← Nederland

ECLI:NL:RVS:2014:3335

201208940/1/R

  1. Datum uitspraak: 10 september 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. appellant sub 1], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,
  3. [ appellant sub 2], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  4. [ appellant sub 3], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  5. [ appellant sub 4], wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze,
  6. [ appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], beiden wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 5]),
  7. [ appellant sub 6], wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze,
  8. [ appellant sub 7] en anderen, allen wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  9. [ appellant sub 8], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  10. [ appellant sub 9], wonend te Vorstenbosch, gemeente Bernheze, en anderen, handelend onder de naam manege L'Avenir,
  11. [ appellante sub 10], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  12. [ appellante sub 11], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  13. [ appellant sub 12], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  14. [ appellant sub 13], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  15. [ appellant sub 14], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  16. [ appellante sub 15], gevestigd te Vorstenbosch, gemeente Bernheze,
  17. de vereniging Afdeling Bernheze van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze (hierna: ZLTO),
  18. [ appellant sub 17] en anderen, allen wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  19. [ appellant sub 18], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  20. [ appellant sub 19], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  21. [ appellante sub 20], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  22. [ appellant sub 21], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  23. [ appellant sub 22], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,
  24. [ appellant sub 23], wonend te Oss, en anderen,
  25. [ appellant sub 24], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,
  26. [ appellant sub 25], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,
  27. [ appellant sub 26A] en [appellante sub 26B], beiden wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 26]),
  28. [ appellant sub 27], wonend te Vorstenbosch, gemeente Bernheze,
  29. [ appellant sub 28], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  30. [ appellant sub 29A] en [appellante sub 29B], beiden wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 29]),
  31. [ appellant sub 30A] en [appellant sub 30B], beiden wonend te Vinkel, gemeente Bernheze,
  32. [ appellant sub 31], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  33. [ appellant sub 32], wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze,
  34. [ appellant sub 33], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  35. [ appellant sub 34], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, en anderen,
  36. [ appellante sub 35], gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  37. [ appellante sub 36A] en [appellant sub 36B] en [appellante sub 36C], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 36]),
  38. [ appellant sub 37], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  39. [ appellante sub 38], gevestigd te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  40. [ appellante sub 39], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  41. [ appellant sub 40], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  42. [ appellant sub 41], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  43. [ appellant sub 42], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  44. [ appellant sub 43A] en [appellante sub 43B], beiden wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 43]),
  45. [ appellant sub 44], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  46. [ appellant sub 45], wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze,
  47. [ appellant sub 46], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
  48. [ appellant sub 47], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  49. [ appellante sub 48], gevestigd te Vorstenbosch, gemeente Bernheze,
  50. [ appellante sub 49], gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze,
  51. [ appellante sub 50A] en [appellant sub 50B], beiden wonend te Rotterdam (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 50]),
  52. [ appellante sub 51A] en [appellant sub 51B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 51]), en de raad van de gemeente Bernheze, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 juni 2012 heeft raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hiertegen heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7, 8 en 9 april 2014, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Buiten bezwaren van partijen zijn na de zitting nog stukken in het geding gebracht. Overwegingen
  53. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
  54. Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Bernheze. Archeologische dubbelbestemmingen
  55. Een aantal appellanten richt zich tegen de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan verscheidene agrarische percelen, en/of het daaraan gebonden omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden. 3.
  56. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 1" aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van (zeer hoge) archeologische waarden. Ingevolge lid 18.2, onder 18.2.1, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Ingevolge het bepaalde onder 18.2.3 wordt de vergunning geweigerd indien uit het in 18.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 18.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen. Ingevolge lid 18.3, onder 18.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 18.1 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodemverlagen of afgraven van gronden; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies; Ingevolge het bepaalde onder 18.3.2 kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Ingevolge het bepaalde onder 18.3.3, is het in 18.3.1 vervatte verbod niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 100 m² en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld; c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; d. de werken en werkzaamheden die
  57. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  58. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht; f. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Ingevolge lid 19.2, onder 19.2.1, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Ingevolge het bepaalde onder 19.2.3 wordt de vergunning geweigerd indien uit het in 19.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 19.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen. Ingevolge lid 19.3, onder 19.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 19.1 bedoelde gronden dezelfde andere werken uit te voeren als opgenomen in artikel 18, lid 18.3, onder 18.3.
  59. Ingevolge het bepaalde onder 19.3.2 kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Ingevolge het bepaalde onder 19.3.3, is het in 19.3.1 vervatte verbod niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 250 m² en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld; c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; d. de werken en werkzaamheden die
  60. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  61. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht; f. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen. Ingevolge artikel 20, lid 20.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 3" aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Ingevolge lid 20.2, onder 20.2.1, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek. Ingevolge het bepaalde onder 20.2.3 wordt de vergunning geweigerd indien uit het in 20.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 20.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen. Ingevolge lid 20.3, onder 20.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 20.1 bedoelde gronden dezelfde andere werken uit te voeren als opgenomen in artikel 18, lid 18.3, onder 18.3.
  62. Ingevolge het bepaalde onder 20.3.2 kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Ingevolge het bepaalde onder 20.3.3, is het in 20.3.1 vervatte verbod niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 2.500 m² en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld; c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; d. de werken en werkzaamheden die
  63. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  64. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht; f. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen. 3.
  65. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 december 2009, in zaak nr. 200801932/1 (www.raadvanstate.nl), overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 op het gemeentebestuur de plicht rust zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete regels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. 3.
  66. In opdracht van de raad heeft BAAC BV - een onderzoeks- en adviesbureau voor bouwhistorie, archeologie, architectuur en cultuurhistorie - het rapport "Archeologische verwachtings- en beleidskaart" (hierna: archeologisch rapport) en de bijbehorende archeologische verwachtingskaart opgesteld. In dit rapport staat dat op basis van een landschappelijke inventarisatie, waarbij de mogelijke bodemverstoringen in kaart zijn gebracht, en een archeologische inventarisatie, waarbij onder meer waarnemingen uit de database Archis zijn geraadpleegd, de archeolandschappelijke eenhedenkaart is vervaardigd. De bodemverstoringen zijn in kaart gebracht aan de hand van de provinciale ontgrondingenkaart, de bodemkaart, de geomorfologische kaart en het Actueel Hoogtebestand Nederland. Voorts heeft een veldonderzoek plaatsgevonden, waarbij boringen zijn uitgevoerd om de opbouw van de bodem te controleren. Op basis van dit bureau-, waarbij voornoemde bronnen zijn geraadpleegd, en veldonderzoek is de verwachtingskaart opgesteld, waarop tot op perceelsniveau de archeologische verwachtingswaarden voor het grondgebied van de gemeente Bernheze zijn weergegeven. Op basis van het archeologisch rapport en de daarvan deel uitmakende verwachtingskaart is het gemeentelijke archeologiebeleid, zoals vervat in de "Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze" (hierna: archeologiebeleid) en de bijbehorende archeologische beleidskaart, vastgesteld. Op basis van die archeologische beleidskaart zijn de archeologische waarden bepaald en de daarmee samenhangende dubbelbestemmingen toegekend aan delen van het plangebied. Voor gronden met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" is in de planregels het (laten) verrichten van archeologisch onderzoek, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog, als vereiste voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte van, onderscheidenlijk, meer dan 100 m², 250 m² en 2.500 m² en vanaf een diepte van meer dan 0,4 m opgenomen. Voorts is in de planregels het vereiste van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van onder meer grondbewerkingen over een oppervlakte van, onderscheidenlijk, meer dan 100 m², 250 m² en 2.500 m² en vanaf een diepte van meer dan 0,4 m vanaf het maaiveld opgenomen, echter onder meer tenzij op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn. 3.
  67. De gronden binnen de bouwvlakken zijn niet uitgezonderd van de archeologische dubbelbestemmingen. Ter zitting heeft de raad erkend dat - daar waar het betreft de binnen een bouwvlak gelegen gronden die ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming ten tijde van de vaststelling van het plan volledig zijn bebouwd - slechts in overeenstemming met de beleidskaart tot het daaraan toekennen van een archeologische dubbelbestemming had kunnen worden overgegaan, indien uit een van gemeentewege uitgevoerd archeologisch onderzoek zou zijn gebleken dat zich aldaar, ondanks de aanwezigheid van bebouwing, nog behoudenswaardige archeologische relicten in de bodem bevinden. Naar het oordeel van de Afdeling valt evenwel niet in te zien waarom wel zonder een van gemeentewege uitgevoerd archeologisch onderzoek in overeenstemming met de beleidskaart tot het toekennen van een archeologische dubbelbestemming is overgegaan, waar het betreft de binnen een bouwvlak gelegen gronden die ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming ten tijde van de vaststelling van het plan niet volledig, maar wel gedeeltelijk zijn bebouwd. Of een bouwvlak ter plaatse van de dubbelbestemmingen volledig is bebouwd, is in zoverre niet relevant voor de vraag of zich ter plaatse van de bebouwing nog behoudenswaardige archeologische relicten in de bodem bevinden. Voorts heeft de raad ter zitting erkend dat in het plan niet is verankerd dat de op de omgevingsvergunning voor het bouwen en het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden betrekking hebbende onderzoeksverplichtingen niet van toepassing zijn indien op een andere wijze dan in de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels staat aangegeven, kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk of de werken en/of werkzaamheden als bedoeld in die artikelen. 3.
