(1). De opslag van biomassa betreft geen composterend materiaal en in de werkplaats en de stookruimte zijn geen relevante geurbronnen, aldus het college. Verder heeft de Stab in het nader verslag van 23 oktober 2012, dat in de beroepsprocedure bij de rechtbank is uitgebracht, geconcludeerd dat emissies uit de bedrijfshal vanwege onderdruk worden beperkt. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de vergunde veranderingen niet een zodanige geuremissie veroorzaken, dat een nieuw geuronderzoek was vereist. Het betoog faalt.
- Bakkersland betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van gedeputeerde staten bij het verlenen van de veranderingsvergunning niet heeft onderzocht of binnen de inrichting van [belanghebbende] de beste beschikbare technieken ten aanzien van de beperking van geurhinder zijn toegepast. 7.
- Het besluit van 20 september 2011 tot verlening van de veranderingsvergunning is, voor zover hier van belang, gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2º, van de Wabo. Het bevoegd gezag dient, gezien de wettelijke systematiek, alleen de in de aanvraag om de veranderingsvergunning vermelde activiteiten of veranderingen te toetsen aan het wettelijke toetsingskader, waaronder artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 1°, van de Wabo. Het college van gedeputeerde staten was derhalve in beginsel niet gehouden in het kader van de verlening van de veranderingsvergunning onderzoek te verrichten naar de vraag of ook het bestaande, eerder vergunde deel van de inrichting, aan het vereiste van de beste beschikbare technieken voldoet. De veranderingen ten aanzien van de emissiepunten en ruimteventilatoren maken dit niet anders, nu die, zoals onder 6.1 is overwogen, geen betekenende invloed hebben op de geuremissie. Voor zover het gaat om de overige bij het besluit van 20 september 2011 vergunde activiteiten of veranderingen die van invloed kunnen zijn op de geuremissie, is niet gebleken dat het college bij de vergunningverlening het vereiste van de beste beschikbare technieken niet in acht heeft genomen. Het betoog faalt.
- Bakkersland betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de inpandige opslagcapaciteit van de inrichting niet toereikend is. Zij vreest dat door het gebrek aan inpandige opslagruimte afvalstoffen in containers op het buitenterrein van de inrichting worden opgeslagen. 8.
- Het college van gedeputeerde staten heeft in het verweerschrift een berekening gegeven, waaruit blijkt dat de inpandige opslagcapaciteit ruim voldoende is. Bakkersland heeft deze berekening niet bestreden. Verder is - zoals onder 6.1 is overwogen - geen vergunning verleend voor de opslag van afvalstoffen op het buitenterrein. Het betoog faalt.
- Bakkersland betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college van gedeputeerde staten geen onderzoek naar de luchtkwaliteit heeft uitgevoerd. Volgens Bakkerland leidt de vergunde uitbreiding van de opslagcapaciteit tot een toename van de transportbewegingen, hetgeen een negatief effect heeft op de luchtkwaliteit. 9.
- Niet in geschil is dat de oprichtingsvergunning betrekking heeft op het aan- en afrijden van maximaal 24 vrachtwagens in de dagperiode en maximaal 5 vrachtwagens in de avond- en nachtperiode. [belanghebbende] is daaraan gehouden nu bij de veranderingsvergunning het aantal vrachtwagenbewegingen niet is uitgebreid. Verder is, mede gelet op de omstandigheid dat de verwerkingscapaciteit bij de veranderingsvergunning niet wordt gewijzigd, niet aannemelijk geworden dat de aan- en afvoer van afval feitelijk niet plaats kan vinden binnen de eerder vergunde vrachtwagenbewegingen. Hetgeen Bakkersland naar voren brengt, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het college een onderzoek naar de luchtkwaliteit had moeten instellen. Het betoog faalt.
- Bakkersland betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vergunningvoorschriften over de acceptatie en verwerking van afvalhout niet toereikend zijn om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Het toepasselijke acceptatie- en verwerkingsbeleid en het systeem voor administratieve organisatie en interne controle zijn niet toegespitst op het innemen en sorteren van gevaarlijke afvalstoffen (C-hout). Er zijn nadere voorschriften nodig om te voorkomen dat verontreinigd hout wordt verbrand. Anders dan waarvan het college van gedeputeerde staten uitgaat, is visuele inspectie van de aangeleverde materialen geen geschikte wijze om A-, B- en C-hout van elkaar te onderscheiden. Bovendien is de visuele inspectie niet voorbehouden aan daartoe opgeleide en gecertificeerde werknemers, aldus Bakkersland. 10.
