(2011)735 definitief; www.eur-lex.europa.eu, hierna: het Groenboek), dat dateert van na voormelde schriftelijke opmerkingen, dat de Commissie de plicht voor echtgenoten van gezinsherenigers om een inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen, alvorens toestemming te geven voor toegang en verblijf, niet zonder meer in strijd acht met artikel 7, tweede lid, van de richtlijn. Ten slotte stelt hij voor dat de Afdeling hierover prejudiciële vragen aan het Hof voorlegt. 17.
- Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris nader toegelicht dat het doel van het Nederlandse inburgeringsvereiste is om tegemoet te komen aan de onder
- genoemde belangen door het integratieproces te bevorderen van gezinsleden die er vrijwillig voor kiezen naar Nederland te verhuizen, door te verlangen dat zij, voordat zij daadwerkelijk naar Nederland komen, over enige kennis van de Nederlandse samenleving beschikken en enige beheersing van de Nederlandse taal hebben. 17.
- De kosten voor het afleggen van het Nederlandse inburgeringsexamen in het buitenland bedragen € 350,- en het pakket om dat examen voor te bereiden kost € 110,-, aldus de staatssecretaris. Desgevraagd heeft hij toegelicht dat een gezinslid iedere keer dat deze het examen aflegt € 350,- examengeld moet betalen. Voorts heeft de staatssecretaris desgevraagd verklaard dat voor zover hij kan overzien Nederland de enige lidstaat is die in het kader van een inburgeringsexamen in het buitenland kennis van de samenleving toetst. 17.
- Tevens heeft de staatssecretaris toegelicht dat er sinds 1 april 2011 een beslisteam bestaat dat ongeveer 100 beroepen op de hardheidsclausule heeft beoordeeld. In 45 gevallen is toepassing gegeven aan de hardheidsclausule. De staatssecretaris heeft verwezen naar de werkinstructie, waarin het beleid omtrent de hardheidsclausule is uitgewerkt. 17.
- Vreemdeling A heeft ter zitting naar voren gebracht dat volgens haar de leden van het kerngezin van een gezinshereniger tot een lidstaat moeten worden toegelaten, tenzij daar vanuit redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid bezwaren tegen bestaan. 17.
- Vreemdeling K heeft ter zitting betoogd dat het afbreuk doet aan het doel van de richtlijn om een aanvraag om toegang tot en verblijf in een lidstaat te weigeren vanwege het niet met goed gevolg hebben afgelegd van een inburgeringsexamen. Beoordeling
- Niet in geschil is dat de gezinsherenigers en de vreemdelingen onderdanen van een derde land zijn, dat de gezinsherenigers de echtgenoten zijn van de vreemdelingen en dat zij rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw
- Voorts is niet in geschil dat de vreemdelingen niet behoren tot een van de in de Nederlandse wet aangewezen categorieën van wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een mvv, en dat zij inburgeringsplichtig zijn, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw
- Zoals mede volgt uit hetgeen onder 1.
- is vermeld staat centraal de verhouding tussen het Nederlandse inburgeringsvereiste in het buitenland en de richtlijn. De Afdeling zal bij haar beoordeling de rechtspraak van het Hof betrekken. 19.
- In het arrest van 4 maart 2010 in zaak C-578/08, R. Chakroun (www.curia.europa.eu) heeft het Hof in punt 43 overwogen dat gezinshereniging de algemene regel is en dat lidstaten hun handelingsvrijheid niet zo mogen gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van een richtlijn en het nuttig effect ervan. 19.
- Artikel 4, eerste lid, van de richtlijn bepaalt, voor zover thans van belang, dat lidstaten ten aanzien van een kind van boven de twaalf jaar dat onafhankelijk van de rest van het gezin om toelating verzoekt kan nagaan of het aan een in de nationale wetgeving opgenomen integratiecriterium voldoet. 19.
- In voormeld arrest van 27 juni 2006 heeft het Hof in punt 66 overwogen dat het stellen van een integratiecriterium als zodanig niet in strijd lijkt met het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het gezinsleven. Dat recht mag niet aldus worden uitgelegd dat het noodzakelijkerwijs voor een lidstaat de verplichting omvat om de gezinshereniging op zijn grondgebied toe te staan. De integratienoodzaak kan vallen onder meerdere van de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM bedoelde legitieme doelstellingen, aldus het Hof. 19.
