Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. 201304768/1/R
(2011)is de CL-range voor deze habitattypen verlaagd naar een range van 20 tot 30 kg N/ha/jr. Verweerders hebben het rapport "Onderzoek naar beroepsgronden, Advies inzake beroepsgronden 2013" van IBL Umweltplanung GmbH en Köchling & Krahnefeld Rechtsanwälte van 8 november 2013 (hierna: IBL-rapport 2013) ingebracht. Daarin is voor voormelde habitattypen aanvullend onderzoek gedaan waarbij rekening is gehouden met de gewijzigde CL-waarden. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om te bezien of verweerders mede op basis van dit IBL-rapport de vereiste zekerheid hebben verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Duitse Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. 22.
- Uit het IBL-rapport 2013 blijkt dat de totale depositie de voor de habitattypen H1130, H1310, H1320 en H1330 geldende minimumwaarde van 20 kg N/ha/jr overschrijdt. Om die reden is alsnog aan het 3%-criterium getoetst. De conclusie hiervan is dat de extra cumulatieve stikstofdeposities onder de 3% van de CL-waarde blijft, de extra stikstofdeposities geen significante of aantoonbare veranderingen in de toestand van de habitattypen veroorzaken waardoor negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Hetgeen is aangevoerd vormt geen grond om te oordelen dat het 3% criterium in dit geval ondeugdelijk is gebleken voor de beoordeling van de gevolgen van de stikstofdepositie op de Duitse Natura 2000-gebieden. Daarbij komt dat niet gezegd kan worden dat het 3% criterium geen ecologische relatie heeft met de in de Duitse Natura 2000-gebieden beschermde habitattypen, nu bij de toepassing daarvan naar de staat van instandhouding van deze habitattypen wordt gekeken. Het betoog dat het 3% criterium een ecologische onderbouwing ontbeert faalt dan ook. 22.
- Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders op basis van de IBL-rapporten de zekerheid hebben verkregen dat de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de centrale geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken Duitse Natura 2000-gebieden.
- Greenpeace en andere betogen dat de gevolgen van de emissies van waterstoffluoriden en overige verzurende emissies niet inzichtelijk zijn gemaakt. Greenpeace en andere en de Waddenvereniging en andere achten het onjuist dat in het IBL-rapport schadelijke stoffen bijdragen van minder dan 1% van de beoordelingswaarden niet zijn meegewogen. 23.
- Verweerders stellen dat gevolgen van de uitstoot van verzurende stoffen op de Duitse Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. 23.
- De concentraties verzurende emissies als gevolg van de emissie door de RWE-centrale, zoals fluoriden, zijn berekend en de resultaten daarvan voor zowel Nederlandse als Duitse Natura 2000-gebieden staan weergegeven in de passende beoordeling. In de passende beoordeling is gemotiveerd aangegeven dat gevolgen van een toename van deze verzurende emissies zijn uitgesloten. In het deskundigenbericht is opgemerkt dat met het effect van de depositie van waterstoffluoriden in combinatie met de depositie van overige verzurende emissies in voldoende mate rekening is gehouden in de berekeningen. 23.
