201310892/1/R3. Datum uitspraak: 25 juni 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Zegge, gemeente Rucphen, en de raad van de gemeente Rucphen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hooghei II" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2014, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door H.M. van Ginkel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ruimte voor Ruimte II C.V., vertegenwoordigd door E. van Ineveld, gehoord. Overwegingen 1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2. Het plan voorziet in de bouw van twaalf woningen. Voorts worden vijf woningen waarvoor een vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, als zodanig bestemd. 3. De raad stelt dat [appellant] de aan het door hem bestreden plandeel toegekende bouwhoogte in zijn zienswijze niet heeft bestreden. Voor zover de raad betoogt dat het beroep van [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk is, omdat hij deze grond eerst in beroep heeft aangevoerd, overweegt de Afdeling als volgt. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. [appellant] heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat de in het plan voorziene bebouwing op het perceel naast zijn woning leidt tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Het beroep van [appellant] steunt derhalve in zijn geheel op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze over het plandeel voor dit perceel. Gelet hierop is het beroep in zijn geheel ontvankelijk. 4. [appellant], die woont aan de [locatie A], komt in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "vrijstaand" voor de gronden die thans onbebouwd zijn en grenzen aan zijn perceel. Hij betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in woningbouw op deze gronden. [appellant] voert hiertoe aan dat het plan in zoverre leidt tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat in de vorm van een vermindering van uitzicht en van lichtinval. Subsidiair voert hij aan dat de raad een lagere maximale bouwhoogte had moeten toekennen. [appellant] stelt voorts dat een risico bestaat op planschade in de vorm van waardevermindering van zijn woning. 5. Aan het door [appellant] bestreden plandeel zijn de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "vrijstaand", "maximum bouwhoogte (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.