- In punt 75 van dat arrest heeft het Hof voorts overwogen: "Ook het feit dat de echtgenoot en het kind van boven de twaalf jaar niet op dezelfde wijze behandeld worden, kan niet als een ongerechtvaardigde discriminatie ten opzichte van het minderjarig kind worden beschouwd. Het eigenlijke doel van een huwelijk is immers om een duurzame levensgemeenschap tussen de echtgenoten te vormen, terwijl een kind van boven de twaalf jaar niet noodzakelijkerwijs lang bij zijn ouders zal blijven."
- Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraken heeft overwogen, kan uit punt 75 van het arrest van 27 juni 2006 naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat volgens het Hof aan echtgenoten van gezinsherenigers niet de verplichting mag worden opgelegd om een inburgeringsexamen in het buitenland met goed gevolg af te leggen. Dat ten aanzien van kinderen van boven de twaalf jaar hogere eisen mogen worden gesteld alvorens gezinshereniging toe te staan dan van echtgenoten van gezinsherenigers, wil niet zeggen dat van echtgenoten niet mag worden verlangd dat zij een inburgeringsexamen met goed gevolg afleggen. Ook uit de punten 67, 68 en 74 van het arrest van 27 juni 2006 kan dat niet worden afgeleid. In dat arrest, noch in andere arresten, heeft het Hof zich uitgesproken over de term 'integratievoorwaarden' in artikel 7, tweede lid, van de richtlijn, zodat niet duidelijk is wat de reikwijdte van die term is. De Afdeling leidt uit de tekst van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn, daaronder begrepen de tweede volzin daarvan en gelet op paragraaf 2.1 van het Groenboek, af dat deze bepaling lidstaten de ruimte biedt om 'integratievoorwaarden' te stellen. De tweede volzin van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn zou haar betekenis verliezen als het stellen van integratievoorwaarden voordat aan gezinsleden van gezinsherenigers toestemming voor toegang en verblijf wordt verleend - ook als zij geen vluchteling of gezinslid van een vluchteling zijn - zou zijn uitgesloten. 20.
- In voormelde schriftelijke opmerkingen in de zaak Imran heeft de Commissie onder meer van belang geacht dat de Franse, Duitse en Engelse versie van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn afwijken van de Nederlandse versie. In die andere taalversies staat, waar in de Nederlandse versie 'integratievoorwaarden' is vermeld, respectievelijk 'mesures d'intégration', 'Integrationsmassnahmen' en 'integration measures'. Artikel 7, tweede lid, van de richtlijn formuleert dan ook geen voorwaarden waarvan het recht op gezinshereniging afhankelijk kan worden gesteld, aldus de Commissie in voormelde schriftelijke opmerkingen. 20.
- Omdat de termen 'integration measures', 'integration conditions' en 'requirements' in de Engelse versie van de richtlijn door elkaar worden gebruikt, gaat de Afdeling ervan uit dat er geen verschil van betekenis is tussen deze termen, zodat voormelde termen uit de Franse, Duitse en Engelse versie van de richtlijn dezelfde strekking hebben als de term 'integratievoorwaarden' in de Nederlandse versie van de richtlijn. Over de verschillen tussen die taalversies zal derhalve geen vraag worden gesteld. 20.
- In het Groenboek, dat dateert van na voormelde schriftelijke opmerkingen, wordt door de Commissie in paragraaf 2.1 ingegaan op de term 'integratievoorwaarden'. In de eerste alinea is vermeld dat de richtlijn zelf geen precieze aanwijzing geeft over wat deze integratievoorwaarden moeten inhouden en hoe deze zouden moeten worden toegepast, en dat er drie lidstaten zijn die, alvorens toestemming te geven voor toegang en verblijf, van gezinsleden van gezinsherenigers eisen dat ze taalexamens of een examen betreffende de kennis van het gastland afleggen, of dat ze een contract ondertekenen dat hen ertoe verplicht direct na binnenkomst inburgeringscursussen en zo nodig taalcursussen te volgen. Andere lidstaten eisen pas na binnenkomst dat gezinsleden bepaalde verplichtingen nakomen, zoals deelname aan integratiecursussen. Volgens de Commissie in het Groenboek is de toelaatbaarheid van integratievoorwaarden ervan afhankelijk of zij de integratie bevorderen en of zij in overeenstemming zijn met de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de vraag of er beschikbare faciliteiten zijn om zich op de examens voor te bereiden en of deze toegankelijk zijn. Voorts dienen specifieke individuele omstandigheden in aanmerking te worden genomen, aldus de Commissie.
