(2009), houdt samengevat in dat de bouw van één extra woning in het landelijk gebied mogelijk is indien voormalige bedrijfsgebouwen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² worden gesloopt. Als voorwaarde is onder meer opgenomen dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Het gemeentelijk beleid is gebaseerd op eerdere toepassingen van de ruimte voor ruimte-regeling in de gemeente. Het uitgangspunt hierbij is dat de sanering van de agrarische bebouwing een gegronde noodzaak moet kennen. Als randvoorwaarde is onder meer opgenomen dat bestaande agrarische bedrijven door het realiseren van de (burger)woningen niet beperkt worden in hun bedrijfsvoering. 6.
- In de verbeelding behorend bij het ontwerpplan van het niet-vastgestelde plan "Achtersloot 180" zijn twee bouwvlakken opgenomen; één voor de bestaande woning op het perceel, en één voor de in dat ontwerpplan voorziene nieuwe woning. Blijkens deze verbeelding bevinden zowel de bestaande woning als het bouwvlak van de nieuwe woning zich gedeeltelijk op minder dan 50 meter afstand van het op het perceel van [belanghebbende] aanwezige agrarische bouwvlak, waarbij voor de oostelijke hoek van dit agrarische bouwvlak geldt dat dit op meer dan 50 meter afstand ligt van de bestaande woning, maar op minder dan 50 meter van de in het ontwerpplan voorziene nieuwe woning. Daargelaten in hoeverre de bestaande woning op het perceel Achtersloot 180 een belemmering voor de bedrijfsvoering van [belanghebbende] zou vormen omdat deze zich gedeeltelijk binnen 50 meter afstand van de inrichting bevindt, zou voor een deel van het agrarisch bouwvlak uitsluitend vanwege de in het ontwerpplan voorziene nieuwe woning bij oprichting, wijziging of uitbreiding van een dierenverblijf binnen de inrichting van [belanghebbende] niet kunnen worden voldaan aan de in artikel 3.117, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde afstand. Hieruit volgt dat het plan, indien dit zou zijn vastgesteld, zou hebben kunnen leiden tot een belemmering van de bedrijfsvoering dan wel de uitbreidingsmogelijkheden van [belanghebbende]. De raad heeft met verwijzing naar het provinciaal en gemeentelijk beleid het plan daarom in redelijkheid niet kunnen vaststellen. Dat de provincie heeft aangegeven akkoord te zijn met het ontwerpplan, maakt dit niet anders. Verder heeft HCB Vastgoed niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting van [belanghebbende] niet meer in werking zou zijn, noch dat oprichting, wijziging of uitbreiding van een dierenverblijf binnen de inrichting van [belanghebbende] niet reëel zou zijn. Daarbij is van belang dat zowel de raad als [belanghebbende] hebben gesteld dat in de inrichting dieren worden gehouden, en [belanghebbende] heeft aangegeven van zijn uitbreidingsmogelijkheden in de vorm van bebouwing of het aantal te houden dieren gebruik te willen maken. Voor zover HCB Vastgoed heeft gewezen op de op het perceel [locatie] aanwezige bed-and-breakfast, overweegt de Afdeling dat de planologische inpassing hiervan in het kader van het thans voorliggende besluit niet aan de orde kan komen, nu het ontwerpplan niet op dit perceel ziet. Het betoog faalt. 6.
- Wat betreft het betoog van HCB Vastgoed dat ziet op artikel 3.116, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, overweegt de Afdeling dat dit artikel alleen ziet op het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geuremissiefactor. Toepassing van dit artikel doet dan ook niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot artikel 3.117, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat ziet op een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor. Dat geldt ook voor zover HCB Vastgoed heeft gewezen op de uitkomsten van het in opdracht van de raad uitgevoerde geuronderzoek voor zover het dieren met geuremissiefactor betreft. Het betoog faalt. 6.
- Verder is niet gebleken dat de raad door het niet-vaststellen van het plan "Achtersloot 180" heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij is onder meer van belang dat de raad heeft gesteld dat door onder andere een wethouder van de gemeente overleg is gevoerd met HCB Vastgoed over de ontstane situatie na de terinzagelegging van het ontwerpplan. Dit is niet onjuist gebleken. Daarnaast heeft HCB Vastgoed niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan vastgesteld zou worden. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel niet-vastgesteld. Over de door HCB Vastgoed gemaakte vergelijking met de medewerking aan initiatieven op [belanghebbende]s perceel wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat daarbij sprake is van een gedoogconstructie voor een bed-en-breakfast en de voorliggende situatie ziet op de gewenste toepassing van een ruimte voor ruimte-regeling. In hetgeen HCB Vastgoed heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door HCB Vastgoed genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. 6.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van HCB Vastgoed tegen het niet-vaststellen van het plan "Achtersloot 180" ongegrond. Het beroep tegen het plan "Landelijk gebied noord en zuid" Procedureel
- Bij brief van 11 november 2013 heeft HCB Vastgoed zich mede gericht tegen de regeling in het plan "Landelijk gebied noord en zuid" voor het perceel [locatie]. In het plan is aan het perceel [locatie] de bestemming "Agrarisch" toegekend, met de aanduiding "bed & breakfast". 7.