  68. Voor het opnemen van een beschermingsregeling als neergelegd in de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels is niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vast staat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen. De raad heeft de aanwezigheid van die waarden gebaseerd op voormeld bureau- en veldonderzoek. Het laten verrichten van veldonderzoeken met betrekking tot het gehele buitengebied heeft de raad te verstrekkend kunnen achten in relatie tot de daarvan te verwachten resultaten. Gelet hierop heeft de raad, behoudens het voorgaande onder 3.4, voldoende onderzoek gedaan naar de archeologische waarden in het plangebied teneinde op basis daarvan tot het toekennen van archeologische dubbelbestemmingen te kunnen overgaan. Daarbij is ook van belang dat werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen in ieder geval zijn uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van de betreffende werken en/of werkzaamheden. 3.
  69. In het navolgende zal de Afdeling met inachtneming van het hiervoor overwogene de beroepen die zijn gericht tegen de archeologische dubbelbestemmingen en/of het daaraan gebonden omgevingsvergunningstelsel per appellant beoordelen. Het beroep van ZLTO Ingetrokken beroepsgronden
  70. ZLTO heeft ter zitting haar procedurele grond en de beroepsgronden over de gehanteerde lettercodering voor een burger- en bedrijfswoning, het ontbreken van een wijzigingsbevoegdheid van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf en het verbod op uitbreidingen ten behoeve van geiten¬- en schapenhouderijen ingetrokken. Intensieve veehouderij
  71. ZLTO kan zich niet verenigen met de aanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" en "milieuzone - 250m cluster woningen". Ter plaatse van de gronden waarop deze aanduidingen rusten, kan de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak van een intensieve veehouderij geen toepassing vinden. ZLTO voert onder verwijzing naar de uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3 (www.raadvanstate.nl), aan dat het Rijk, noch het provinciebestuur een aan te houden afstand tussen intensieve veehouderijen en woningen voorschrijft. Verder betoogt ZLTO dat de keuze van de raad om vaste afstanden tussen intensieve veehouderijen en woningen te hanteren niet berust op een deugdelijke motivering. Zij voert aan dat uit de interimrapportage "Mogelijke effecten van bedrijven met intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar blootstelling en gezondheidsproblemen" van 7 juni 2011 van het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) en het RIVM (hierna: het IRAS-rapport) niet kan worden afgeleid dat dergelijke afstanden in acht moeten worden genomen. ZLTO voert ook aan dat de raad de intensieve veehouderijen die zijn gevestigd in het gebied waarop de aanduidingen rusten op slot zet, waardoor hun mogelijkheden om op een duurzame wijze te kunnen produceren juist worden beperkt. 5.
  72. De raad stelt dat hij streeft naar het realiseren van een gezonde en evenwichtige leef-, woon- en werkomgeving voor zowel burgers als bedrijven. De raad heeft gekozen voor een terughoudende opstelling ten opzichte van onder meer schaalvergroting van agrarische bedrijven, gelet op het grote aantal intensieve veehouderijen in de gemeente en de maatschappelijke onrust over de gezondheidsrisico's vanwege die intensieve veehouderijen. Om de gezondheidsrisico’s te beperken, heeft de raad, naar hij stelt als voorzorgsprincipe, afstanden gehanteerd die moeten worden aangehouden tussen intensieve veehouderijen en kwetsbare functies, omdat ontwikkelingen van intensieve veehouderijen op voldoende afstand van kernen of andere bebouwingsconcentraties volgens de raad minder gezondheidsrisico’s met zich brengen dan in de nabijheid daarvan. 5.
  73. In de artikelen 3, 5, 6, en 7 zijn planregels opgenomen die van toepassing zijn op gronden met onderscheidenlijk de bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschappelijk, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - leefgebied struweelvogels" en "Agrarisch met waarden - leefgebied dassen". Ingevolge artikel 3, lid 3.9.1, onder d, artikel 5, lid 5.9.1 onder c, artikel 6, lid 6.9.1, onder c, en artikel 7, lid 7.9.1, onder c, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat: (…)
  74. sprake is van een 'duurzame locatie intensieve veehouderij' en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen"; (…). 5.
  75. In opdracht van de gemeente Bernheze heeft het Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland ten behoeve van het plan advies uitgebracht over verschillende gezondheidsaspecten. Onder meer zijn de infectierisico’s van veehouderijen vanwege biologische agentia, zoönosen en antibioticaresistentie bezien. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Gezondheidseffectscreening Ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Gemeente Bernheze" van 21 mei 2012 (hierna: het GGD-advies). Hierin staat dat uit onderzoek blijkt dat op 250 m rondom intensieve veehouderijen nog verhoging van endotoxinen zijn gemeten. Blootstelling kan leiden tot ademklachten en griepachtige verschijnselen. Wegens het ontbreken van een beoordelingskader om de effecten op de gezondheid te kwantificeren en in afwachting van een advies van de Gezondheidsraad, wordt geadviseerd om bij nieuwvestiging van intensieve veehouderijen dan wel ontwikkeling van nieuwe woonwijken een afstand van 250 m in acht te nemen. Het advies daarbij is om binnen een afstand van 250 tot 1.000 m tussen een intensieve veehouderij tot een woonkern of lintbebouwing een aanvullende gezondheidkundige risicobeoordeling uit te voeren. Ook wordt in het GGD-advies geadviseerd om uitbreiding, omschakeling of nieuwbouw binnen een bestaand bouwblok of vergroting van het bouwblok van intensieve veehouderijbedrijven die liggen op een afstand van minder dan 250 m van een woning alleen toe te staan wanneer deze niet leidt tot milieuhygiënische belemmeringen en wanneer deze voor de gezondheid van omwonenden aanvaardbaar is. Vermeld is dat voor deze gezondheidkundige beoordeling nog geen direct bruikbaar instrument of beoordelingskader voorhanden is. Vermeld is verder dat het risico op zoönosen voor omwonenden voor een groot deel wordt bepaald door de hygiënestatus op een veehouderijbedrijf. Een bedrijf waar de hygiënemaatregelen correct worden gehanteerd heeft minder insleep en uitstoot van micro-organismen die schadelijk kunnen zijn voor omwonenden. 5.
  76. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3; www.raadvanstate.nl) zijn aspecten van volksgezondheid, zoals de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven, een bij de vaststelling van een bestemmingsplan mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt echter zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Hieruit volgt dat de mogelijke besmetting van dierziekten een ruimtelijk relevant belang is. Voorts volgt uit het voorgaande dat de Wro in dit kader een aanvullend karakter heeft. Dat het Rijk, noch het provinciebestuur ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een afstandsmaat had vastgesteld of aanbevolen die moet of zou kunnen worden aangehouden tussen intensieve veehouderijen en woningen, laat de bevoegdheid van de raad om in een bestemmingsplan een regeling op te nemen ter behartiging van ruimtelijk relevante belangen, bijvoorbeeld door het hanteren van een afstand tussen bepaalde functies, onverlet, mits hieraan een voldoende draagkrachtige motivering ten grondslag ligt. Uit het aan het plan ten grondslag liggende GGD-advies volgt evenwel niet dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij vanuit het oogpunt van volksgezondheid moet worden verboden binnen een bepaalde afstand tot een woning. De keuze van de raad om bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen uit te gaan van maximale afstanden die in het GGD-advies worden genoemd, acht de Afdeling onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Dat binnen de gemeente Bernheze een groot aantal intensieve veehouderijen is gevestigd en dat maatschappelijke onrust is ontstaan over de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid, biedt op zichzelf onvoldoende grond voor de in het voorliggende plan neergelegde vergaande beperking van intensieve veehouderijen, welke ertoe leidt dat op geen enkele locatie binnen de opgenomen milieuzones, ook in niet in de situatie waarin sprake is van een duurzame locatie als bedoeld in artikel 1, onder 1.31, van de planregels, nog uitbreiding mogelijk is. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat, naar ZLTO terecht betoogt, het vergroten van het bouwvlak een mogelijkheid kan bieden voor een verbetering van de bedrijfsvoering en daarmee voor een terugdringen van de milieubelasting van het bedrijf voor de omgeving. Het betoog slaagt.
  77. ZLTO betoogt dat de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden in het plan ten onrechte afwijkt van de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden zoals die in de Verordening 2012 zijn aangeduid. 6.
  78. De raad brengt naar voren dat hij is uitgegaan van de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden zoals die op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" zijn aangeduid. De raad stelt dat in het plan binnen de landbouwontwikkelingsgebieden deelgebieden zijn aangeduid waar uitbreiding van intensieve veehouderijen is toegestaan. Aan die deelgebieden is de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" toegekend. De raad acht de uitbreiding van intensieve veehouderijen op de overige gronden binnen de landbouwontwikkelingsgebieden vanuit het oogpunt van volksgezondheid onwenselijk, omdat die gronden binnen een straal van 1.000 m van een kern of binnen een straal van 250 m van een cluster woningen liggen en vanwege de risico’s voor de volksgezondheid niet als duurzame locatie kunnen worden aangemerkt. 6.
  79. Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening ruimte 2012 (hierna: Verordening 2012) kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare, in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing. 6.
  80. Aan de betreffende deelgebieden binnen de LOG’s is de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.9, onder 4.9.1, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak van een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:
  81. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’; (…);
  82. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 50% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt; (…). Aan de overige gronden binnen de LOG’s is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onder d, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat: (…)
  83. sprake is van een 'duurzame locatie intensieve veehouderij' en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";
  84. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt; (…). 6.