- Het bevorderen van de integratie van gezinsleden die naar Nederland migreren is binnen de algemene context van het Nederlandse inburgeringsstelsel zoals hiervoor geschetst, volgens de Afdeling, een gerechtvaardigde doelstelling. Door het inburgeringsproces al voor binnenkomst te laten starten, wordt een betere uitgangspositie verschaft aan gezinsleden van gezinsherenigers, waarbij een bijzonder belang toekomt aan verbetering van de afhankelijke positie van huwelijksmigrantes. Bovendien mag volgens het Hof, zoals hiervoor overwogen, het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM, en sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, artikel 7 van het Handvest, niet aldus worden uitgelegd dat het noodzakelijkerwijs voor een lidstaat de verplichting omvat om de gezinshereniging op zijn grondgebied toe te staan. 21.1 Gelet op de omstandigheid dat uit de richtlijn, mede gelet op de evenredigheidstoets als omschreven in het Groenboek, niet blijkt welke ruimte de lidstaten toekomt bij het stellen van integratievoorwaarden als bedoeld in artikel 7, tweede lid, en gelet op het feit dat die vraag in de onderhavige zaken onderdeel van het geschil is, ziet de Afdeling zich evenwel genoodzaakt het Hof vragen te stellen over de volgende aspecten van het Nederlandse inburgeringsstelsel, voor zover toegepast op inburgering in het buitenland. Taalniveau
- Ingevolge artikel 3.98a, derde lid, van het Vb 2000 strekt het Nederlandse examenprogramma tot waarborg dat het gezinslid dat het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd, beschikt over vaardigheden in de Nederlandse taal op niveau A
- 22.
- Uit de door de staatssecretaris overgelegde monitorrapportage van 2011 blijkt dat 75% van de kandidaten het eerste half jaar na 1 april 2011 is geslaagd voor het eerste examen. Van de groep die voor de tweede dan wel de derde keer examen deed, is 60% respectievelijk 44% geslaagd. Uit de monitorrapportage van oktober 2012 blijkt dat in de eerste helft van dat jaar 78% van de kandidaten is geslaagd voor het eerste examen. Van de groep die voor de tweede dan wel de derde keer examen deed, is 64% respectievelijk 49% geslaagd. In de eerste helft van het jaar 2011 zijn 4.329 eerste examens afgelegd. In de tweede helft van dat jaar waren dat er 2.194 en in de eerste helft van het jaar 2012 waren dat er 2.
- 22.
- Aldus slaagt een groot percentage van de kandidaten die voor de eerste maal het examen afleggen. Het van gezinsleden van gezinsherenigers verlangen dat zij reeds in het land van herkomst of bestendig verblijf beschikken over voormelde vaardigheden, dient naar het oordeel van de Afdeling de doelmatigheid van het inburgeringsstelsel, nu pas toestemming voor toegang en verblijf wordt verleend aan gezinsleden van gezinsherenigers die zich hebben voorbereid op hun komst naar Nederland. Aldus wordt hun zelfredzaamheid vergroot en de snelheid waarmee zij zullen integreren bevorderd. Voorts is het in dit verband vereiste kennisniveau naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk hoog. Evenwel blijkt uit de richtlijn en de evenredigheidstoets als omschreven in het Groenboek niet of aan de lidstaten de ruimte toekomt om van gezinsleden van gezinsherenigers te verlangen dat zij reeds in het land van herkomst of bestendig verblijf aantonen over voormelde vaardigheden op niveau A1 te beschikken. Onder verwijzing naar hetgeen aan het slot van
- is overwogen, merkt de Afdeling op dat de aanname dat de richtlijn die ruimte niet biedt, afbreuk zou doen aan de betekenis van artikel 7, tweede lid, daarvan. Kennis van de Nederlandse samenleving
- Ingevolge artikel 3.98a, vijfde lid, van het Vb 2000 omvat het basisexamen inburgering tevens een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving. 23.
