← Nederland

ECLI:NL:RVS:2014:3758

201302234/1/R

  1. Datum uitspraak: 22 oktober 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. de vereniging Natuur- en Milieuvereniging gemeente Heusden, gevestigd te Heusden,
  3. [appellant sub 2], wonend te Haarsteeg, gemeente Heusden,
  4. [appellant sub 3], wonend te Drunen, gemeente Heusden,
  5. [appellant sub 4], wonend te Haarsteeg, gemeente Heusden, en anderen,
  6. [appellant sub 5], wonend te Heusden,
  7. [appellant sub 6], wonend te Heusden, en anderen,
  8. [appellant sub 7a] en [appellante sub 7b], beiden wonend te Haarsteeg, gemeente Heusden,
  9. de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, afdeling Oostelijke Langstraat (hierna: de ZLTO), gevestigd te Haarsteeg, gemeente Heusden,
  10. [appellant sub 9], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd te Elshout, gemeente Heusden,
  11. [appellant sub 10], wonend te Vlijmen, gemeente Heusden,
  12. [appellante sub 11], gevestigd te Haaren, en andere (hierna: [appellante sub 11] en andere),
  13. [appellant sub 12], wonend te Elshout, gemeente Heusden,
  14. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
  15. [appellant sub 14], wonend te Drunen, gemeente Heusden,
  16. [appellant sub 15a] en [appellant sub 15b] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 15]), wonend te Hedikhuizen, gemeente Heusden,
  17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Plantenkwekerij Brabant Plant B.V., gevestigd te Haarsteeg, gemeente Heusden,
  18. [appellant sub 17], wonend te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg,
  19. [appellant sub 18a] en [appellant sub 18b] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 18]), wonend te Drunen, gemeente Heusden,
  20. [appellant sub 19], wonend te Haarsteeg, gemeente Heusden,
  21. [appellante sub 20], gevestigd te Vlijmen, gemeente Heusden,
  22. [appellant sub 21], wonend te Drunen, gemeente Heusden,
  23. [appellant sub 22], wonend te Drunen, gemeente Heusden,
  24. [appellant sub 23], wonend te Nieuwkuijk, gemeente Heusden,
  25. [appellant sub 24], wonend te Vlijmen, gemeente Heusden, en de raad van de gemeente Heusden, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Heusden Buitengebied" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben onder meer de op het voorblad genoemde appellanten beroep ingesteld. Ook is beroep ingesteld door [appellant sub 25]. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 en 3 juni 2014, waar het merendeel van de appellanten, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn verscheidene belanghebbenden gehoord die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot het geding zijn toegelaten. Met instemming van de betrokken partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht. De Afdeling heeft op de zitting van 2 en 3 juni 2014 tevens het beroep van [appellant sub 25] behandeld. Na de zitting is dit beroep afgesplitst van de behandeling van de overige beroepen. De behandeling ervan wordt voortgezet onder nr. 201302234/3/R
  26. Overwegingen
  27. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Natuur- en Milieuvereniging
  28. Ter zitting en na de zitting heeft de Natuur- en Milieuvereniging de beroepsgronden over de bescherming van extensiveringsgebieden, de agrarische bedrijfsvorm van de biologische varkenshouderij aan de Oosterseweg 15 te Elshout, de uitbreidingsmogelijkheden van bouwvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven tot een oppervlakte van 2,5 ha, de erfbeplantingsplannen en de gesloten overeenkomsten in het kader van de kwaliteitsverbetering van het landschap voor een aantal nader genoemde percelen, en de sloop van overtollige bebouwing bij het toekennen van een woonbestemming aan een voormalige agrarische bedrijfswoning ingetrokken. Natuur- en landschapswaarden
  29. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat naast de als "Natuur" of "Bos" bestemde gebieden in het plan andere gebieden voorkomen met natuur- en landschapswaarden waaraan in het plan onvoldoende bescherming wordt geboden. Hiermee wordt met name gedoeld op de bestaande houtwallen en de slagen- of coulisselandschappen. De aanduiding "groenblauwe mantel" beschermt alleen provinciale belangen en de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) beschermt alleen beschermde dieren- en plantensoorten. Ten onrechte zijn deze natuur- en landschapswaarden niet zoals in het voorheen geldende planologisch regime beschermd met een agrarische bestemming met waarden. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt voorts dat de houtwallen met beschermde flora en fauna onvoldoende in het plan zijn beschermd. Het is niet duidelijk welk beschermingsregime voor deze beschermde soorten geldt. De constatering in het milieueffectrapport voor plannen (hierna: plan-MER) dat het plan licht negatieve of negatieve effecten heeft op beschermde soorten heeft ten onrechte niet tot voldoende aanpassing van de planregels geleid. 3.