- Het college van gedeputeerde staten heeft in het besluit van 21 september 2011 overwogen dat acceptatie en bewerking van aangevraagde afvalstoffen plaats vinden binnen het aanwezige acceptatie- en verwerkingsbeleid. Verder zijn in de vergunning registratieverplichtingen opgenomen, aldus het college. 10.
- Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder b, onder 2°, gelezen in verbinding met artikel 10.14 van de Wabo, houdt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval rekening met het geldende afvalbeheerplan als bedoeld in artikel 10.3 van de Wet milieubeheer. Dit is het Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021 (hierna: LAP). Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, (oud) van de Regeling omgevingsrecht houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met documenten, vermeld in de tabellen 1 en 2, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage
- Ingevolge het tweede lid (oud) wordt met de in tabel 1 van de bijlage vermelde documenten in ieder geval rekening gehouden, voor zover het de daarbij vermelde gpbv-installaties betreft. In tabel 1 was ten tijde van het nemen van het besluit van 20 september 2011, voor zover hier van belang, de BREF Afvalbehandeling opgenomen. In tabel 2 was toentertijd, voor zover hier van belang, de oplegnotitie BREF Afvalbehandeling opgenomen. 10.
- In paragraaf 16.2 van het LAP zijn de onderdelen opgenomen waaraan een acceptatie- en verwerkingsbeleid minimaal dient te voldoen. Een van de onderdelen is een omschrijving van alle verwerkingsroutes binnen de inrichting. Verder hebben de BREF Afvalbehandeling en de oplegnotitie BREF Afvalbehandeling mede betrekking op de bepaling van de beste beschikbare technieken ten aanzien van het acceptatie- en verwerkingsbeleid van afvalstoffen. Het toepasselijke acceptatie- en verwerkingsbeleid is in 2007 in het kader van de verlening van de oprichtingsvergunning opgesteld. Ingevolge voorschrift 2.10 van de verlening van de oprichtingsvergunning is de vergunninghouder hieraan gehouden. Het beleid heeft uitsluitend betrekking op de acceptatie en bewerking van broodafval afkomstig van bakkerijen, papier afkomstig van de papierindustrie, kunststofafval afkomstig van bedrijven, afval afkomstig van groencompostering en schone biomassa. Het heeft geen betrekking op de acceptatie en be- of verwerking van gevaarlijke afvalstoffen, zoals C-hout. De aan de veranderingsvergunning verbonden voorschriften over registratie voorzien niet in een acceptatie- en verwerkingsbeleid voor gevaarlijke afvalstoffen. Gelet hierop heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat de veranderingsvergunning op dit punt voldoet aan de eisen van het LAP en aan het vereiste dat binnen de inrichting de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Het betoog slaagt.
- Bakkersland betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag om de veranderingsvergunning een brandveiligheidsrapport had moeten worden opgesteld. 11.
- Het college van gedeputeerde staten heeft zich bij de beoordeling van de brandveiligheid gebaseerd op het brandveiligheidsrapport van december 2007, dat is ingediend bij de aanvraag om de oprichtingsvergunning. Gelet op de aard van de aangevraagde veranderingen - met name de opslag van gevaarlijke afvalstoffen en een aanzienlijke uitbreiding van de opslagcapaciteit -, lag het op de weg van het college een nieuw brandveiligheidsonderzoek te verlangen dan wel te verrichten. Weliswaar gelden ingevolge de bouwregelgeving eisen voor de brandwerendheid en -veiligheid van de desbetreffende gebouwen, doch deze zijn niet primair gericht op de bescherming van het milieu en nemen ook niet zonder meer de noodzaak tot het verbinden van voorschriften aan de milieuomgevingsvergunning weg. Nu een onderzoek naar de brandveiligheid van de inrichting, inclusief de vergunde veranderingen, ten onrechte achterwege is gebleven, is het besluit van 20 september 2011 in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.
- Voor zover de door Bakkersland in het hogerberoepschrift aangevoerde gronden betrekking hebben op de geluidemissie, behoeven deze geen bespreking, nu blijkens het verhandelde ter zitting het hoger beroep daar niet op is gericht.
- Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij op het beroep van Bakkersland is beslist, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat beroep alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 20 september 2011 komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Gelet op de aard van de gebreken wordt het gehele besluit vernietigd.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 maart 2013 in zaken nrs. 11/1933 en 11/1935, voor zover daarbij op het beroep van Bakkersland Panningen B.V. is beslist; III. verklaart dat beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 20 september 2011, kenmerk 2011/51946; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij Bakkersland Panningen B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.435,00 (zegge: tweeduizend vierhonderdvijfendertig euro),geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan Bakkersland Panningen B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 780,00 (zegge: zevenhonderdtachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat. w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff Voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014 190-764.