← Nederland

ECLI:NL:RVS:2014:3481

201210299/1/R3. Datum uitspraak: 24 september 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend, onderscheidenlijk gevestigd te Rijsbergen, 3. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college), 4. [appellant sub 4], wonend te Rijsbergen, en andere, 5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 6. [appellant sub 6], wonend te Achtmaal, gemeente Zundert, 7. [appellant sub 7A], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, en [appellant sub 7B], wonend te Olland, gemeente Sint Oedenrode (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 7]), 8. [appellante sub 8A] en [appellant sub 8B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 8]), gevestigd, onderscheidenlijk wonend te [woonplaats], 9. [appellant sub 9], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 10. [appellant sub 10], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 11. [appellant sub 11], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 12. [appellant sub 12], wonend te Zundert, 13. de vereniging Afdeling Zundert-Rijsbergen van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (hierna: ZLTO), gevestigd te Rijsbergen, gemeente Zundert, 14. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: de BMF), gevestigd te Tilburg, 15. [appellant sub 15A] en [appellante sub 15B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 15]), wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 16. [appellant sub 16], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats], 18. [appellant sub 18], wonend te Wernhout, gemeente Zundert, 19. [appellant sub 19] en anderen, allen wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 20. [appellant sub 20], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 21. [appellant sub 21A], rechtsopvolger van [appellant sub 21B], wonend te Zundert, 22. [appellant sub 22], wonend te Rijsbergen, 23. [appellant sub 23], wonend te Klein Zundert, gemeente Zundert, 24. [appellant sub 24], wonend te Zundert, 25. [appellant sub 25], wonend te Klein Zundert, gemeente Zundert, 26. [appellant sub 26], wonend te Zundert, 27. [appellant sub 27], wonend te Achtmaal, gemeente Zundert, 28. [appellant sub 28], wonend te Zundert, 29. [appellante sub 29], gevestigd te Zundert, 30. [appellant sub 30], wonend te Zundert, 31. [appellant sub 31A] en [appellante sub 31B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 31]), wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 32. [appellant sub 32], wonend te Zundert, 33. [appellante sub 33], gevestigd te Rijsbergen, gemeente Zundert, 34. [appellant sub 34], wonend te Wernhout, gemeente Zundert, 35. [appellante sub 35], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, 36. [appellante sub 36], gevestigd te Rijsbergen, gemeente Zundert, en de raad van de gemeente Zundert, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 4 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hierover heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht. Een aantal appellanten en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10, 11 en 12 februari 2014, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Voorst is daar een aantal derdebelanghebbenden gehoord. Bij besluit van 25 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld en daarmee is het bestemmingsplan "Buitengebied" gedeeltelijk vervangen en gewijzigd. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft een aantal appellanten hun zienswijze over het besluit van 25 februari 2014 naar voren gebracht en heeft een aantal hiertegen afzonderlijk beroep ingesteld. De raad heeft naar aanleiding hiervan een aanvullend verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten. Overwegingen 1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2. Het bij besluit van 4 september 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Zundert. Dit plan is bij besluit van 25 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" vervangen en gewijzigd, voor zover het betreft enkele onderdelen van de planregels. 3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben de beroepen van rechtswege mede betrekking op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Ingevolge het zesde lid staat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg aan de vernietiging van het bestreden besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. Tenzij anders is vermeld, zijn de beroepen niet van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 25 februari 2014. Het beroep van [appellant sub 1] 4. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" ter hoogte van de [locatie 1] te Rijsbergen heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat deze bestemming onevenredig belemmerend is voor zijn boomkwekerij, nu ter plaatse teeltondersteunende voorzieningen slechts zeer beperkt mogelijk zijn, hetgeen feitelijk neerkomt op een bouwstop. Hij voert aan dat de toegekende bestemming niet is gebaseerd op een zorgvuldige belangenafweging en dat de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012) niet dwingt tot deze bestemming. Hij vreest als gevolg van de toegekende bestemming negatieve waterhuishoudkundige gevolgen voor zijn boomkwekerij en dat zijn gronden in waarde zullen dalen. 4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Verordening 2012 in acht moest worden genomen en dat met het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" aan de algemene regels voor de groenblauwe mantel is voldaan. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de agrarische bedrijfsvoering niet onevenredig wordt belemmerd en dat er geen sprake is van een bouwstop. 4.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Beekdal" aangewezen gronden bestemd voor: a. een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik; b. water en waterhuishoudkundige doeleinden; c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden (…) Ingevolge lid 7.2, onder 7.2.3 zijn de regels voor teeltondersteunende voorzieningen: a. permanente teeltondersteunende voorziening zijn niet toegestaan; b. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan en daarvoor gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m; 2. de oppervlakte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen per agrarisch bedrijf bedraagt maximaal 2,5 ha; 3. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogen uitsluitend direct grenzend aan enig bouwvlak worden opgericht. 4.3. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden en stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" ligt binnen een gebied dat in de Verordening 2012 is aangemerkt als groenblauwe mantel. 4.4. De raad diende bij de vaststelling van het plan de Verordening 2012 in acht te nemen en heeft om te voldoen aan de bijbehorende algemene regels voorzien in de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal". Bij deze bestemming zijn onder meer beperkingen gesteld aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Nu op de gronden van [appellant sub 1] met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" een agrarische bedrijfsvoering met boomteelt mogelijk is en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse onder voorwaarden zijn toegestaan ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] door de toegekende bestemming onevenredig in zijn huidige bedrijfsvoering zal worden belemmerd. Daarbij is van belang dat de teeltondersteunende voorzieningen die [appellant sub 1] thans gebruikt niet hoger zijn dan 4 m, minder dan 2,5 ha beslaan en grenzen aan zijn bouwvlak. 4.5. Over de vrees voor negatieve waterhuishoudkundige gevolgen overweegt de Afdeling dat de percelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" onder meer zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige doeleinden. Dit betekent echter niet dat als gevolg van deze bestemming meer vernatting zal optreden. In de plantoelichting staat in dit verband dat de waterhuishouding als gevolg van het plan in het gebied nauwelijks zal veranderen. Dat voor het beekdal van de Aa of Weerijs door het college op grond van de Wet inrichting landelijk gebied een inrichtingsplan is vastgesteld voor onder meer het herstel van het beekdal en dat niet uit te sluiten is dat het grondwaterpeil zal worden verhoogd kan in deze procedure niet aan de orde komen. Overigens is dit inrichtingsplan bij uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2012, in zaak nr. 201011252/1/R2, grotendeels onherroepelijk geworden. 4.6. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de toegekende bestemming aan de orde zijn. 4.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] 5. [appellant sub 2] heeft bij brief van 6 maart 2014 zijn beroep ingetrokken, voor zover dit betrekking heeft op de burgerwoning aan de Kapelstraat ongenummerd. 5.1. [appellant sub 2], die aan de [locatie 2] en [locatie 3] te Rijsbergen een glastuinbouwbedrijf heeft, betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in drie bedrijfswoningen op zijn bedrijfsperceel. Er zijn drie bedrijfswoningen aanwezig, waarvan twee vergund en als zodanig bestemd, maar de derde bedrijfswoning is ten onrechte niet als zodanig bestemd. 5.2. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de bedoelde derde bedrijfswoning geen vergunning is verleend en dat deze niet als zodanig moet worden bestemd. 5.3. Het bedrijfsperceel van [appellant sub 2] aan de [locatie 2] en [locatie 3] heeft de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en onder meer de aanduidingen "glastuinbouw", "bedrijfswoning" en "maximaal aantal wooneenheden = 2". Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder g, van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" meerdere bedrijfswoningen toegestaan, waarbij het toegestane aantal op de planverbeelding is aangegeven. Ingevolge lid 4.1, onder h, is ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding "maximaal aantal wooneenheden" het aangeduide aantal bedrijfswoningen toegestaan. Ingevolge artikel 43, lid 43.2, onder 43.2.1, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet. Ingevolge lid 43.2, onder 43.2.4, is het bepaalde in 43.2.1 niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 5.4. Vast staat dat op het bedrijfsperceel drie bedrijfswoningen aanwezig zijn en dat twee hiervan als zodanig zijn bestemd. Op 2 mei 1995 is aan [appellant sub 2] een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een bedrijfsruimte, inclusief een woonruimte. Uit de bij de aanvraag behorende stukken, waaronder het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB), volgt dat een tijdelijke extra woonruimte bij het bedrijf voor een periode van vijf jaar is aangevraagd. Vast staat dat de bouwvergunning met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is verleend. In het eerste lid van die bepaling stond dat het college van burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor een termijn van ten hoogste vijf jaar vrijstelling kan verlenen. In het vierde lid was bepaald dat degene aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger na het verstrijken van de termijn verplicht is de met het plan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het plan in overeenstemming te brengen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2002, in zaaknr. 200104414/1, volgt dat bedoelde termijn aanvangt op de datum waarop de met het bestemmingsplan strijdige bouw of gebruik een aanvangt neemt. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit voormelde termijn was verstreken. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 43, lid 43.2, van de planregels valt het gebruik van de bedrijfsruimte als bedrijfswoning reeds om deze reden niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht. Nu aannemelijk is dat tegen het gebruik binnen de planperiode nog handhavend kan worden opgetreden heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om voor de derde bedrijfswoning geen regeling in het plan op te nemen. Het betoog faalt. 5.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond. Het beroep van het college 6. Het college betoogt dat de raad ten onrechte de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" heeft vastgesteld, voor zover die niet liggen in het in artikel 8.5 van de Verordening 2012 bedoelde teeltgebied Zundert. Het college betoogt verder dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "detailhandel" aan de [locatie 4]-[locatie 5] heeft vastgesteld. Daartoe voert het college aan dat is voorzien in een onredelijk grote uitbreiding van de toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Ten onrechte worden hierdoor ook illegale gebouwen gelegaliseerd en is mede hierdoor voorzien in een uitbreidingsmogelijkheid van meer dan 20%. De uitbreiding is in strijd met artikel 11.6, derde lid, van de Verordening 2012 en het college acht de uitbreiding ook in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), nu niet is voorzien in een motivering voor de uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling. 6.1. De raad erkent dat in afwijking van de Verordening 2012 ten onrechte een aantal plandelen buiten het teeltgebied Zundert de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" heeft gekregen. Voorst stelt de raad zich op het standpunt dat bij het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] de illegale bebouwing als zodanig is bestemd, maar dat niet is voorzien in een onredelijke extra uitbreiding ten opzichte van de bestaande bebouwing. 