- Naar het oordeel van de Afdeling zijn in de passende beoordeling de gevolgen van de toename van deze concentraties voldoende inzichtelijk gemaakt. Greenpeace en andere hebben niet met concrete gegevens onderbouwd waarom de passende beoordeling op dit punt onjuistheden bevat. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op grond van de passende beoordeling niet hebben mogen concluderen dat uitstoot van verzurende stoffen geen effecten zal hebben op de Duitse Natura 2000-gebieden. Hetgeen is aangevoerd over het IBL-rapport schadelijke stoffen, voor zover het de verzurende stoffen betreft, behoeft daarom geen bespreking. Kwik
- SNM en DU brengen naar voren dat door het lozen van afvalwater en door de kwikemissie via de lucht een onbekende hoeveelheid kwik in het ecosysteem van de Waddenzee terecht komt. Volgens hen is aan RWE een hoge kwikemissie vergund in vergelijking met andere kolengestookte centrales. Zij betogen dat de gevolgen van de vergunde kwikemissie voor de waterbodem en de beschermde soorten in de Waddenzee niet zijn onderzocht. Dit had volgens hen wel moeten gebeuren op basis van het standstill-beginsel. Nu dit niet is gebeurd, is sprake van strijd met de Kaderrichtlijn Water. SNM en DU stellen dat kwik zeer schadelijk is voor het milieu, omdat het wordt omgezet in het giftige methylkwik. Bovendien kan kwik niet worden afgebroken in het milieu waardoor organismen en vissen zeer hoge concentraties van kwik accumuleren. Dit is volgens SNM en DU onder meer een probleem voor de scholekster en de visdief. Tevens betogen zij dat een beoordeling van de cumulatie met andere kwikbronnen niet achterwege had mogen blijven. De Nbw-vergunningen hadden volgens hen voorschriften moeten bevatten met betrekking tot de verplichting om de kwikemissie gefaseerd terug te brengen tot nul. SNM en DU bestrijden de aannames en berekeningen uit het IBL-rapport schadelijke stoffen en stellen dat het rapport een wetenschappelijke onderbouwing ontbeert. Ter onderbouwing van hun standpunt dat significante effecten door kwikemissie niet zijn uit te sluiten hebben zij het rapport ‘Effecten van kwikemissie door de RWE Centrale Eemshaven op de Dollard en de Waddenzee’ van de Radboud Universiteit Nijmegen van 29 november 2013 (hierna: het tegenrapport) overgelegd. 24.
- Verweerders stellen dat effecten vanwege de vergunde kwikemissie zijn uit te sluiten en dat daarom geen aanleiding bestaat om emissiebeperkende maatregelen voor te schrijven. Verweerders wijzen er voorts op dat de kwikemissie reeds aan de orde is geweest in de vergunningprocedure op grond van de Wet milieubeheer en dat het lozen van kwik via de afvalwaterstroom aan de orde is geweest in de Wvo-vergunning en in de uitspraken van de Afdeling van 30 november 2011 met zaak nr. 200800181/1/M1-A onderscheidenlijk zaak nr. 200800646/1/M
- 24.
- De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat het aspect kwik al in de vergunningprocedures op grond van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewater aan de orde is geweest, onverlet laat dat in deze procedure de gevolgen van de uitstoot van kwik via de lucht en het afvalwater voor de Natura 2000-gebieden onderzocht dienen te worden. De aanvaardbaarheid van de vergunde kwikemissienormen uit voornoemde vergunningen kunnen in deze procedure evenwel niet aan de orde komen. 24.
- In de passende beoordeling is aandacht besteed aan de effecten van kwikemissie via de lucht op de Nederlandse en Duitse beschermde gebieden. De achtergrondconcentratie van kwik bedraagt 0,002 µg/m³ voor de Waddenzee en de streefwaarde voor kwik bedraagt 0,2 µg/m³. De toename als gevolg van de emissie van RWE bedraagt maximaal 30 pg/m³. Deze toename bedraagt maximaal 0,15% van de streefwaarde en 1 - 1,5% van de gemiddelde achtergrondconcentratie. Een dergelijke kleine toename kan volgens de passende beoordeling niet tot een gevolg leiden. In het IBL-rapport schadelijke stoffen is eveneens ingegaan op mogelijke effecten van de uitstoot van kwik via de lucht op Duitse Natura 2000-gebieden. Volgens dit rapport kunnen effecten op deze gebieden als gevolg van de extra kwikbelasting worden uitgesloten. 24.
- De emissieconcentraties van het effluent van de afvalwaterbehandelingsinstallatie (hierna: ABI), waaronder de stof kwik, staan op bladzijde 220 van de passende beoordeling. Daaruit blijkt dat de bijdrage van RWE voor kwik rond 1% van de streefwaarde ligt. De conclusie is dat voor alle stoffen de concentratie in het lozingswater veel lager is dan het Maximaal Toelaatbaar Risico (hierna: MTR) waardoor effecten op de Waddenzee met zekerheid zijn uit te sluiten. 24.
