(2010)handreikingen en inspiratie biedt bij het opstellen van ruimtelijke plannen en aanmoedigt om zorgvuldig met de kernkwaliteiten van het Noord-Hollandse landschap om te gaan bij nieuwe ontwikkelingen. Hobrede is een lintdorp gelegen in het veenpolderlandschap. De kernkwaliteiten van Hobrede zijn de lineaire dorpsstructuur waarbij de weg de ruimtelijke structuurdrager is, de langs het lint gelegen bebouwing, de rafelige overgang van lintbebouwing naar achterland, de doorzichten vanuit de lintbebouwing naar het agrarische achterland en afwisselende soorten woningen. Deze ruimtelijke kernkwaliteiten zijn gebruikt bij de uitwerking van de bouwlocatie, aldus de plantoelichting. 7.
- Het perceel ligt op kaart 5 behorende bij de PRVS in het gebied Laag Holland. Voorts liggen de twee meest westelijk gelegen bouwvlakken en het noordoostelijk gelegen bouwvlak geheel in het gebied dat op kaart 2 behorende bij de PRVS als BBG is aangewezen. Het zuidoostelijk gelegen bouwvlak ligt geheel buiten het gebied dat als BBG is aangewezen. 7.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 februari 2013 in zaak nr. 201202085/1/R1, waarnaar in de uitspraak met zaak nr. 201201553/1/R1 tevens is verwezen, behoeft de raad op grond van artikel 22 van de PRVS, gelezen in samenhang met artikel 15, in de plantoelichting alleen te verantwoorden in hoeverre rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten als bedoeld in artikel 15 bij verstedelijking binnen een Nationaal Landschap indien deze verstedelijking buiten BBG mogelijk wordt gemaakt. Voorts heeft de Afdeling in de voormelde uitspraak overwogen dat op grond van artikel 9 van de PRVS zowel het gehele gebied dat op kaart 2 behorende bij de PRVS als zodanig is aangewezen en de bestaande of de bij een op het moment van inwerkingtreden van de PRVS geldend bestemmingsplan toegelaten woon- en niet-agrarische bedrijfsbebouwing daarbuiten tot BBG behoren. Het gedeelte van het perceel dat in het gebied ligt dat op de kaart als zodanig is aangewezen behoort derhalve tot BBG. Voor dit gedeelte van het perceel behoefde niet in de plantoelichting te worden verantwoord in hoeverre rekening wordt gehouden met de verschillende kernkwaliteiten. 7.
- Het gedeelte van het perceel dat daarbuiten ligt behoort niet tot BBG, nu op het perceel onder het voorheen geldende plan niet-agrarische bedrijfsbebouwing niet was toegestaan. Voor dat gedeelte van het perceel diende in de plantoelichting wel te worden verantwoord in hoeverre rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten. Dit is wederom niet gebeurd, nu in de plantoelichting is volstaan met een opsomming van de kernkwaliteiten en de stelling dat deze kernkwaliteiten zijn gebruikt bij de uitwerking van de bouwlocatie. De raad stelt ten onrechte dat deze verantwoording al was opgenomen in de toelichting bij het vorige bestemmingsplan. De Afdeling heeft immers in 16.6 van haar uitspraak van 6 februari 2013 uitdrukkelijk geoordeeld dat dat plan, voor zover het betreft het gedeelte dat is gelegen buiten BBG, is vastgesteld in strijd met artikel 22, gelezen in samenhang met artikel 15, van de PRVS, omdat in de plantoelichting een verantwoording ontbrak met betrekking tot de vraag in hoeverre rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten. Dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland in een brief heeft gesteld dat het gehele plan voldoet aan het provinciale beleid doet verder niet af aan de verplichting van artikel 22, gelezen in samenhang met artikel 15 van de PRVS. Het betoog slaagt.
- [appellant] en anderen betogen dat het plan, uitgaande van de maximale mogelijkheden, voorziet in zeer ruime bouwmogelijkheden. Dit leidt tot een grote aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, aldus [appellant] en anderen. 8.