- [belanghebbende] betoogt dat het beroep van HCB Vastgoed, voor zover dat ziet op het perceel [locatie], niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 7.
- Het ontwerpplan van het niet-vastgestelde plan Achtersloot 180 en de daaraan ten grondslag gelegde aanvraag tot toepassing van de provinciale ruimte voor ruimte-regeling zagen niet op het perceel [locatie]. Het beroep van HCB Vastgoed tegen de niet-vaststelling van het plan "Achtersloot 180" kon op dat perceel dan ook geen betrekking hebben. Dit betekent dat HCB Vastgoed in zoverre geen beroep van rechtswege tegen de vaststelling van het plan "Landelijk gebied noord en zuid" heeft. Het plan "Landelijk gebied noord en zuid" is met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb vastgesteld. HCB Vastgoed heeft geen zienswijze tegen het ontwerp van dit plan ingediend. Eerst in beroep heeft HCB Vastgoed zich tegen het planologische regime ter plaatse van perceel [locatie] gericht. In zoverre steunt het beroep niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze tegen het ontwerp van het plan "Landelijk gebied noord en zuid". Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Gelet op het vorenstaande is het beroep van HCB Vastgoed, voor zover gericht tegen het plan "Landelijk gebied noord en zuid" voor het perceel [locatie], reeds daarom niet-ontvankelijk. Inhoudelijk
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
- HCB Vastgoed wijst op de algemene wijzigingsregel zoals die in artikel 37, lid 37.2, van de planregels van het plan "Landelijk gebied noord en zuid" is opgenomen en die voorziet in de mogelijkheid tot functieverandering naar wonen. HCB betoogt dat haar bouwplan voldoet aan de in dit artikel neergelegde voorwaarden voor functieverandering en dat de door haar gewenste woonbestemming daarom in het plan aan haar perceel had moeten worden toegekend. 9.
- In het plan "Landelijk gebied noord en zuid" is aan het perceel Achtersloot 180 de bestemming "Agrarisch" toegekend. Ingevolge artikel 37, lid 37.2, onder a, aanhef en sub 7, van de planregels van het plan "Landelijk gebied noord en zuid", zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming van bouwvlakken met onder meer de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemmingen "Tuin" en "Wonen", met dien verstande dat planwijziging uitsluitend wordt toegepast indien de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven in de omgeving niet onevenredig worden belemmerd. 9.
- De Afdeling overweegt dat uit artikel 37, lid 37.2, onder a, aanhef en in samenhang gelezen met sub 7, van de planregels volgt dat de functieverandering uitsluitend mag worden toegepast indien de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven in de omgeving niet onevenredig worden belemmerd. De Afdeling gaat er vanuit dat een vergelijkbaar beoordelingscriterium wordt gehanteerd bij het toestaan van bestemmingen bij recht. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.6 volgt dat de door HCB Vastgoed bedoelde woonbestemming kan leiden tot een belemmering van de bedrijfsvoering van [belanghebbende]. Anders dan HCB Vastgoed betoogt, had de raad in de criteria die hij heeft neergelegd in voornoemde wijzigingsbevoegdheid dan ook geen reden hoeven zien de door HCB Vastgoed gewenste woonbestemming in het plan "Landelijk gebied noord en zuid" aan het perceel Achtersloot 180 bij recht toe te kennen. Het betoog faalt. 9.
- Voor het overige heeft HCB Vastgoed ten aanzien van het perceel Achtersloot 180 verwezen naar hetgeen zij in het kader van haar beroep tegen het besluit tot niet-vaststelling van het plan "Achtersloot 180" heeft aangevoerd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de niet-vaststelling van dit plan slagen deze gronden niet. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep van HCB Vastgoed tegen het besluit tot vaststelling van het plan "Landelijk gebied noord en zuid", voor het overige ongegrond. Proceskostenveroordeling
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart niet-ontvankelijk: a. de beroepen, voor zover ingesteld door [appellant A], tegen het besluit van 31 januari 2013 tot niet-vaststelling van het plan "Achtersloot 180" en tegen het besluit van 4 juli 2013 tot vaststelling van het plan "Landelijk gebied noord en zuid"; b. het beroep, voor zover ingesteld door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HCB Vastgoed B.V., tegen het besluit van 4 juli 2013 tot vaststelling van het plan "Landelijk gebied noord en zuid", voor het perceel [locatie] te IJsselstein; II. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HCB Vastgoed B.V., tegen het besluit van 31 januari 2013 tot niet-vaststelling van het plan "Achtersloot 180" ongegrond; III. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HCB Vastgoed B.V., tegen het besluit van 4 juli 2013 tot vaststelling van het plan "Landelijk gebied noord en zuid", voor het overige ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat. w.g. Hagen w.g. Plambeck voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014 159-704.