verschil moeten maken of bijgebouwen voor woon- of bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, mede omdat het perceel voor het horecabedrijf zich leent voor bebouwing tot een oppervlakte van 100 m² en tot een bouwhoogte van 5 m. Voorts is volgens [appellante sub 3] en anderen onduidelijk of de terrasafscheidingen zijn toegelaten. 11.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.23, van de planregels worden onder bestaande bouwwerken verstaan bouwwerken, die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan zijn, of alsnog kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.1, geldt voor gebouwen ter plaatse van de voor "Horeca" aangewezen gronden dat: a. gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd; b. de goothoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 6 m; c. de bouwhoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 9 m; d. de maximale oppervlakte van bedrijfswoningen, inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, niet meer mag bedragen dan 190 m²; e. de goothoogte van een bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 6 m; f. de bouwhoogte van een bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 8 m. Ingevolge lid 5.2., onder 5.2.2, geldt voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen dat: a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen uitsluitend mogen worden gebouwd op een afstand van tenminste 1 m achter de voorgevel of het verlengde daarvan van de bedrijfswoning; b. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 50 m² mag bedragen; c. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen bij bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan 3 m dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het vloerpeil van de eerste verdieping van de bedrijfswoning; d. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen niet meer mag bedragen dan 3 m; e. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 5 m. Ingevolge lid 5.2, onder 5.2.3, aanhef en onder a en b, mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel en/of grenzend aan openbaar gebied niet meer bedragen dan 1 m en mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders niet meer bedragen dan 2 m. Ingevolge artikel 23, lid 23.1, onder a, mogen, indien afstanden tot, hoogten, inhoud, aantallen en oppervlakten van bestaande bouwwerken op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 van de planregels is voorgeschreven, deze maten en hoeveelheden als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden. 11.2. In het deskundigenbericht staat dat het bouwvlak nauw om het pand en de bijgebouwen is gelegd. Voorts staat er dat het westelijke deel van het pand van [appellante sub 3] en anderen uit een bouwlaag met een kap bestaat en het oostelijke deel uit één bouwlaag. Volgens het deskundigenbericht kan het pand in de hoogte vergroot worden. Voorts is vermeld dat de terrasafscheiding van het horecabedrijf vóór de voorgevel uit een muurtje van ongeveer 0,5 m hoog bestaat met daarop een glazen wand van ongeveer 1 m hoog. 11.3. De Afdeling overweegt dat uit artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.1, van de planregels volgt dat binnen het bouwvlak gebouwen zijn toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 9 m en een goothoogte van maximaal 6 m. Voor zover het gebouw als inpandige bedrijfswoning wordt gebruikt is een bouwhoogte van 8 m toegestaan en een goothoogte van 6 m. Voorts mag de oppervlakte van het gebouw voor zover het als bedrijfswoning wordt gebruikt niet groter zijn dan 190 m², inclusief de bijbehorende aan- en uitbouwen. Gelet op de afmetingen van het pand voor het horecabedrijf, zoals deze uit het deskundigenbericht volgen, bestaat binnen het bouwvlak nog uitbreidingsruimte, doordat hogere gebouwen zijn toegestaan dan thans aanwezig zijn. Voorts is de Afdeling van oordeel dat artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.1, van de planregels en lid 5.2, onder 5.2.2 zo moeten worden uitgelegd dat lid 5.2, onder 5.2.2 een verbijzondering van het bepaalde onder 5.2.1 is, zodat ook aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak gebouwd moeten worden. De enkele stelling dat het perceel van [appellante sub 3] groot genoeg zou zijn voor extra bouwmogelijkheden maakt niet dat de raad niet in redelijkheid het bouwvlak strak om de bestaande bebouwing heeft kunnen leggen. In lid 5.2, onder 5.2.3 is een bouwregeling opgenomen voor erf- en terreinafscheidingen. De Afdeling stelt vast dat de terrasafscheiding als terreinafscheiding kan worden aangemerkt, nu deze een deel van het perceel afscheidt van andere delen van het perceel. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt onduidelijk is. Voor zover [appellante sub 3] en anderen betogen dat de terrasafscheiding ten onrechte niet als zodanig is bestemd voor zover deze hoger dan 1 m is, overweegt de Afdeling dat deze als zodanig is bestemd, voor zover deze terrasafscheiding binnen de bestemming "Horeca" valt. De maten van bestaande bouwwerken zijn immers op grond van artikel 23, lid 23.1, onder a, van de planregels toegestaan. Het plandeel met bestemming "Wonen voor het perceel aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 209 12. [appellante sub 3] en anderen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 209, voor zover het plan meer mogelijk maakt dan met de voorheen verleende vrijstelling is toegestaan. [appellante sub 3] en anderen wijzen er daarbij op dat het plan bebouwing tot de erfgrens toestaat, terwijl de vrijstelling geen bebouwing tot de erfgrens toestaat. 12.1. Volgens de raad is in het plan de systematiek aangehouden dat aan een plandeel met de bestemming "Wonen" de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" is toegekend, dat aangeeft hoeveel woningen per bouwperceel zijn toegestaan. De locatie van het aantal toegestane woningen is binnen het plandeel vrij. 12.2. De Afdeling overweegt dat in het deskundigenbericht staat dat binnen het gehele bestemmingsvlak "Wonen" een woning kan worden opgericht en dus ook op een afstand van minder dan 10 m van gronden met de bestemming "Horeca". Volgens het deskundigenbericht zouden [appellante sub 3] en anderen daardoor worden belemmerd in het uitoefenen van horeca-activiteiten en in de plannen om hun bedrijf uit te breiden. De raad heeft dit niet betwist. Gelet hierop heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd waarom op het gehele perceel aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 209 een woning mogelijk is. Dat in het plan de systematiek is aangehouden om binnen plandelen met de bestemming "Wonen" de locatie van een woning vrij te laten, doet daaraan niet af. Deze plansystematiek neemt niet weg dat niet aan het gehele perceel aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 209 de bestemming "Wonen" behoeft te worden toegekend. Aan een gedeelte daarvan zou ook de bestemming "Groen" kunnen worden toegekend. Conclusie 13. In hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Horeca" met een bouwvlak voor het perceel aan de [locatie 1] en het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel aan de Nieuw Loosdrechtsedijk 209, is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is gegrond. 14. Om te voorkomen dat als gevolg van deze uitspraak [appellante sub 3] en anderen hun horecabedrijf niet kunnen exploiteren, ziet de Afdeling aanleiding om de in de beslissing te melden voorlopige voorziening te treffen. Het beroep van [appellant sub 4] Ontvankelijkheid 15. [appellant sub 4] richt zich in zijn beroep onder meer tegen de plandelen met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" en "Groen" voor de percelen aan de [locatie 2] (hierna: de percelen). De Afdeling stelt vast dat het verzoek in de zienswijze van [appellant sub 4] om de bestemming "Bedrijf" toe te kennen alleen zag op de loods, zoals in zijn beroepschrift wordt bevestigd. Behoudens het plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" ter plaatse van de loods, berust het beroep van [appellant sub 4] derhalve in zoverre niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Anders dan [appellant sub 4] stelt, is het plan ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Groen" niet gewijzigd vastgesteld. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre niet-ontvankelijk. Intrekking beroepsgrond 16. Ter zitting heeft [appellant sub 4] de beroepsgrond dat de archeologische dubbelbestemming niet gebaseerd is op kaartmateriaal ingetrokken. Het beroep ten aanzien van de loods op de percelen 16.1. [appellant sub 4] betoogt dat onduidelijk is welk gebruik ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loods" is toegestaan. Volgens hem had in de planregels ten minste moeten worden bepaald dat de loods mag worden gebruikt ten behoeve van opslag, herstel en verkoop van boten. [appellant sub 4] stelt dat dit legaal gebruik betrof. Voorts voert [appellant sub 4] aan dat ten onrechte het bedrijf in zonnepanelen dat in de loods wordt geëxploiteerd niet is toegestaan. Volgens hem bestaan geen ruimtelijke bezwaren tegen dit bedrijf, omdat als gevolg van dit bedrijf geen overlast ontstaat. Verder wijst [appellant sub 4] erop dat ook zonnepanelen voor recreatiewoningen en boten worden verkocht. Voorts is volgens [appellant sub 4] niet handhavend opgetreden tegen het bedrijf in zonnepanelen, terwijl het gemeentebestuur wel bekend is met dit bedrijf. Verder is een rendabele exploitatie van de loods voor de opslag, herstel en verkoop van boten volgens [appellant sub 4] niet haalbaar. De loods heeft sinds 2010 leeggestaan en het is sindsdien niet gelukt om de loods te verhuren voor opslag, herstel en verkoop van boten. Ook stelt [appellant sub 4] dat hij vanwege de economische crisis minder ligplaatsen aan recreanten verhuurt. Tot slot voert [appellant sub 4] aan dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door het bedrijf in zonnepanelen niet toe te staan, omdat het andere bedrijven in de omgeving wel is toegestaan om andere activiteiten dan watersport te ontplooien dan wel daartegen niet handhavend wordt opgetreden. 16.2. Volgens de raad mag de loods op grond van de planregels ten behoeve van opslag, herstel en verkoop van boten worden gebruikt. Dit betrof volgens de raad legaal gebruik. Verder acht de raad het wenselijk dat het recreatieve karakter van het plangebied behouden blijft. Een bedrijf in zonnepanelen past volgens de raad niet binnen het recreatieve karakter van het plangebied. 16.3. Aan de percelen is voor het grootste gedeelte de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" toegekend. Aan de loods is voorts de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loods" toegekend. Ingevolge artikel 1, lid 1.84, van de planregels wordt onder recreatievaart verstaan het gebruik van vaarwegen met een recreatief doel. Ingevolge lid 1.101 wordt onder watersport verstaan sporten te water, waaronder zeilen, surfen, varen. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, c, d, j en k, zijn de voor "Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden onder meer bestemd voor dagrecreatie, watersport en recreatievaart, ligplaatsen voor pleziervaartuigen, bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en erftoegangswegen en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loods" voor een loods. 16.4. Onder het voorheen geldende plan stond de loods op gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden B (boten)". Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften van het voorheen geldende plan waren de voor "Recreatieve doeleinden B (boten)" aangewezen gronden bestemd voor recreatie met de daartoe nodige gebouwtjes voor dienstverlening, beheer en onderhoud, botenloods, bergruimten, toiletten en wasruimten en een kantoortje, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals steigers, alsmede voor parkeerplaatsen, paden en groenvoorzieningen. 16.5. In het deskundigenbericht staat dat de loods in 2006 is opgericht. Volgens het deskundigenbericht werd de benedenverdieping van de loods tot 2010 aan het bedrijf Boatplaza verhuurd dat deze gebruikte voor opslag, herstel en verkoop van boten. De bovenverdieping van de loods wordt door [appellant sub 4] gebruikt als havenkantoor voor de administratie. Sinds 2010 staat de benedenverdieping van de loods leeg. Daarna heeft [appellant sub 4] een bedrijf in zonnepanelen in de loods gevestigd. Volgens het deskundigenbericht wordt de loods in dit kader gebruikt als showroom voor zonnepanelen en de bijbehorende elementen. Ook is een beperkt gedeelte van de loods ingericht als opslag van klein materiaal, aldus het deskundigenbericht. 16.6. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bedrijf in zonnepanelen niet past binnen het recreatieve karakter van het plangebied. De enkele omstandigheid dat ook zonnepanelen worden verkocht voor recreatiewoningen en boten is onvoldoende voor een ander oordeel. De raad heeft in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang bij het behoud van het recreatieve karakter van het plangebied dan aan het belang van [appellant sub 4] bij het bedrijf in zonnepanelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 4] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf in zonnepanelen noodzakelijk is om de continuering van zijn bedrijf te verzekeren. Wat betreft de door [appellant sub 4] gemaakte vergelijkingen met bedrijven in de omgeving overweegt de Afdeling als volgt. Volgens de raad zijn voor twee bedrijven, anders dan bij het bedrijf in zonnepanelen, in het verleden vrijstellingen op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend omdat de recreatiewoningen op het desbetreffende park aan particulieren zijn verkocht zodat geen behoefte meer was aan bedrijfsruimte ten behoeve van dat park. Voorts betreffen volgens de raad de activiteiten die bij drie jachthavens in de omgeving zijn toegestaan ondergeschikte activiteiten met een recreatief karakter, anders dan het bedrijf in zonnepanelen. Verder worden bij een andere jachthaven volgens de raad, anders dan [appellant sub 4] stelt, geen bedrijfsmatige activiteiten ontplooid die niet aan de jachthaven zijn verbonden. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties niet overeenkomen met de situatie van [appellant sub 4]. Voorts is aan de gronden van het bedrijf dat bouwmaterialen verkoopt en woonwagens verkoopt evenals in de situatie van [appellant sub 4] niet de bestemming "Bedrijf" toegekend. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. De Afdeling is evenwel van oordeel dat onvoldoende duidelijk is dat de loods ten behoeve van opslag, herstel en verkoop van boten mag worden gebruikt. Niet in geschil is dat dit legaal gebruik betrof. Uit de bepaling dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loods" een loods is toegestaan volgt niet voor welke doeleinden de loods mag worden gebruikt. Voorts kan opslag, herstel en verkoop van boten, anders dan de raad aanvoert, niet worden aangemerkt als watersport of recreatievaart als bedoeld in de planregels. De raad heeft het plan derhalve in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Het beroep ten aanzien van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" 17. [appellant sub 4] betoogt voorts dat ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" is toegekend aan de gronden. Volgens hem is deze dubbelbestemming alleen gebaseerd op bureauonderzoek en is er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat het plangebied reeds lang intensief gebruikt en bewerkt is. Volgens [appellant sub 4] zijn er dan ook geen archeologische waarden te verwachten. De archeologische onderzoeksplicht geldt volgens hem ook voor een bouwplan met een kleiner oppervlakte dan 2.500 m2 dat dieper gaat dan 40 cm. Verder is volgens hem de maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen de archeologische dubbelbestemming ten onrechte beperkt tot 4 m. 17.1. Volgens de raad is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" toegekend op basis van de beleidskaart Archeologie voor Wijdemeren van de Stichting Cultureel Erfgoed Noord-Holland. Verder wijst de raad erop dat het opstellen van een archeologisch rapport bij een bouwplan pas verplicht is als het bouwplan betrekking heeft op een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en dieper gaat dan 40 cm. 17.2. Aan de percelen is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" toegekend. Ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.1 en a en b, van de planregels mag de totale oppervlakte van gebouwen, met inbegrip van bedrijfswoningen, maar met uitzondering van gebouwen voor dagrecreatie, binnen de bestemming "Recreatie -Dagrecreatie" niet meer bedragen dan 2% van een bestemmingsvlak, met een maximum van 750 m². De oppervlakte van een gebouw voor dagrecreatie mag niet meer bedragen dan 12 m², tenzij ter plaatse van de aanduiding 'bebouwd oppervlak (m2)' anders is aangeduid. Ingevolge artikel 17, lid 17.1 zijn de voor "Waarde - Archeologie 4" aangewezen gronden - behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(
- en)- tevens bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Ingevolge lid 17.2 mag op deze gronden worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 17.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 4 meter; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(
- en)mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(
- en)geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overhandigd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; c. het bepaalde in dit lid onder b, 1 en 2, is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Ingevolge lid 17.3, onder 17.3.1, is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 4" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden over een groter oppervlak dan 2.500 m² en, voor zover sprake is van grondwerkzaamheden, met een diepte groter dan 40 cm uit te voeren. Deze omgevingsvergunning kan ingevolge lid 17.3, onder 17.3.3 slechts worden verleend indien is voldaan aan de in dat lid vermelde voorwaarden. Deze voorwaarden stemmen overeen met de voorwaarden die in het lid 17.2, onder b, 1 en 2, staan genoemd. 17.3. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: Monumentenwet) houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Ingevolge artikel 39, eerste lid kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wabo verplicht worden gesteld. 17.4. Op de archeologische beleidskaart van 19 april 2010 van de Stichting Cultureel Erfgoed Noord-Holland liggen de percelen in het gebied waarbij rekening moet worden gehouden met archeologische waarden indien een plan een groter oppervlakte heeft dan 2.500 m2 en dieper gaat dan 40 cm. 17.5. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart staat dat de veenpolders zijn aangewezen als gebied in de vijfde categorie waarbij rekening moet worden gehouden met archeologische waarden bij plannen met een groter oppervlakte dan 2.500 m2. Volgens de toelichting kunnen in de ontgonnen veenvlaktes archeologische sporen aanwezig zijn, vooral vanaf de Middeleeuwen. Voor de Middeleeuwen was het moerassige veengebied vrijwel onbewoonbaar. Archeologische sporen zijn volgens de toelichting hier veelal niet in grote dichtheid te verwachten. Het gaat daarbij om sporen van ontginning en landbouw en mogelijke bewoning. De archeologische verwachting voor het overige gebied is vrij laag, zodat volgens de toelichting alleen bij grootschalige ontwikkelingen de noodzaak bestaat voor nader archeologisch onderzoek. 17.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 en 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwregels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Het voldoen aan deze verplichting klemt temeer indien gebruik wordt gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om de kosten voor het archeologische vooronderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of gebruikers. 17.7. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid de archeologische dubbelbestemming heeft kunnen toekennen aan de percelen, gelet op de archeologische beleidskaart en de toelichting daarop. In de enkele stelling van [appellant sub 4] dat het plangebied reeds sinds lang intensief is gebruikt en bewerkt bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft kunnen baseren op de archeologische beleidskaart en de toelichting daarop. De Afdeling neemt voorts in aanmerking dat in de planregels is bepaald dat de archeologische onderzoeksplicht niet van toepassing is op een bouwplan dat betrekking heeft op een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m2 of een bouwplan dat niet dieper gaat dan 40 cm. De archeologische onderzoeksplicht geldt derhalve niet voor een bouwplan met een oppervlakte kleiner dan 2.500 m2, ook al gaat dat dieper dan 40 cm. Binnen de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" is voor een gebouw voor dagrecreatie een maximale oppervlakte van 12 m2 en voor overige gebouwen een totale oppervlakte van 750 m2 toegestaan. Verder heeft [appellant sub 4] ter zitting te kennen gegeven dat hij geen concrete bouwplannen heeft. Voorts geldt op grond van de planregels de maximale bouwhoogte van 4 m, anders dan [appellant sub 4] aanvoert, alleen voor gebouwen ten behoeve van de archeologische dubbelbestemming en niet voor gebouwen ten behoeve van de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie". Conclusie 18. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover in de planregels niet is bepaald dat de loods op de percelen ten behoeve van opslag, herstel en verkoop van boten mag worden gebruikt, is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond. Het beroep van [appellante sub 5] 19. Het beroep van [appellante sub 5] is gericht tegen het plan voor zover daarmee zijn woonschip niet als zodanig is bestemd. Hij betoogt dat is voldaan aan de uitgangspunten die de raad voor het als zodanig bestemmen van woonschepen hanteert. De motivering van de raad om zijn woonschip niet als zodanig te bestemmen volgt volgens hem niet uit de door de raad gehanteerde uitgangspunten en is onjuist, nu hij zijn hoofdverblijf heeft op het woonschip. Het ontbreken van een inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) kan hem niet worden tegengeworpen, nu volgens het beleid van de raad de feitelijke situatie als uitgangspunt wordt genomen, aldus [appellante sub 5]. Ter onderbouwing heeft [appellante sub 5] aangegeven dat vanaf zijn verhuisdatum zijn werkgever het adres van het woonschip hanteert, dat hij vanaf dat moment lid is van de Landelijke Woonboten Organisatie, dat hij op het adres van het woonschip zijn post ontvangt en dat hij een huisarts in Loosdrecht heeft. Tevens heeft hij verklaringen van de huurders van de woning in Amsterdam en zijn buurman overgelegd. 19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het woonschip van [appellante sub 5] een recreatieve bestemming heeft gekregen omdat [appellante sub 5] zijn hoofdverblijf elders heeft. 19.2. Het Plassenschap Loosdrecht e.o. heeft voor het woonschip van [appellante sub 5] een ontheffing verleend voor de ligplaats op het perceel kadastraal bekend gemeente Wijdemeren sectie G, nr. 1513 (hierna: het perceel). 19.3. Aan het woonschip van [appellante sub 5] is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend, met de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - zonder bedrijfsmatige exploitatie" en "specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats 2". Ingevolge artikel 1, lid 1.86, van de planregels wordt onder recreatiewoonschip verstaan een schip dat dient als recreatieverblijf, waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben, hieronder begrepen recreatieschepen in aanbouw en overblijfselen van recreatieschepen. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor: a. verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen, stacaravans en chalets, die bedrijfsmatig geëxploiteerd worden; b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - zonder bedrijfsmatige exploitatie": verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen, stacaravans en chalets, die niet bedrijfsmatig geëxploiteerd worden; […] e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats 2": een ligplaats voor recreatiewoonschepen; […]. Ingevolge lid 9.4, onder a en sub 2, geldt als gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval permanente bewoning, behoudens ter plaatse van de aanduidingen "bedrijfswoning" en "specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats 1". 19.4. Aan de gronden voor het woonschip van [appellante sub 5] was onder het voorheen geldende plan de bestemming "Recreatieve doeleinden A (caravans of huisjes)" toegekend. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van het voorheen geldende plan waren de voor "Recreatieve doeleinden A (caravans of huisjes)" aangewezen gronden bestemd voor het daarop bedrijfsmatig hebben of doen hebben van standplaatsen voor caravans en livingvans en voor zomerhuisjes met de daartoe nodige gebouwtjes voor dienstverlening, beheer en onderhoud - waaronder onderhoud van boten medebegrepen - zoals een kantine, dagwinkel, showroom, kantoortje, bergruimte, toiletten en wasruimten, met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals steigers en ligplaatsen, alsmede voor speelterreinen paden, groenvoorzieningen, vaarwater en parkeerplaatsen. 19.5. In de nota "Nota Woonschepen 2011" (hierna: Nota Woonschepen) staat dat voor bestemmingsplannen het uitgangspunt wordt gehanteerd dat alle bestaande legale woonschepen als zodanig worden bestemd. Voorts staat er dat er een verschil is tussen woonschepen en recreatiewoonschepen en dat dit verschil tot uitdrukking moet komen door verschillende bestemmingen op te nemen. 19.6. De Afdeling overweegt dat, anders dan [appellante sub 5] stelt, uit de Nota Woonschepen niet volgt dat reeds omdat het Plassenschap voor zijn woonschip een ontheffing heeft verleend deze voor permanente bewoning bestemd dient te worden. In de Nota Woonschepen wordt immers verschil gemaakt tussen woonschepen en recreatiewoonschepen, wat volgens de Nota Woonschepen in een bestemmingsplan tot uitdrukking moet komen. Daarnaast overweegt de Afdeling dat wanneer iemand in de GBA niet staat ingeschreven op een bepaald adres dit een vermoeden oplevert dat de desbetreffende bewoner zijn hoofdverblijf niet op dat adres heeft. Dit betreft evenwel een weerlegbaar vermoeden. De vele omstandigheden die [appellante sub 5] heeft aangevoerd omtrent zijn hoofdverblijf tasten dit vermoeden in zodanige mate aan dat de raad had behoren na te gaan of [appellante sub 5] zijn hoofdverblijf op het woonschip heeft. Nu de raad dit heeft nagelaten ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 20. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de aanduiding "specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats 2" voor het woonschip van [appellante sub 5], is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 5] is gegrond. 21. Om te voorkomen dat als gevolg van deze uitspraak voor het woonschip van [appellante sub 5] geen regeling geldt, nu het onder het voorheen geldende plan niet als zodanig was bestemd, ziet de Afdeling aanleiding om de in de beslissing te melden voorlopige voorziening te treffen. Het beroep van [appellant sub 6] 22. [appellant sub 6] betoogt dat ten onrechte de loods, een vergund bedrijfsgebouw, op de percelen, kadastraal bekend als gemeente Wijdemeren, sectie F, nrs. 1356, 1445, 1446 en 1538 (hierna: de percelen) niet op de ondergrond van de verbeelding is weergegeven. Daardoor is volgens hem onduidelijk of de vergunde loods als hoofdgebouw kan worden aangemerkt wat tot ongewenste juridische gevolgen kan leiden. 22.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.47, van de planregels wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 22.2. Ingevolge artikel 1.2.4, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) worden plannen alsmede hun aansluiting op het aangrenzende gebied vastgesteld met gebruikmaking van een duidelijke ondergrond. 22.3. De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat het vergunde bedrijfsgebouw als zodanig is bestemd. De vraag die partijen verdeeld houdt is of in dit geval strijd bestaat met de in artikel 1.2.4, eerste lid, van het Bro opgenomen verplichting dat het plan wordt vastgesteld met gebruikmaking van een duidelijke ondergrond doordat de vergunde loods niet is weergegeven op de ondergrond. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat een onduidelijke situatie bestaat doordat het vergunde bedrijfsgebouw niet is weergegeven op de ondergrond. In het deskundigenbericht staat dat het vergunde bedrijfsgebouw wordt gebruikt voor het stallen van voertuigen en materialen ten behoeve van het onderhoud van het park. Voorts is op de eerste verdieping van het bedrijfsgebouw een kantoor en een kantine ingericht. Gelet op deze functies van het vergunde bedrijfsgebouw is dit gebouw het belangrijkste bouwwerk op de percelen en kan het derhalve als hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1, lid 1.47, van de planregels worden aangemerkt. Dat een gebouw niet op de ondergrond is weergegeven is niet van belang voor de vraag of een gebouw als hoofdgebouw kan worden aangemerkt. Er treedt als gevolg van de onjuistheid in de ondergrond geen onzekerheid op over de bestemming en de daarbij behorende planregels die ter plaatse van de percelen gelden. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat wat betreft dit planonderdeel sprake is van een onduidelijke ondergrond en dat het plan in zoverre niet in stand kan blijven. 23. [appellant sub 6] betoogt voorts dat de erfafscheidingen vóór de voorgevel van het vergunde bedrijfsgebouw die een hoogte van 2 m hebben ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd, omdat op grond van de planregels voor de voorgevel van het hoofdgebouw alleen erfafscheidingen met een hoogte van 1 m zijn toegestaan 23.1. Niet in geschil is dat de erfafscheidingen voor het vergunde bedrijfsgebouw bestaande bouwwerken zijn als bedoeld in de planregels, zie hiervoor onder11.1. Gelet op artikel 23, lid 23.1, onder a, van de planregels, zie hiervoor onder 11.1, betekent dit dat deze erfafscheidingen als zodanig zijn bestemd, anders dan [appellant sub 6] aanvoert. Het beroep van [appellant sub 6] mist derhalve in zoverre feitelijke grondslag. 24. [appellant sub 6] betoogt voorts dat ten onrechte aan een strook grond op de percelen de bestemming "Natuur" is toegekend. Volgens [appellant sub 6] gebruikt hij de strook grond reeds lang voor zijn caravanpark en had het onder het voorheen geldende plan de bestemming "Recreatieve doeleinden A (caravans en huisjes)". Voorts is volgens [appellant sub 6] de natuurfunctie op de strook grond niet gerealiseerd. Voorts is de strook grond volgens hem per abuis in de EHS opgenomen. Daarbij wijst hij erop dat in het Natuurbeheerplan 2014 van 23 september 2013 van de provincie Noord-Holland de strook grond niet meer in de EHS is opgenomen. 24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de strook grond als natuur is ingericht en onder het voorheen geldende plan de bestemming "Bos" had. Verder blijkt volgens de raad uit luchtfoto’s dat de toegang tot de strook grond pas in 2012 is gerealiseerd. 24.2. Aan de strook grond is de bestemming "Natuur" toegekend. Ingevolge artikel 1, lid 1.43, van de planregels wordt onder extensieve dagrecreatie verstaan niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en f, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden onder meer bestemd voor extensieve dagrecreatie. Ingevolge lid 6.4, aanhef en onder c, geldt als gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval het gebruik van de voor "Natuur" aangewezen gronden voor opslag van goederen ter plaatse van niet-bebouwde gronden. 24.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van het voorheen geldende plan waren de op de kaart voor "Recreatieve doeleinden A (caravans en huisjes)" aangewezen gronden bestemd voor het daarop bedrijfsmatig hebben of doen hebben van standplaatsen voor caravans en livingvans en voor zomerhuisjes met de daartoe nodige gebouwtjes voor dienstverlening, beheer en onderhoud - waaronder onderhoud van boten mede begrepen - zoals een kantine, dagwinkel, showroom, kantoortje, bergruimte, toiletten en wasruimte, met de daarbij behorende "bouwwerken, geen gebouwen zijnde" zoals steigers en ligplaatsen, alsmede voor speelterreinen, paden, groenvoorzieningen, vaarwater en parkeerplaatsen. Ingevolge artikel 11, eerste lid waren de op de kaart voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor bosstroken ter instandhouding en bescherming van de landschappelijke waarden en voor de landschappelijke inpassing van de aangrenzende bestemmingen. 