- Het van gezinsleden van gezinsherenigers verlangen dat zij reeds in het land van herkomst of bestendig verblijf beschikken over voormelde kennis, dient naar het oordeel van de Afdeling de doelmatigheid van het inburgeringsstelsel, nu eerst toestemming voor toegang en verblijf wordt verleend aan gezinsleden van gezinsherenigers die zich hebben voorbereid op hun komst naar Nederland. Aldus wordt hun zelfredzaamheid vergroot en de snelheid waarmee zij zullen integreren bevorderd. Evenwel blijkt uit de richtlijn en de evenredigheidstoets als verwoord in het Groenboek niet of aan de lidstaten de ruimte toekomt om van gezinsleden van gezinsherenigers te verlangen dat zij reeds in het land van herkomst of bestendig verblijf aantonen over voormelde kennis van de Nederlandse samenleving te beschikken. Ook hier zou echter de aanname dat de richtlijn die ruimte niet biedt afbreuk doen aan de betekenis van artikel 7, tweede lid, daarvan. Hardheidsclausule: bijzondere individuele omstandigheden
- Ingevolge artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 indien afwijzing van die aanvraag zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Volgens het beleid van de staatssecretaris, zoals neergelegd in de werkinstructie, zal een onbillijkheid van overwegende aard worden aangenomen als het gezinslid van de gezinshereniger heeft aangetoond dat het vanwege een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden blijvend niet in staat is om het Nederlandse inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen. 24.
- Uit de richtlijn en de evenredigheidstoets als omschreven in het Groenboek blijkt niet in hoeverre de lidstaten, bij het stellen van integratievoorwaarden, rekening dienen te houden met de individuele omstandigheden van het geval. Aldus is niet duidelijk of afbreuk wordt gedaan aan de betekenis van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn indien een gezinslid dat niet vanwege het bestaan van een geestelijke of lichamelijke beperking als hiervoor genoemd onder 15.
- is ontheven van de plicht om aan het inburgeringsvereiste te voldoen, slechts van het voldoen aan dat vereiste wordt vrijgesteld indien het vanwege een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden daartoe blijvend niet in staat is. Kosten
- Ingevolge artikel 3.98b, tweede lid, van het Vb 2000 bedragen de kosten om het examen af te leggen € 350,- per keer. De kosten voor het pakket om het examen voor te bereiden bedragen € 110,-. Uit de richtlijn en de evenredigheidstoets als omschreven in het Groenboek blijkt niet of aan de lidstaten al dan niet de ruimte toekomt om van gezinsleden van gezinsherenigers te verlangen dat zij deze kosten voldoen, alvorens te beoordelen of zij voldoen aan de in het nationale recht neergelegde integratievoorwaarden. Gezien de omstandigheid dat deze moeten worden voldaan voor elke keer dat het gezinslid aan het examen deelneemt kan worden betwijfeld of deze kosten in alle gevallen evenredig zijn. De Afdeling merkt hierbij op dat deze kosten moeten worden gemaakt door de vreemdeling naast de overige kosten die gemoeid zijn met het afleggen van het examen op de dichtstbijzijnde Nederlandse vertegenwoordiging. Verzoek versnelde procedure
- De vreemdelingen hebben ter zitting bij de Afdeling verzocht gebruik te maken van de versnelde procedure, zoals voorzien in artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Nu aan de vreemdelingen geen vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd en ook anderszins niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat het Hof versneld uitspraak doet, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan dit verzoek te voldoen. Lopende prejudiciële procedure bij het Hof
- Bij het Hof is een zaak aanhangig met gedeeltelijk gelijksoortige vragen als die in de onderhavige zaken spelen. De vraag die in zaak C-138/13 (www.curia.europa.eu, hierna: de zaak Dogan) door het Verwaltungsgericht Berlin bij verwijzingsuitspraak van 13 februari 2013 aan het Hof is voorgelegd, over de toelaatbaarheid van de Duitse inburgeringsplicht in het buitenland in het licht van de richtlijn, heeft evenwel een subsidiair karakter. Aan beantwoording van die vraag wordt immers slechts toegekomen indien de eerste vraag - of het stellen van een inburgeringsvereiste in strijd is met het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van 2 september 1963 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije, bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap en besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie van de Associatieraad van 19 september 1980 - ontkennend wordt beantwoord. 27.
- Reeds daarom ziet de Afdeling in de zaak Dogan geen aanleiding om van prejudiciële verwijzing af te zien.