6.2. Nu de raad zich met betrekking tot voormelde plandelen met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", voor zover die buiten het in de Verordening 2012 aangeduide teeltgebied Zundert liggen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. 6.3. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor niet-agrarische bedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten of categorie 3.1, mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2 en het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen. Ingevolge lid 9.1, aanhef en onder e, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden tevens bestemd voor "overig bedrijf" eventueel ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de tabel "overige bedrijven". In de tabel "overige bedrijven" is voor het perceel [locatie 6] de aanduiding "detailhandel" opgenomen met een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 3.536 m² voor detailhandel in bouwmaterialen. 6.4. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m². Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, onder a, een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf in de milieucategorie 1 of 2, gelegen op een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m², mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat waaruit blijkt dat de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 2.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. 6.5. Het betoog van het college dat in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is gehandeld faalt, nu de in het tweede lid opgenomen motiveringsplicht voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling geldt sinds de wijziging van de Wro van 1 oktober 2012 (Stb 2012, 388 en 434) en het bestreden besluit dateert van 4 september 2012, zodat op dat moment voormelde motiveringsplicht niet gold. 6.6. Vast staat dat op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] drie bedrijfswoningen en het [bedrijf] zijn gevestigd, dat onder meer keukens, badkamers en tuinhuizen verkoopt. De bedrijfsactiviteiten vinden plaats op de percelen aan de [locatie 4] en [locatie 6]. Het voorheen geldende planologische regime voor de gronden was de op 26 mei 2011 vastgestelde beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1977 van de voormalige gemeente Rijsbergen grotendeels van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het perceel [locatie 6] had de bestemming "Agrarisch nevenbedrijf" en de percelen [locatie 4] en [locatie 5] de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging". Voorts staat vast dat in een verklaring van geen bezwaar van maart 1998 ten behoeve van een vrijstelling voor de uitbreiding van bedrijfsopstallen is opgenomen dat de totale bedrijfsbebouwing, inclusief de woning en de thans voorliggende uitbreiding dient te worden opgenomen binnen een begrensd bouwblok met een maximale bebouwingsoppervlakte van 1.800 m², hetgeen overeenkomt met de totaal aanwezige bebouwing na deze uitbreiding. Op 31 maart 1998 is met inachtneming van deze verklaring van geen bezwaar een vrijstelling en een bouwvergunning verleend. Gelet op het voorgaande betoogt het college terecht dat met het plandeel met de bestemming "Bedrijf" is voorzien in een grote uitbreiding van de toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Niet in geschil is dat het bestemmingsvlak meer dan 5.000 m² bedraagt. In dit geval had de raad in de toelichting moeten voorzien in een verantwoording dat de voorziene uitbreiding van het bedrijf in een redelijke verhouding staat tot de in de Verordening 2012 opgenomen zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Dat de raad ook de aanwezige illegale bebouwing als zodanig heeft bestemd en ten opzichte van het geheel van de bedrijfsbebouwing geen 20% aan extra bebouwing heeft toegestaan is naar het oordeel van de Afdeling geen verantwoording als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, van de Verordening 2012. Daarbij is van belang het als zodanig bestemmen van illegale bebouwing in planologische zin nieuwvestiging betreft en in zoverre deel uitmaakt van de uitbreiding. 6.7. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit van 4 september 2012 in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 11.6, derde lid, van de Verordening 2012 is genomen. Het beroep van het college is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het plandelen betreft met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", die buiten het in de Verordening 2012 op kaart 5 aangeduide teeltgebied Zundert liggen, en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] betreft. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. De beroepen van [appellant sub 4] en andere [locatie 4]-[locatie 5] 7. [appellant sub 4] en andere betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] te Rijsbergen heeft vastgesteld. In hun beroep tegen het besluit van 25 februari 2014 hebben zij voorts aangevoerd dat bij de terinzagelegging van het vastgestelde plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" ten onrechte geen papieren versie van de verbeelding ter inzage lag. Voorts voeren zij onder meer aan dat de raad ten onrechte heeft gekozen voor twee herzieningen van het bestemmingsplan "Buitengebied" en dat de locatie aan de [locatie 4]-[locatie 5] te Rijsbergen ten onrechte niet in het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" is opgenomen, maar pas in de nog vast te stellen partiële herziening van het plan zal worden opgenomen. Nu de locatie [locatie 7] wel is opgenomen in het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" heeft de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. 7.1. Over het beroep van [appellant sub 4] en andere tegen het besluit van 25 februari 2014 overweegt de Afdeling als volgt. De beroepsgrond over het niet ter inzage leggen van een papieren verbeelding van het op 25 februari 2014 vastgestelde plan heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten en kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Overigens wijst de Afdeling er op dat het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" geen wijzigingen van de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied" bevat en uitsluitend betrekking heeft op de planregels. Over het betoog dat de raad het perceel [locatie 4]-[locatie 5] in het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" had moeten opnemen overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing van deze herziening strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om de door hem gewenste wijzigingen in de regels van het plan "Buitengebied" in het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" op te nemen en de door de raad gewenste wijzigingen op de verbeelding van het plan "Buitengebied" op te nemen in de nog vast te stellen partiële herziening van dat plan. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door voor de locatie [locatie 7] wel te voorzien in een wijziging. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat dit uitsluitend een wijziging betreft in een tabel van de planregels en dat dit bij de locatie [locatie 4]-[locatie 5] niet aan de orde is. De betogen falen. Hetgeen [appellant sub 4] en andere overigens hebben aangevoerd met betrekking tot voormeld perceel behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking. 7.2. Het beroep van [appellant sub 4] en andere met betrekking tot het bij besluit van 4 september 2012 vastgestelde plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] te Rijsbergen steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Dit doet zich hier niet voor. Het plandeel met de bedrijfsbestemming aan de Gelderdonksestraat was immers reeds in het ontwerpplan opgenomen, inclusief een tabel met de aanduiding "detailhandel" en een toegestane oppervlakte aan bebouwing van 3.536 m² en van een voor [appellant sub 4] en andere nadelige gewijzigde vaststelling van het plan is niet gebleken. Onder deze omstandigheden is het [appellant sub 4] en andere redelijkerwijs te verwijten dat zij in zoverre geen zienswijze hebben ingediend, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is. Beroep tegen besluit van 4 september 2012, voor zover ontvankelijk 8. [appellant sub 4] en andere betogen dat de raad ten onrechte de bestemming "Agrarisch - AHS plus" aan een deel van hun gronden heeft toegekend, nu deze bestemming de bouw- en gebruiksmogelijkheden van deze gronden beperkt en geen volwaardig glastuinbouwbedrijf met bouwblok mogelijk maakt, terwijl op grond van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" uit 1977 ter plaatse zeer ruime gebruiks- en bouwmogelijkheden voor agrarische bedrijven aanwezig waren. In dit verband betogen zij dat de daarop volgende beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" uit 2011 niet correct bekend is gemaakt, verbindende kracht mist en dat de raad derhalve had moeten uitgaan van de ruimere mogelijkheden die het bestemmingsplan uit 1977 met de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging" bood. De beheersverordening is in strijd met artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet niet op de wettelijk vereiste wijze bekendgemaakt omdat er geen plaatsing heeft plaats gehad in een gemeenteblad of een terinzagelegging als bedoeld in artikel 139, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet. Voorts voeren zij aan dat evenmin is voldaan aan artikel 139, derde lid, van de Gemeentewet. Aan artikel 139 van de Gemeentewet moet worden voldaan, nu de Wro geen afwijkende regels kent over de bekendmaking van een beheersverordening. Verder is de beheersverordening na de vaststelling ten onrechte gewijzigd. Daarnaast is de beheersverordening in strijd met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro vastgesteld, nu niet al het feitelijk bestaande gebruik is gerespecteerd en het geen gebied betreft waar geen ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien. Voorts voeren zij aan dat de diverse dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie" niet aan grote delen van hun gronden hadden mogen worden toegekend, nu deze bestemmingen onnodig belemmerend zijn en niet is aangetoond dat deze gronden archeologische waarden hebben. Over het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "twee-aaneen" aan de [locatie 8]-[locatie 9] voeren zij aan dat deze aanduiding ten onrechte is toegekend, nu deze de bouwmogelijkheden ter plaatse onevenredig beperkt. Zij willen ter plaatse twee vrijstaande woningen kunnen bouwen. Een deel van voormeld plandeel, te weten het perceel, aangeduid met nummer F1626, heeft ten onrechte de bestemming "Wonen" gekregen, nu ter plaatse legaal een schuur aanwezig is die agrarisch wordt gebruikt. Over het perceel, aangeduid met nummer F239, voeren zij aan dat de raad hieraan ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" heeft toegekend omdat hierdoor meer beperkingen gelden dan op grond van het voorheen geldende planologische regime. Over het perceel, aangeduid met nummer G1349, voeren zij verder aan dat de ter plaatse aanwezige paardenstal als zodanig had moeten worden bestemd. 8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemmingen aansluiten bij de feitelijke situatie, voor zover legaal, en in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De beheersverordening is correct bekendgemaakt, niet in strijd met het recht en heeft verbindende kracht. De beheersverordening heeft te gelden als het voorheen geldende planologische regime, zodat van ernstige beperkingen van de planologische mogelijkheden ter plaatse met dit plan geen sprake is. De huidige agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als zodanig bestemd en voor het toekennen van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan gronden aan de Oekelsestraat bestaat geen aanleiding, nu ter plaatse geen zelfstandig volwaardig agrarisch bedrijf aanwezig is. De beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" 8.2. Ingevolge artikel 3.38, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad, onverminderd de gevallen waarin bij of krachtens wettelijk voorschrift een bestemmingsplan is vereist, in afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening vaststellen waarin het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt geregeld. De kennisgeving van een besluit tot vaststelling van een beheersverordening geschiedt tevens langs elektronische weg. Ingevolge artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro, voor zover hier en ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening van belang, stelt het college van burgemeester en wethouders een beheersverordening op zodanige wijze beschikbaar dat deze langs elektronische weg door een ieder kan worden verkregen. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, omvat de beschikbaarstelling, bedoeld in het eerste lid, een volledige, toegankelijke en begrijpelijke verbeelding van de verordening met de daarbij behorende toelichting. 