  85. De Afdeling overweegt dat de raad de ruimte heeft om de exacte omvang te bepalen van de mogelijke ontwikkelingen in landbouwontwikkelingsgebieden zoals die zijn aangeduid op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij", waarbij is aangesloten bij de begrenzing van die gebieden in het reconstructieplan. De ligging van een perceel in een landbouwontwikkelingsgebied betekent niet dat de raad op grond van de Verordening 2012 gehouden is om de bestemming "Agrarisch-Landbouwontwikkelingsgebied" met bijbehorende uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen onverkort toe te kennen. De raad heeft de exacte omvang van de toegelaten ontwikkelingen in landbouwontwikkelingsgebieden nader begrensd door aan een deel van de binnen de landbouwontwikkelingsgebieden gelegen gronden niet de bestemming "Agrarisch-Landbouwontwikkelingsgebied" toe te kennen, maar de bestemming "Agrarisch", met de daarbij behorende planregeling die voorziet in de aan te houden milieuzones. De bestemming "Agrarisch" voorziet, gelet op artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onder d, ten tweede en derde, van de planregels in verdergaande beperkingen voor de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen dan de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied". De motivering van de raad om hiertoe over te gaan, acht de Afdeling onder verwijzing naar overweging 5.4 evenwel onvoldoende. Het betoog slaagt. Archeologie
  86. ZLTO betoogt dat de raad het omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 18, lid 18.3, 19, lid 19.3 en 20, lid 20.3, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat het gemeentelijke archeologiebeleid en de beleidskaart aan de hand van te grofmazige informatie zijn opgesteld, zodat met het opnemen van het omgevingsvergunningstelsel, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2012, in zaak nr. 201003351/1/T1/R4 (www.raadvanstate.nl), onvoldoende rekening is gehouden met agrarische bodemingrepen in het verleden en de belangen van de agrariërs. 7.
  87. Gelet op het voorgaande onder 3.3 zijn de gebieden met de archeologische dubbelbestemmingen gebaseerd op de beleidskaart, die op basis van bureau- en veldonderzoek is opgesteld en waarbij de bodemverstoringen aan de hand van voornoemde bronnen in kaart zijn gebracht. Niet in geschil is dat de begrenzingen van de gebieden met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" in het plan overeenstemmen met de op de beleidskaart aangeduide en onderverdeelde gebieden met, onderscheidenlijk, zeer hoge archeologische waarde, hoge archeologische waarde en verwachting en middelhoge archeologische verwachting. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het archeologiebeleid en de daarbij behorende beleidskaart aan de hand van te grofmazige informatie zijn opgesteld en dat het archeologisch rapport, anders dan in de door ZLTO genoemde uitspraak, een gebrek aan kennis bevat over de mate van verstoring van de grond door agrarisch grondgebruik in het verleden. Het betoog faalt. 7.
  88. Gelet op het voorgaande onder 3.5 heeft de raad de mogelijke aanwezigheid van archeologische sporen van de onbebouwde gronden waar werken en/of werkzaamheden kunnen plaatsvinden aannemelijk gemaakt. Uit de niet nader geconcretiseerde stelling van ZLTO dat in het verleden bodemingrepen hebben plaatsgevonden, kan niet worden afgeleid dat alle mogelijk aanwezige archeologische sporen verstoord of verdwenen zijn. Gelet hierop heeft ZLTO niet aannemelijk gemaakt dat het omgevingsvergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden ten behoeve van de bescherming van de archeologische waarden niet opgenomen had hoeven worden. Het betoog faalt. 7.
  89. Voor zover wordt aangevoerd dat de raad met het opnemen van het omgevingsvergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de agrariërs, wordt met inachtneming van het voorgaande onder 3.4 overwogen dat het bepaalde in artikel 18, lid 18.3, onder 18.3.3, sub c, artikel 19, lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en artikel 20, lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, van de planregels onzorgvuldig is, in die zin dat ook anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van werken en/of werkzaamheden. Het betoog slaagt. 7.
  90. Behoudens het voorgaande onder 7.3 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat het aan de dubbelbestemmingen gekoppelde omgevingsvergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden leidt tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering. Het betoog faalt. Overige onderwerpen
  91. ZLTO betoogt dat onder de definitie "paardenhouderij" ten onrechte zowel een gebruiksgerichte als een productiegerichte paardenhouderij valt. Voorts zijn rijbakken ten onrechte binnen noch buiten het agrarische bouwvlak bij recht toegestaan. 8.
  92. Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok. Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok. 8.
  93. Ingevolge artikel 1, lid 1.39, van de planregels wordt onder gebruiksgerichte paardenhouderij verstaan: een niet-agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op (de ondersteuning bij) het gebruik van het paard als hulpmiddel voor de recreërende mens, zoals maneges, paardenverhuurbedrijven en paardenstallingsbedrijven. Ingevolge lid 1.73 wordt onder productiegerichte paardenhouderij verstaan: een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het door middel van een gericht fok- en/of africhtingsprogramma trachten een paard op een hoger niveau te brengen, waardoor de waarde van dat paard in het economische verkeer toeneemt, zoals (op)fokkerijbedrijven, hengstenstations, africhtings- en trainingsbedrijven. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub h, zijn rijbakken binnen de bestemming "Agrarisch" uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. In de planregels zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels". 8.
  94. In het bestemmingsplan is onderscheid gemaakt tussen een gebruiksgerichte paardenhouderij, die volgens de definitieomschrijving een niet-agrarisch bedrijf is, en een productiegerichte paardenhouderij. Voorts zijn rijbakken binnen het agrarisch bouwvlak bij recht toegestaan. Gelet hierop mist het betoog van ZLTO in zoverre feitelijke grondslag. Gelet op artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 heeft de raad terecht geen rijbakken bij agrarische bedrijven buiten het agrarisch bouwvlak mogelijk gemaakt. Het betoog faalt.
  95. Ter zitting heeft ZLTO haar betoog over teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter toegespitst op de mogelijkheid om kassen tot een oppervlakte van 5.000 m² binnen het bouwvlak of binnen een differentiatievlak met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" op te richten. Volgens haar is onduidelijk of dat in het plan is toegestaan. 9.
  96. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub e, van de planregels zijn teeltondersteunende kassen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak van een agrarisch bedrijf met de aanduiding "intensieve kwekerij" of "agrarisch bedrijf", mits dit gelegen is buiten de gronden met de aanduiding "groenblauwe mantel". Ingevolge het bepaalde sub f zijn in afwijking van het bepaalde sub e bestaande teeltondersteunende kassen toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening". Ingevolge het bepaalde onder 3.2.2, aanhef en sub e, geldt voor teeltondersteunende kassen ten dienste van een agrarisch bedrijf een maximale bouwhoogte van 8 m en een maximale oppervlakte ten behoeve van één bedrijf van 5.000 m² (binnen het bouwvlak en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" tezamen). In de planregels zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels". Voor de gronden met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" zijn teeltondersteunende kassen met een maximale oppervlakte van 5.000 m² alleen toegestaan ter plaatse van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf met de aanduiding "intensieve kwekerij" of "agrarisch bedrijf", mits dit gelegen is buiten de gronden met de aanduiding "groenblauwe mantel". Voor deze gronden is in het plangebied geen aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" opgenomen. 9.
  97. In het plan mogen, zoals de raad ter zitting ook heeft bevestigd, teeltondersteunende kassen binnen het agrarisch bouwvlak, mits de gronden niet zijn aangewezen als groenblauwe mantel, en binnen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening", die aan enkele gronden buiten de agrarische bouwvlakken is toegekend, met een maximale oppervlakte van 5.000 m² ten behoeve van één agrarisch bedrijf worden opgericht. Dit is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk in de planregels neergelegd. Dat kassen niet zijn toegestaan binnen de groenblauwe mantel, is in overeenstemming met de Verordening
  98. Het betoog faalt.
  99. ZLTO betoogt dat de raad de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" ten onrechte heeft vastgesteld, omdat de betreffende gronden op grond van het provinciale beleid geen extra bescherming behoeven. Ter zitting heeft ZLTO toegelicht dat de beperking voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse van deze aanduiding is gelegen in het kunnen toepassen van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vormverandering of vergroting van het agrarisch bouwvlak. 10.
  100. De raad stelt zich op het standpunt dat deze aanduiding aan landbouwgronden is toegekend die bijzonder geschikt zijn voor het ontwikkelen van nieuwe natuur, waarmee de realisatie van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) en de wijziging naar de bestemming "Natuur" op vrijwillige basis mogelijk wordt gemaakt. Van belang is dat ruimtelijke ingrepen achterwege blijven die de natuurontwikkeling in de toekomst kunnen frustreren. 10.
  101. Ingevolge artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en sub b, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders voor gronden met de bestemming "Agrarisch" het plan wijzigen en vormverandering van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf toestaan, onder de voorwaarden dat: (…);
  102. op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding "wro - zone - natuurontwikkelingsgebied", zonder de aanduiding "wro - zone - ecologische verbindingszone", de wijziging uitsluitend is toegestaan, indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van natuur; (…). Ingevolge het bepaalde sub c kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf of intensieve kwekerij vergroten, al dan niet in combinatie van vormverandering van het functieaanduidingsvlak "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen", onder de voorwaarden dat: (…);
  103. op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding "wro - zone - natuurontwikkelingsgebied", zonder de aanduiding "wro - zone - ecologische verbindingszone", de wijziging uitsluitend is toegestaan, indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van natuur; (…). Ingevolge het bepaalde sub d kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat: (…);
  104. op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding "wro - zone - natuurontwikkelingsgebied", zonder de aanduiding "wro - zone - ecologische verbindingszone", de wijziging uitsluitend is toegestaan, indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van natuur; (…). In de planregels zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels". 10.