- Gelet op het feit dat bij de rechtbank de schriftelijke opmerkingen in de zaak Imran een belangrijke rol hebben vervuld, heeft de Afdeling de staatssecretaris gevraagd of de opmerkingen van de Commissie in de zaak Dogan haar ter beschikking kunnen worden gesteld. Bij brief van 14 oktober 2013 heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat de Commissie te kennen heeft gegeven dat niet te willen, zodat het verzoek van de Afdeling niet wordt ingewilligd. Vragen
- Nu voor de beoordeling van de grieven nadere uitleg van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn nodig is, ziet de Afdeling zich genoodzaakt het Hof te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen: 1.a Kan de term 'integratievoorwaarden' - vervat in artikel 7, tweede lid, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) - zo worden geïnterpreteerd dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van een gezinslid van een gezinshereniger mogen verlangen dat dit gezinslid aantoont te beschikken over kennis van de officiële taal van die lidstaat op een niveau dat overeenstemt met niveau A1 van het Europees Referentiekader van Moderne Vreemde Talen, alsmede over kennis op basisniveau van de samenleving van die lidstaat, alvorens deze autoriteiten aan dit gezinslid toestemming voor toegang en verblijf verlenen? 1.b Is voor het antwoord op deze vraag van belang dat, mede in het kader van de evenredigheidstoets zoals omschreven in het Groenboek van de Europese Commissie van 15 november 2011 inzake het recht op gezinshereniging, volgens nationale regelgeving waarin het onder 1.a vermelde vereiste is vervat, de aanvraag om toestemming voor toegang en verblijf, behoudens de omstandigheid dat het gezinslid heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke beperking blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen af te leggen, slechts niet wordt afgewezen indien een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden zich voordoet die de aanname rechtvaardigt dat het gezinslid blijvend niet in staat is om aan de integratievoorwaarden te voldoen?
- Staat het doel van richtlijn 2003/86/EG en in het bijzonder artikel 7, tweede lid ervan, gelet op de evenredigheidstoets zoals omschreven in voormeld Groenboek, eraan in de weg dat de kosten van het examen waarbij wordt getoetst of het gezinslid aan voormelde integratievoorwaarden voldoet € 350,- bedragen voor iedere keer dat het examen wordt afgelegd en dat de eenmalige kosten voor het pakket om het examen voor te bereiden € 110,- bedragen?
- De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst, totdat het Hof uitspraak heeft gedaan. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verzoekt het Hof van Justitie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen: 1.a Kan de term 'integratievoorwaarden' - vervat in artikel 7, tweede lid, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) - zo worden geïnterpreteerd dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van een gezinslid van een gezinshereniger mogen verlangen dat dit gezinslid aantoont te beschikken over kennis van de officiële taal van die lidstaat op een niveau dat overeenstemt met niveau A1 van het Europees Referentiekader van Moderne Vreemde Talen, alsmede over kennis op basisniveau van de samenleving van die lidstaat, alvorens deze autoriteiten aan dit gezinslid toestemming voor toegang en verblijf verlenen? 1.b Is voor het antwoord op deze vraag van belang dat, mede in het kader van de evenredigheidstoets zoals omschreven in het Groenboek van de Europese Commissie van 15 november 2011 inzake het recht op gezinshereniging, volgens nationale regelgeving waarin het onder 1.a vermelde vereiste is vervat, de aanvraag om toestemming voor toegang en verblijf, behoudens de omstandigheid dat het gezinslid heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke beperking blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen af te leggen, slechts niet wordt afgewezen indien een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden zich voordoet die de aanname rechtvaardigt dat het gezinslid blijvend niet in staat is om aan de ntegratievoorwaarden te voldoen?
- Staat het doel van richtlijn 2003/86/EG en in het bijzonder artikel 7, tweede lid ervan, gelet op de evenredigheidstoets zoals omschreven in voormeld Groenboek, eraan in de weg dat de kosten van het examen waarbij wordt getoetst of het gezinslid aan voormelde integratievoorwaarden voldoet € 350,- bedragen voor iedere keer dat het examen wordt afgelegd en dat de eenmalige kosten voor het pakket om het examen voor te bereiden € 110,- bedragen? II. schorst de behandeling en houdt iedere verdere beslissing aan. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink w.g. Zegveld voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2014 43-657.