ECLI:NL:RVS:2014:3157
201404338/2/R1.
Datum uitspraak: 12 augustus 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: [verzoekers], wonend te [woonplaats], gemeente Leudal, en de raad van de gemeente Leudal, verweerder.
Procesverloop Bij besluit van 25 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] beroep ingesteld. [verzoekers] hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoekers] hebben nadere stukken ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juli 2014, waar [verzoekers], bijgestaan door M.L.M. Frantzen, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door E.J.E. Puts en P.C.W van Doorn, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Een belanghebbende kan ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze over het ontwerp naar voren brengen. Ingevolge artikel 3:12, derde lid, onder b en c, van de Awb wordt in de kennisgeving aangegeven wie in de gelegenheid worden gesteld om een zienswijze naar voren te brengen en op welke wijze het indienen van een zienswijze kan geschieden. [verzoekers] voeren aan een mondelinge zienswijze te hebben ingediend. Door de raad wordt dit ontkend. De kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan vermeldt dat voor het indienen van een mondelinge zienswijze een afspraak moet worden gemaakt. [verzoekers] hebben, zoals ter zitting is toegelicht, geen afspraak gemaakt voor het indienen van een mondelinge zienswijze. Voorts is het bestuursorgaan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:17 van de Awb verplicht zorg te dragen voor een verslag van hetgeen in een mondelinge zienswijze naar voren is gebracht. Vast staat dat geen verslag bestaat van een door [verzoekers] ingediende mondelinge zienswijze. Bovendien is niet gebleken dat [verzoekers] bij de raad om een dergelijk verslag hebben gevraagd. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de voorzitter dat er geen sprake is geweest van een op een juiste en tijdige wijze naar voren gebrachte zienswijze door [verzoekers].
Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, ambtenaar van staat. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Priem voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2014 646.