  105. Volgens de plantoelichting omvatten de gronden met de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" de bestaande EHS, de ecologische verbindingszones en de gebieden die op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan van de provincie zijn aangemerkt als "nog om te vormen van landbouw". Deze aanduiding is vrijwel geheel toegekend aan de gronden met de bestemming "Natuur". Dat voor het toekennen van de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" aan enkele agrarische gronden in het plan op grond van de Verordening 2012 geen aanleiding bestaat, maakt niet dat de raad hiervoor geen regeling in het plan heeft mogen opnemen. De wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroting of vormverandering van het agrarische bouwvlak kan alleen worden toegepast indien de gronden niet minder geschikt worden gemaakt voor de verwezenlijking van natuur. De Afdeling acht dit niet onredelijk, waarbij tevens van belang is dat ZLTO niet heeft geconcretiseerd waar dit leidt tot een onevenredige belemmering in de agrarische bedrijfsvoering. Het betoog faalt.
  106. ZLTO betoogt dat de raad met het opnemen van het omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 3, lid 3.7, 4, lid 4.7, 5, lid 5.7, 6, lid 6.7 en 7, lid 7.7, van de planregels onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de agrariërs. Voorts is onvoldoende duidelijk wat in de definitieomschrijving onder normaal onderhoud of de normale exploitatie valt. Zo lijken werkzaamheden die bij uitstek onder de normale onderhoudswerkzaamheden van een agrariër zouden vallen, te zijn uitgezonderd van het normale onderhoud of de normale exploitatie indien hierdoor een onherstelbare aantasting van de aan een gebied toegekende waarde ontstaat. 11.
  107. De raad stelt zich op het standpunt dat onder normaal onderhoud of de normale exploitatie werkzaamheden worden begrepen die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waartoe de werkzaamheden die tot een onherstelbare aantasting van de aan een gebied toegekende waarde leiden niet behoren. 11.
  108. Ingevolge artikel 1, lid 1.67, van de planregels wordt onder normale onderhoudswerkzaamheden verstaan: werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen. Hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde. Ingevolge artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.1, is het verboden zonder een omgevingsvergunning de hierin opgenomen werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren. Ingevolge het bepaalde onder 3.7.2 is het in 3.7.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak; b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. Ingevolge het bepaalde onder 3.7.4 is uitvoering van de in 3.7.1 genoemde werken of werkzaamheden in strijd met de bestemming, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden. In de planregels zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels". Per bestemming is een opsomming gegeven welke werken en werkzaamheden zijn gekoppeld aan een dergelijke omgevingsvergunning. 11.
  109. In het plan is voor de agrarische bestemmingen een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van bepaalde werken en/of werkzaamheden opgenomen. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien de genoemde werken of werkzaamheden niet leiden tot een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige waarden. Deze waarden zijn in de planregels per bestemming en aanduiding nader omschreven. Het vergunningvereiste is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak, het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen of reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. Het begrip "normale onderhoud en/of de normale exploitatie" is een in de ruimtelijke ordening gebruikelijk begrip en voorts is het begrip "normale onderhoudswerkzaamheden" in de planregels en in de plantoelichting omschreven. Zo vallen hieronder alle reguliere werkzaamheden, zolang daarbij geen onherstelbare aantasting van de aan een gebied toegekende waarde plaatsvindt, zoals ook in artikel 1, lid 1.67, van de planregels is bepaald. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze omschrijving zo onduidelijk is dat het omgevingsvergunningstelsel in strijd moet worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Gelet op voornoemde uitzonderingen van de vergunningplicht, ziet de Afdeling in hetgeen ZLTO heeft aangevoerd ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daarbij onvoldoende blijk heeft gegeven van een zorgvuldige afweging van de belangen die zijn betrokken bij de bescherming van de aanwezige waarden en de bedrijfsbelangen. Het betoog faalt.
  110. ZLTO betoogt dat de raad de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat voor de bescherming van de struweelvogels en dassen in het plan geen noodzaak bestaat. Bovendien genieten struweelvogels en dassen op grond van de regeling inzake de groenblauwe mantel in de Verordening 2012 voldoende bescherming. 12.
  111. De raad stelt zich op het standpunt dat de in de provinciale Interimstructuurvisie Noord-Brabant aangewezen weidevogel-, struweelvogel- en dassenleefgebieden veelal geen deel uitmaken van de in de Verordening 2012 aangewezen groenblauwe mantel. Dat wil niet zeggen dat de leefgebieden daarmee niet meer aanwezig zijn, zodat de raad ervoor heeft gekozen om ook de leefgebieden die zijn gelegen buiten bedoelde groenblauwe mantel in het plan op te nemen. 12.
  112. De Afdeling stelt vast dat aan een gedeelte van het plangebied de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" en aan een gedeelte van het plangebied de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" is toegekend. De raad heeft zich voor de regeling ter bescherming van het leefgebied van de dassen en de struweelvogels gebaseerd op het vorige plan, waarin deze leefgebieden ook een differentiatievlak toegekend hadden gekregen, de Interimstructuurvisie Noord-Brabant en de Paraplunota ruimtelijke ordening. Dit toenmalige provinciale beleid heeft de raad in zoverre tot het zijne gemaakt. Niet in geschil is dat de gebieden in kwestie op de bij de Paraplunota behorende kaart "Zonering van het buitengebied" zijn aangeduid als leefgebied van struweelvogels onderscheidenlijk dassen. De begrenzingen van de gebieden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" vallen niet overal samen met de begrenzing van de in het plan toegekende gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel". Dat voor de bescherming van deze waarden, voor zover deze waarden zijn toegekend aan de gronden buiten de groenblauwe mantel, op grond van de Verordening 2012 geen aanleiding bestaat, maakt niet dat de raad ter bescherming van de dassen en struweelvogels geen regeling in het plan heeft mogen opnemen. ZLTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij vaststelling van de planregeling ter bescherming van het leefgebied van struweelvogels en dassen hieraan een te groot gewicht heeft toegekend. Het betoog faalt.
  113. ZLTO betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om burgerwoningen toe te staan. Zij voert aan dat nieuwe woningen kunnen leiden tot belemmering van de uitbreidingsmogelijkheden van de in het plangebied gevestigde agrarische bedrijven. Zij verzoekt om in het plan te waarborgen dat slechts kan worden meegewerkt aan het toestaan van een nieuwe woning indien de woning geen belemmering kan vormen voor de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. Ter zitting heeft ZLTO toegelicht dat zij doelt op de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder g, van de planregels. 13.
  114. Ingevolge artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en: g. het functietype "agrarisch bedrijf", "agrarisch verwant bedrijf" of het functietype "bedrijf" wijzigen in het functietype "wonen", waarbij onder meer de voorwaarde is gesteld dat alle bedrijfsactiviteiten moeten zijn beëindigd; h. bestaande woningen/hoofdgebouwen met het functietype "wonen" onder voorwaarden splitsen in maximaal twee woningen. In lid 3.9, onder 3.9.2, is bepaald dat een in 3.9.1 genoemde wijziging slechts kan worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: b. de milieusituatie; er dient sprake te zijn van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid; d. het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt. Ingevolge artikel 1, lid 1.61, wordt onder milieuhygiënische uitvoerbaarheid verstaan een overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid et cetera aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, onder andere zodat omliggende bedrijven niet onnodig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. 13.
  115. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de hiervoor weergegeven wijzigingsbevoegdheid, gezien de daaraan verbonden voorwaarden, slechts beperkt kan worden toegepast. Volgens de raad is met het bepaalde in lid 3.9, onder 3.9.2, bovendien voldoende gewaarborgd dat deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast als de bedrijfsvoering van de agrarische bedrijven in de omgeving daarvan geen onevenredige belemmering ondervindt. Hetgeen ZLTO heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hiervan bij de planvaststelling niet heeft kunnen uitgaan. Het betoog faalt. Conclusie 13.
  116. In hetgeen ZLTO heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" en "milieuzone - 250m cluster woningen" en de plandelen met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de gronden die op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied liggen, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In hetgeen ZLTO voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat de in lid 18.3, onder 18.3.3, sub c, lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van werken en/of werkzaamheden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 13.
  117. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
  118. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellante sub 15]
  119. [ appellante sub 15] voert aan dat in de Verordening 2012 alleen ten aanzien van percelen die in een verwevingsgebied liggen de eis wordt gesteld dat uitbreiding van een intensieve veehouderij uitsluitend mag plaatsvinden op een duurzame locatie. Zij betoogt dat het voorliggende plan ten onrechte deze eis ook stelt ten aanzien van percelen die in een landbouwontwikkelingsgebied liggen. 15.
  120. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. 15.
  121. [appellante sub 15] heeft geen zienswijze bij de raad naar voren gebracht over het ontwerpplan. Aan het perceel [locatie 1] te Heeswijk-Dinther, waar [appellante sub 15] een varkenshouderij exploiteert, is de bestemming "Agrarisch" toegekend. In artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, sub 2, van de planregels is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf kan vergroten, onder de voorwaarde dat sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’. In het ontwerpplan was aan het perceel [locatie 1] eveneens de bestemming "Agrarisch" toegekend en was in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, sub 2, van de planregels dezelfde voorwaarde opgenomen. De begripsomschrijving van ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ is ten opzichte van het ontwerpplan niet gewijzigd vastgesteld. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellante sub 15] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij heeft nagelaten om een zienswijze tegen dit planonderdeel naar voren te brengen. Het beroep van [appellante sub 15] steunt in zoverre niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Het beroep van [appellante sub 15] is in zoverre niet-ontvankelijk.