8.3. Ingevolge artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet verbinden besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Ingevolge het tweede lid, geschiedt de bekendmaking: a. door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven gemeenteblad; b. bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op het gemeentehuis of op een andere door het college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws-, of huis-aan- huisblad. Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan het gemeenteblad elektronisch worden uitgegeven. Na uitgifte blijft het gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar. 8.4. Bij besluit van 26 mei 2011 heeft de raad de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" vastgesteld. Deze is vervolgens in de Staatscourant en op de gemeentelijke website bekendgemaakt en op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl beschikbaar gesteld. Daarbij is te kennen gegeven dat de beheersverordening op 15 juni 2011 in werking treedt. 8.5. Ingevolge artikel 1 van de beheersverordening zijn op onderhavige beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" de relevante voorschriften (thans: regels) en de bijbehorende plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen", zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Rijsbergen bij besluit van 5 december 1977 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 7 februari 1979 van overeenkomstige toepassing met inachtneming van het bepaalde in deze beheersverordening. Ingevolge artikel 2 wordt aan de begrippen van het vigerend bestemmingsplan onder meer toegevoegd: 31. Verbaal agrarisch bouwperceel: het perceel van een agrarisch bedrijf zoals dat wordt begrensd door een virtuele lijn die strak wordt getrokken om de buitenste grenzen van de clustering van bestaande bebouwing (bedrijfswoning, bijgebouwen, stallen, machineberging, mastopslag, voedersilo’s e.d.) en voorzieningen (tuin, erfverhardingen, kuilvoerplaten, erfbeplanting). Ingevolge artikel 3 (Agrarisch gebied vrije vestiging, artikel 5 vigerend bestemmingsplan) wordt onder meer toegevoegd dat nieuwvestiging van grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet is toegestaan. Voorts is lid AI, aanhef, vervangen door: Op de tot "Agrarisch gebied vrije vestiging" bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven binnen het verbaal agrarische bouwperceel met in achtneming van het navolgende: (vervangen lid AI, sub

  1. g)Uitbreiding van het verbaal agrarische bouwperceel is niet toegestaan. Een uitzondering hierop zijn de bestaande glastuinbouwbedrijven, waarvoor in beginsel uitbreiding van de bebouwing is toegestaan tot een maximaal netto glasopstand van 3 ha. Onder netto glas wordt verstaan: het precieze aantal m² kasoppervlakte van een glastuinbouwbedrijf of in een glastuinbouwgebied. Dit betekent een bruto uitbreiding tot 3,5 hectare. Onder bruto wordt verstaan het totale grondoppervlak benodigd voor realisatie van een compleet glastuinbouwbedrijf of glastuinbouwgebied (kasoppervlakte, bedrijfsschuur, erf, waterberging, groenstroken, infrastructuur etc.= verbaal agrarisch bouwperceel). Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder a, van de beheersverordening mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is worden voortgezet. Ingevolge lid 5.2, onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 8.6. Ingevolge artikel 8.2 van de Wro en artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, stond tegen een besluit tot vaststelling van een beheersverordening geen beroep bij de bestuursrechter open. Dit betekent echter niet dat de beheersverordening in deze procedure in het geheel niet aan de orde kan komen, nu de Afdeling zich ziet geplaatst voor de vraag of aan de algemeen verbindende voorschriften, zoals vervat in deze verordening, verbindende kracht moet worden ontzegd omdat deze in strijd zijn met hogere wettelijke voorschriften. 8.7. Over de gestelde strijdigheid met artikel 139 van de Gemeentewet overweegt de Afdeling als volgt. Vast staat dat de gemeente Zundert geen gemeenteblad uitgeeft als bedoeld in artikel 139, tweede lid, sub a, van de Gemeentewet, maar algemeen verbindende voorschriften bekend maakt en algemeen toegankelijk houdt op haar website. Voorts staat vast dat het besluit tot vaststelling van de beheersverordening is bekendgemaakt in de Staatscourant en op de gemeentelijke website alwaar is voorzien in een link naar de landelijke voorziening wwww.ruimtelijkeplannen.nl, waar de beheersverordening aan een ieder elektronisch beschikbaar is gesteld en deze verordening met toelichting raadpleegbaar is. Nu de bekendmaking van een besluit van een gemeentebestuur, dat algemeen verbindende voorschriften inhoudt, kan plaatsvinden door plaatsing in een elektronisch uitgegeven gemeenteblad dat langs elektronische weg voor een ieder raadpleegbaar moet blijven, is de Afdeling van oordeel dat met de bekendmaking in de Staatscourant en op de gemeentelijke website en de beschikbaarstelling van de volledige beheersverordening op www.ruimtelijkeplannen.nl is voldaan aan hetgeen met artikel 139 van de Gemeentewet is beoogd. Dat de wijze van ontsluiting van de beheersverordening op www.ruimtelijkeplannen.nl gebruiksvriendelijker had gekund, wat daar van zij, maakt niet dat de beheersverordening niet correct is bekendgemaakt en in werking getreden en dit betekent evenmin dat de beheersverordening niet op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar is. Voorts is van belang dat de vaststellingsdatum en het zogenoemde IMROnummer, zoals opgenomen in het raadsbesluit van 26 mei 2011, op www.ruimtelijkeplannen.nl is vermeld, waarnaar op de gemeentelijke website wordt verwezen. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit de door [appellant sub 4] en andere overgelegde stukken niet worden afgeleid dat de beheersverordening nadien zou zijn gewijzigd. Het betoog faalt. 8.8. Over het betoog dat de beheersverordening in strijd is met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 21 mei 2014, in zaak nr. 201307290/1/A1, dat dit artikel niet bepaalt dat gebruik dat bestaat ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening, maar in strijd is met het vorige bestemmingsplan, onder het gebruiksovergangsrecht van de beheersverordening moet worden gebracht of anderszins ingevolge een zodanige verordening moet worden toegestaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op de geschiedenis van totstandkoming van de Wro (Kamerstukken II 2006/07, 30 938, nr. 7, blz. 10-12), onder bestaand gebruik als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, van de Wro niet alleen moet worden verstaan het feitelijke gebruik dat bestaat ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening, maar ook het gebruik dat onder het vorige bestemmingsplan was toegestaan. Aan de hiervoor weergegeven bedoelingen van de formele wetgever kan derhalve niet worden ontleend dat de bevoegdheid tot vaststelling van een beheersverordening uitsluitend kan worden aangewend om feitelijk gebruik vast te leggen, ongeacht of dat gebruik onder het vorige bestemmingsplan legaal of illegaal is. Voorts ligt het, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, in de rede dat de raad van een gemeente in de gelegenheid is het gebruik dat illegaal was onder het vorige bestemmingsplan van de werking van het overgangsrecht uit te sluiten. Dat in de beheersverordening de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven die het voorheen geldende bestemmingsplan uit 1977 bood zijn beperkt, brengt evenmin met zich dat de beheersverordening in strijd moet worden geacht met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro. Het bestaande legale gebruik is immers geregeld en het beperken van onbenutte uitbreidings- en gebruiksmogelijkheden is niet uitgesloten bij de vaststelling van een beheersverordening. Daarbij wijst de Afdeling er, gelet op de geschiedenis van totstandkoming van de Wro (Kamerstukken II 2006-2007, 30938, nr. 7, blz. 11-12), op dat de raad hiervoor kan kiezen als deze planologische mogelijkheden jarenlang niet zijn benut en deze niet langer in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Dit doet zich hier voor. Voor zover dit tot vermindering van de waarde van een onroerende zaak zou kunnen leiden wijst de Afdeling er op dat de beheersverordening in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro is opgenomen als mogelijke oorzaak voor tegemoetkoming in schade. Voor zover [appellant sub 4] en andere betogen dat voor dit gebied in strijd met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro een beheersverordening is vastgesteld omdat in een buitengebied als het onderhavige wel ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, overweegt de Afdeling dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.38 van de Wro (Kamerstukken II, 2005-2006, 28916, nr. 26) volgt dat het instrument van de beheersverordening is bedoeld om voor gebieden met een lage ruimtelijke dynamiek te kunnen voorzien in een passende planologische bescherming. Dit betekent niet dat er geen enkele ontwikkeling in een dergelijk gebied mag plaatsvinden, maar dat het bestaande gebruik ten tijde van de vaststelling als uitgangspunt dient en dat ten opzichte van dit gebruik geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, die niet reeds op grond van het voorheen geldende regime waren toegestaan. De betogen falen. 8.9. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de beheersverordening onverbindend is. De plandelen met de bestemming "Agrarisch - AHS plus" 8.10. Ingevolge artikel 1, onder 1.97, van de planregels wordt onder kas verstaan: een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienen voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 m. Ingevolge artikel 1, onder 1.142, wordt onder teeltondersteunende voorzieningen verstaan: ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de vollegronds bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf of boomkwekerij. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch - AHS plus" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bodemexploitatie. Ingevolge lid 5.2, onder 5.2.3, zijn de regels voor teeltondersteunende voorzieningen: a. tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan; b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m; c. de permanente teeltondersteunende voorzieningen dienen direct grenzend aan enig bouwvlak te worden opgericht. 8.11. Voor zover [appellant sub 4] en andere betogen dat niet de bestemming "Agrarisch - AHS plus", maar de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "glastuinbouw" aan de door hen bedoelde gronden had moeten worden toegekend, overweegt de Afdeling dat de aanwezige bebouwing en het gebruik op het perceel G1445 door middel van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduidingen "glastuinbouw" en "bouwvlak" als zodanig zijn bestemd. De overige door [appellant sub 4] en andere bedoelde gronden zijn onder meer in gebruik als zogenoemde containervelden ten behoeve van boomkwekerij. Binnen de bestemming "Agrarisch - AHS plus" is agrarische bodemexploitatie toegestaan. Voorts zijn teeltondersteunende voorzieningen, waaronder ook containervelden moeten worden verstaan, ter plaatse mogelijk. Dit is ook door de raad ter zitting bevestigd. Gelet hierop is het huidige gebruik als zodanig bestemd en wordt de huidige bedrijfsvoering ter plaatse niet belemmerd. Dat [appellant sub 4] en andere op deze gronden kassen willen bouwen maakt niet dat de raad aan de gronden de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" had moeten toekennen. Bij zijn afweging heeft de raad in redelijkheid kunnen betrekken dat de gewenste bestemming met de aanduiding "glastuinbouw" een ongewenste ontwikkeling naar een volwaardig glastuinbouwbedrijf met bebouwing mogelijk zou maken. Voor zover [appellant sub 4] en andere betogen dat de bouwaanduiding "kas" aan deze gronden had moeten worden toegekend heeft de raad daar, gelet op het huidige gebruik, in redelijkheid evenmin aanleiding voor hoeven zien. Dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan de plannen van [appellant sub 4] en andere geen medewerking heeft willen verlenen en alleen het huidige gebruik heeft willen bestemmen acht de Afdeling niet onredelijk. Dat de Verordening 2012 in artikel 8.5 bepaalt dat een bestemmingsplan dat is gelegen in het teeltgebied Zundert kan voorzien in de bouw van kassen tot een omvang van ten hoogste drie ha netto binnen een bouwblok betekent niet dat de raad daar dan ook in moet voorzien. Het betoog faalt. Dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie" 8.12. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988, voor zover hier van belang, houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. 