(2)of als het project in een zeer vergevorderd stadium is, de reden voor de stagnatie niet te voorzien was en de gevolgen anders te onevenredig zijn. Indien volgens de minister een van deze uitzonderingssituaties zich voordoet, moet vervolgens worden bezien of de beoogde subsidieontvanger voldoet aan alle criteria van het PSI. Als het project forse vertraging heeft opgelopen, resteert tot slot de vraag of het nog wenselijk is het project voort te zetten. 2.
- Het geschil spitst zich in dit geval toe op de vraag of zich een doorstart van de subsidieontvanger zelf, Eko Blok, voordoet. 2.2.
- De minister heeft informatie ingewonnen bij de curator in het faillissement van Eko Blok. De curator heeft verklaard dat activa en deelnemingen van Eko Blok aan verschillende partijen zijn verkocht. De minister heeft zich, gelet op die informatie, op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van een doorstart van Eko Blok. Dat Densi Tech, naar zij stelt, de deelneming van Eko Blok in Carbo Natal Productions SA Ltd heeft overgenomen, naast de handelsnaam van Eko Blok, doet daaraan niet af. Dit geldt evenzeer voor de gestelde omstandigheid dat de - voorgenomen - feitelijke uitvoering van het project door Eko Blok in handen was van ir. Brandt, directeur van Densi Tech. Anders dan Densi Tech kennelijk veronderstelt, is op grond van het beleid van de minister vereist dat de activiteiten van de gefailleerde onderneming worden voortgezet - en niet alleen de activiteiten in verband met een specifiek project - om als ‘doorstarter’ te kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de minister het verzoek van Densi Tech om wijziging van de subsidieverlening voor het project in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Het betoog faalt.
- Nu de minister tot de conclusie heeft mogen komen dat niet gebleken is van een doorstart van Eko Blok, behoeft hetgeen Densi Tech heeft aangevoerd over de verdere beoordeling van haar verzoek door de minister geen bespreking meer, omdat dit niet kan leiden tot het door haar beoogde doel.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink w.g. Koster voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014 710.