- Vaststaat dat als gevolg van het lozen van het afvalwater en de atmosferische depositie kwik wordt toegevoegd aan het ecosysteem. Anders dan SNM en DU stellen, is in het kader van de Nbw 1998 niet vereist dat aan het standstill-beginsel wordt getoetst. Bepalend is of op grond van de passende beoordeling significante effecten op de beschermde soorten en habitattypen als gevolg van de door RWE veroorzaakte toename van kwik kunnen worden uitgesloten. Verweerders hebben ter zitting bevestigd dat, zoals SNM en DU terecht hebben aangevoerd, voor kwik geen MTR-waarde is vastgesteld. In de passende beoordeling is de toename van kwik mede getoetst aan streefwaarden. Bij deze beoordeling zijn niet de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden betrokken. Verweerders hebben onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de omstandigheid dat de bijdrage van RWE aan de concentratie van kwik in de lucht en het water ver onder de streefwaarden ligt, zonder meer betekent dat de toename van kwik geen afbreuk doet aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Weliswaar hebben verweerders ter zitting gesteld dat de geringe toename van kwik in de Waddenzee geen invloed heeft op het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen, maar dit standpunt vindt geen grondslag in de passende beoordeling of een ander onderzoek dat bij de besluitvorming is betrokken. De stelling van verweerders dat er geen wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat bij deze kwiktoename effecten zullen optreden, laat onverlet dat bij de beoordeling van de effecten in het kader van de Nbw 1998 de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied moeten worden betrokken. Dit klemt te meer nu uit het deskundigenbericht en het tegenrapport naar voren komt dat (methyl)kwik zeer giftig is en op lange termijn schadelijke gevolgen kan hebben voor het milieu. Ook in de passende beoordeling staat dat zware metalen, waaronder kwik, in zeer lage concentraties zeer toxische gevolgen op organismen veroorzaken vanwege bioaccumulatie. Verweerders noch RWE hebben inzichtelijk gemaakt op welke wijze met bioaccumulatie rekening is gehouden bij de beoordeling van de effecten. RWE heeft onder verwijzing naar de memo ‘Totstandkoming van MTR-normen’ van Arcadis van 13 november 2012 gesteld dat de in de passende beoordeling gehanteerde MTR-waarden rekening houden met doorvergiftiging en bioaccumulatie, maar uit het voorgaande is reeds gebleken dat voor kwik geen MTR-waarde geldt. Het ter zitting door RWE aangevoerde dat de verwaarloosbare toename van kwik de dalende trend van concentraties kwik niet verandert en geen bijdrage levert aan de bioaccumulatie geeft hiertoe ook geen inzicht. Onder verwijzing naar diverse vergunde kwikbronnen in de omgeving van de Eemshaven stellen SNM en DU dat ten onrechte geen cumulatieve effectbeoordeling heeft plaatsgevonden. De Afdeling overweegt hierover dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken of terecht geen rekening is gehouden met cumulatie van andere kwikbronnen. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de bestreden besluiten op dit punt onvoldoende zijn gemotiveerd. De conclusie is dat de bestreden besluiten op dit punt in strijd zijn met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel geen bespreking. Lozen van afvalwater
- Volgens SNM en DU hadden de effecten van de lozing van het effluent van de ABI in onverdunde vorm moeten worden getoetst. Verder stellen zij dat een beoordeling van de toename van eutrofiërende stoffen zoals stikstof via het afvalwater ontbreekt. 25.
- Verweerders zijn van mening dat in de passende beoordeling bij de beoordeling van de effecten op de habitattypen terecht is uitgegaan van lozing van het effluent van de ABI verdund met koelwater, omdat het effluent op deze wijze in de Waddenzee terecht komt. Verder merken zij op dat de kritische depositiewaarden voor de relevante habitattypen niet worden overschreden en dat de bijdrage van RWE aan eutrofiëring als verwaarloosbaar te kwalificeren is. 25.
- RWE betoogt dat het aangevoerde over het lozen van het afvalwater buiten het toetsingskader van deze procedure valt, omdat RWE het lozen van afvalwater zal uitvoeren in overeenstemming met de verleende vergunningen op grond van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewater. De Afdeling overweegt dat als gevolg van het lozen van afvalwater stoffen in de Waddenzee terecht komen die gevolgen kunnen hebben voor de soorten en habitats in het Natura 2000-gebied Waddenzee. De gevolgen van het lozen van afvalwater dienen dan ook bij de vergunningverlening op grond van de Nbw 1998 beoordeeld te worden. De beroepsgrond van SNM en DU over stikstoflozing is gericht op de gevolgen van het lozen van afvalwater voor de Waddenzee, zodat geen aanleiding bestaat deze beroepsgrond buiten bespreking te laten. 25.