8.13. De Afdeling overweegt dat op de raad de plicht rust zich voldoende te informeren over de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan bestemmingen kunnen worden aangewezen en regels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. De raad heeft zich bij de vaststelling van dit plan gebaseerd op de gemeentelijke nota "Archeologie" van 27 september 2011 en de daarbij behorende archeologische beleidskaart. In deze Nota staat dat er een onderscheid is gemaakt tussen archeologisch waardevolle gebieden waar daadwerkelijk archeologische resten zijn aangetroffen en gebieden waar sprake is van archeologische verwachtingswaarde. In het plan is dit vertaald in de verschillende dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2", "Waarde - Archeologie 3" en "Waarde - Archeologie 4", die elk een eigen beschermingsregime met zich brengen. Anders dan [appellant sub 4] en andere betogen, is voor het toekennen van deze dubbelbestemmingen derhalve niet zonder meer vereist dat er daadwerkelijk een archeologische vindplaats aanwezig is, maar dient aannemelijk te zijn dat in de grond archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Voorts hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat hun bedrijfsvoering door deze dubbelbestemmingen onevenredig wordt belemmerd. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat hun gronden in het verleden reeds zodanig zijn geroerd dat deze geen archeologische resten meer kunnen bevatten. Het betoog faalt. [locatie 8]-[locatie 9] en perceel aangeduid met nummer F1626 8.14. Op het perceel aan de [locatie 8]-[locatie 9] rusten de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "twee-aaneen" en "maximum aantal wooneenheden = 2". Ter plaatse is een zogenoemde langgevelboerderij aanwezig, waarin twee woningen zijn gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat de feitelijk bestaande situatie als zodanig is bestemd, nu dit twee aaneengebouwde woningen betreft. Zonder de aanduiding "twee-aaneen" zouden ter plaatse twee vrijstaande woningen mogelijk zijn. Dit komt niet overeen met de feitelijke situatie en zou met zich brengen dat op deze locatie in het buitengebied nieuwe woonbebouwing zou kunnen worden opgericht. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk maken van twee vrijstaande woningen ter plaatse niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt. 8.15. Over het betoog dat aan het perceel met nummer F1626, dat deel uitmaakt van voormeld plandeel, ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend, nu ter plaatse een grote schuur aanwezig is die agrarisch wordt gebruikt, wordt overwogen dat uit het deskundigenbericht volgt dat deze schuur voor een klein deel in gebruik is als garage en voor een groot deel in gebruik is voor bedrijfsmatige opslag. Dit is ter zitting bevestigd. In de beheersverordening had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging" en was opslag ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering niet uitgesloten. Nu ingevolge artikel 22, lid 22.5, onder 22.5.3, aanhef en onder f, van de planregels opslag van goederen en materialen als strijdig gebruik is aangemerkt is hiermee bestaand legaal gebruik onder het overgangsrecht van artikel 43, lid 43.2, van de planregels gebracht. Dit is slechts toegestaan indien aannemelijk is dat binnen de planperiode het gebruik zal worden beëindigd. Daarvan is niet gebleken. Het betoog slaagt. Perceel aangeduid met nummer F239 8.16. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" aangewezen gronden bestemd voor een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik. Ingevolge lid 8.2, onder 8.2.2, aanhef en onder a, mogen er geen gebouwen worden gebouwd. Uit de leden 8.2.3 en 8.2.4 volgt dat er beperkt tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en overige bouwwerken mogen worden gebouwd. 8.17. In de beheersverordening had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden". Ingevolge artikel 10 van de voorschriften zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarische produktiedoeleinden en om als bouwplaats te dienen voor de volgens dit artikel mogelijke bouwwerken, alsmede voor het behoud van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke en/of kultuurhistorische waarden. Ingevolge lid A, onder I, voor zover hier van belang, mag op of in de tot "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" bestemde gronden niet worden gebouwd, behoudens terreinafrasteringen. Onder II is een vrijstellingsregeling opgenomen op grond waarvan, onder voorwaarden, vrijstelling kon worden verleend voor de bouw van bouwwerken die ter plaatse uit een oogpunt van doelmatig agrarisch grondgebruik nodig zijn. 8.18. Ingevolge artikel 6.4, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid binnen het bouwblok voorzien in de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen en een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 11. 8.19. De Afdeling stelt vast dat het perceel in de groenblauwe mantel ligt als bedoeld in de Verordening 2012. Dit betekent echter niet dat de raad moet voorzien in de in artikel 6.4, tweede lid, van de Verordening 2012 beschreven mogelijkheden. Overigens zien deze mogelijkheden uitsluitend op mogelijkheden binnen een bouwblok, hetgeen bij dit perceel niet aan de orde is. Voorts stelt de Afdeling vast dat de gebruiks- en bouwmogelijkheden van dit perceel als gevolg van de toegekende bestemming niet ernstig zijn beperkt, nu agrarisch grondgebruik blijft toegestaan en op grond van de voorheen geldende bestemming, al dan niet na vrijstelling, ook slechts zeer beperkt mocht worden gebouwd. [appellant sub 4] en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat het huidige gebruik van het perceel als weiland als gevolg van het plan niet kan worden voortgezet en dat hun bedrijfsvoering hierdoor wordt belemmerd. Het betoog faalt. Perceel aangeduid met nummer G1349 8.20. Het plandeel voor dit perceel heeft de bestemming "Agrarisch - AHS plus" en de op dit perceel aanwezige paardenstal is niet als zodanig bestemd. Niet is gebleken dat deze paardenstal met de vereiste vergunning is opgericht. In de voorheen geldende beheersverordening had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging" en had het geen bij een agrarisch bedrijf behorend bouwperceel. Ter plaatse was geen bebouwing toegestaan. Voorts brengt de stelling dat deze stal sinds jaar en dag aanwezig is niet met zich dat deze stal onder het bouwovergangsrecht van de beheersverordening gehandhaafd mag blijven. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestond om deze stal als zodanig te bestemmen in dit plan. Het betoog faalt. Conclusie 8.21. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] en andere tegen het besluit van 4 september 2012 niet-ontvankelijk, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5]. In hetgeen zij hebben aangevoerd over het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 8]/[locatie 9], voor zover het betreft het perceel, kadastraal aangeduid met nummer F1626 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 4 september 2012 in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit beroep van [appellant sub 4] en andere is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het besluit van 4 september 2012 op dit punt dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 4] en andere tegen het besluit van 25 februari 2014 is ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 5] 9. [appellanten sub 5] betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 10] te Zundert heeft vastgesteld, nu de vergunde en met vrijstelling mogelijk gemaakte woning, gelet op de toegestane maten, niet als zodanig is bestemd en hun bouwmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende regime zijn beperkt. Verder voeren zij aan dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" en "bedrijfswoning uitgesloten" aan de [locatie 11] heeft vastgesteld. Zij voeren aan dat de inpandige woning in de loods ten onrechte niet als zodanig is bestemd, terwijl de woning al lang aanwezig is en deze is gebouwd met een bouwvergunning. Derhalve had de woning een woonbestemming moeten krijgen. De agrarische bestemming met de toegekende aanduidingen is niet uitvoerbaar en leidt tot een onbruikbare situatie, die onevenredig nadelig is voor [appellanten sub 5]. 9.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 37 van de planregels met zich brengt dat de afmetingen van bestaande legale bebouwing als zodanig zijn bestemd als deze afwijken van de bouwregels in hoofdstuk 2 van de regels. Dit geldt ook voor de woning aan de [locatie 10]. De raad heeft zich voorts bij de gewijzigde vaststelling van het plan op het standpunt gesteld dat het plandeel aan de [locatie 11] geen woonbestemming, maar de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" en "(-
  2. bw)bedrijfswoning uitgesloten" dient te krijgen. 9.2. Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen. Ingevolge lid 22.2, onder 22.2.2, onder h, bedraagt de inhoud van een woning maximaal 750 m³. Ingevolge artikel 37, lid 37.2, onder 37.2.1, onder a, geldt in die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, die hoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan. Ingevolge lid 37.2, onder 37.2.1, onder b, zoals gewijzigd bij besluit van 25 februari 2014, is het bepaalde onder a slechts van toepassing indien er sprake is van herbouw, waarbij de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt en niet wordt vergroot. 9.3. Vast staat dat op 25 november 2008 een vrijstelling is verleend voor het bouwen van een woning aan de [locatie 10] en dat vervolgens op 10 oktober 2011 een omgevingsvergunning voor het bouwen van deze woning is verleend. Deze vrijstelling en vergunning zijn onherroepelijk geworden en gebleken is dat de woning inmiddels in aanbouw is. Voor zover [appellanten sub 5] vrezen dat de vergunde en in aanbouw zijnde woning niet volledig als zodanig is bestemd overweegt de Afdeling dat een redelijke uitleg van artikel 37, lid 37.2, onder 37.2.1, van de planregels met zich brengt dat onder bestaande inhoud tevens dient te worden verstaan de inhoud van een ten tijde van het bestreden besluit onherroepelijk vergund bouwwerk. Derhalve is de vergunde en in aanbouw zijnde woning als zodanig bestemd. Voorts kan een woning met dezelfde maatvoering op dezelfde plaats worden herbouwd. Voor zover [appellanten sub 5] betogen dat de bouwmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime ten onrechte zijn beperkt overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend planologisch regime geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. [appellanten sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de beperking van de bouwmogelijkheden zodanig is dat de raad deze, na afweging van de betrokken belangen, niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Het betoog faalt. 9.4. Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1.2, aanhef en onder b, is het ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" niet toegestaan te bouwen. Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.6, onder b, is ter plaatse van de aanduiding "(-
  3. bw)bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning toegestaan. Ingevolge lid 4.5, onder 4.5.4, aanhef en onder c, wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend elke vorm van gebruik anders dan het wonen in de voormalige agrarische bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf (lees: agrarisch) - voormalig agrarisch bedrijf". Ingevolge artikel 43, lid 43.2, onder 43.2.1, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet. Ingevolge lid 43.2, onder 43.2.4, is het bepaalde in 43.2.1, niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 9.5. Vast staat dat op 6 juli 1992 een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte op de locatie die thans [locatie 11] wordt genoemd. Deze vergunning ziet uitsluitend op de bouw van een bedrijfsruimte en hieruit kan niet worden afgeleid dat daarmee het gebruik van de bedrijfsruimte als woning is toegestaan. Voorts is niet in geschil dat deze bedrijfsruimte tot 1997 als woning werd gebruikt en dat [appellanten sub 5] deze ruimte als woning in gebruik hebben genomen vanaf april 2013. Het gebruik van de bedrijfsruimte als woning valt derhalve niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht, nu dit gebruik op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan langdurig was gestaakt. Nu het gebruik van de bedrijfsruimte als woning niet als zodanig was toegestaan en dit gebruik evenmin onder de beschermende werking van het overgangsrecht is komen te vallen, heeft de raad er voor kunnen kiezen hiervoor geen woonbestemming op te nemen. Het betoog faalt. 9.6. Het betoog dat de toegekende bestemming en aanduidingen niet uitvoerbaar zijn slaagt evenmin. In artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.4, onder c, van de planregels is vastgelegd dat op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" elke vorm van gebruik, anders dan wonen in de voormalige agrarische bedrijfswoning, wordt aangemerkt als strijdig gebruik. Aan het perceel is echter tevens de aanduiding "(-