24.4. In het deskundigenbericht staat dat de strook grond onder het voorheen geldende plan de bestemming "Recreatieve doeleinden A (caravans en huisjes)" had. Voorts staat in het deskundigenbericht dat uit de luchtfoto’s valt op te maken dat de strook grond in ieder geval sinds 2005 uit grasland bestaat. In het deskundigenbericht staat verder dat [appellant sub 6] te kennen heeft gegeven dat soms passanten met campers op de strook grond overnachten en dat buiten het seizoen de strook grond wordt gebruikt om boten op het droge te stallen. 24.5. De Afdeling stelt vast dat de strook grond ten tijde van de vaststelling van het plan op kaart 4 behorende bij de PRVS in de EHS lag. Voor zover [appellant sub 6] aanvoert dat de strook grond in de PRVS per abuis in de EHS is opgenomen, overweegt de Afdeling dat aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals de PRVS, alleen verbindende kracht kan worden ontzegd indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat aan de PRVS op dit punt verbindende kracht moet worden ontzegd. De omstandigheid dat de strook grond in het Natuurbeheerplan 2014 niet is opgenomen in de EHS leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheid betekent niet dat de strook grond ten tijde van de vaststelling van het plan op de kaart behorende bij de PRVS ten onrechte in de EHS was opgenomen. De raad heeft evenwel niet inzichtelijk gemaakt dat de natuurfunctie op de strook grond reeds is gerealiseerd en derhalve niet deugdelijk gemotiveerd dat artikel 19, eerste lid, van de PRVS tot het toekennen van een natuurbestemming verplicht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet in geschil is dat [appellant sub 6] soms passanten met campers op de strook grond laat overnachten en buiten het seizoen de strook grond gebruikt om boten op het droge te stallen. Voorts is ter zitting aan de hand van de kaart van het voorheen geldende plan vastgesteld dat onder dat plan de strook grond de bestemming "Recreatieve doeleinden A (caravans en huisjes)" had. Verder valt uit de luchtfoto’s bij het deskundigenbericht op te maken dat de toegang tot de strook grond in ieder geval sinds 2005 aanwezig was. De door de raad overgelegde luchtfoto’s uit 2010 en 2011 doen daaraan geen afbreuk, nu deze te veel schaduw bevatten om daaruit conclusies te kunnen trekken. Conclusie 25. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" voor de percelen, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond. Het beroep van [appellante sub 7] Intrekking beroepsgrond 26. Ter zitting heeft [appellante sub 7] haar beroepsgrond dat het plan ten onrechte geen nieuwe bedrijfsloods mogelijk maakt ingetrokken. Inhoudelijk 27. [appellante sub 7] betoogt dat ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend aan een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Wijdemeren sectie F, nr. 1146 (hierna: de desbetreffende gronden). Hiertoe voert zij aan dat zij de desbetreffende gronden reeds lang voor haar caravanpark gebruikt en deze onder het voorheen geldende plan een recreatieve bestemming hadden. De desbetreffende gronden zijn volgens [appellante sub 7] per abuis in de EHS opgenomen, omdat de natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. Daarbij wijst zij erop dat in het Natuurbeheerplan 2014 van de provincie Noord-Holland de desbetreffende gronden niet meer in de EHS zijn opgenomen. Volgens [appellante sub 7] had de raad in overleg met het provinciebestuur moeten treden over een correctie van de begrenzing van de EHS. Dat de desbetreffende gronden naast het Natura 2000-gebied liggen is volgens [appellante sub 7] ook geen reden om de bestemming "Natuur" toe te kennen. Tot slot wijst zij erop dat het plangebied in de Structuurvisie Noord-Holland 2040 van 23 mei 2011 (hierna: Structuurvisie) als intensief recreatiegebied is aangewezen. 27.1. De raad heeft de bestemming "Natuur" toegekend aan de desbetreffende gronden omdat deze in de EHS liggen en de natuurfunctie reeds is gerealiseerd. Ook zou een recreatieve bestemming volgens de raad tot negatieve effecten op het Natura 2000-gebied leiden. Verder acht de raad een groene lob wenselijk, omdat daardoor de migratiemogelijkheden van flora en fauna worden bevorderd. Ook zou het toekennen van een recreatieve bestemming volgens de raad in strijd zijn met artikel 14 van de PRVS, omdat dan verstedelijking buiten BBG mogelijk zou worden gemaakt. 27.2. Aan de desbetreffende gronden is de bestemming "Natuur" toegekend. Op kaart 2 behorende bij de PRVS liggen de desbetreffende gronden niet in het gebied dat is aangewezen als BBG. De desbetreffende gronden grenzen in het zuiden en het zuidwesten aan gronden die recreatief in gebruik zijn en waaraan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend. In het oosten, noorden en noordwesten grenzen de desbetreffende gronden aan water waaraan de bestemming "Water - Waterweg" is toegekend. Het water ten noorden en noordwesten van de desbetreffende gronden ligt in het Natura 2000-gebied. Ingevolge artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Water - Waterweg" aangewezen gronden onder meer bestemd voor het verkeer te water, de recreatievaart, scheepvaartverkeer en watersport. 27.3. Onder het voorheen geldende plan hadden de desbetreffende gronden de bestemming "Recreatieve doeleinden A (caravans en huisjes)". Ingevolge artikel 5, lid 5, van de voorschriften van het voorheen geldende plan mocht afhankelijk van de perceelsgrootte een in de voorschriften aangegeven oppervlakte aan caravans, livingvans en zomerhuisjes, waaronder begrepen bergingen, worden geplaatst. 27.4. In het deskundigenbericht staat dat op het grootste gedeelte van de desbetreffende gronden een bosje van jonge bomen staat en dat op een klein gedeelte van de desbetreffende gronden een parkeerstrook ligt. Voorts staat in het deskundigenbericht dat op de desbetreffende gronden een houten hok staat dat gebruikt wordt voor de opslag van tuingereedschap en dat de desbetreffende gronden ook worden gebruikt als dumpplaats van groenafval. 27.5. De Afdeling stelt vast dat de desbetreffende gronden ten tijde van de vaststelling van het plan op kaart 4 behorende bij de PRVS in de EHS lagen. Voor zover [appellante sub 7] aanvoert dat de strook grond in de PRVS per abuis in de EHS is opgenomen, overweegt de Afdeling dat aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals de PRVS, alleen verbindende kracht kan worden ontzegd indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat aan de PRVS op dit punt verbindende kracht moet worden ontzegd. De omstandigheid dat de strook grond in het Natuurbeheerplan 2014 niet is opgenomen in de EHS leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheid betekent niet dat de strook grond ten tijde van de vaststelling van het plan op de kaart behorende bij de PRVS ten onrechte in de EHS was opgenomen. Er bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan slechts had mogen vaststellen na bij het college een verzoek om wijziging van de begrenzing van de EHS te hebben gedaan en een beslissing daarop te hebben afgewacht. De Afdeling overweegt evenwel dat in het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de natuurwaarden op de desbetreffende gronden niet hoog zijn en dat de desbetreffende gronden meer een verwaarloosd gedeelte van het recreatiepark vormen. Voorts wordt in het deskundigenbericht geconcludeerd dat door het intensieve gebruik van land en water de potentiële verstoring van flora en fauna op de desbetreffende percelen enorm is. De raad heeft deze conclusies niet bestreden. Verder is niet in geschil dat op een gedeelte van de desbetreffende gronden een parkeerstrook ligt. Gelet hierop heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat de natuurfunctie op de desbetreffende gronden reeds is gerealiseerd en dat de desbetreffende gronden van belang zijn voor de migratiemogelijkheden van flora en fauna. De raad heeft derhalve niet deugdelijk gemotiveerd dat artikel 19, eerste lid, van de PRVS tot het toekennen van een natuurbestemming verplicht. Ook heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat de omstandigheid dat een gedeelte van de desbetreffende gronden aan het Natura 2000-gebied grenst in de weg staat aan het toekennen van een recreatieve bestemming. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op het water rondom de desbetreffende gronden recreatievaart en watersport is toegestaan, ook op het water dat in het Natura 2000-gebied ligt. Voorts grenzen de desbetreffende gronden slechts gedeeltelijk aan het Natura 2000-gebied. Verder stelt de raad zich ten onrechte op het standpunt dat artikel 14 van de PRVS zich verzet tegen het toekennen van een recreatieve bestemming aan de desbetreffende gronden. Anders dan de raad aanvoert, liggen de desbetreffende gronden binnen BBG. Op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de PRVS, zie hiervoor onder 5.2, behoren gronden tot BBG indien op die gronden ten tijde van de inwerkingtreding van de PRVS woon- of bedrijfsbebouwing was toegestaan, ook al liggen die gronden op de kaart behorende bij de PRVS niet in het gebied dat is aangewezen als BBG. Onder het voorheen geldende plan, dat ten tijde van de inwerkingtreding van de PRVS gold, waren op de desbetreffende gronden zomerhuisjes toegestaan. 28. [appellante sub 7] betoogt voorts dat ten onrechte geen bedrijfswoning mogelijk is gemaakt op haar gronden. Zij voert daartoe aan dat een bedrijfswoning noodzakelijk is ten behoeve van de bedrijfsvoering van haar caravanpark. De verblijfsrecreatie is de laatste jaren geïntensiveerd waardoor het takenpakket voor de beheerders van het caravanpark zwaarder is geworden. Volgens [appellante sub 7] woont een medewerker van haar daarom al jaren op het caravanpark in een stacaravan. Dat [directeur] van [appellante sub 7], in de woning op het naastgelegen perceel [locatie 3] woont doet daaraan volgens haar niet af. Deze woning betreft een burgerwoning en geen bedrijfswoning. Ook heeft volgens [appellante sub 7] het college van burgemeester en wethouders in 2005 erkend dat een bedrijfswoning noodzakelijk was. Dat de raad terugkomt op deze toezegging is volgens haar in strijd met de zorgvuldigheid. Dit klemt volgens haar te meer, nu in het plan meer bedrijfsbebouwing mogelijk is gemaakt ten opzichte van het voorheen geldende plan. Voorts wijst zij erop dat op kleinere caravanparken in Loosdrecht wel een bedrijfswoning is toegestaan. 28.1. Volgens de raad is een bedrijfswoning op de gronden van [appellante sub 7] niet noodzakelijk, omdat haar directeur in de naastgelegen burgerwoning woont. 