  122. [ appellante sub 15] voert aan dat lid 27.6 van artikel 27 van de planregels wel in het vastgestelde plan, maar niet in het ontwerpplan was opgenomen. Uit het besluit tot vaststelling van het plan blijkt volgens haar niet dat de raad heeft besloten om dit artikellid aan de planregels toe te voegen. Lid 27.6 maakt daarom geen deel uit van het vastgestelde plan, aldus [appellante sub 15] 16.
  123. Ingevolge artikel 27, lid 27.6, van de planregels zijn ter plaatse van de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" specifieke regels van toepassing die zijn opgenomen bij: 3.9.1 onder d, 4.9.1 onder d, 5.9.1 onder c, 6.9.1 onder c, 7.9.1 onder c. 16.
  124. In het ontwerpplan was de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" en het daarop van toepassing zijnde artikel 27, lid 27.6, van de planregels niet opgenomen. Evenmin waren in het ontwerpplan vergelijkbare regels opgenomen. In de bijlage ‘Ambtshalve wijzigingen algemeen’, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, staat onder nummer 34 het volgende: "In de regels zijn aanvullende criteria van een duurzame locatie (1.000 meter tot kernen en 250 meter tot clusters van woningen) niet opgenomen. Noch zijn deze criteria in de begripsomschrijving van duurzame locatie opgenomen. Een en ander is hersteld". Hieruit volgt dat de raad heeft besloten om voormelde aanduidingen en planregels vast te stellen. Het betoog faalt.
  125. [ appellante sub 15] betoogt dat de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" die op het perceel [locatie 1] rust ten onrechte een uitbreiding van de daar gevestigde intensieve veehouderij onmogelijk maakt. Zij voert aan dat artikel 9.4 van de Verordening 2012 niet in de weg staat aan een uitbreiding. 17.
  126. Aan het perceel [locatie 1] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "milieuzone - 1000m kernen" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:
  127. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’); (…). Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat: (…);
  128. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen"; (…). 17.
  129. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.
  130. In hetgeen [appellante sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 1] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  131. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 29]
  132. [ appellant sub 29] kan zich niet verenigen met de aanduiding "milieuzone - 250m cluster woningen" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te Heeswijk-Dinther. Hij betoogt dat de uitbreidingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij op het perceel hierdoor ten onrechte worden beperkt. 20.
  133. Aan het perceel [locatie 2] zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en, voor het zuidelijke deel van het perceel, "milieuzone - 250m cluster woningen" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor: (…); f. agrarisch grondgebruik; g. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:
  134. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype 'agrarisch bedrijf'); (…). Ingevolge lid 5.9, onder 5.9.1, aanhef en onder c, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat: (…);
  135. sprake is van een "duurzame locatie intensieve veehouderij" en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als 'milieuzone - 250m cluster woningen' en 'milieuzone - 1000m kernen';
  136. de oppervlakte van het bouwvlak, mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt; (…). 20.
  137. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduiding "milieuzone - 250m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.
  138. [ appellant sub 29] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Waarde - Archeologie 3" voor zijn gronden aan de [locatie 2] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad onderzoek had moeten verrichten naar de archeologische waarden van deze gronden, te meer nu het door de in het verleden gedane bodemingrepen ter plaatse van de bestaande bebouwing niet aannemelijk is dat daar nog archeologische resten aanwezig zijn. 21.
  139. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 29] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat binnen het bouwvlak, waaraan nagenoeg geheel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, bebouwing staat. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt. 21.
  140. Voor zover de raad de dubbelbestemming aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 29] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.
  141. In hetgeen [appellant sub 29] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "milieuzone - 250m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 2] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. In hetgeen [appellant sub 29] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 2], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  142. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 37]
  143. [ appellant sub 37] exploiteert een intensieve veehouderij op onder meer het perceel [locatie 3]. Hij voert aan dat het gebied waarin zijn perceel ligt in de Verordening 2012 is aangewezen als verwevingsgebied. Hij betoogt dat in het voorliggende plan uitdrukkelijk moet worden bepaald welke percelen in een verwevingsgebied liggen. [appellant sub 37] betoogt verder dat het plan ten onrechte voorziet in verdergaande beperkingen van de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen dan in de Verordening 2012 daaraan worden gesteld. Hiertoe voert [appellant sub 37] aan dat zijn bouwvlak op grond van de Verordening 2012 mag worden uitgebreid tot 1,5 ha. De beperking van deze uitbreidingsmogelijkheid in artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 3, van de planregels is niet gerechtvaardigd, noch gemotiveerd. Hij voert aan dat het provinciebestuur de belangen die de raad beoogt te beschermen reeds heeft afgewogen bij het vaststellen van de Verordening
  144. Voorts voert [appellant sub 37] hiertoe aan dat in het plan ten onrechte is bepaald dat zijn perceel niet als duurzame locatie kan worden aangemerkt nu het perceel is voorzien van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen". Uit artikel 9.3, tweede lid, onder a tot en met c, van de Verordening 2012 volgt dat sprake is van een duurzame locatie als aan de in die bepalingen geformuleerde voorwaarden is voldaan. In een bestemmingsplan mogen volgens hem geen nadere eisen worden gesteld aan dit begrip. Ook betoogt [appellant sub 37] dat de in het plan aangehouden afstanden tot kernen en clusters van woningen willekeurig zijn en onvoldoende onderbouwd. [appellant sub 37] betoogt dat in artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, punt 6, van de planregels ten onrechte de eis wordt gesteld dat voor de uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij een gezondheidseffectscreening moet worden uitgevoerd. In dit verband voert hij aan dat op rijksniveau wordt gewerkt aan een toetsingskader ten aanzien van de uitstoot van micro-organismen dat in acht moet worden genomen bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning. De raad loopt ten onrechte hierop vooruit. Ook stelt [appellant sub 37] dat dit aspect niet in het ruimtelijke spoor, maar in het milieuspoor, bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, moet worden beoordeeld. 24.
  145. Aan het perceel [locatie 3] zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "milieuzone - 1000m kernen" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor: (…); f. agrarisch grondgebruik; g. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:
  146. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf'); (…). Ingevolge artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, aanhef en onder c, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat: (…);
  147. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";
  148. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt; (…);
  149. een individuele Gezondheidseffectscreening wordt uitgevoerd indien de afstand tot het functietype 'wonen', 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' en 'specifieke vorm van wonen - beperkte inhoudsmaat' minder dan 250 m bedraagt, waaruit dient te blijken dat de risico's voor de volksgezondheid aanvaardbaar zijn; (…). 24.
  150. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10 % van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing. Ingevolge het tweede lid blijkt uit de toelichting bij een bestemmingsplan ten aanzien van een duurzame locatie als bedoeld in het eerste lid, onder b en d, dat: a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse; b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte; c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is. 24.
  151. Het perceel [locatie 3] ligt op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een verwevingsgebied. 24.
  152. Op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" zijn verwevingsgebieden aangeduid en in de Verordening 2012 zijn regels gesteld die betrekking hebben op deze gebieden. Uit de Verordening 2012 volgt geen verplichting tot het aanduiden van verwevingsgebieden op de verbeelding van een bestemmingsplan of het uitdrukkelijk aanwijzen van verwevingsgebieden in de planregels. Voor het oordeel dat het plan in zoverre gebrekkig is, bestaat dan ook geen aanleiding. Het betoog faalt. 24.
  153. De Afdeling stelt voorop dat het de raad in beginsel vrijstaat om verdergaande beperkingen te stellen aan de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen in een verwevingsgebied dan de beperkingen die zijn opgenomen in artikel 9.3 van de Verordening
  154. 24.5.
  155. De raad acht het toestaan van uitbreidingen van intensieve veehouderijen met meer dan 25% van de oppervlakte van het bouwvlak tot maximaal 1,5 ha niet wenselijk, omdat een dergelijke uitbreiding kan leiden tot een grootschalige uitbreiding, wat gepaard kan gaan met ongewenste ruimtelijke gevolgen zoals geurhinder. Dit standpunt van de raad acht de Afdeling niet onredelijk. Het betoog ten aanzien van artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 3, van de planregels, faalt. 24.
  156. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust de keuze van de raad om te bepalen dat ter plaatse van de gronden met de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" geen uitbreidingen van intensieve veehouderijen toe te staan niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt. 24.
  157. Ten aanzien van het betoog met betrekking tot artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 6, van de planregels, wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd. 24.
  158. Uit de planregels blijkt niet wat onder een gezondheidseffectscreening als bedoeld in artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 6, van de planregels moet worden verstaan. Onduidelijk is welke aspecten in een gezondheidseffectscreening moeten worden onderzocht en aan welke eisen een gezondheidseffectscreening moet voldoen. Zoals de raad heeft erkend, was ten tijde van de vaststelling van het plan geen handreiking of beoordelingskader beschikbaar voor het onderzoeken en beoordelen van de risico’s voor de volksgezondheid vanwege intensieve veehouderijen. Daarnaast staat in het GGD-advies dat een gezondheidseffectscreening is bedoeld voor inventarisaties op gebiedsniveau en niet voor individuele bedrijfsontwikkelingen. Verder is onduidelijk wanneer sprake is van een aanvaardbaar risico voor de volksgezondheid. De wijzigingsvoorwaarde is daarom niet objectief begrensd en derhalve rechtsonzeker. Het betoog slaagt.