  4. bw)bedrijfswoning uitgesloten" toegekend, zodat een bedrijfswoning niet mogelijk is. Dit betekent dat ter plaatse geen bedrijfswoning is toegestaan en dat het gebruiksverbod behorende bij de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" hier niet van toepassing is. De gronden en de bebouwing mogen op grond van de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" wel worden gebruikt voor een agrarisch bedrijf, hetgeen ter plaatse een uitvoerbare bestemming betreft. 9.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 5] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 6] 10. [appellant sub 6] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" aan de [locatie 12] te Achtmaal heeft vastgesteld, nu ter plaatse het bouwblok voor zijn intensieve veehouderij had moeten worden uitgebreid tot meer dan 1,5 ha. Dit bouwblok van 1 ha is te klein, waardoor hij geen gebruik kan maken van zijn milieuvergunning uit 2007 en genoodzaakt is zijn inrichting in werking te hebben op grond van een milieuvergunning uit 2004. In dit kader wijst hij er op dat er door het college van burgemeester en wethouders een ontheffing is aangevraagd bij het college voor een bouwblok groter dan 1,5 ha. Hij betoogt dat de raad dan ook had moeten voorzien in een groter bouwblok en dat is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verder voert hij aan dat het bouwverbod voor intensieve veehouderijen van artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1.2, onder a, van de planregels, waardoor het aantal dierplaatsen niet mag worden uitgebreid in strijd is met de Verordening 2012. Tot slot betoogt [appellant sub 6] dat de regeling voor bedrijfswoningen innerlijk tegenstrijdig is. 10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, zonder de vereiste ontheffing van de provinciale verordening, bij het plan niet kan worden voorzien in de gewenste uitbreiding van de intensieve veehouderij. Het voormelde bouwverbod is opgenomen omdat er niet zonder meer ruimte is voor uitbreidingen van intensieve veehouderijen, gelet op de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, en maatwerk is vereist. Dit geldt ook voor verwevingsgebieden. Verder wijst de raad er op dat de regeling voor bedrijfswoningen niet innerlijk tegenstrijdig is. Bij plandelen met de bestemming "Agrarisch -Agrarisch bedrijf" is in beginsel een bedrijfswoning toegestaan, tenzij de aanduiding "(-
  5. bw)bedrijfswoning uitgesloten" is toegekend. Als er meer dan één bedrijfswoning is toegestaan, dan is dat met de aanduiding "bedrijfswoning" en een maximaal aantal wooneenheden aangegeven. 10.2. Het perceel van [appellant sub 6] heeft deels de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied". Het andere deel van het perceel heeft de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" met de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied". 10.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, van de planregels is op gronden aangewezen voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" alleen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, waaronder onder andere een boomteeltbedrijf, een intensieve veehouderij toegestaan. Ingevolge lid 4.1, onder g en h, zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" meerdere bedrijfswoningen toegestaan, waarbij het toegestane aantal op de planverbeelding is aangegeven en is ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding "maximaal aantal wooneenheden" het aangeduide aantal bedrijfswoningen toegestaan. Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1.1, aanhef en onder e, mag op de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel een bedrijfswoning, tenzij de aanduiding "(-
  6. bw)bedrijfswoning" op de planverbeelding is opgenomen. Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1.2, aanhef en onder a, is het ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" binnen "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en "reconstructiewetzone verwevingsgebied" niet toegestaan te bouwen indien er sprake is van een uitbreiding van het aantal dierplaatsen. 10.4. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing. 10.5. Over de gewenste uitbreiding van het bouwvlak van de intensieve veehouderij tot meer dan 1,5 ha overweegt de Afdeling dat de raad ten tijde van het bestreden besluit, gelet op artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wro, artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 in acht moest nemen en niet kon voorzien in de gewenste uitbreiding. Voorts wijst de Afdeling er op dat het beroep van [appellant sub 6] tegen het besluit op bezwaar waarbij de weigering van de op grond van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 gevraagde ontheffing voor de uitbreiding in stand is gebleven bij uitspraak van 23 oktober 2013, in zaak nr. 201210291/1/R3, ongegrond is verklaard. Dat de raad bij de vaststelling van dit plan, hangende de procedure omtrent de geweigerde ontheffing, niet heeft voorzien in de gewenste uitbreiding is niet in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu op dat moment de gevraagde ontheffing reeds was geweigerd en uit het doen van een aanvraag voor een ontheffing niet reeds het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden afgeleid dat door de raad bij dit plan zou worden voorzien in de gewenste uitbreiding. Het betoog faalt. 10.6. Met betrekking tot het in artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1.2, onder a, van de planregels vervatte bouwverbod stelt de Afdeling vast dat het op de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" niet is toegestaan te bouwen indien daarmee het aantal dierplaatsen wordt uitgebreid. Met deze regeling heeft de raad, naar aanleiding van het plan-MER en de aanvulling hierop, beoogd te voorkomen dat onbenutte vergunde milieugebruiksruimte van intensieve veehouderijen alsnog wordt benut en uitgesloten dat nieuwe bebouwing op gronden waar bebouwing is toegestaan kan worden aangewend voor extra dierplaatsen ten opzichte van het aantal dierplaatsen in de bestaande bebouwing ten tijde van het bestreden besluit. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Dat deze regeling voor verwevingsgebieden geen grondslag heeft in de Verordening 2012 betekent, anders dan [appellant sub 6] betoogt, niet dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening deze regeling niet had mogen vaststellen. Daarbij is van belang dat in het algemeen aan een geldend plan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend en de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere regels voor gronden kan vaststellen. Dat de raad in dit geval onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellant sub 6] is niet gebleken, nu de huidige bedrijfsvoering als zodanig is bestemd en een uitbreiding van zijn intensieve veehouderij met extra dierplaatsen in dit geval niet zonder meer mogelijk was. Het betoog faalt. 10.7. Het betoog over de regeling voor bedrijfswoningen slaagt evenmin. De Afdeling stelt vast dat op de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak", gelet op artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1.1, aanhef en onder e, van de planregels één bedrijfswoning is toegestaan. Indien op de verbeelding de aanduiding "bedrijfswoning" en een daarbij behorend maximaal aantal wooneenheden is aangegeven is er meer dan één bedrijfswoning toegestaan. De regeling is niet innerlijk tegenstrijdig. Het betoog faalt. 10.8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 7] 11. [appellant sub 7] heeft zijn beroep ingetrokken, voor zover het betreft de regeling voor het perceel aan de Antwerpseweg 18 en het perceel Antwerpseweg ongenummerd. 11.1. [appellant sub 7] voert aan dat de raad ten onrechte aan zijn perceel aan de Tiggeltsebergstraat de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" en "Natuur" heeft toegekend, terwijl een woonbestemming in de rede lag. Hij wijst er op dat aan de Tiggeltsebergstraat verschillende percelen een woonbestemming hebben gekregen en het perceel in het voorheen geldende plan de bestemming "Woonbos" had. 11.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de gewenste woonbestemming voor het onbebouwde perceel aan de Tiggeltsebergstraat in strijd is met gemeentelijk en provinciaal beleid. 11.3. In de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" had het perceel de bestemming "Bosgebied" en de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden". 11.4. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012, voor zover hier van belang, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen. 11.5. Over het plandeel met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" en "Natuur" aan de Tiggeltsebergstraat overweegt de Afdeling dat de raad dit onbebouwde perceel in overeenstemming met het huidige gebruik heeft bestemd, nu het perceel deels in gebruik is als bos en deels voor maïsteelt. Over het plan van [appellant sub 7] om ter plaatse een woning te bouwen heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het voorheen geldende regime geen woningbouw mogelijk maakte en dat artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 hieraan in de weg staat, nu sprake zou zijn van nieuwbouw van een burgerwoning in agrarisch gebied. Het betoog faalt. 11.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] 12. [appellant sub 8] betoogt dat de raad ten onrechte de tabel bij artikel 9, lid 9.1, onder e, van planregels gewijzigd heeft vastgesteld, voor zover daarin voor zijn constructie- en techniekbedrijf aan de [locatie 7] een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 1000 m² is opgenomen, terwijl dit een maximale oppervlakte moet hebben van 4.834 m². 12.1. De raad stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het in de tabel opgenomen maximale aantal m² onjuist was en niet overeenkomt met de feitelijke situatie en de raad heeft bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" van 25 februari 2014 alsnog het juiste maximale aantal m² van 4.834 opgenomen. 12.2. De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 25 februari 2014 volledig is tegemoet gekomen aan het beroep, hetgeen [appellant sub 8] ook heeft bevestigd in haar reactie op dit besluit. Derhalve is er, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 25 februari 2014. Het beroep tegen het besluit van 4 september 2012 is niet-ontvankelijk, omdat [appellant sub 8] als gevolg van het besluit van 25 februari 2014 geen belang meer heeft bij een beoordeling van dit beroep, nu het bestreden planonderdeel is komen te vervallen. 12.3. Nu de raad in het beroep aanleiding heeft gezien om het besluit van 4 september 2012 op voormeld onderdeel te wijzigen en aan het beroep is tegemoet gekomen ziet de Afdeling aanleiding om de raad te veroordelen in de door [appellant sub 8] gemaakte proceskosten en wordt de raad gelast om het door [appellant sub 8] betaalde griffierecht te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 9] 13. [appellant sub 9], die eigenaar is van het perceel Breedschotsestraat te Rijsbergen, kadastraal bekend onder nr. G 1123, in het plan aangeduid als [locatie 13] en [locatie 14], betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch - AHS plus" ter plaatse van zijn perceel heeft vastgesteld. Hij wil dat het ter plaatse aanwezige bouwwerk als zodanig wordt bestemd. Daartoe voert hij aan dat het bouwwerk al dertig jaar aanwezig is en dat de gemeente de verandering van de schuur/hobbyruimte in een recreatiewoning en later in een woning heeft gefaciliteerd. Daarvoor wordt ook jaarlijks onroerende zaakbelasting betaald. Voorts heeft de gemeente altijd meegewerkt aan de instandhouding en verbetering van het bouwwerk en heeft de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State in de jaren ’80 tweemaal geoordeeld dat de bebouwing mocht blijven staan. 13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit bedoelde uitspraken niet volgt dat niet handhavend opgetreden kon worden en dat de situatie op het perceel nooit expliciet is gedoogd. Nadat in 2005 is geconstateerd dat de voorheen aanwezige stacaravan was vervangen door een stenen gebouw is tweemaal een vooraanschrijving gedaan. Dat nooit tot een definitieve aanschrijving is overgegaan, brengt niet mee dat de bebouwing in het plan als zodanig bestemd dient te worden. Voor het feit dat het gebouw is geregistreerd in het kader van de Wet waardering onroerende zaken geldt hetzelfde, aldus de raad. 13.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - AHS plus" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bodemexploitatie. 13.3. In het voorheen geldende planologische regime had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging". Deze gronden waren ingevolge artikel 5 van de voorschriften bestemd voor agrarische productiedoeleinden en om als bouwplaats te dienen voor agrarische bedrijfsbebouwing. 13.4. Blijkens de stukken is het perceel aan de Breedschotsestraat sinds 1979 eigendom van [appellant sub 9]. Indertijd stond op het perceel een houten schuur die [appellant sub 9] rond 1980 heeft vervangen door een stacaravan, waarna hij in 1981 een bouwvergunning heeft aangevraagd voor een tuindersschuur, op welke aanvraag nooit is beslist. In 1984 en 1985 zijn handhavingsbesluiten tegen de aanwezigheid van de caravan door de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State vernietigd. In de uitspraak van 4 juni 1985 is daarbij overwogen dat de plaatsing van de caravan in strijd was met het geldende bestemmingsplan, maar dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat een belangenafweging ontbrak en niet was ingegaan op het beroep van [appellant sub 9] op het gelijkheidsbeginsel. In geen van beide uitspraken heeft de Afdeling Rechtspraak overwogen dat de bebouwing mocht blijven staan. In de periode tussen 1987 en 1990 is de stacaravan geleidelijk ver- en herbouwd tot het stenen bouwwerk dat nu op het perceel aanwezig is. Vast staat dat voor de bouw hiervan nooit vergunning is verleend. In 2005 en in 2010 is ten aanzien van de bebouwing een handhavingsprocedure gestart waaraan geen vervolg is gegeven. Onder deze omstandigheden heeft de raad in de langdurige aanwezigheid van bebouwing geen aanleiding hoeven te zien deze als zodanig te bestemmen. Daarbij heeft de raad ter zitting toegelicht dat de handhavingsprocedure gedurende de periode dat het bestemmingsplan in procedure is, is stilgelegd, maar dat na het in rechte onaantastbaar worden van het plan alsnog handhavend zal worden opgetreden. Voorts is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200904021/1/R3) de waardevaststelling in het kader van de Wet waardering onroerende zaken niet relevant bij het toekennen van een bestemming. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de bebouwing op het perceel in het verleden met medeweten/medewerking van de gemeente zou zijn voorzien van een riolerings-, water- en kabelaansluiting. Het betoog faalt. 13.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 10] 14. [appellant sub 10], die aan de [locatie 15] te Rijsbergen een melkveehouderij exploiteert, betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" aan het perceel ten westen van de Zandstraat/Breedbroeken te Rijsbergen, kadastraal bekend gemeente Zundert, sectie E, nummer 1500, heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat een deugdelijke motivering voor het toekennen van deze bestemming aan dit door agrarische gronden omringde perceel met een beperkte omvang van ongeveer 2,5 ha ontbreekt. Een enkele verwijzing naar de Verordening 2012 is hiertoe onvoldoende. Deze bestemming is bovendien niet uitvoerbaar, zodat het toekennen van enkel een agrarische bestemming overeenkomstig het bestaande gebruik in de rede had gelegen. Voorts blijkt onvoldoende duidelijk uit de verbeelding dat het perceel tevens een agrarische bestemming heeft. 14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel voor agrarische doeleinden kan worden gebruikt. Om natuurontwikkeling op het perceel in de toekomst niet te frustreren, is een dubbelbestemming in overeenstemming met de Verordening 2012, waarin het perceel is aangewezen als "Ecologische hoofdstructuur" (hierna: EHS), aan het perceel toegekend. 14.2. Uit de verbeelding blijkt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk dat voornoemd perceel de bestemming "Agrarisch - AHS plus" heeft. Dit perceel heeft tevens de dubbelbestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied". Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - AHS plus" gronden bestemd voor agrarische bodemexploitatie. Ingevolge artikel 32, lid 32.1, zijn de voor "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het ontwikkelen van nieuwe natuur. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen andere aangewezen dubbelbestemmingen en (gebieds)aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 42. Ingevolge lid 32.2 mogen binnen deze dubbelbestemming geen bouwwerken worden opgericht. Ingevolge lid 32.3 kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 32.2 teneinde bouwwerken op te richten conform de overige voor deze gronden geldende bestemming(en), mits deze bouwwerken, dan wel de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, natuurontwikkeling in de nabije of verdere toekomst niet frustreren. Ingevolge lid 32.4, onder 32.4.1, is het verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aantal nader genoemde werken en werkzaamheden uit te voeren. Ingevolge het bepaalde onder 32.4.2 geldt het onder 32.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds omgevingsvergunning is verleend; b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds legaal in uitvoering zijn; c. welke het normaal onderhoud en/of exploitatie betreffen. Ingevolge het bepaalde onder 32.4.3 mag een omgevingsvergunning als bedoeld onder 32.4.1 of de elders in dit bestemmingsplan genoemde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden, alleen worden verleend indien: a. de activiteiten aantoonbaar noodzakelijk zijn gebleken voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering, en b. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen geen onherstelbare schade plaatsvindt aan (de aanleg en ontwikkeling van) nieuwe natuur zoals genoemd in lid 32.1. Ingevolge lid 32.5 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat de planverbeelding wordt gewijzigd door een of meerdere bestemmingsvlakken of gedeeltes daarvan met de dubbelbestemming 'Waarde - Natuurontwikkelingsgebied' van het planverbeelding te verwijderen, indien: a. het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan voorziet in de bescherming van deze waarden, en: b. de ecologische hoofdstructuur op provinciaal niveau gewijzigd is; c. en daartoe instemming is gegeven door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Ingevolge artikel 42, lid 42.3, onder a, geldt waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. 14.3. In het vorige plan hadden de gronden gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" en gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging". Deze gronden waren bestemd voor agrarische productiedoeleinden, alsmede voor het behoud van de aldaar voorkomende of daaraan eigen landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden binnen de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden". 14.4. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Ingevolge het tweede lid bepaalt een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid, zolang de EHS niet is gerealiseerd, dat de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten. 14.5. De Afdeling stelt vast dat het perceel ten westen van de Zandstraat/Breedbroeken in de Verordening 2012 is aangewezen als EHS, hetgeen de raad bij de vaststelling van het plan terecht in acht heeft genomen. Om te voldoen aan de bijbehorende algemene regels heeft de raad aan deze gronden de dubbelbestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" toegekend, waarvoor in de planregels het vereiste van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is opgenomen. Voorts mogen op deze gronden slechts onder voorwaarden bouwwerken worden opgericht. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Daarbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu aan het perceel tevens de bestemming "Agrarisch - AHS plus" is toegekend, en het normale onderhoud en/of gebruik van de gronden binnen de bestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" is uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht. [appellant sub 10] heeft voorts niet aangegeven dat hij plannen heeft voor het oprichten van bouwwerken of het verrichten van werken of werkzaamheden waarvoor ingevolge het plan een omgevingsvergunning is vereist, zodat er geen grond is voor het oordeel dat de bestemmingsregeling zijn bedrijfsvoering onevenredig belemmert. Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat uit de procedure over de herverkaveling Weerijs-Zuid volgt dat het perceel geen natuurwaarde heeft en dat de natuurbestemming in de toekomst zal (moeten) vervallen wordt overwogen dat dit er niet aan afdoet dat de raad bij de vaststelling van het plan de Verordening 2012 en daarbij behorende begrenzing van de EHS in acht moest nemen. Voorts voorziet artikel 32, lid 32.5, van de planregels in een wijzigingsbevoegdheid die ertoe strekt dat de dubbelbestemming kan worden verwijderd als de EHS op provinciaal niveau is gewijzigd en die in voorkomend geval op het perceel kan worden toegepast. 14.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 11] 15. [appellant sub 11] woont in de bebouwde kom van Rijsbergen op een aanzienlijke afstand van het door hem bestreden plandeel met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltgebied" bij de Leemputten. Hij heeft geen zicht op het bedoelde perceel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 11] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt is de afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 11] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het bestreden plandeel zou worden geraakt. De conclusie is dat [appellant sub 11] geen belanghebbende is bij het bestreden plandeel als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, geen beroep kan instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. 15.1. [appellant sub 11] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bos" heeft vastgesteld voor een deel van zijn perceel met kadastraal nummer C1946 langs de Ettenseweg te Rijsbergen. Hij voert aan dat ter plaatse geen sprake is van bos, maar van een perceel dat agrarisch wordt gebruikt en dus een agrarische bestemming had moeten krijgen. Verder voert hij aan dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bos" aan de [locatie 16] heeft vastgesteld, nu ter plaatse agrarische gebruik is uitgesloten. Tot slot voert hij aan dat de raad ten onrechte de plandelen met de bestemming "Natuur" aan de Laarakkerstraat heeft vastgesteld, nu deze bestemming zijn agrarische bedrijfsvoering belemmert. 15.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel C1946 niet volledig agrarisch in gebruik is en dat de bestemming "Bos" ter plaatse passend is. Over het perceel aan de [locatie 16] stelt de raad zich op het standpunt dat dit ten tijde van het bestreden besluit in de EHS lag. Daarom is niet voorzien in een agrarische bestemming. Over de gronden aan de Laarakkerstraat stelt de raad dat deze gronden in de Verordening 2012 zijn aangewezen als EHS en derhalve een natuurbestemming hebben gekregen. 15.3. Over het bestreden deel van het perceel C1946 overweegt de Afdeling dat hier voorheen bomen zijn gekweekt en dat dit gebruik sinds jaren niet meer plaatsvindt, waardoor dit deel van het perceel een bosachtig karakter heeft gekregen. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid voor de bestemming "Bos" kunnen kiezen. Het betoog faalt. 15.4. Aan het bestreden plandeel voor het perceel aan de [locatie 16] is de bestemming "Natuur" toegekend. Bij het toekennen van de bestemming heeft de raad ten tijde van het bestreden besluit terecht betrokken dat dit perceel binnen de EHS als bedoeld in de Verordening 2012 lag. Gelet daarop heeft de raad kunnen kiezen voor de natuurbestemming waarbij extensief agrarisch gebruik is toegestaan. Het betoog faalt. 15.5. Over het bestreden plandeel met bestemming "Natuur" aan de Laarakkerstraat overweegt de Afdeling dat de raad aan deze gronden terecht een natuurbestemming heeft toegekend omdat deze gronden in de Verordening 2012 zijn aangewezen als EHS. Voorts staat de toegekende bestemming niet aan de weg aan het door [appellant sub 11] bedoelde incidentele rapen van dood hout en dennennaalden. Het betoog faalt. 15.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11], voor zover ontvankelijk, ongegrond. Het beroep van [appellant sub 12] 16. [appellant sub 12] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Natuur" aan het [locatie 17] te Zundert ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ter plaatse een bedrijfsbestemming voor een hondenkennel dient te worden toegekend. De raad heeft dat gebruik en de legaal opgerichte bebouwing ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht. Dat is voorts in strijd met het uitgangspunt van de raad dat gebruik dat voor 2000 is aangevangen als zodanig wordt bestemd. Ook handelt de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel. 16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel in het verleden illegaal is gesplitst en dat voor het gebruik van het voormalig hondentrimlokaal als woning in 1993 een persoonsgebonden gedoogbeschikking is verleend. Het perceel is volgens de raad nooit als bedrijfslocatie bestemd en er vinden geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaats. De raad heeft derhalve geen niet-agrarische bedrijfsbestemming opgenomen. 16.2. Het perceel aan het [locatie 17] heeft de bestemming "Natuur". Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor: a. het behoud en/ of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/ of cultuurhistorische waarden; b. het behoud, het herstel en/ of de ontwikkeling van de ecologische waarde, ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszone; (…) e. extensief recreatief medegebruik; f. extensief agrarisch gebruik, zoals beweiding, ten dienste van natuurbeheer; g. water en waterhuishoudkundige doeleinden; h. verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen; een en ander met bijbehorende voorzieningen. Ingevolge lid 15.2 mogen op de voor "Natuur" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming (…). 16.