- De passende beoordeling bevat een tabel waarin de emissieconcentraties van acht componenten uit het effluent van de ABI na vermenging met het koelwater staan weergegeven. Zoals in 24.4 is weergegeven zijn volgens de passende beoordeling effecten op de Waddenzee met zekerheid uit te sluiten, aangezien voor alle stoffen de concentratie in het lozingswater veel lager is dan het MTR. Blijkens het deskundigenbericht acht de deskundige het reëel dat bij de beoordeling van de effecten van het project op de natuurwaarden is uitgegaan van de verdunde afvalwaterstroom, omdat uiteindelijk de concentratie na menging met koelwater bepalend is voor de schadelijke effecten. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om op dit punt het deskundigenbericht niet te volgen. 25.
- Via het afvalwater van de centrale zullen eutrofiërende stoffen in de Waddenzee worden geloosd. Niet in geschil is dat de centrale een toename van eutrofiërende stoffen in de Waddenzee tot gevolg heeft. Volgens de bestreden besluiten gaat het slechts om een beperkte toename en leidt deze toename niet tot het overschrijden van de kritische depositiewaarden van mariene habitattypen. Ter zitting heeft RWE toegelicht dat om deze reden effecten op voorhand konden worden uitgesloten. Volgens RWE is daarbij mede van belang geacht dat de nutriënten in het afvalwater deels afkomstig zijn uit het ingenomen koelwater dat ook al onder meer stikstof bevat. Daarbij komt dat uit het deskundigenbericht en de passende beoordeling volgt dat sinds halverwege de jaren negentig sprake is van een afname van eutrofiëring in de Waddenzee. Het deskundigenbericht onderschrijft de conclusie dat de relatief geringe bijdrage van stikstof in het zeewater op zichzelf niet tot significante effecten zal leiden. Gelet op het vorenstaande mist het betoog dat de gevolgen van de toename van nutriënten in het afvalwater niet zijn onderzocht feitelijke grondslag. Voorts ziet de Afdeling mede gelet op de conclusie in het deskundigenbericht geen aanleiding om te oordelen dat in de bestreden besluiten ten onrechte is geconcludeerd dat de toename geen significante effecten zal hebben op de mariene habitattypen. Verweerders hebben daarom, anders dan SNM en DU betogen, geen aanleiding hoeven zien om in het belang van de bescherming van deze habitattypen in de Nbw-vergunningen voorschriften op te nemen met daarin een lagere lozingseis voor stikstof dan de lozingseis uit de Wvo-vergunning. Warmtelozing door koelwater
- De Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere brengen naar voren dat de kwaliteit van de habitattypen H1110A (permanent overstroomde zandbanken), H1140A (bij eb droogvallende slik- en zandplaten) en H1130 (estuaria) zal verslechteren door de warmtelozingen. Zij betogen dat in het onderzoek naar de verspreiding van koelwater een te klein modelgebied is gehanteerd. Tevens betogen zij dat ten onrechte niet van een worstcasescenario is uitgegaan. Volgens hen is onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van significante aantasting van deze habitattypen. De koelwaterlozingen hebben, naar de Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere stellen, ook gevolgen voor de beschermde fint, zee- en rivierprik. Hiertoe voeren zij aan dat deze vissen onvoldoende uitwijkmogelijkheden hebben indien wordt uitgegaan van een worstcasescenario. SNM en DU, de Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere voeren aan dat significante effecten op zeegras als gevolg van de koelwaterlozingen niet zijn uit te sluiten. Hiertoe stellen de Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere dat de opwarming rond de locatie Hond-Paap veel groter zal zijn dan waarvan in de passende beoordeling is uitgegaan. Daarnaast wijzen zij op het groot zeegras dat voorkomt op Voolhok dat binnen het bereik van de warmwaterlozingen ligt. Ten onrechte zijn volgens hen de gevolgen van de opwarming voor de Duitse Natura 2000-gebieden Hund und Paapsand en Unterems und Aussenems niet in de passende beoordeling betrokken. 26.