  159. [ appellant sub 37] betoogt dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor zijn perceel [locatie 3] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat door in het verleden gedane bodemingrepen ter plaatse geen archeologische resten meer aanwezig zijn. 25.
  160. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 37] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met hoge archeologische waarde en verwachting onderscheidenlijk een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 3], waaraan nagenoeg geheel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en voor het overige gedeelte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, bebouwing staat. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt. 25.
  161. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 37] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.
  162. In hetgeen [appellant sub 37] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 3] en de vaststelling van artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 6, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb onderscheidenlijk met het rechtszekerheidsbeginsel. In hetgeen [appellant sub 37] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 3], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  163. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Instandlaten rechtsgevolgen
  164. De Afdeling zal bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het betreft de vaststelling van artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 6, van de planregels, in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende. 28.
  165. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de risico’s voor de volksgezondheid vanwege intensieve veehouderijen alsnog kunnen worden beoordeeld aan de hand van het "Aanvullend toetsingsinstrument, Een risico-inventarisatie en -evaluatie voor gezondheid bij veehouderij" van september 2013, dat is opgesteld door het Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland (hierna: het Toetsingsinstrument). 28.
  166. Het Toetsingsinstrument is een instrument waarmee de gemeente gezondheidsrisico's kan afwegen in de besluitvorming over ontwikkelingen in de veehouderij. Het toetsingsinstrument is uitgewerkt als een risico-inventarisatie en -evaluatie met handvatten voor te nemen maatregelen. Bij de toepassing maakt de gemeente - afhankelijk van de lokale omstandigheden en het aantal blootgestelde omwonenden - een afweging of de ontwikkeling passend is. Het Toetsingsinstrument bestaat uit een checklist met verschillende gezondheidkundige criteria waaraan uitbreidingen van veehouderijen kunnen worden beoordeeld. De checklist heeft betrekking op de aspecten geur, fijn stof en zoönosen. Ook de aspecten landschappelijke inpassing en transport zijn hierin betrokken. In de checklist is per aspect de oorzaak/activiteit, uitstoot, verspreiding, blootstelling en effect beschreven. Vervolgens zijn maatregelen vermeld die getroffen kunnen worden om de belasting vanwege dat aspect te verminderen. 28.
  167. Het Toetsingsinstrument bevat maatregelen die van belang zijn voor en die kunnen worden meegewogen bij de beoordeling of een uitbreiding van een intensieve veehouderij aanvaardbaar kan worden geacht vanuit het oogpunt van volksgezondheid. De afweging of dat het geval is, dient echter vervolgens te worden gemaakt door de raad, zo volgt uit het Toetsingskader. Het Toetsingskader bevat daarom geen normen waaruit kan worden afgeleid wanneer een uitbreiding aanvaardbaar kan worden geacht. De Afdeling acht het Toetsingsinstrument daarom niet geschikt om te kunnen dienen als gezondheidseffectscreening als bedoeld in artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, punt 6, van de planregels. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen op dit punt in stand te laten. Het beroep van [appellant sub 32]
  168. [ appellant sub 32] kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor zijn perceel [locatie 4]-[locatie 5] te Loosbroek. Hij betoogt dat de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan het perceel moet worden toegekend, omdat zijn perceel op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied ligt. Hij voert aan dat in een gelijk geval, te weten het perceel Kampweg 41, ook deze bestemming is toegekend. Daarnaast voert [appellant sub 32] aan dat de raad ten onrechte een afstand aanhoudt van 1.000 m tot een kern en 250 m tot een cluster van woningen, waarbinnen een uitbreiding van een intensieve veehouderij niet is toegestaan. Hij betoogt dat de raad het hanteren van deze afstanden onvoldoende heeft gemotiveerd. Hiertoe voert hij aan dat uit het rapport van de GGD niet volgt dat dergelijke afstanden vanuit het oogpunt van volksgezondheid moeten worden aangehouden. [appellant sub 32] wijst erop dat in het rapport van de GGD enkel wordt geadviseerd om een afstand van 250 m ten opzichte van een woonwijk aan te houden bij nieuwvestiging van een intensieve veehouderij. Ook stelt hij dat het rapport slechts een screening is en geen uitvoerig onderzoek. Verder voert hij aan dat onduidelijk is wat onder een cluster van woningen moet worden verstaan. [appellant sub 32] betoogt dat de door de raad opgelegde beperking ten aanzien van de uitbreiding van een intensieve veehouderij ten onrechte strenger is dan de beperkingen die in de Verordening 2012 daaraan worden gesteld. 29.
  169. Aan het perceel [locatie 4]-[locatie 5] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak" toegekend. Daarnaast is aan het westelijke deel van het perceel de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" en aan de zuidoostelijke hoek van het perceel de aanduiding "milieuzone - 250m cluster woningen" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:
  170. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’). (…). Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat: (…);
  171. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen"; (…). 29.
  172. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduidingen "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt. 29.
  173. Het perceel [locatie 5] ligt op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied. In het voorliggende plan is de bestemming "Agrarisch" in plaats van de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan het perceel toegekend. De ligging van het perceel in een landbouwontwikkelingsgebied betekent niet dat de raad op grond van de Verordening 2012 gehouden is om de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" met bijbehorende uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen onverkort toe te kennen. De raad heeft in dit geval ervoor gekozen de intensieve veehouderij op het perceel geen uitbreidingsmogelijkheden te bieden door de aanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" en "milieuzone - 250m cluster woningen" aan het perceel en de daaraan grenzende gronden toe te kennen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.4., berust deze keuze van de raad niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.
  174. In hetgeen [appellant sub 32] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 4]-[locatie 5] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  175. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 36]
  176. [ appellant sub 36] betoogt dat de raad de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aan de [locatie 6] te Nistelrode ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat niet alle (bedrijfs)gebouwen en kuilvoeropslagen in overeenstemming met de tekening die als bijlage bij de melding als bedoeld in het toenmalige Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Blm) is bijgevoegd, binnen het bouwvlak zijn opgenomen. 32.
  177. De raad stelt zich op het standpunt dat de legale bebouwing binnen het bouwvlak ligt. 32.
  178. Het perceel [locatie 6] heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" en onder meer de aanduidingen "agrarisch bedrijf" en "bouwvlak". Ingevolge artikel 1, lid 1.24, van de planregels wordt onder bouwwerk verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor: (…); g. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder: (…);
  179. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf", en tevens ter plaatse van de aanduidingen "bomenteelt" of "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’); (…). Ingevolge lid 5.2 mogen op de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat: a. gebouwen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak; b. buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 m; (…). Ingevolge artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.3, aanhef en sub b, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in lid 5.1 waaronder in ieder geval wordt verstaan het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering. 32.
  180. De raad heeft bij het aanpassen van het bouwvlak naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 36] rekening gehouden met de in 2002 vergunde situatie, waarbij het bouwvlak is vergroot tot een omvang van ongeveer 7.000 m². Voor zover [appellant sub 36] heeft aangevoerd dat niet alle (bedrijfs)gebouwen en voeropslagen in overeenstemming met de tekening die als bijlage bij de in 2007 gedane melding in het kader van het Blm is aangeleverd binnen het bouwvlak staan, is van belang dat aan een acceptatie van een dergelijke melding geen planologische betekenis toekomt. [appellant sub 36] heeft niet aannemelijk gemaakt dat legaal opgerichte gebouwen buiten het bouwvlak staan. Gelet op artikel 5, lid 5.2, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.24, van de planregels, zijn de buiten het bouwvlak aangebrachte kuilvoerplaten, die zijn aan te merken als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, toegestaan. Voorts vindt voeropslag in het kader van de normale bedrijfsvoering van de melkveehouderij van [appellant sub 36] plaats, zodat artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.3, aanhef en sub b, van de planregels niet aan dit gebruik in de weg staat. Het betoog faalt.
  181. [ appellant sub 36] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" aan de [locatie 6] ten onrechte heeft vastgesteld. De strook waaraan de bestemming "Natuur" volgens [appellant sub 36] zou zijn toegekend is in eigendom bij [appellant sub 36] en voor agrarische doeleinden in gebruik, hetgeen, net als bij het perceel [locatie 7], dient te worden gerespecteerd. Een ecologische verbindingszone is volgens haar beter op zijn plaats bij de noordelijk gelegen houtwal van Staatsbosbeheer en de Groldersedijk, die tot de EHS behoren. 33.
  182. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden van [appellant sub 36] niet de bestemming "Natuur" hebben. De ligging en de maatvoering van het zoekgebied van de ecologische verbindingszone vloeit voort uit de Verordening
  183. 33.
  184. Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een zoekgebied voor ecologische verbindingszone tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone waarbij dat zoekgebied een breedte heeft van: a. ten minste 50 m in bestaand stedelijk gebied en zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, en b. ten minste 25 m in alle overige gebieden. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, stelt een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid regels ten aanzien van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk. 33.
  185. Aan een gedeelte van het perceel [locatie 6] is de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder p, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone". Ingevolge lid 5.7, onder 5.7.1, aanhef en sub a, is het verboden zonder een omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² aan te brengen. Ingevolge het bepaalde onder 5.7.2 is het in 5.7.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak; b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. 33.