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied Zundert 1997" had het perceel de bestemming "Groene hoofdstructuur" met de differentiatie "GHS - natuurkerngebied". Ingevolge artikel 2.1, lid A, van de voorschriften zijn de gronden die op plankaart 1 zijn aangewezen als "Groene hoofdstructuur" bestemd voor: 1. natuurkerngebied, bosgebied, landgoed en agrarische grondgebruik en agrarische bedrijfsvoering; 2. instandhouding, herstel en ontwikkelingen van: - natuurwaarden; - aardkundige waarden; - landschappelijke waarden; - hydrologische waarden, het tegengaan van verdroging en, waar nodig het bevorderen van vernatting ten behoeve van natuurwaarden; - het waterhuiskundig systeem ten behoeve van de natuurwaarden en daarnaast ten behoeve van de waterkwaliteitsregulering; 3. extensief recreatief medegebruik; (…). Voor zover deze gronden zijn gelegen binnen een van de op plankaart 1 aangeduide differentiaties staan de volgende doeleinden voorop: - "GHS - natuurkerngebied" Natuurbehoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurlijke waarden en waar nodig het behoud van de aanwezige bosbodem met een bosbouwfunctie en aardkundige en landschappelijke waarden in een zo sterk mogelijke samenhang met de natuurlijke en ruimtelijke structuur en het behoud en herstel van een daarop afgestemd waterhuishoudkundig systeem. (…) Ingevolge lid B mag op de tot "Groene hoofdstructuur" bestemde gronden niet worden gebouwd, behoudens vrijstelling ingevolge artikel 3.1. Ter plaatse van [locatie 18] lag de aanduiding "1W", waarmee ter plaatse één woning was toegestaan. Ingevolge artikel 1.8, onder B/C, eerste lid, mag het gebruik van de grond, anders dan voor bebouwing, en het gebruik van opstallen, strijdig met het plan en dat bestaat op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, worden gehandhaafd. 16.4. Uit het deskundigenbericht volgt dat op het perceel van [appellant sub 12] een voormalig hondentrimlokaal, een garage en een voormalige hondenkennel staan. [appellant sub 12] woont in het voormalige trimlokaal, waarvoor in 1993 een persoonsgebonden gedoogbeschikking is afgegeven. Over de door [appellant sub 12] gewenste bedrijfsbestemming overweegt de Afdeling dat sinds 1992 geen gebruik meer wordt gemaakt van de hondenkennel. Derhalve vond ten tijde van de inwerkingtreding van het vorige plan ter plaatse geen bedrijfsmatig gebruik van de hondenkennel plaats. Reeds daarom kan de stelling van [appellant sub 12] dat dit gebruik door het gebruiksovergangsrecht van het vorige plan werd beschermd, niet worden gevolgd en valt dit gebruik evenmin onder het overgangsrecht van het voorliggende plan. Nu ter plaatse op dit moment geen bedrijfsmatig gebruik plaatsvindt en het gemeentelijke beleid terughoudend is met nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien ter plaatse een bedrijfsbestemming toe te kennen. Dat het bedrijfsmatige gebruik in het vóór het vorige plan geldende plan "Niet-agrarische bedrijven" uit 1988 was toegestaan - wat daar van zij - leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet afdoet aan de beëindiging van het gebruik in 1992 en het niet toestaan ervan in het daarop volgende plan. Voor zover [appellant sub 12] stelt dat de raad het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft vastgesteld, heeft hij geen percelen genoemd waar een gelijk geval aan de orde zou zijn. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het betoog dat een bedrijfsbestemming dient te worden toegekend faalt. 16.5. De Afdeling overweegt dat is gebleken dat bouwvergunningen zijn verleend voor het voormalig hondentrimlokaal en de hondenkennel ter plaatse. Deze bebouwing is niet als zodanig bestemd en in het plan onder het bouwovergangsrecht van artikel 43, lid 43.1, van de planregels gebracht. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van het bouwwerk, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Indien aan deze voorwaarden is voldaan kan het bestaande bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat concreet zicht bestaat op verwijdering van de genoemde legale gebouwen binnen de planperiode. Gelet daarop heeft de raad het plan, voor zover de bestaande legale bebouwing op het perceel niet als zodanig is bestemd, vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Niet valt in te zien dat de raad deze bebouwing niet had kunnen voorzien van een passende aanduiding zoals bijvoorbeeld veldschuur of schuilgelegenheid of dergelijke. 16.6. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" aan het [locatie 17], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het beroep van ZLTO Bestemmingsvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven 17. ZLTO betoogt dat de maximale omvang van een bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" voor grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven ten onrechte is beperkt tot 2 ha. Dit biedt onvoldoende mogelijkheden voor verduurzaming en schaalvergroting. Nu kassen en permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bestemmingsvlak moeten worden opgericht, dienen bestemmingsvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven tot 2,5 ha vergroot te kunnen worden. 17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bestemmingsvlakken voor glastuinbouwbedrijven en binnen het boomontwikkelingsgebied gevestigde boomteeltbedrijven kunnen worden vergroot tot 4 ha. Grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven die buiten het boomontwikkelingsgebied liggen, zijn gebonden aan de maximale oppervlakte van 2 ha voor het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Afhankelijk van de voorheen geldende bestemming bedraagt de maximale oppervlakte voor kassen binnen het bestemmingsvlak 5.000 m² of 1,5 ha. Hierbij is de Verordening 2012 in acht genomen. Volgens de raad blijft voldoende oppervlakte over om overige voorzieningen en bedrijfswoningen binnen het bestemmingsvlak te bouwen. 17.1.1. De Afdeling stelt vast dat met de vaststelling van het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" onder meer de wijzigingsbevoegdheden voor de vergroting van bestemmingsvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven uit het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn gewijzigd. Nu de maximale toegestane omvang van de bestemmingsvlakken van 2 ha echter is gehandhaafd en wat dat betreft slechts een vernummering in de regels heeft plaatsgevonden, is in zoverre geen verandering gebracht in de met het oorspronkelijke besluit beoogde rechtsgevolgen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, is in zoverre geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 25 februari 2014. 17.1.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.2, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: (…); c. voor grondgebonden agrarische bedrijven, tevens boomteeltbedrijven met de aanduiding "bomenteelt", is vergroting van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegestaan met een maximale omvang van 2 ha en met een maximale oppervlakte aan kassen van 5.000 m² netto glas, mits geen omschakeling plaatsvindt naar een glastuinbouwbedrijf; (…). Ingevolge artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.1, sub 4.7.1.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemmingsgrens van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" te doorbreken ten behoeve van een vergroting. Deze wijzigingsbevoegdheid dient gelijk met de wijzigingsbevoegdheid zoals genoemd in artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.2, artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.2, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.2, of artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.2, toegepast te worden en daarnaast gelden de voorwaarden zoals in die artikelen zijn opgenomen. In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.2, aanhef en onder c, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, aanhef en onder c, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.2, aanhef en onder d, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.2, aanhef en onder d, zijn voor de bestemmingen "Agrarisch - AHS Plus", "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" vergelijkbare wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de vergroting van een agrarisch bestemmingsvlak voor grondgebonden agrarisch bedrijven en voor boomteeltbedrijven tot 2 ha. In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.2, aanhef en onder c, en artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, aanhef en onder c, is daarbij evenwel opgenomen dat een maximale oppervlakte aan kassen van 1,5 ha netto glas is toegestaan. Voorts is in artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, aanhef en onder c, opgenomen dat boomteeltbedrijven op gronden met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" tot een maximum van 4 ha kunnen uitbreiden. 17.1.3. De raad heeft op grond van de verrichte inventarisatie van bestaande agrarische bedrijven en bestaande uitbreidingsplannen, met inachtneming van de toegekende bouwvlakken in de voorheen geldende plannen, besloten om de bestemmingsvlakken voor agrarische bedrijven af te stemmen op de bestaande omvang van de bebouwing plus 20% en verdere uitbreiding daarvan toe te staan via wijzigingsbevoegdheden. Daarbij is een differentiatie opgenomen voor verschillende typen agrarische bedrijven en verschillende typen agrarische gebieden. De bestaande glastuinbouwbedrijven en glasboomteeltbedrijven, waarvan de productie geheel of in overwegende mate plaatsvindt in kassen en waaraan de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "glastuinbouw" is toegekend, kunnen, na wijziging, uitbreiden tot een maximale oppervlakte van 4 ha. Boomteeltbedrijven waarvan de productie geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt, zijn als grondgebonden agrarisch bedrijf aangemerkt met de aanduiding "bomenteelt". Voor deze bedrijven zijn, behalve als deze bedrijven in een boomteeltontwikkelingsgebied liggen, wijzigingsbevoegdheden voor een vergroting tot maximaal 2 ha opgenomen. Gelet hierop heeft de raad onderscheid gemaakt in de uitbreidingsmogelijkheden voor boomteeltbedrijven die niet als grondgebonden agrarisch bedrijf kunnen worden aangemerkt en alle overige grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder ook boomteeltbedrijven, behoudens voor zover deze in een boomteeltontwikkelingsgebied liggen. De reden hiervoor is dat de raad de ontwikkelingsmogelijkheden voor de glastuinbouw en glasboomteelt wil bevorderen en daarvoor een boomontwikkelingsgebied heeft aangewezen. In andere gebieden dienen de natuur- en landschapswaarden te worden beschermd, zodat in deze gebieden een beperking is gesteld aan de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. 17.1.4. ZLTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat bestemmingsvlakken met een oppervlakte van maximaal 2 ha voor bedoelde grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven in het algemeen onvoldoende zijn om permanente teeltondersteunende voorzieningen en kassen op te richten en dat daarbij onvoldoende ruimte overblijft voor de overige bebouwing en voorzieningen. Daarbij heeft de raad in redelijkheid een onderscheid kunnen maken tussen glastuinbouw en glasboomteelt en andere grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder grondgebonden boomteelt. Voor zover ZLTO stelt dat een maximale oppervlakte van 2 ha voor grondgebonden agrarische bedrijven onvoldoende mogelijkheden biedt voor onder meer verduurzaming van agrarische activiteiten, overweegt de Afdeling dat uit het deskundigenbericht volgt dat een aantal agrarische activiteiten waarop ZLTO doelt ook buiten het bestemmingsvlak kan worden uitgevoerd, nu daarvoor geen bebouwing hoeft te worden opgericht. Voorts volgt hieruit dat niet alle activiteiten tot een groter ruimtebeslag binnen het bestemmingsvlak zullen leiden. Gelet op het voorgaande heeft ZLTO niet aannemelijk gemaakt dat grondgebonden agrarische bedrijven met een uitbreidingsmogelijkheid tot 2 ha over onvoldoende ruimte binnen het bestemmingsvlak zullen beschikken en heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om meer uitbreidingsmogelijkheden voor grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven buiten het boomteeltontwikkelingsgebied in het plan mogelijk te maken. Het betoog faalt. Bestemmingsvlakken van intensieve veehouderijen 17.2. ZLTO betoogt dat de uitbreiding van bestemmingsvlakken voor intensieve veehouderijen, waarvoor wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen, ten onrechte alleen is toegestaan indien deze noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn en het aantal bestaande dierplaatsen niet toeneemt met het wijzigingsplan. Uit de Verordening 2012 volgt dat op duurzame locaties in verwevingsgebieden mogelijk moet worden gemaakt dat het bouwvlak van intensieve veehouderijen tot 1,5 ha kan uitbreiden, ook als het aantal dierplaatsen daarbij toeneemt. 17.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het plan-MER volgt dat uitbreiding van intensieve veehouderijen niet zonder meer kan worden toegestaan, omdat dit negatieve significante gevolgen kan hebben voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uitbreiding van een intensieve veehouderij met een toename van het aantal dierplaatsen is alleen in een afzonderlijk bestemmingsplan mogelijk indien is aangetoond dat deze uitbreiding geen negatieve significante gevolgen heeft voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. 