- Verweerders hebben in de bestreden besluiten gesteld dat de koelwaterlozingen voldoen aan de richtlijnen zoals deze zijn opgesteld door de Commissie Integraal Waterbeheer (hierna: CIW). Om die reden zijn significante effecten op schelpdieren en vissen uitgesloten. Ook stellen verweerders onder verwijzing naar de passende beoordeling dat significante effecten op zeegras zijn uitgesloten, omdat Voolhok niet zal worden opgewarmd als gevolg van de lozingen. 26.
- In de passende beoordeling is ingegaan op de gevolgen van koelwaterlozingen in het Eems estuarium. Daarin wordt verwezen naar een koelwaterstudie van NRG/KEMA uit 2006 waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport ‘Koelwaterlozing in het Eems estuarium, 3D-modelevaluatie van de koelwaterlozingen van RWE, locatie Eemshaven’. In deze studie is getoetst aan de recentste CIW beoordelingssystematiek van warmtelozingen. Deze systematiek is gebaseerd op de gevolgen voor het aquatische milieu ten gevolge van de opwarming van het ontvangende oppervlaktewater. De systematiek schrijft voor dat de dwarsdoorsnede van de mengzone niet meer mag zijn dan 25% van de natte doorsnede van het ontvangende water. Ten aanzien van opwarming is bepaald dat de gezamenlijke lozingen in het beschouwde systeem geen temperatuursverhoging groter dan 2ºC boven de achtergrondtemperatuur tot een maximum van 25ºC mogen veroorzaken. Het project voldoet aan deze criteria. 26.
- De Afdeling overweegt dat in het gehanteerde model is uitgegaan van een modelgebied dat de dwarsdoorsnede van het estuarium omvat en een gebied ten noorden en ten zuiden daarvan. Uit de modelstudie komt naar voren dat de warmwaterpluim zich vanaf het lozingspunt in zuidoostelijke richting beweegt. Op de ten zuidoosten van de centrale gelegen locaties Hond-Paap en Voolhok komen zeegrasvegetaties (groot en/of klein zeegras) voor. Uit het deskundigenbericht volgt dat de meest gevoelige habitattypen in het modelgebied zijn gelegen, zodat de deskundige geen aanwijzingen heeft dat het modelgebied niet juist is gekozen. Gelet hierop geeft het aangevoerde de Afdeling geen reden om te oordelen dat een te klein modelgebied is gehanteerd. 26.
- Voor de verspreiding van koelwater is in de modelstudie gerekend met de klimatologische omstandigheden in de periode 10-13 augustus
- Door verweerders is uiteengezet dat in deze periode de luchttemperatuur aanhoudend droog was, er weinig wind was en de temperatuur van het zeewater al hoog was als gevolg van een voorafgaande lange warme periode. Deze periode wordt sindsdien vanwege de meteorologische omstandigheden standaard als worstcasescenario gebruikt bij de vergunningverlening van koelwaterlozingen. In de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2011 in zaak nr. 200800646/1/M1 waarin een aan RWE verleende vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ter beoordeling voor lag, heeft de Afdeling reeds geaccepteerd dat de periode in augustus 2003 als worstcasescenario kan gelden. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om thans te oordelen dat van een onjuist worstcasescenario is uitgegaan. Daarbij neemt zij ook in aanmerking dat het deskundigenbericht onderschrijft dat het gebruikte model uitgaat van een worstcasebenadering. 26.
- Wat betreft de stelling dat de beschermde vissen onvoldoende uitwijkmogelijkheden hebben indien wordt uitgegaan van een worstcasescenario, overweegt de Afdeling dat gelet op de vorige overweging in de modelstudie is uitgegaan van een worstcasescenario. Het uitgangspunt van de CIW-systematiek is dat warmtelozingen geen effecten mogen hebben op het aquatisch milieu. Vissen kunnen de warmwaterpluim die ontstaat door een warmwaterlozing vrij gemakkelijk ontwijken. Volgens het deskundigenbericht kan op basis van de modelstudie worden geconcludeerd dat de warmtelozingen geen blijvende gevolgen zullen hebben voor de vissoorten en dat geen significante effecten op populatieniveau zullen optreden. Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding om in zoverre aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. 26.