  186. De Afdeling stelt mede aan de hand van het verweerschrift en het deskundigenbericht vast dat aan de gronden van [appellant sub 36] op het perceel [locatie 6] niet de bestemming "Natuur" is toegekend. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. De aan het perceel [locatie 7] in het ontwerpplan toegekende natuurbestemming is in het vastgestelde plan gewijzigd in een agrarische bestemming. Omdat aan het perceel [locatie 6] geen natuurbestemming maar een agrarische bestemming is toegekend, faalt het betoog dat de raad ten opzichte van het perceel [locatie 7] op dit punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld reeds hierom. 33.
  187. De Afdeling stelt vast dat de gronden van het perceel [locatie 6] in de Verordening 2012 gedeeltelijk zijn aangewezen als zoekgebied voor een ecologische verbindingszone, hetgeen de raad bij de vaststelling van het plan terecht in acht heeft genomen. Om te voldoen aan de bijbehorende algemene regels heeft de raad aan deze gronden de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" toegekend, waarvoor in de planregels in artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.1, aanhef en onder a, het vereiste van een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² is opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Daarbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu aan het perceel tevens de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" is toegekend, en werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak en betreffende het normale onderhoud en/of normale exploitatie van de gronden zijn uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht als bedoeld in artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.1, van de planregels. Het betoog faalt.
  188. [ appellant sub 36] betoogt dat de raad het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Wijstgebieden" aan de [locatie 6] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat het perceel niet op de zogenoemde Peelrandbreuklijn ligt, zodat dit geen zogenoemd wijstgebied is. De raad verwijst ter motivering naar een provinciale kaart, maar die heeft niet met het ontwerpplan ter inzage gelegen. 34.
  189. De raad stelt zich op het standpunt dat het invloedsgebied van de Peelrandbreuk verder strekt dan alleen de gronden direct grenzend aan de Peelrandbreuk. De in het vorige plan aangewezen wijstgronden waren aangeduid als "geologisch/geomorfologisch waardevol" en zijn in het voorliggende plan vertaald in de aanduiding "Waarde - Wijstgebieden". De begrenzing hiervan is in overeenstemming met de provinciale kaart. Dit provinciale beleid heeft de raad in zoverre tot het zijne gemaakt. 34.
  190. Aan een gedeelte van het perceel [locatie 6] is de dubbelbestemming "Waarde - Wijstgebieden" toegekend. Ingevolge artikel 1, lid 1.99, van de planregels wordt onder wijstgebied verstaan: gebied waarin het grondwater als gevolg van een slecht doorlatende kleilaag langs een breukzone in een opwaartse beweging aan de oppervlakte komt. Ingevolge artikel 23, lid 23.1, zijn de voor "Waarde - Wijstgebieden" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en herstel van de wijstgronden, zijnde een besloten landschapsbeeld door de aanwezigheid van bosjes, elzensingels en knotwilgen met de aanwezigheid van kleine slootjes in de singels. Ingevolge lid 23.2, onder 23.2.1, mag op de voor "Waarde - Wijstgebieden" aangewezen gronden, met uitzondering van de bouwvlakken, niet worden gebouwd. Ingevolge lid 23.3, onder 23.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten anders dan een bouwwerk. Ingevolge het bepaalde onder 23.3.2 is het onder 23.3.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen; b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan. Ingevolge het bepaalde onder 23.3.3 kan een onder 23.3.1 genoemde vergunning slechts worden verleend indien de werken en/of werkzaamheden dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen niet in strijd zijn met het plan. Ingevolge artikel 30, lid 30.2, geldt waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. 34.
  191. Blijkens de plantoelichting valt het grondwatersysteem door de aanwezigheid van de Peelrandbreuk in twee delen uiteen. Op het relatief hooggelegen deel Peelhorst komen op geringe diepte slecht doorlatende lagen voor, waardoor het water langs de randen van de Peelhorst afstroomt. Door een slecht doorlatende kleilaag langs de Peelrandbreuklijn wordt het grondwater van de Peelhorst opgestuwd. De gronden met dit verschijnsel zijn op de structuurvisiekaart bij het "Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015" (hierna: Provinciaal Waterplan) opgenomen en aangewezen als "projectgebieden wijst". Een gedeelte van de gronden van [appellant sub 36] waaraan de medebestemming "Waarde - Wijstgebieden" is toegekend, behoren tot dit als "projectgebieden wijst" aangewezen gebied, waaraan de raad in redelijkheid belang heeft mogen toekennen. Dat de gronden van [appellant sub 36] niet op de Peelrandbreuk liggen, leidt gelet op het voorgaande niet tot het oordeel dat deze gronden niet als wijstgebied kunnen worden aangemerkt. Ter bescherming van de wijstgebieden heeft de raad een bouwverbod, met uitzondering van de bouwvlakken, en een omgevingsvergunningstelsel voor het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten, anders dan een bouwwerk, in het plan opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Voor zover [appellant sub 36] zich op het standpunt stelt dat het Provinciaal Waterplan en de daarbij behorende structuurvisiekaart ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd - wat daar ook van zij -, wordt overwogen dat dit openbare stukken zijn die niet in het kader van deze procedure zijn opgesteld. Deze stukken hoefde de raad daarom niet op de voet van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerpplan ter inzage te leggen. Het betoog faalt.
  192. [ appellant sub 36] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 36] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
  193. Het beroep van [appellant sub 36] is ongegrond.
  194. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 6]
  195. [ appellant sub 6] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "recreatiewoning" op het perceel [locatie 8] te Loosbroek ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het gebruik van de woning voor permanente bewoning op het perceel sinds 1993 en voor de inwerkingtreding van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 was aangevangen, zodat dit gebruik onder het overgangsrecht van dat plan viel, hetgeen het college van burgemeester en wethouders bij brief van 10 december 1998 eveneens heeft erkend. In de brief van 14 juli 2011 staat bovendien dat het gebruik van de woning voor permanente bewoning mag worden voortgezet. Omdat het gebruik wederom ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, had een woonbestemming moeten worden toegekend. 38.
  196. De raad stelt zich op het standpunt dat in de brief van 14 juli 2011 is gewezen op de mogelijkheid van persoonsgebonden overgangsrecht voor permanente bewoning van de recreatiewoning. Om deze reden is artikel 3, lid 3.6, onder 3.6.1, sub g, van de planregels opgenomen. 38.
  197. Het perceel [locatie 8] heeft de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "recreatiewoning" en "bouwvlak". Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor recreatieve functies (functietype ‘recreatie’) ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de in bijlage 1 opgenomen Lijst van functieaanduidingen Agrarisch en overeenkomstig de omschreven aard/functie van de bebouwing in de ‘Tabel functietype ‘Recreatie’. In bijlage 1 is bij de ‘Tabel functietype ‘Recreatie’ en de aanduiding "recreatiewoning" een recreatiewoning opgenomen. Ingevolge lid 3.5, onder 3.5.3, aanhef en sub e, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in lid 3.1, waaronder in ieder geval wordt verstaan het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning. Ingevolge lid 3.6, onder 3.6.1, aanhef en sub g, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde onder 3.5.3, aanhef en sub e, en toestaan dat de recreatiewoning wordt gebruikt voor permanente bewoning, mits de permanente bewoning reeds bestond op 31 oktober 2002, onder de voorwaarde dat de permanente bewoning dient te eindigen bij vertrek van de ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezige bewoner. Ingevolge artikel 31, lid 31.4, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, worden voortgezet naar die aard en omvang, behoudens voor zover uit de Vogel- en Habitatrichtlijnen (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 en richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992) beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan bestaand gebruik. Ingevolge lid 31.7 is het bepaalde in lid 31.4 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 38.
  198. Ingevolge artikel 25, tweede lid, van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 geldt het in artikel 26a en 26b bepaalde met betrekking tot ander gebruik van de gronden dan bouwen en het gebruik van opstallen niet voor zover het van de bestemming afwijkende gebruik reeds plaatsvond voor de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen. Ingevolge artikel 26a, eerste lid, is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden. 38.
  199. In de brief van het college van burgemeester en wethouders van 10 december 1998 staat dat het gebruik van de recreatiewoning op het perceel [locatie 8] voor permanente bewoning reeds onder de bescherming van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 viel. De Afdeling stelt vast dat het gebruik voor permanente bewoning wederom onder het overgangsrecht van het voorliggende plan is gebracht. Voor het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van gebruik is in een geval als dit vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd, hetgeen niet aannemelijk is gemaakt. Gelet hierop stond het de raad niet vrij het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij alsnog zal bezien of de permanente bewoning van de recreatiewoning als zodanig kan worden bestemd. Nu de raad in het kader van de vaststelling van het plan niet stil heeft gestaan bij de vraag of de permanente bewoning van de recreatiewoning als zodanig had kunnen worden bestemd door middel van het toekennen van een woonbestemming, dan wel of voor het gebruik voor permanente bewoning niet een uitsterfregeling in het plan had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen en in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. Voor zover de raad wijst op de in artikel 3, lid 3.6, onder 3.6.1, aanhef en sub g, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van permanente bewoning van recreatiewoningen, kan dit aan het voorgaande niet afdoen, omdat de daaraan te ontlenen rechten minder ver reiken dan die welke ontleend kunnen worden aan een positieve bestemming of een uitsterfregeling bij recht. Het betoog slaagt. 38.