17.2.2. De Afdeling stelt vast dat met de vaststelling van het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" onder meer de wijzigingsbevoegdheden voor de vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" uit het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn vervangen en gewijzigd. Nu echter de wijzigingsvoorwaarden over dierenwelzijn en de dierplaatsen zijn gehandhaafd en wat dat betreft slechts een vernummering heeft plaatsgevonden, is in zoverre geen verandering gebracht in de met het oorspronkelijke besluit beoogde rechtsgevolgen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, is in zoverre geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 25 februari 2014. 17.2.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: (…); a. de intensieve veehouderij niet gelegen is ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied " en/of "wro-zone - ecologische verbindingszone", (…); c. de vergroting is alleen mogelijk indien deze noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn; d. er vindt geen uitbreiding plaats van het aantal dierplaatsen; e. indien aan a. t/m d. wordt voldaan is een vergroting toegestaan naar maximaal 1,5 ha; (…). In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, aanhef en onder c en d, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, aanhef en onder c en d, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, aanhef en onder c en d, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, aanhef en onder c en d, zijn voor de bestemmingen "Agrarisch - AHS Plus", "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" vergelijkbare voorwaarden opgenomen voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding van een agrarisch bestemmingsvlak voor een intensieve veehouderij tot 1,5 ha. 17.2.4. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderijen die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, blijkt uit de toelichting bij een bestemmingsplan ten aanzien van een duurzame locatie als bedoeld in het eerste lid, onder b en d, dat de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijke oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is. 17.2.5. Voor zover ZLTO betoogt dat uit de Verordening 2012 volgt dat in een bestemmingsplan dat in een verwevingsgebied ligt mogelijk moet worden gemaakt dat een bouwvlak van een intensieve veehouderij tot 1,5 ha kan worden vergroot, overweegt de Afdeling dat de Verordening 2012 daartoe niet verplicht en dat het de raad vrij staat om in het kader van een goede ruimtelijke ordening een stringenter beleid te voeren. Uit het plan-MER en de aanvulling daarop volgt dat significante effecten bij uitbreiding van intensieve veehouderijen als gevolg van een toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten en dat deze bedrijven niet zonder meer kunnen uitbreiden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor een mogelijke uitbreiding van een intensieve veehouderij een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure dient te worden gevolgd, waarbij moet worden aangetoond dat negatieve significante gevolgen op nabijgelegen Natura 2000-gebieden zich niet zullen voordoen. Nu deze negatieve significante gevolgen bij uitbreiding van intensieve veehouderijen niet op voorhand zijn uit te sluiten, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van een daartoe strekkende wijzigingsbevoegdheid en kunnen volstaan met een wijzigingsbevoegdheid met de voorwaarden dat uitbreiding van het bestemmingsvlak alleen mogelijk is in het kader van dierenwelzijn en waarbij het aantal dierplaatsen door het wijzigingsplan niet mag toenemen binnen het maximaal toegestane bestemmingsvlak van 1,5 ha. Het betoog faalt. Bestemmingsvlakken van gemengde agrarische bedrijven 17.3. ZLTO betoogt dat uitbreiding van bestemmingsvlakken van gemengde agrarische bedrijven met een intensieve veehouderijtak en een grondgebonden agrarische bedrijfstak, ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak ten onrechte niet mogelijk is. In de wijzigingsbevoegdheden in artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.1, sub 4.7.1.1, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels is opgenomen dat uitbreiding van een agrarisch bestemmingsvlak met de aanduiding "intensieve veehouderij" alleen mogelijk is indien dit noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn, hetgeen voor de grondgebonden agrarische bedrijfstak niet van toepassing kan zijn. Ten onrechte is in het plan geen onderscheid gemaakt tussen deze takken. 17.3.1. Ter zitting heeft de raad erkend dat de regeling voor uitbreiding van de grondgebonden agrarische bedrijfstak bij gemengde agrarische bedrijven onnodig beperkend is en de raad heeft bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" van 25 februari 2014 mogelijk gemaakt dat gemengde agrarische bedrijven door middel van wijzigingsbevoegdheden onder voorwaarden tot maximaal 2 ha ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak kunnen uitbreiden. 17.3.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.2, van de planregels van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: (…); b. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan voor intensieve veehouderij tenzij: (…); 2. er sprake is van een gemengd agrarisch bedrijf met de aanduiding "intensieve veehouderij", niet zijnde een bedrijf met een schapen- en/of geitenhouderij, waarbij de vergroting enkel noodzakelijk is voor de grondgebonden bedrijfstak en niet ten behoeve van de bouw van een gebouw voor het houden van dieren; (…); d. voor grondgebonden agrarische bedrijven, tevens boomteeltbedrijven met de aanduiding "bomenteelt", is vergroting van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegestaan met een maximale omvang van 2 ha en met een maximale oppervlakte aan kassen van 5.000 m² netto glas, mits geen omschakeling plaatsvindt naar een glastuinbouwbedrijf; (…). In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.2, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.2, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.2, zijn voor de bestemmingen "Agrarisch - AHS Plus", "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" vergelijkbare wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor uitbreiding van een agrarisch bestemmingsvlak voor gemengde agrarische bedrijven tot 2 ha ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak. Ingevolge het bepaalde onder 3.8.3 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. deze paragraaf is niet van toepassing indien sprake is van: (…); 2. een gemengd agrarisch bedrijf, met de aanduiding "intensieve veehouderij", niet zijnde een bedrijf met een schapen- en/of geitenhouderij, waarbij de vergroting noodzakelijk is voor de grondgebonden bedrijfstak en niet ten behoeve van de bouw van een gebouw voor het houden van dieren; dan is artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.2, van toepassing; (…). In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, is voor de bestemmingen "Agrarisch - AHS Plus", "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" een vergelijkbare planregeling opgenomen. 17.3.3. De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 25 februari 2014 voor wat betreft dit onderdeel van het beroep is tegemoet gekomen aan het beroep van ZLTO tegen het besluit van 4 september 2012. Nu ZLTO gelet hierop in zoverre geen belang heeft bij een beroep tegen deze onderdelen van het besluit van 25 februari 2014, is in zoverre geen beroep van rechtswege ontstaan waarop dient te worden beslist. Voorts is niet gebleken dat ZLTO in zoverre nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 4 september 2012 voor zover het betreft artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.1, sub 4.7.1.1, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied". Het beroep tegen het besluit van 4 september 2012 is in zoverre niet-ontvankelijk. 17.3.4. Wat betreft artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied" heeft ZLTO, gelet op hetgeen wordt overwogen bij het beroep van de BMF in 18.7.6 en 18.16 over artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de regels van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" en ingevolge artikel 6:19, zesde lid, van de Awb, nog wel belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 4 september 2012. 17.3.5. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een boomteeltbedrijf. Ingevolge het bepaalde onder aanhef en onder b is alleen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, waaronder onder andere een boomteeltbedrijf, een intensieve veehouderij toegestaan. 17.3.6. Ingevolge artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening 2012 geldt, in geval meer bepalingen van deze Verordening gelijktijdig van toepassing zijn, bij tegenstrijdigheid de meest beperkende bepaling tenzij in deze Verordening uitdrukkelijk anders is bepaald. Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder c, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied voorzien in een uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf mits uit de toelichting blijkt dat deze uitbreiding noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. 17.3.7. In het bestemmingsplan "Buitengebied" is bij gemengde agrarische bedrijven een onderscheid gemaakt tussen gemengde grondgebonden bedrijven met een intensieve veehouderijtak en overige gemengde agrarische bedrijven. Gemengde agrarische bedrijven met een intensieve veehouderijtak zijn voorzien van de aanduiding "intensieve veehouderij". Uitbreiding van dergelijke gemengde agrarische bedrijven is alleen mogelijk indien dit noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn, zodat een dergelijk bedrijf niet ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak kan uitbreiden. Uit artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 volgt dat een bestemmingsvlak van een intensieve veehouderij in een verwevingsgebied tot ten hoogste 1,5 ha kan uitbreiden. In de Verordening 2012 is, ten tijde van belang, voor de uitbreiding van een bestemmingsvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf geen maximale omvang opgenomen. Nu uit artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening 2012 volgt dat bij tegenstrijdigheid de meest beperkende bepaling uit de Verordening 2012 geldt, dient een gemengd agrarisch bedrijf met een intensieve veehouderijtak te voldoen aan de maximaal toegestane omvang van het bouwvlak die in de Verordening 2012 voor intensieve veehouderijen is opgenomen. Hieruit volgt echter niet dat de raad niet had kunnen kiezen voor een planregeling waarbij slechts wordt voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor de grondgebonden agrarische bedrijfstak, zoals in het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" overigens ook is gebeurd. Het betoog slaagt. Be- en verwerking van mest van derden 17.4. ZLTO betoogt dat in artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.4, aanhef en sub l, van de planregels ten onrechte het bewerken en verwerken van mest van derden is uitgesloten. Gezien het landelijke mestbeleid is het noodzakelijk dat agrarische ondernemers collectief de mogelijkheid moeten krijgen om mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties te exploiteren. 17.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bewerken van mest van derden op één locatie geen agrarische bedrijfsactiviteit is. Uit de Verordening 2012 volgt voorts dat dit geen agrarisch verwante bedrijfsactiviteit is. Gelet hierop past het bewerken van mest van en voor derden niet binnen een agrarische bedrijfsbestemming. Hoewel het vanuit economisch oogpunt voordelig kan zijn om het bewerken van mest van derden op één locatie te doen plaatsvinden, weegt dit volgens de raad niet op tegen de milieugevolgen hiervan voor de omgeving. 17.4.2. Ingevolge artikel 1, onder 1.107, van de planregels wordt onder mestbewerking verstaan: behandelen van dierlijke mest, zodat deze beter als mest kan worden gebruikt, of voor een andere functie geschikt wordt (i.t.t. mestverwerking). De mest ondergaat een fysieke verandering, waarbij het totaal aan elementen in de meststoffen behouden blijft. Ingevolge artikel 1, onder 1.108 wordt onder mestverwerking verstaan: het proces om (drijf)mest af te breken door onder andere mestvergisting om te zetten in nieuwe en bruikbare producten zoals energie uit biomassa of te bewerken tot kwalitatief hoogwaardige meststoffen. Ingevolge artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.4, aanhef en sub l, wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend mestbewerking en mestverwerking ten behoeve van derden. 17.4.3. De Afdeling stelt vast dat artikel 4.5, onder 4.5.4, aanhef en sub l, van de planregels op gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" in de weg staat aan mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties ten behoeve van het bewerken en verwerken van mest van derden. Daargelaten de vraag of mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties ten behoeve van het bewerken en verwerken van mest van derden volgens de Verordening 2012 binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" mogelijk zouden kunnen worden gemaakt, overweegt de Afdeling dat de raad in dit geval, gelet op de milieugevolgen van dergelijke activiteiten voor de omgeving, in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven te zien mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties ten behoeve van het bewerken en verwerken van mes

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.