- Zeegrasvegetaties zijn onderdeel van habitattype H1140A en komen op onder andere de locaties Voolhok en Hond-Paap voor. Voolhok ligt op een afstand van ongeveer 3,4 kilometer van de koelwateruitloop en is de dichtstbij de centrale gelegen zeegraslocatie. Uit de modelstudie volgt dat het gebied waarin zal worden geloosd wordt beschouwd als estuarium, maar dat desondanks is getoetst aan de strengere norm behorende bij een gebied met de functie schelpdierwater. In de passende beoordeling is vermeld dat op basis van de modelstudie kan worden vastgesteld dat opwarming van het water ter plaatse van de groeilocaties van groot en klein zeegras door cumulatieve koelwaterlozingen alleen verwacht kan worden op Voolhok. De overige (potentiële) groeiplaatsen van groot en klein zeegras waaronder Hond-Paap liggen volgens de passende beoordeling buiten de invloedsfeer van de cumulatieve koelwaterlozingen en kunnen derhalve geen negatieve effecten van deze lozingen ondervinden. De Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de locatie Hond-Paap temperatuursveranderingen als gevolg van de warmwaterlozingen zullen optreden. Evenmin hebben zij dit aannemelijk gemaakt voor de Duitse Natura 2000-gebieden alwaar habitattype H1130 voorkomt. 26.
- Uit de analyse in de passende beoordeling blijkt dat negatieve effecten op zeegras op de locatie Voolhok als gevolg van warmtelozingen kunnen worden uitgesloten, omdat de warmtelozingen voldoen aan het CIW-criterium dat de temperatuur door warmtelozingen beperkt blijft tot een maximum van 25ºC. Ten aanzien van het aangevoerde dat een temperatuur van 23ºC op Voolhok niet is uitgesloten, overweegt de Afdeling dat de temperatuur op Voolhok op de drooggevallen platen kan oplopen tot 25ºC. Dit wordt, zo staat in de passende beoordeling, niet veroorzaakt door de warmtelozingen, maar door natuurlijke dagelijkse temperatuurwisselingen. SNM en DU, de Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere hebben niet bestreden dat de temperatuurstijging door de warmtelozingen beperkt blijft tot 25ºC. Verweerders hebben zich op basis van de passende beoordeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van de warmwaterlozingen geen significante effecten te verwachten zijn voor zeegrasvegetaties. Nu de warmwaterlozingen voldoen aan het criterium voor schelpdierwater en zich geen blijvende gevolgen voor de vissoorten zullen voordoen, is de vrees van Greenpeace en andere dat de warmwaterlozingen gevolgen zullen hebben voor de beschikbaarheid van voedsel voor zeegzoogdieren en vogels ongegrond. Koelwateruitloop
- De Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere voeren aan dat door de aanleg van de koelwateruitloop 3 hectare en met de koelwateruitlaat van Nuon erbij zelfs 4 á 5 hectare aan beschermde zandplaten en -banken van de habitattypen H1110A en H1140A zal verdwijnen. Volgens hen zijn deze habitattypen van groot belang voor het voedsel van vogels, vissen en zeezoogdieren. SNM en DU stellen zich op het standpunt dat het oppervlakteverlies van ruim 3 hectare een significant effect heeft op het Natura 2000-gebied Waddenzee. 27.
- Verweerders stellen dat het verlies aan oppervlakte van habitattype H1140A in de passende beoordeling als niet significant is beoordeeld. 27.
- Inmiddels is een koelwateruitloop gerealiseerd en als gevolg daarvan is 3,1 hectare van het habitattype droogvallende platen (H1140A) verloren gegaan. Habitattype H1110A kwam blijkens de passende beoordeling ter plaatse van de koelwateruitloop niet voor. De instandhoudingsdoelstelling voor habitattype H1140A is gericht op het behoud van oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van slik- en zandplaten. In de passende beoordeling is geconcludeerd dat een zodanig beperkt oppervlakteverlies, in een dynamisch gebied als de Waddenzee met een oppervlakte van ongeveer 140.000 hectare droogvallende platen, geen significant effect heeft op het habitattype H1140A. Ter zitting heeft RWE voorts toegelicht dat het oppervlak van H1140A dat verloren is gegaan niet een dusdanige kwaliteit bezat dat hierdoor het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstelling in gevaar komt. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders ten onrechte ervan uit zijn gegaan dat het project niet leidt tot significante effecten op het habitattype H1140A. 27.