  200. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "recreatiewoning" op het perceel [locatie 8] te Loosbroek, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 38.
  201. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
  202. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 47]
  203. Over het betoog van de raad dat het beroep van [appellant sub 47], voor zover gericht tegen de aanduiding "agrarisch bedrijf" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] te Nistelrode, voor zover niet is uitgesloten dat één agrarisch bedrijf is toegestaan, niet-ontvankelijk is omdat hij dit niet in de zienswijze heeft aangevoerd, wordt als volgt overwogen. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat er geen rechtsregel aan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. [appellant sub 47] heeft in de zienswijze aangevoerd dat de raad ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan het verzoek tot bouwvlakvergroting ten behoeve van zijn intensieve veehouderij, waarover ten tijde van het indienen van de zienswijze nog een ontheffingsprocedure liep bij de provincie. Gelet hierop steunt het beroep van [appellant sub 47], voor zover gericht tegen de aanduiding "agrarisch bedrijf", ter plaatse waarvan geen intensieve veehouderij is toegestaan, op een naar voren gebrachte zienswijze. Het beroep is in zoverre ontvankelijk.
  204. [ appellant sub 47] betoogt dat de raad de aanduidingen "agrarisch bedrijf" en "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover niet wordt voorzien in de uitbreiding van een intensieve veehouderij tot een omvang van meer dan 1,5 ha. Daartoe voert hij aan dat hij ter plaatse een intensieve veehouderij exploiteert, nu de koeien jaarrond op stal worden gehouden. Het college van burgemeester en wethouders heeft voorts toegezegd planologische medewerking te zullen verlenen aan de voorgenomen uitbreiding. Het college van gedeputeerde staten heeft de ontheffing op grond van artikel 9.6 van de Verordening 2011 ten onrechte geweigerd omdat sprake zou zijn van nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. Daarnaast is het gemeentelijk landbouwbeleid zoals verwoord in de plantoelichting in strijd met de Verordening 2012 en het reconstructieplan Maas en Meijerij. [appellant sub 47] betoogt voorts dat de raad de aanduiding "agrarisch bedrijf" ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover niet is uitgesloten dat meer dan één agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] is toegestaan. 41.
  205. De raad stelt zich onder verwijzing naar de Verordening 2012 en de Handreiking Verordening Ruimte en Grondgebonden Melkrundveehouderij op het standpunt dat ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd. Voorts staat het plan niet in de weg aan de beoogde uitbreiding van de melkrundveehouderij met 200 melkkoeien. De raad stelt zich verder op het standpunt dat per bouwvlak slechts één agrarisch bedrijf is toegestaan. 41.
  206. Het perceel [locatie 9]-[locatie 10] heeft de bestemming "Agrarisch". Voor het perceel is één gezamenlijk bouwvlak op de verbeelding opgenomen met onder meer de aanduiding "agrarisch bedrijf". Ingevolge artikel 1, lid 1.7, van de planregels wordt in de planregels onder agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis. Met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt. Ingevolge lid 1.40 wordt onder een grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Ingevolge lid 1.47 wordt onder intensief veehouderijbedrijf verstaan: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten-, of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, almede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden (melk)rundveehouderij. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:
  207. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);
  208. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf", en tevens ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’) en ter plaatse van de aanduiding "bomenteelt" (functietype ‘agrarisch bedrijf’); (…). Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.2, aanhef en sub f, geldt voor bouwwerken ten dienste van een agrarisch bedrijf (functietype ‘agrarisch bedrijf’) dat er uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van een doelmatig, reëel agrarisch bedrijf waarbij geldt dat overtollige of leegstaande bebouwing en reeds verstrekte vergunningen worden betrokken bij de beoordeling van de doelmatigheid en de noodzaak van de bebouwing. 41.
  209. Wat betreft het betoog dat ten onrechte niet is voorzien in de uitbreiding van het bouwvlak tot 2,5 ha ten behoeve van een intensieve veehouderij is van belang dat het college van gedeputeerde staten bij besluit van 20 december 2011, aldus voor de vaststelling van het plan, heeft geweigerd voor het perceel [locatie 9]-[locatie 10] ontheffing te verlenen van het in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2011 vervatte verbod op uitbreiding van een bouwblok tot meer dan 1,5 ha ten behoeve van een intensieve veehouderij. Bij uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014, in zaak nr. 201211119/1/R3 (www.raadvanstate.nl), is het beroep van [belanghebbende A] hiertegen ongegrond verklaard. Zonder de vereiste ontheffing kon de raad niet voorzien in de door [appellant sub 47] gewenste uitbreiding van het bouwvlak tot 2,5 ha ten behoeve van een intensieve veehouderij zonder in strijd te handelen met provinciale algemene regels. Het betoog faalt. Gelet op het voorgaande behoeft het aangevoerde over het landbouwbeleid en het reconstructieplan Maas en Meijerij geen bespreking. 41.
  210. Het bedrijf viel in de bestaande vorm ten tijde van de vaststelling van het plan onder de werking van het Blm. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 47] in 2009 zijn veebezetting heeft beëindigd en een nieuwe veestapel aan het opbouwen is. Niet in geschil is dat op de landbouwgronden met een omvang van ongeveer 23 ha in de directe omgeving van de huiskavel van [appellant sub 47] prei wordt geteeld. Voorts worden in de stallen ongeveer 45 stuks jongvee gehouden. Gelet hierop heeft de raad in de bedrijfssituatie ten tijde van de planvaststelling in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien de aanduiding "intensieve veehouderij" toe te kennen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat alle melkrundveehouderijen in het plangebied als grondgebonden zijn aangemerkt. De definities van een grondgebonden agrarisch bedrijf en een intensief veehouderijbedrijf in het plan sluiten aan bij de definities daarvan in de Verordening
  211. In de toelichting bij de Verordening 2012 staat over de definitie van intensieve veehouderijen dat grondgebonden melkrundveehouderijen, die daarvan zijn uitgezonderd, in ieder geval melkrundveehouderijen zijn die op de huiskavel en in de directe omgeving voldoende areaal grond ter beschikking hebben voor ruwvoederproductie en weidegang. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de melkrundveehouderij van [appellant sub 47] in de toekomstige bedrijfssituatie, waarin hij ongeveer 200 melkkoeien zal houden die jaarrond op stal zullen staan, niet als intensieve veehouderij dient te worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat hoewel de bedrijfsvoering feitelijk voor een groot deel in gebouwen zal plaatsvinden, wel voldoende gronden bij het bedrijf aanwezig zijn voor ruwvoederproductie en weidegang, zodat het plan niet aan deze uitbreiding in de weg staat. Het betoog faalt. 41.
  212. Wat betreft het betoog dat in het plan niet is uitgesloten dat ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf" binnen de bestemming "Agrarisch" meerdere agrarische bedrijven zijn toegestaan, wordt overwogen dat artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, sub 2, van de planregels ter plaatse een agrarisch bedrijf toestaat, zijnde een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis. Gelet hierop is het exploiteren van meer dan één agrarisch bedrijf op het perceel niet toegestaan. Het betoog faalt.
  213. [ appellant sub 47] betoogt dat binnen het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] ten onrechte geen agrarisch kinderdagverblijf is toegestaan. Daartoe voert hij aan dat een agrarisch kinderdagverblijf geen milieugevoelig object is, omliggende agrarische bedrijven op zodanige afstand liggen dat niet voor beperkingen behoeft te worden gevreesd en hij hiervoor inmiddels een van rechtswege verleende omgevingsvergunning heeft verkregen. 42.
  214. De raad stelt zich op het standpunt dat de vestiging van een agrarisch kinderdagverblijf voor maximaal 36 kinderen kan worden opgevat als het toevoegen van een gevoelig object aan het buitengebied, hetgeen niet wenselijk is. Voor de vaststelling van het plan is voorts niet gebleken van een concreet plan tot oprichting van een kinderdagverblijf. 42.
  215. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) wordt als een geurgevoelig object aangemerkt een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 42.
  216. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Anders dan [appellant sub 47] betoogt, kan een kinderdagverblijf, gezien het verblijf van kinderen op het terrein, worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in de Wgv. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat de toevoeging van geurgevoelige objecten in het buitengebied niet is toegestaan, omdat dit kan leiden tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven, niet onredelijk. Voorts heeft [appellant sub 47] eerst op 25 januari 2013, aldus na de vaststelling van het plan, een aanvraag ingediend voor de oprichting van het agrarisch kinderdagverblijf. Omdat niet is gebleken dat [appellant sub 21] ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een zodanig concreet plan voor de oprichting van het agrarisch kinderdagverblijf bij de gemeente had ingediend, waarmee bij de vaststelling van het plan rekening had kunnen worden gehouden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan ten onrechte niet voorziet in het agrarisch kinderdagverblijf. Het betoog faalt.
  217. [ appellant sub 47] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 47] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
  218. Het beroep van [appellant sub 47] is ongegrond.
  219. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 41]
  220. [ appellant sub 41], die op het perceel [locatie 10] een paardenhouderij exploiteert, richt zich in beroep tegen de aanduiding "agrarisch bedrijf" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] te Nistelrode, voor zover slechts één agrarisch bedrijf is toegestaan. Volgens hem was het voor de raad duidelijk dat ter plaatse twee agrarische bedrijven zijn gevestigd en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2012, in zaak nr. 201201850/1/R4 (www.raadvanstate.nl), voert [appellant sub 41] aan dat hij in zijn beroep ontvankelijk is. 46.
  221. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen h

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.