28.2. Aan het caravanpark van [appellante sub 7] is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" zonder de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a en f, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden onder meer bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen, stacaravans en chalets, die bedrijfsmatig geëxploiteerd worden en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" een bedrijfswoning. 28.3. Onder het voorheen geldende plan was aan het caravanpark de bestemming "Recreatieve doeleinden A" toegekend. Binnen deze bestemming was een bedrijfswoning niet toegestaan. 28.4. Op 2 december 2005 heeft [appellante sub 7] een bouwvergunning met vrijstelling aangevraagd voor het realiseren van onder meer een bedrijfswoning met een oppervlakte van 120 m2. [appellante sub 7] heeft deze aanvraag op 12 december 2005 ingetrokken, omdat zij verwachtte dat in het plan, dat in 2006 in procedure zou worden gebracht, een bedrijfswoning mogelijk zou worden gemaakt. 28.5. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bedrijfswoning op de gronden van [appellante sub 7] niet noodzakelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een directeur van [appellante sub 7] in de woning op het naastgelegen perceel woont, zodat deze toezicht kan houden op het caravanpark. Dat de woning van deze directeur een burgerwoning betreft doet daaraan niet af, nu [appellante sub 7] niet te kennen heeft gegeven dat zij concrete plannen heeft om het caravanpark aan een derde te verkopen. De stelling van [appellante sub 7] dat het college van burgemeester en wethouders heeft erkend dat een bedrijfswoning noodzakelijk is, daargelaten of deze stelling juist is, leidt niet tot een ander oordeel, nu de raad een eigen afweging over de noodzakelijkheid van een bedrijfswoning mag maken. Voor zover [appellante sub 7] aanvoert dat op kleinere caravanparken wel een bedrijfswoning is toegestaan, overweegt de Afdeling dat dit nog niet betekent dat een bedrijfswoning op de gronden van [appellante sub 7] moet worden toegestaan. [appellante sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situaties op die caravanparken vergelijkbaar zijn met deze situatie, nu niet is gebleken dat op die caravanparken ook een medewerker in een burgerwoning naast het caravanpark woont. Gelet op het voorgaande behoefde de raad in redelijkheid niet de aanduiding "bedrijfswoning" toe te kennen aan de gronden van [appellante sub 7]. Conclusie 29. In hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het perceel, kadastraal bekend als gemeente Wijdemeren sectie F, nr. 1146, is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 7] is gegrond. Het beroep van [appellante sub 8] en anderen 30. Het beroep van [appellante sub 8] en anderen ziet op de percelen aan de [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 6], kadastraal bekend gemeente Wijdemeren, sectie F, nrs. 977, 979, 1088, 1111, 1221, 1222, 1224 en 1550 (hierna: de percelen). Intrekking beroepsgrond 31. Ter zitting hebben [appellante sub 8] en anderen hun beroep wat betreft de brug op de percelen kadastraal bekend gemeente Wijdemeren, sectie F, nrs. 1088, 1221, 1222 en 1224 (hierna: perceel 1) ingetrokken. Inhoudelijk 32. [appellante sub 8] en anderen betogen dat aan de percelen ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend, omdat de natuurfunctie niet is gerealiseerd en ook niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. Volgens hen gebruiken zij de percelen voor dag- en verblijfsrecreatie. Op de percelen staan recreatiewoningen met een tuin eromheen. [appellante sub 8] en anderen voeren voorts aan dat het ten onrechte niet is toegestaan om in hun recreatiewoningen te overnachten, nu de bestemming "Natuur" geen verblijfsrecreatie toestaat en de aanduiding "recreatiewoning" daartoe ook onvoldoende duidelijk is. 32.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 19 van de PRVS verplicht was de gronden waarop de natuurfunctie is gerealiseerd als "Natuur" te bestemmen. Volgens de raad liggen de recreatiewoningen van [appellante sub 8] en anderen in en om het Natura 2000-gebied en de EHS. 32.2. Aan de percelen van [appellante sub 8] en anderen zijn de bestemmingen "Natuur" en "Water" toegekend. Aan perceel 1 is een vlak met de aanduiding "recreatiewoning" toegekend. Dit geldt eveneens voor het perceel met de kadastrale nrs. 979 en 1111 (hierna: perceel 2) en het perceel met het kadastrale nr. 1550 (hierna: perceel 3). Niet in geschil is dat de percelen voor 1974 al recreatief in gebruik waren. 32.3. In het deskundigenbericht staat dat op perceel 1 een recreatiewoning aanwezig is met een oppervlakte van ongeveer 120 m², waarvoor een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) is verleend. Voorts zijn op perceel 1 een aantal steigers en een boothelling aanwezig. Aan de noordelijke, oostelijke en zuidelijke zijde van het perceel is hoog opgaande beplanting aanwezig, voor het overige is het perceel als tuin ingericht, aldus het deskundigenbericht. In het deskundigenbericht staat voorts dat op perceel 2 een houten recreatiewoning aanwezig is, waarvoor een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) is verleend. De recreatiewoning bestaat uit een bouwlaag met een kleine kap. Voorts is volgens het deskundigenbericht een brug op perceel 2 aanwezig die naar een aanlegsteiger met vlonder voert. Rondom de recreatiewoning is volgens het deskundigenbericht een grasveld aangelegd, en het noordelijke deel van perceel 2 bestaat uit hoog opgaande beplanting. Op perceel 3 zijn volgens het deskundigenbericht twee houten recreatiewoningen aanwezig. De meest noordelijk gelegen recreatiewoning wordt "De Koekoek" genoemd en bestaat uit een bouwlaag met een kap, met een aangebouwde berging. Aan deze recreatiewoning is de aanduiding "recreatiewoning" toegekend. De gronden die "De Koekoek" omringen zijn volgens het deskundigenbericht als tuin ingericht. Het meest zuidelijk gelegen gebouw wordt "De Wigwam" genoemd. Aan dit gebouw is geen aanduiding "recreatiewoning" toegekend. Aan de zuidelijke en westelijke zijde van "De Wigwam" zijn vlonders aangebracht. De gronden die "De Wigwam" omringen zijn volgens het deskundigenbericht als tuin ingericht. Tevens is op perceel 3 een kleine botenloods aanwezig. De grens van de aanduiding "recreatiewoning" is strak rondom de bestaande recreatiewoningen gelegd. Verder staat in het deskundigenbericht dat de recreatiewoningen en de direct aangrenzende gronden niet in het Natura 2000 gebied of de EHS liggen. 32.4. De Afdeling stelt vast dat binnen een recreatiewoning ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" recreatief mag worden overnacht, gelet op de definitie van recreatiewoning in artikel 1, lid 1.85, van de planregels, zie hiervoor onder 5.3. Ter zitting heeft de raad dit bevestigd. De Afdeling is voorts van oordeel dat het gebruik van de tuinen op de percelen niet als binnen de bestemming "Natuur" toegestane extensieve dagrecreatie als bedoeld in artikel 1, lid 1.43, van de planregels, zie hiervoor onder 24.2, kan worden aangemerkt, zodat het gebruik van de tuinen niet als zodanig is bestemd. De tuinen liggen niet in de EHS of het Natura 2000-gebied. Gelet hierop heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd waarom het gebruik van de tuinen op percelen 1, 2 en 3 niet als zodanig is bestemd. 32.5. Voor zover [appellante sub 8] en anderen aanvoeren dat aan de gronden die niet in gebruik zijn als tuin ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend, overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat deze gronden in het Natura 2000-gebied en de EHS liggen en in gebruik zijn als natuur. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 19, eerste lid, van de PRVS aan deze gronden een natuurbestemming diende te worden toegekend. 33. [appellante sub 8] en anderen betogen voorts dat ten onrechte het gebouw "De Wigwam" op perceel 3 niet als recreatiewoning is bestemd. Tevens betogen zij dat het botenhuis, de berging en de steiger op perceel 3 niet als zodanig zijn bestemd. Dit geldt volgens hen tevens voor het plankier op perceel 3, de loopsteiger om de haven op perceel 1, de overige steigers en de toegankelijkheid van het perceel waarop de recreatiewoning ligt vanaf de Nieuw Loosdrechtsedijk. Het toegangshek, waarvoor een vergunning is verleend, en een aantal steigers die breder zijn dan 1,2 m of langer dan 15 m zijn evenmin als zodanig bestemd. Voorts betogen zij dat de steiger vanaf de brug niet geheel als zodanig is bestemd, omdat deze langer is dan op de verbeelding is weergegeven. 33.1. Volgens de raad is het gebouw "De Wigwam" gezien de ligging, omvang en aard geen recreatiewoning en ook niet als zodanig vergund, zodat dit gebouw niet als recreatiewoning is bestemd. 33.2. Met betrekking tot "De Wigwam" overweegt de Afdeling als volgt. De bouwvergunning die op 29 juni 1964 is verleend ziet op het veranderen van een optrekje. Op de bijbehorende tekeningen is een gebouw te zien van 2 bij 3 m, met een steiger er omheen. Vast staat dat thans een gebouw van grotere afmeting aanwezig is. Niet gebleken is dat het gebouw, voor zover het groter is dan ingevolge de bouwvergunning van 29 juni 1964 is toegestaan, is vergund. Gelet op de vergunde afmetingen heeft de raad zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebouw zoals het is vergund geen recreatiewoning is. De raad heeft derhalve in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien de aanduiding "recreatiewoning" aan "De Wigwam" toe te kennen. 33.3. In het deskundigenbericht staat dat op het perceel kadastraal bekend gemeente Wijdemeren, sectief F, nr. 977 (hierna: perceel 4) een toegangshek aanwezig is van ongeveer 2 m hoog. Voor het vervangen en verplaatsen van een poort is een omgevingsvergunning verleend. Voorts staat in het deskundigenbericht dat op de gronden van [appellante sub 8] en anderen met de bestemming "Water" een aantal steigers aanwezig is, maar dat een aantal daarvan langer en breder is dan het plan toestaat. Verder staat in het deskundigenbericht dat aan geen van de steigers die op gronden met de bestemming "Natuur" staan de aanduiding "aanlegsteiger" is toegekend. 33.4. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden onder meer bestemd voor steigers ter plaatse van de aanduiding "aanlegsteiger". Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.3, geldt voor bouwwerken geen gebouwen zijnde dat: a. de breedte van steigers mag niet meer bedragen dan 1,2 m; b. de lengte van steigers mag niet meer bedragen dan 15 m; c. de bouwhoogte van steigers en beschoeiingen mag, gemeten ten opzichte van het waterpeil ter plaatse, niet meer bedragen dan 1 m; d. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder g, zijn de voor "Water" aangewezen gronden tevens bestemd voor steigers, vlonders of andere afmeervoorzieningen. Ingevolge lid 12.2, onder 12.2.2 en b, c en d, mag de bouwhoogte van steigers niet meer bedragen dan 1 m, gemeten ten opzichte van het waterpeil, mag de breedte van steigers niet meer bedragen dan 1,2 m en mag de lengte van steigers niet meer bedragen dan 15 m. 33.5. Wat betreft het betoog dat een aantal bijgebouwen, waaronder het botenhuis en de berging, niet als zodanig is bestemd, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft erkend dat voor bijgebouwen ter plaatse van de bestemming "Natuur" een regeling opgenomen had moeten worden. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet met de daarbij vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 33.6. Wat betreft de op de percelen aanwezige steigers stelt de Afdeling vast dat de steigers binnen de bestemming "Water" die langer en breder zijn dan binnen deze bestemming is toegestaan als zodanig zijn bestemd. Niet in geschil is dat deze steigers bestaande bouwwerken zijn als bedoeld in de planregels, zie hiervoor onder11.1. Gelet op artikel 23, lid 23.1, onder a, van de planregels, zie hiervoor onder 11.1, betekent dit dat deze steigers als zodanig zijn bestemd. Wat betreft de steigers binnen de bestemming "Natuur" stelt de Afdeling vast dat deze niet als zodanig zijn bestemd, gelet op artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder i, van de planregels. Aan geen van de steigers binnen deze bestemming is immers de aanduiding "aanlegsteiger" toegekend. De raad heeft ter zitting verklaard dat niet handhavend zal worden opgetreden tegen deze steigers. De raad heeft derhalve blijkbaar geen ruimtelijke bezwaren tegen deze steigers. Gelet hierop heeft raad niet inzichtelijk gemaakt waarom deze steigers niet als zodanig zijn bestemd. Het plan is op dit punt derhalve niet met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid voorbereid. 33.7. Wat betreft de toegangspoort op perceel 4 overweegt de Afdeling dat het plan voor erf- en terreinafscheidingen een bouwhoogte van maximaal 1 m toestaat. De raad heeft echter op 2 maart 2012 een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een toegangspoort van 2 m hoog. Nu het ontwerpbestemmingsplan op 5 januari 2012 ter inzage is gelegd is de vergunde toegangspoort geen bestaand bouwwerk als bedoeld in het plan, hetgeen inhoudt dat het plan de vergunde toegangspoort niet toestaat voor zover deze hoger is dan 1 m. Daarmee is de vergunde toegangspoort onder het bouwovergangsrecht gebracht. Het onder het overgangsrecht brengen van bebouwing, ook als deze is vergund, kan aanvaardbaar zijn, maar hiervoor is in ieder geval vereist dat aannemelijk is dat deze binnen de planperiode van tien jaar zal worden verwijderd. Niet is gebleken dat de toegangspoort niet opgericht zal worden of na oprichting binnen de planperiode verwijderd zal worden. Het plan is in zoverre in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid vastgesteld. 34. [appellante sub 8] en anderen betogen voorts dat in het plan ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheid is opgenomen die mogelijk maakt dat op perceel 3 de recreatiewoning "De Wigwam" en de recreatiewoning "De Koekoek" met de bijbehorende bebouwing vervangen kunnen worden door een garage of schuur met dezelfde oppervlakte als deze twee recreatiewoningen. Volgens hen zal een dergelijke ontwikkeling een kwaliteitsimpuls aan de omgeving geven en bijdragen leveren aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden, omdat het ruimtelijk beslag van de bebouwing door de clustering in één gebouw verkleind zal worden, de garage of schuur een eenheid zal vormen met de andere recreatiewoning en minder nadrukkelijk in het landschap aanwezig zal zijn. De door hen gewenste wijzigingsbevoegdheid is volgens hen door voldoende objectieve normen begrensd, nu duidelijk is op welk perceel de wijzigingsbevoegdheid gewenst is, in welk soort gebouw deze zal voorzien en hoe groot de oppervlakte van het gebouw zal worden. 34.1. Volgens de raad hebben [appellante sub 8] en anderen niet het benodigde onderzoek gedaan waaruit blijkt dat hun initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is en is daarom geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen. 34.2. De Afdeling stelt vast dat [appellante sub 8] en anderen niet de benodigde onderzoeken hebben verricht waaruit blijkt dat hun plan ruimtelijk aanvaardbaar is. Gelet hierop behoefde de raad in redelijkheid geen wijzigingsbevoegdheid in het plan op te nemen. Conclusie 35. In hetgeen [appellante sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Natuur" voor de percelen, met uitzondering van de plandelen met de aanduiding "recreatiewoning" , is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 8] en anderen is gegrond. Het beroep van [appellante sub 9] 36. Het beroep van [appellante sub 9] ziet op het perceel aan de Nieuw Loosdrechtsedijk, kadastraal bekend gemeente Wijdemeren, sectie F, nrs. 1193 en 1223 (hierna: het perceel). [appellante sub 9] betoogt dat aan het perceel ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend, omdat de natuurfunctie niet is gerealiseerd en ook niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. Volgens haar gebruikt zij het perceel voor dag- en verblijfsrecreatie. Op het perceel staat een recreatiewoning met een tuin eromheen. In dat verband betoogt zij tevens dat het ten onrechte niet is toegestaan om in haar recreatiewoning te overnachten, nu de bestemming "Natuur" geen verblijfsrecreatie toestaat en de aanduiding "recreatiewoning" daartoe ook onvoldoende duidelijk is. 36.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan toestaat dat ter plaatse van recreatiewoningen overnacht wordt, omdat de bestemmingsomschrijvingen in artikel 6, lid 6.1, onder a tot en met m, van de planregels gelijkwaardig aan elkaar zijn en in de definitie van recreatiewoning niet staat dat daar niet overnacht mag worden. Voorts ligt volgens de raad de recreatiewoning van [appellante sub 9] in en nabij het Natura 2000-gebied en de EHS. De raad stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 19 van de PRVS verplicht was de gronden waarop de natuurfunctie is gerealiseerd als "Natuur" te bestemmen. 36.2. In het deskundigenbericht staat dat delen van het perceel in het Natura 2000-gebied liggen. Volgens het deskundigenbericht zijn de gronden waarop de recreatiewoning staat en de omliggende gronden buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied en van de EHS gelaten. De gronden direct om de recreatiewoning zijn in gebruik als tuin, waarbij er geen sprake is van gerealiseerde natuur. 36.3. Aan het perceel zijn de bestemmingen "Natuur" en "Water" toegekend. Aan de gronden met de bestemming "Natuur" is een vlak met de aanduiding "recreatiewoning" toegekend. Ter plaatse van het vlak met de aanduiding "recreatiewoning" is een recreatiewoning aanwezig. Niet in geschil is dat voor deze recreatiewoning een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning) is verleend. Evenmin is in geschil dat de gronden voor de recreatiewoning en de omliggende gronden reeds ongeveer 77 jaar recreatief in gebruik zijn. Onder het voorheen geldende plan waren aan het perceel de bestemmingen "Natuurgebied A" en "Water" toegekend. 36.4. Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, van de planregels geldt voor recreatiewoningen: a. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m; c. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte, tot een maximum van 40 m². 36.5. De Afdeling stelt vast dat binnen een recreatiewoning ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" recreatief mag worden overnacht, gelet op de definitie van recreatiewoning in artikel 1, lid 1.85, van de planregels, zie hiervoor onder 5.3. Ter zitting heeft de raad dit bevestigd. De Afdeling is voorts van oordeel dat het gebruik van de tuin op het perceel niet als binnen de bestemming "Natuur" toegestane extensieve dagrecreatie als bedoeld in artikel 1, lid 1.43, van de planregels, zie hiervoor onder 24.2, kan worden aangemerkt, zodat het gebruik van de tuin niet als zodanig is bestemd. De tuin ligt niet in de EHS of het Natura 2000-gebied. Gelet hierop heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd waarom het gebruik van de tuin niet als zodanig is bestemd. 36.6. Voor zover [appellante sub 9] aanvoert dat aan de overige gronden ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend, overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat deze gronden in het Natura 2000-gebied en de EHS liggen en in gebruik zijn als natuur. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 19, eerste lid, van de PRVS aan deze gronden een natuurbestemming diende te worden toegekend. 37. Voor zover [appellante sub 9] betoogt dat haar recreatiewoning ten onrechte niet geheel als zodanig is bestemd, omdat de afmetingen groter zijn dan het plan toestaat, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat de recreatiewoning een grotere oppervlakte en een hogere bouw- en goothoogte heeft dan op grond van het plan is toegestaan, dat de recreatiewoning met deze afmetingen vergund is en dat deze voor 5 januari 2012 ter plaatse aanwezig was. De recreatiewoning is derhalve een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 1, lid 1.23, van de planregels, zie hiervoor onder 11.1. Op grond van artikel 23, lid 23.1, onder a, van de planregels, zie hiervoor onder 11.1, mogen de hoogte, inhoud en oppervlakten van bestaande bouwwerken als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden. Dit houdt in dat de recreatiewoning met de vergunde afmetingen als zodanig is bestemd. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag. 38. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het perceel is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 9] is gegrond. Het beroep van Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] Ontvankelijkheid 39. De raad stelt zich op het standpunt dat dat het beroep van Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] niet-ontvankelijk is, voor zover dat gericht is tegen het niet opnemen van een gedeelte van hun percelen in het bestemmingsplan. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] hebben in hun zienswijzen niet naar voren gebracht dat een gedeelte van hun percelen niet was opgenomen in het bestemmingsplan. De Afdeling stelt evenwel vast dat het desbetreffende gedeelte van de percelen Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] wel was opgenomen in het ontwerpplan. Het plan is derhalve gewijzigd vastgesteld ten nadele van Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A]. Gelet hierop bestaat geen aanleiding hun beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren. Woonschip 40. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] betogen dat ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats - 2" is toegekend aan een woonschip op hun gronden aan de Oud Loosdrechtsedijk. Volgens hen had de aanduiding "specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats - 1" moeten worden toegekend, omdat dit woonschip al meer dan twintig jaar permanent wordt bewoond. 40.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ten onrechte niet de aanduiding "specifieke vorm van wonen - woonschepenligplaats - 1" is toegekend aan het zuidelijk gelegen woonschip op de percelen van Jachthaven De Waterburcht. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Plangrens 41. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] betogen voorts dat het gedeelte van hun percelen waarop zij een nieuwe bedrijfswoning willen bouwen ten onrechte niet in het plangebied is opgenomen. Volgens hen is de bouw van een nieuwe bedrijfswoning op korte termijn noodzakelijk, omdat de bestaande bedrijfswoning sterk is verouderd. Ook heeft het college van burgemeester en wethouders volgens hen ingestemd met de bouw van een nieuwe bedrijfswoning. 41.1. Volgens de raad hebben Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] plannen om ter hoogte van de bestaande bedrijfswoning een museum en een jachtloods te realiseren, maar zijn deze plannen nog in ontwikkeling. De raad heeft daarom de gronden waarop deze plannen betrekking hebben niet in het plangebied opgenomen. De bouw van een nieuwe bedrijfswoning hangt volgens de raad samen met deze plannen, zodat de gronden waarop Jachthaven de Waterburcht en [appellant sub 10A] deze woning willen bouwen ook niet in het plangebied zijn opgenomen. 41.2. De Afdeling overweegt dat raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Niet in geschil is dat de raad de gronden waarop Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] een museum en een jachtloods willen realiseren in redelijkheid niet in het plangebied behoefde op te nemen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er een ruimtelijke samenhang bestaat tussen de plannen voor een museum en een jachtloods en het plan voor een nieuwe bedrijfswoning. Volgens de raad is de bouw van een nieuwe bedrijfswoning alleen ruimtelijk aanvaardbaar als de bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] willen ter hoogte van die bestaande bedrijfswoning het museum en de jachtloods bouwen en daarvoor moet de bestaande bedrijfswoning worden gesloopt. Gelet op deze ruimtelijke samenhang behoefde de raad in redelijkheid ook de gronden waarop Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] een nieuwe bedrijfswoning willen bouwen niet in het plangebied op te nemen. Plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" 42. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] betogen voorts dat ten onrechte de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" in plaats van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend aan een gedeelte van hun gronden. Als gevolg daarvan is verblijfsrecreatie niet meer toegestaan, terwijl op dit gedeelte reeds sinds meer dan 40 jaar wordt overnacht in blokhutten en boten en dit onder het voorheen geldende plan was toegestaan. Verder is volgens hen de aanwezige bebouwing op deze gronden ten onrechte niet als zodanig bestemd. Op grond van de planregels is voor een gebouw voor dagrecreatie een maximale oppervlakte van 12 m2 toegestaan, terwijl de oppervlakte van de bestaande bebouwing op de kavels tot 25 m2 per kavel bedraagt. Volgens Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] sluit een maximum van 12 m2 ook niet aan bij de ontwikkelingen in de markt voor verblijfsrecreanten. 42.1. Volgens de raad was onder het voorheen geldende plan binnen de bestemming "Recreatieve doeleinden B (boten)" alleen overnachting op boten toegestaan en geen overnachting in huisjes. Overnachting op boten is volgens de raad nog steeds toegestaan. Voorts blijkt volgens de raad uit een luchtfoto dat het recreatiebedrijf van Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] in 1985 een relatief klein bedrijf was met nauwelijks bebouwing. Verder acht de raad het wenselijk dat het aanbod voor recreatievaart en watersport behouden blijft, omdat Loosdrecht een watersportcentrum is. Verder is volgens de raad een maximum van 12 m2 voldoende voor een gebouw voor dagrecreatie. 42.2. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] hebben drie percelen, kadastraal bekend gemeente Wijdemeren, sectie G nrs. 2375, 2377 en 29, in eigendom. Op het grootste gedeelte van twee van deze percelen (hierna: de recreatiepercelen) zijn recreatiekavels aanwezig die zij verhuren. Het derde perceel (hierna: het westelijke perceel) gebruiken zij niet voor recreatieve doeleinden. De meeste recreatiekavels op de recreatiepercelen liggen binnen de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie". 42.3. Onder het voorheen geldende plan waren aan de recreatiepercelen de bestemmingen "Recreatieve doeleinden B (boten)", "Water", "Bos" en "Natuurgebied A" toegekend. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de voorschriften van het voorheen geldende plan waren binnen de bestemming "Bos" geen bouwwerken toegestaan. Ingevolge artikel 15, eerste lid, waren de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor watertoerisme en waterhuishouding. Ingevolge het tweede lid waren binnen de bestemming "Water" alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, onder bepaalde voorwaarden toegestaan. 42.4. In het deskundigenbericht staat dat Jachthaven De Waterburcht sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw aan de Oud Loosdrechtsedijk is gevestigd. Volgens het deskundigenbericht is zij toen begonnen met het verhuren van kavels met ligplaatsen aan voormalige legakkers. Op deze kavels hadden recreanten veelal een berghok en eventueel werd er overnacht op de boot. In de loop der jaren zijn volgens het deskundigenbericht de meeste berghokken vervangen door grotere huisjes die ook dienen voor verblijf en overnachting. De meeste van deze huisjes hebben een oppervlakte van ongeveer 20 tot 25 m2. De huisjes zijn zonder bouwvergunning opgericht. Wanneer de huisjes precies zijn opgericht is onduidelijk, maar volgens het deskundigenbericht kan uit luchtfoto’s worden afgeleid dat eind jaren ’80 van de vorige eeuw nog geen huisjes op de kavels stonden. 42.5. Wat betreft de verblijfsrecreatie op boten stelt de Afdeling vast dat dit gebruik is toegestaan binnen de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie", zie hiervoor onder 16.3. Dit gebruik kan als recreatievaart worden aangemerkt, gelet op de omschrijving van recreatievaart in artikel 1, lid 1.84, van de planregels. Het beroep van Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] mist in zoverre feitelijke grondslag. De Afdeling stelt voorts vast dat niet in geschil is dat de huisjes op de gronden met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" illegaal zijn opgericht. Voorts was het overnachten in de huisjes onder het voorheen geldende plan niet toegestaan binnen de bestemmingen "Water", "Bos" en "Natuurgebied A". De Afdeling is ook van oordeel dat het overnachten in de huisjes niet was toegestaan binnen de bestemming "Recreatieve doeleinden B (boten)", zie hiervoor onder 16.4, gelet op de systematiek van het voorheen geldende plan. In het voorheen geldende plan was er een onderscheid tussen de bestemming "Recreatieve doeleinden A (caravans en huisjes)" en de bestemming "Recreatieve doeleinden B (boten)". Binnen de bestemming "Recreatieve doeleinden A (caravans en huisjes)" waren zomerhuisjes toegestaan, terwijl deze niet waren toegestaan binnen de bestemming "Recreatieve doeleinden B (boten)". Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat het overnachten in de huisjes reeds sinds de inwerkingtreding van het voorheen geldende plan plaatsvond. Uit de luchtfoto’s uit de jaren ’80 van de vorige eeuw bij het deskundigenbericht valt niet op te maken dat toentertijd op de gronden met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" huisjes stonden. Ook uit de door de raad ter zitting getoonde luchtfoto’s uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw is niet gebleken dat toentertijd huisjes stonden op gronden met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie". Ten aanzien van het overnachten in de huisjes kon derhalve geen beroep worden gedaan op het overgangsrecht van het voorheen geldende plan. De conclusie is dat het overnachten in de huisjes illegaal gebruik betreft. Nu de huisjes illegaal zijn opgericht en het overnachten daarin illegaal gebruik betreft, behoefde de raad in redelijkheid niet de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" in plaats van de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" toe te kennen. De raad behoeft illegale bouwwerken en illegaal gebruik in beginsel niet als zodanig te bestemmen. De raad heeft daarbij ook in redelijkheid het belang van het behoud van het aanbod voor recreatievaart en watersport in aanmerking kunnen nemen. Wat betreft de toegestane oppervlakte voor gebouwen voor dagrecreatie is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een oppervlakte van maximaal 12 m2 voldoende is voor gebouwen voor dagrecreatie. Plandeel met de bestemming "Natuur" voor het zuidelijk gedeelte van de recreatiepercelen 43. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] betogen voorts dat ten onrechte aan het zuidelijk gedeelte van de recreatiepercelen (hierna: de desbetreffende gronden) de bestemming "Natuur" is toegekend. Volgens hen zijn de desbetreffende gronden reeds tientallen jaren in gebruik voor verblijfsrecreatie. Zij stellen dat op de desbetreffende gronden de nodige voorzieningen, zoals water en elektriciteit, voor verblijfsrecreanten aanwezig zijn. Voorts stelt de raad zich volgens Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] ten onrechte op het standpunt dat de desbetreffende gronden onderdeel zijn van een bufferzone tussen recreatiebedrijven aan de Oud Loosdrechtsedijk en het Natura 2000-gebied. Het gemeentebestuur en het provinciebestuur wilden in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw deze bufferzone realiseren en daarvoor zouden de desbetreffende gronden worden aangekocht door de vereniging Vereniging Natuurmonumenten (hierna: Natuurmonumenten). Volgens Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] zijn de desbetreffende gronden echter op het laatste moment niet verkocht aan Natuurmonumenten en is het recreatieve gebruik op de desbetreffende gronden niet beëindigd. Volgens hen houden zij wel een groenstrook met een breedte van ongeveer 50 m tot de Oostelijke Drecht aan om het recreatieve gebruik af te schermen. Een bufferzone met een breedte van 50 m is volgens hen voldoende. Daarbij wijzen zij erop dat de raadscommissie Ruimte en Economie ook van oordeel was dat een bufferzone van 50 m voldoende was. Volgens hen heeft de raad alleen voor een bufferzone met een grotere breedte gekozen omdat wethouders tijdens de raadsvergadering verklaarden dat zij hun portefeuilles zouden neerleggen als de raad voor een bufferzone van 50 m zou kiezen. Verder voeren zij aan dat de desbetreffende gronden niet in het Natura 2000-gebied liggen. Ook wijzen zij erop dat in het Natuurbeheerplan 2014 de desbetreffende gronden niet meer in de EHS zijn opgenomen en dat het plangebied in de Structuurvisie als intensief recreatiegebied is aangewezen. 