- Wat betreft de gevolgen van het verdwijnen van een deel van dit habitattype voor aangewezen soorten, overweegt de Afdeling dat uit de passende beoordeling niet naar voren is gekomen dat droogvallende platen een voedselgebied vormen voor zeezoogdieren. Wel blijkt uit de passende beoordeling dat droogvallende platen bij hoogwater een belangrijk voedselgebied vormen voor jonge vis en bij laagwater van belang zijn voor foeragerende wadvogels. Omdat het oppervlakte dat verloren is gegaan ten opzichte van het resterende deel gering is, hebben verweerders er vanuit kunnen gaan dat het oppervlakteverlies geen significante effecten heeft voor vogel- en vissoorten waarvoor het gebied is aangewezen. Slib en bagger
- De Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere stellen dat de habitattypen H1110A, H1130 en H1140A worden blootgesteld aan de aanzuigende werking van de koelwaterinname waardoor extra slib in de Eemshaven terecht komt. Volgens hen is ten onrechte niet onderzocht in hoeverre bestaande zandbanken en slikken hierdoor zullen veranderen of worden aangetast. Daarbij komt dat het baggeren en het verspreiden van baggerspecie voor extra effecten op deze habitattypen zal zorgen. Verder had de effectbeoordeling van het verspreiden van baggerspecie over een langere periode beoordeeld moeten worden dan de beoordeelde periode van vier jaar, omdat gedurende de hele levensduur van de centrale gebaggerd moet worden, zo voeren de Waddenvereniging en andere en Greenpeace en andere aan. SNM en DU stellen dat het baggeren en de baggerstortingen, waardoor vertroebeling optreedt, een negatieve invloed zal hebben op zeegras. 28.
- Verweerders stellen dat de koelwaterinname plaatsvindt in het havenbekken van de Eemshaven. Mede gelet op de maximale inzuigsnelheid zullen daarom geen gevolgen plaatsvinden voor zandbanken en slikken. Daarnaast stellen verweerders zich op het standpunt dat effecten op de habitattypen H1110A, H1130 en H1140A door baggerverspreiding zijn uit te sluiten. Zij hebben daartoe uiteengezet dat de locaties waar bagger wordt verspreid vanwege de ligging in snelstromende delen van geulen zijn geselecteerd. Van nature komt op deze plaatsen weinig bodemleven voor waardoor de locaties geen belangrijke betekenis hebben voor het voedselaanbod in de Waddenzee. De sedimentatie van slib kan wel toenemen, maar uit de passende beoordeling blijkt dat deze sedimentatie zo gering is dat dit geen gevolgen heeft voor het bodemleven aldaar, aldus verweerders. 28.
- De gevolgen van de koelwaterinname staan beschreven in de passende beoordeling. Het studiegebied is daarbij afgebakend tot het havengebied. Vast staat dat de habitattypen H1110A, H1130 en H1140A niet in de Eemshaven voorkomen. In de directe omgeving van de Eemshaven komen de habitattypen H1110A en H1140A wel voor. De koelwaterinlaat ligt in de zuidoosthoek van de verlengde Wilhelminahaven. Tijdens het in bedrijf zijn van de centrale zal maximaal 65 m³/s koelwaterwater uit de Wilhelminahaven worden onttrokken. Volgens verweerders en RWE valt deze snelheid volstrekt in het niet bij het eb- en vloeddebiet van de Waddenzee en zijn om die reden gevolgen van de inname van koelwater buiten het havengebied uitgesloten. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de effecten van de inname van koelwater onvolledig of onjuist zijn beoordeeld. Hierbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat in het deskundigenbericht is vermeld dat gelet op de ligging van de koelwaterinlaat ten opzichte van de habitattypen in relatie tot de natuurlijke dynamiek van de Waddenzee (eb en vloed) is uit te sluiten dat de inname van koelwater