(1)in plaats van de factor "zeer licht" (0,25) bij de toekenning van de omvang van de vergoeding in de proceskosten te worden gehanteerd, aldus [appellant]. In dat verband wijst [appellant] onder meer op de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013 in zaak nr. 2012054131/1/A
- Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de telefonische hoorzitting op 12 december 2012 dient te worden gelijkgesteld met het bijwonen van een hoorzitting als bedoeld in onderdeel A4, sub 2, van de bijlage van het Bpb, en dat hem daarom ook een vergoeding van de kosten daarvan toekomt.
- Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht wegingsfactor "zeer licht' (0,25) gehanteerd bij het berekenen van de omvang van de vergoeding van de proceskosten in beroep. Anders dan [appellant] betoogt, was de zaak, voor zover die is uitgemond in het vernietigen van het bestreden besluit door de rechtbank, van een zeer licht gewicht, nu in zoverre geen materiële beoordeling van het geschil behoefde plaats te vinden. Dit geeft op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, gelezen in verbinding met de daarbij behorende bijlage, aanleiding tot toepassing van wegingsfactor "zeer licht" (0,25) bij de vaststelling van de hoogte van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Afdeling wijst in dit verband naar haar uitspraak van 27 maart 2013 in zaak nr. 201113344/1/A
- Het betoog faalt. Op 12 december 2012 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte de korpschef niet heeft veroordeeld in vergoeding van de door [appellant] gemaakte kosten in verband met het horen. Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 8 februari 2012 in zaak nr. 201109143/1/A3 heeft geoordeeld, dient de hier gevolgde wijze van horen gelijkgesteld te worden met het bijwonen van een hoorzitting als bedoeld in onderdeel A4, sub 2, van de bijlage. Gelet op het vorengaande zal de Afdeling 1 procespunt toekennen voor het horen in bezwaar met een wegingsfactor "zeer licht" (0,25). Het betoog slaagt.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de korpschef te veroordelen in vergoeding van de door [appellant] gemaakte kosten in verband met het horen in bezwaar. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, vernietigt de Afdeling het besluit van 11 januari 2013 voor zover is nagelaten een proceskostenveroordeling uit te spreken in verband met het horen in bezwaar en bepaalt de Afdeling dat de korpschef aan [appellant] een bedrag van € 121,75 dient te vergoeden voor in verband met het horen in bezwaar gemaakte kosten. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 11 januari
- De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.
- De korpschef dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2013 in zaak nr. 13/1110, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de korpschef van politie te veroordelen in vergoeding van de door [appellant] gemaakte kosten in verband met het horen in bezwaar; III. vernietigt het besluit van de korpschef van politie van 11 januari 2013, voor zover is nagelaten een proceskostenveroordeling uit te spreken in verband met het horen in bezwaar; IV. bepaalt dat de korpschef van politie aan [appellant] een bedrag van € 121,75 (zegge: honderdeenentwintig euro en vijfenzeventig cent) dient te vergoeden voor in verband met het horen in bezwaar opgekomen proceskosten, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde onderdeel van het besluit van 11 januari 2013; VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; VII. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat de korpschef van politie aan [appellant] het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Verheij w.g. Sparreboom lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014 195.