(9100)" de maximale grootte van een agrarisch bedrijfskavel ook op 2,5 hectare gesteld. Het betoog faalt.
- [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het handhavend optreden in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert hij aan dat hij bij het bepalen van de locatie waar de mestsilo's konden worden gebouwd een op het perceel aanwezige aardappelbewaarschuur als referentiepunt heeft gebruikt. In januari 2011 heeft hij een ambtenaar van de gemeente Dronten gevraagd wat de afstand van de aardappelbewaarschuur tot aan de achterkant van het bouwperceel was. Aan de hand van de door de ambtenaar per sms-bericht aan [appellant] opgegeven afstand heeft [appellant] de bouwvrije zone van tien meter en de locatie waar de mestsilo's konden worden gebouwd, bepaald. De gevolgen van de omstandigheid dat hij de aardappelbewaarschuur vijf meter langer heeft gebouwd dan volgens de bouwvergunning was toegestaan met als gevolg dat zijn berekening van de bouwvrije zone niet klopte, dient niet voor zijn rekening en risico te komen, aldus [appellant]. Daartoe voert hij aan dat het college nooit eerder een opmerking heeft gemaakt over de lengte van de aardappelbewaarschuur terwijl het van de overschrijding wel op de hoogte kon zijn. 5.
- Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat aan het college toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken van een dergelijke toezegging. De omstandigheid dat [appellant] een ambtenaar van de gemeente Dronten heeft gevraagd wat de afstand van de aardappelbewaarschuur tot aan de achterkant van het bouwperceel was waarna deze ambtenaar [appellant] per sms-bericht heeft geïnformeerd over de gevraagde afstand, biedt voor dat oordeel geen aanleiding. Daarbij is van belang dat de opgegeven afstand niet onjuist was, maar was gebaseerd op de voor de aardappelbewaarschuur verleende bouwvergunning, hetgeen aan [appellant] ook bekend was, en dat de werkelijke afmetingen van de aardappelbewaarschuur afweken van de verleende bouwvergunning. De omstandigheid dat het college nooit een opmerking heeft gemaakt over de, naar [appellant] stelt abusievelijk, te groot gebouwde aardappelbewaarschuur op het perceel die hij als referentiepunt voor de locatie van de mestsilo's heeft gebruikt, biedt voor dat oordeel evenmin aanleiding. Dat de aardappelbewaarschuur groter is gebouwd dan vergund en dat [appellant] om die reden de bouwvrije zone van tien meter verkeerd heeft berekend, komt voor rekening en risico van [appellant]. Het betoog faalt.
- [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daartoe voert hij aan dat het bouwperceel 292 meter lang is en dat de mestsilo's, vanaf de Hondweg gezien, aan de achterzijde zijn gebouwd. Voorts zijn de mestsilo's van de openbare weg niet zichtbaar, omdat er een groensingel om het perceel wordt aangelegd. [appellant] voert voorts aan dat de overschrijding van 4,5 meter van de grens van het bouwvlak, gelet op de totale lengte van het bouwperceel van 292 meter, verwaarloosbaar is. Hij stelt dat het verwijderen van de mestsilo's en het opnieuw opbouwen daarvan hem in totaal € 686.595,61 schade heeft opgeleverd, bestaande uit de kosten voor de mestsilo's, de huur van vervangende silo's, alsmede de kosten voor rechtsbijstand en ruimtelijk advies. [appellant] voert voorts aan dat er, anders dan het college heeft gesteld, geen gevaar bestaat voor precedentwerking en dat de omstandigheid dat derden hebben verzocht om handhavend optreden is veroorzaakt door het opleggen van de bouwstop door het college. 6.
- De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zoals hiervoor onder 3 is overwogen, is het algemeen belang gediend met handhaving. De mestsilo's zijn gebouwd op een afstand van 5,5 meter van de niet naar de weg gekeerde grenzen van het bouwperceel terwijl deze afstand ingevolge artikel 4, onder b, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften ten minste tien meter dient te bedragen. Daargelaten hoe de overschrijding van de aan te houden afstand ten opzichte van de totale lengte van het perceel moet worden gewaardeerd, geldt dat op grond van het bestemmingsplan een afstand van tien meter moet worden aangehouden van de overige bouwwerken geen gebouwen zijnde tot de niet naar de weg gekeerde grenzen van het bouwperceel. Een overschrijding van de aan te houden afstand van 10 meter met 4,5 meter kan niet als gering worden beschouwd. De financiële gevolgen daarvan dienen voor rekening en risico van [appellant] te blijven. Dat de mestsilo's vanaf de openbare weg niet zichtbaar zijn en aan het oog zullen worden onttrokken door een groensingel, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat afzien van handhavend optreden tegen een overtreding van de planvoorschriften zal leiden tot precedentwerking. Dat, naar [appellant] stelt, de verzoeken om handhaving zijn ingediend na het opleggen van de bouwstop door het college, geeft geen grond voor het oordeel dat het college deze verzoeken niet in de te maken afweging van de betrokken belangen heeft kunnen betrekken. Het betoog faalt.
- [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college zijn bevoegdheid om handhavend op te treden tegen de overtreding van het bestemmingsplan louter heeft gebruikt om [appellant] te tonen dat het hem kan laten doen wat het college wil.
- Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wordt afgewezen, nu daarvoor geen grond aanwezig is.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier. w.g. Hagen w.g. Van Driel lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014 414-724.