43.1. De raad wilde in de jaren ’70 van de vorige eeuw een separatiekanaal aanleggen ten noorden van de Drecht. Het doel van dat separatiekanaal was om de Oostelijke Drecht te ontzien als vaarroute teneinde het natuurgebied ten zuiden daarvan te beschermen tegen negatieve effecten. In de jaren ’80 bleek dat de realisering van het separatiekanaal vanwege de hoge kosten daarvan niet haalbaar was. De raad heeft toen ervoor gekozen om in plaats van een separatiekanaal een bufferzone bestaande uit natuur tussen de recreatieterreinen aan de Oud Loosdrechtsedijk en de Oostelijke Drecht te realiseren. De raad acht de bufferzone ook wenselijk om de recreatieterreinen aan de Oud Loosdrechtsedijk visueel af te schermen van de vaarroute op de Oostelijke Drecht. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] hebben volgens de raad ingestemd met de realisering van deze bufferzone op de desbetreffende gronden. Volgens de raad was met hen afgesproken dat het recreatiebedrijf tot aan de bufferzone zou kunnen uitbreiden en dat zij in ruil daarvoor de desbetreffende gronden om niet zouden overdragen. Daarbij wijst de raad erop dat op 17 juli 1998 tussen Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] en Natuurmonumenten een voorlopige koopovereenkomst is gesloten. Verder blijkt volgens de raad uit luchtfoto’s dat Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] tot 2010 de desbetreffende gronden niet voor recreatieve doeleinden hebben gebruikt. Pas in 2012 zijn volgens de raad op gronden met de bestemming "Natuur" tien huisjes illegaal opgericht. Tot slot wijst de raad erop dat de desbetreffende gronden in de EHS liggen en dat in het aanwijzingsbesluit van 23 mei 2013 de desbetreffende gronden in het Natura 2000-gebied zijn opgenomen. 43.2. Aan de desbetreffende gronden is de bestemming "Natuur" toegekend. Onder het voorheen geldende plan was aan de desbetreffende gronden geen recreatieve bestemming toegekend. De desbetreffende gronden grenzen aan de Oostelijke Drecht en liggen op kaart 4 behorende bij de PRVS in de EHS. Ten tijde van de vaststelling van het plan lagen de desbetreffende gronden ten noorden van het Natura 2000-gebied. In het aanwijzingsbesluit van 23 mei 2013 liggen de desbetreffende gronden binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. 43.3. In het deskundigenbericht staat dat een strook grond met een breedte van ongeveer 35 m grenzend aan de Drecht niet is uitgegeven als recreatiekavels. Op deze strook staat volgens het deskundigenbericht jonge pioniersvegetatie, met name brandnetels. Voorts staat in het deskundigenbericht dat uit luchtfoto’s blijkt dat de desbetreffende gronden eind jaren ’80 van de vorige eeuw werden gebruikt voor het afmeren van boten. Aan de oostzijde van de desbetreffende gronden lagen volgens het deskundigenbericht afgebakende kavels. Uit luchtfoto’s uit 2002, 2007, 2009 en 2010 blijkt volgens het deskundigenbericht dat de desbetreffende gronden grotendeels niet meer zijn ingericht met recreatiekavels, maar begroeid lijken te zijn met bosschages. Sinds 2010 zijn volgens het deskundigenbericht ongeveer tien recreatiekavels op de desbetreffende gronden ingericht. 43.4. In een brief van Jachthaven De Waterburcht van 31 januari 1996 aan het college van burgemeester en wethouders staat dat in juridische zin nog geen vorm is gegeven aan de overeenstemming tussen het Plassenschap Loosdrecht e.o. en Jachthaven De Waterburcht over de eigendomsoverdracht van de bufferstrook. Dat lag volgens de brief niet aan Jachthaven De Waterburcht. Zij is volgens de brief bereid om een strook grond met een breedte van ongeveer 100 m vanaf de noordzijde van de Oostelijke Drecht in eigendom af te staan. In de brief staat voorts dat de partijen zich in materiële zin hebben gedragen alsof de overeenstemming wel tot stand was gekomen. De bufferstrook is gerealiseerd en deze is vrijwel geheel ontruimd. Voorts heeft het college meegewerkt aan de herinrichting van vrijwel het gehele achterliggende gebied ten behoeve van recreatieve doeleinden. 43.5. Voor zover Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] aanvoeren dat de besluitvorming door de raad over het plan ten onrechte is beïnvloed door het college van burgemeester en wethouders, overweegt de Afdeling dat het college van burgemeester en wethouders de vaststelling van een bestemmingsplan, zoals elke politieke kwestie, tot een vertrouwenskwestie mag maken. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming door de raad over de vaststelling van het plan ongeoorloofd is beïnvloed door het college van burgemeester en wethouders. 43.6. Voor zover Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] aanvoeren dat de raadscommissie Ruimte en Economie van oordeel was dat een bufferzone van 50 m voldoende was, overweegt de Afdeling dat het aan de raad is om al dan niet een bestemmingsplan vast te stellen. Het staat de raad daarbij vrij om van het oordeel van een raadscommissie af te wijken. Daargelaten de vraag of de raad uit een oogpunt van natuurbescherming voor een bufferzone kan kiezen, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid voor een bufferzone met een grotere breedte dan 50 m heeft kunnen kiezen om de recreatieterreinen aan de Oud Loosdrechtsedijk visueel af te schermen van de vaarroute op de Oostelijke Drecht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat onder het voorheen geldende plan ook geen recreatieve bestemming was toegekend aan een strook grond met een grotere breedte dan 50 m ten noorden van de Oostelijke Drecht. De omstandigheid dat het plangebied in de Structuurvisie is aangewezen als intensief recreatiegebied doet aan het voorgaande niet af, nu dit niet betekent dat aan alle gronden in het plangebied een recreatieve bestemming moet worden toegekend. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Natuur" kunnen toekennen aan de desbetreffende gronden. Daarbij is ook van belang dat niet in geschil is dat de huisjes op de desbetreffende gronden illegaal zijn opgericht. Voorts hebben Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] niet aannemelijk gemaakt dat voor het recreatieve gebruik van de desbetreffende gronden een beroep kon worden gedaan op het overgangsrecht van het voorheen geldende plan. Daarvoor is vereist dat aannemelijk is gemaakt dat dit gebruik onafgebroken is voortgezet sinds de inwerkingtreding van het voorheen geldende plan. Uit de door de raad ter zitting getoonde luchtfoto’s uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw volgt weliswaar dat een gedeelte van de desbetreffende gronden toentertijd werd gebruikt voor recreatieve doeleinden, maar uit de brief van Jachthaven De Waterburcht van 31 januari 1996 aan het college volgt dat de desbetreffende gronden toen niet voor recreatieve doeleinden werden gebruikt. In die brief staat immers dat de bufferstrook is gerealiseerd en vrijwel geheel is ontruimd. Voorts volgt uit de door de raad overgelegde luchtfoto’s uit 2002, 2007, 2009 en 2010 en uit de luchtfoto’s uit 2005 en 2007 bij het deskundigenbericht dat de desbetreffende gronden toen grotendeels niet waren ingericht met recreatiekavels, maar begroeid waren met bosschages. Het recreatieve gebruik op de desbetreffende gronden betreft derhalve illegaal gebruik. Het plandeel met de bestemming "Natuur" voor een gedeelte van het westelijke perceel 44. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] betogen voorts dat ten onrechte aan een gedeelte van het westelijke perceel de bestemming "Natuur" is toegekend. Volgens hen bestaat er veel behoefte aan ligplaatsen voor boten en willen zij daarom dit gedeelte verhuren aan verblijfsrecreanten. Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] voeren aan dat deze ontwikkeling binnen de Structuurvisie past, omdat het plangebied als intensief recreatiegebied is aangewezen. Dat het westelijke perceel in de EHS ligt vormt volgens Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] geen belemmering om een recreatieve bestemming toe te kennen. Volgens hen is op het gedeelte waarop zij willen uitbreiden alleen grasland aanwezig. Zij wijzen er verder op dat aan andere percelen binnen de gemeente Wijdemeren die in de EHS liggen wel een recreatieve bestemming is toegekend. Volgens hen biedt artikel 19 van de PRVS voldoende ruimte om ook aan een gedeelte van het westelijke perceel een recreatieve bestemming toe te kennen. Ook wijzen zij erop dat het westelijke perceel buiten het Natura 2000-gebied ligt. 44.1. Volgens de raad ligt het westelijke perceel in de EHS en is de natuurfunctie daarop reeds gerealiseerd. Daarom diende op grond van artikel 19, eerste lid, van de PRVS aan het westelijke perceel de bestemming "Natuur" te worden toegekend. 44.2. Het westelijke perceel ligt in de EHS en buiten het Natura 2000-gebied. Onder het voorheen geldende plan was aan het westelijke perceel de bestemming "Bos" toegekend. 44.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de natuurfunctie op het westelijke perceel reeds is gerealiseerd. Onder het voorheen geldende plan was aan het westelijke perceel de bestemming "Bos" toegekend en uit de luchtfoto van de huidige situatie bij het deskundigenbericht volgt dat bosschages staan op het gedeelte waarop Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] willen uitbreiden. Gelet hierop heeft de raad terecht op grond van artikel 19, eerste lid, van de PRVS de bestemming "Natuur" toegekend aan het westelijke perceel. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan slechts had mogen vaststellen nadat bezien was of een beroep kon worden gedaan op de uitzonderingen in de PRVS op deze bepaling. Dat het plangebied in de Structuurvisie is aangewezen als intensief recreatiegebied doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat de Structuurvisie niet af kan doen aan de bindende kracht van de PRVS. Voor zover Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] aanvoeren dat aan andere percelen binnen de gemeente Wijdemeren die in de EHS liggen wel een recreatieve bestemming is toegekend, overweegt de Afdeling dat zij dit beoog niet hebben geconcretiseerd. Reeds daarom faalt dit betoog. Conclusie 45. In hetgeen Jachthaven De Waterburcht en [appellant sub 10A] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Water - Woonschepenligplaats" voor het zuidelijk gelegen woonschip op de percelen van Jachthaven