- De raad stelt dat [appellant] en anderen ten onrechte geen rekening houden met de randvoorwaarden in het plan waardoor het niet zeker is dat de maximale mogelijkheden in het plan ook benut zullen worden. De in de planregels opgenomen afwijkingsmogelijkheden zijn slechts mogelijk na een verleende omgevingsvergunning. Voorts stelt de raad dat ook onder het vorige plan binnen de voormalige agrarische bedrijfsbestemming zeer omvangrijke bebouwing in de vorm van agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk was. Verplaatsing van het bestaande bedrijf zal tevens een forse kwaliteitsverbetering voor de woonomgeving opleveren, aldus de raad. 8.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels wordt ten aanzien van het bouwen van woningen bepaald dat: a. woningen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen de bouwvlakken; b. per bouwvlak maximaal één woning mag worden gebouwd; […] f. de inhoud van een woning niet meer mag bedragen dan 650 m3; […] Ingevolge lid 3.2.2, onder b, wordt ten aanzien van het bouwen van bijgebouwen en/of uitbreidingen bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen en/of uitbreidingen per woning niet meer mag bedragen dan een derde deel van het bouwperceel verminderd met de oppervlakte van de woning, tot een maximum van 60 m². Ingevolge lid 3.3, onder c, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in: c. lid 3.2.2 onder b voor het bebouwen van een grotere oppervlakte met bijgebouwen, met inachtneming van de volgende regels:
- de gezamenlijke oppervlakte per woning mag niet meer bedragen dan: a. 125 m², onverminderd het hierna onder sub b en c bepaalde; b. 1/3 van het bouwperceel, voor zover dat gelegen is achter de voorgevel van de woning of het denkbeeldig verlengde daarvan, onverminderd het hierna onder c bepaalde; c. 1,5 maal de oppervlakte van de woning, de aan de woning aangebouwde bijgebouwen worden bij de bepaling van de oppervlakte van de woning niet meegerekend;
- de gezamenlijke inhoud van de bijgebouwen per woning niet meer mag bedragen dan 2/3 deel van de inhoud van de woning, de aan de woning aangebouwde bijgebouwen worden bij de bepaling van de inhoud van de woning niet meegerekend;
- sub c, d en e van lid 3.2.2 zijn van overeenkomstige toepassing;
- mits daarmee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het karakter van het open landschap en de doorzichten naar het open landschap; Ingevolge artikel 8, lid 8.1, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van in het plan bepaalde voor: a. de bouw van utilitaire bouwwerken, waaronder transformatorhuisjes, gasdrukregel- en meetstations en gemalen, met inachtneming van de volgende regels:
- de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 25 m²;
- de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 m;
- de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m; b. het afwijken van de voorgeschreven goothoogte en bouwhoogte en voorgevelbreedte van de woonhuizen met niet meer dan 60 cm; c. het afwijken van de voorgeschreven inhoudsmaat van woningen met niet meer dan 10%; d. voor het bouwen van een hooi- of kaakberg, ten dienste van voornamelijk woondoeleinden, op het zij- en/of achtererf van de woning, met inachtneming van de volgende regels;
- de hooi- of kaakberg mag uitsluitend worden gebouwd binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;
- de hooi- of kaakberg dient op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van de woning of het denkbeeldig verlengde daarvan gebouwd te worden;
- de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 65 m2 en niet minder dan 30 m2;
- de goothoogte niet meer mag bedragen dan 9 m; de hooi- of kaakberg dient van een kap te worden voorzien, waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 20° en niet meer dan 30°. Ingevolge lid 8.2 mogen de afwijkingsbevoegdheden als bedoeld in lid 8.1 uitsluitend worden toegepast indien de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van deze gronden niet onevenredig worden aangetast. 8.
- De Afdeling volgt niet het betoog van [appellant] en anderen dat de afwijkingsbevoegdheid waarmee kan worden afgeweken van de bouwregels en de voorwaarde dat landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast rechtsonzeker zijn en onvoldoende bescherming bieden. Het betoog faalt. 8.
- De Afdeling stelt vast dat het plan bij recht voorziet in de bouw van vier woningen met elk een maximale inhoud van 650 m
- Daarnaast voorziet het plan bij recht per woning in bijgebouwen en/of uitbreidingen met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 60 m². Zoals [appellant] en anderen terecht hebben gesteld, kan per woning met de afwijkingsmogelijkheid tevens onder meer een hooi- of kaakberg met een maximale oppervlakte van 65 m² en maximale inhoud van 650 m3 worden gerealiseerd. Anders dan de raad betoogt, moet worden uitgegaan van de mogelijkheid dat de afwijkingsmogelijkheden maximaal worden benut, nu dat op voorhand niet is uitgesloten. Niet betwist is dat het plan aldus bebouwing mogelijk maakt van ongeveer 8.000 m3 op een bebouwingsoppervlakte van 1360 m². [appellant] en anderen hebben ter onderbouwing van de grote gevolgen van dergelijke bebouwing op de omgeving een 3D-impressie overgelegd. Niet is weersproken dat dit een juist beeld geeft van de mogelijkheden van het plan, uitgaande van de maximale bouwmogelijkheden. Niet is gebleken of en hoe de raad de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen, uitgaande van de maximale bouwmogelijkheden, heeft afgewogen tegen het belang dat is gediend met het bestemmingsplan. De enkele stelling dat het vorige plan ruimere bouwmogelijkheden bood en dat de situatie verbetert omdat een agrarisch bedrijf verdwijnt, is daarvoor onvoldoende. Gelet hierop berust het besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.
- Gelet op 3.
- is het bestemmingsplan vastgesteld in strijd met artikel 3.11 van de Awb. Gelet op 7.
- is het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zover gelegen buiten BBG voorts vastgesteld in strijd met artikel 22 van de PRVS, gelezen in samenhang met artikel
- Gelet op 8.
- is het bestemmingsplan voorts vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft gelet hierop geen bespreking.
- Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zeevang van 9 juli 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie]"; III. draagt de raad van de gemeente Zeevang op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; IV. veroordeelt de raad van de gemeente Zeevang tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1424,00 (zegge: veertienhonderdvierentwintig euro), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; V. gelast dat de raad van de gemeente Zeevang aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat. w.g. Van Sloten w.g. Bošnjaković lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014 410-770.