  30. De raad stelt zich op het standpunt dat de natuur- en landschapswaarden in dit plan voldoende worden beschermd. Een grotere verscheidenheid aan agrarische bestemmingen wordt niet noodzakelijk geacht, nu deze waarden door middel van aanduidingen worden beschermd. Voorts is bij alle flexibiliteitsbepalingen opgenomen dat er sprake dient te zijn van een kwaliteitsverbetering van het landschap. 3.
  31. Vast staat dat aan een groot gedeelte van het plangebied de aanduiding "zoekgebied voor ecologische verbindingszones", "attentiegebied ecologische hoofdstructuur" (hierna: attentiegebied EHS), "ecologische hoofdstructuur", of "groenblauwe mantel" dan wel een combinatie daarvan is toegekend. In de planregels is een aantal bepalingen opgenomen die beogen deze waarden op gronden met de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch - Glastuinbouw" en deze aanduidingen te beschermen. Eerst ter zitting heeft de Natuur- en Milieuvereniging toegelicht dat met name aan de bestaande houtwallen en de slagen- of coulisselandschappen meer bescherming dient toe te komen. De Natuur- en Milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat door middel van voormelde aanduidingen in het plan minder bescherming toekomt aan deze natuur- en landschapswaarden dan onder het voorheen geldende planologische regime. Voorts heeft de Natuur- en Milieuvereniging niet kunnen concretiseren aan welke houtwallen en slagen- of coulisselandschappen geen enkele aanduiding is toegekend en dus geen bescherming in het plan wordt geboden. In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat voor gronden met bestaande houtwallen en slagen- en coulisselandschappen een agrarische bestemming met waarden in dit plan had moeten worden opgenomen. Het betoog faalt. 3.
  32. Wat betreft het betoog dat de houtwallen met beschermde flora en fauna onvoldoende zijn beschermd, overweegt de Afdeling dat het beschermingsregime voor beschermde dieren- en plantensoorten is neergelegd in de Ffw. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In de paragrafen 8.1.2 tot en met 8.1.4 en 8.11 van het plan-MER zijn de gevolgen van het plan voor beschermde soorten onderzocht. Hieruit volgt dat bij de alternatieven "realistisch alternatief" en "realistisch alternatief intensivering en schaalvergroting" de effecten worden beoordeeld als licht negatief en de effecten bij de alternatieven "worst case alternatief" en "deelalternatief glastuinbouw" worden beoordeeld als negatief. Naar aanleiding daarvan is een aantal maatregelen voorgesteld in het plan-MER. De Natuur- en Milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de effecten van het plan voor de flora en fauna en zich, gelet op het voorgaande, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daarbij betrekt de Afdeling dat de constatering dat de onderzochte alternatieven tot licht negatieve dan wel negatieve effecten kunnen leiden op zich niet voldoende is om te oordelen dat een ontheffing op grond van de Ffw nodig is, aangezien een ontheffing alleen noodzakelijk is in het geval de uitvoering van een bestemmingsplan tot een overtreding van een verbodsbepaling uit de Ffw leidt. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de bedoelde maatregelen onvoldoende in de planregels zijn neergelegd. In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding om te oordelen dat de houtwallen met beschermde flora en fauna onvoldoende worden beschermd. Het betoog faalt. Water in de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS)
  33. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat water in de EHS moet worden bestemd als "Natuur" en niet als "Water". Hierbij verwijst zij naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, in zaak nr. 201003878/1/R
  34. 4.
  35. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan is aangesloten bij de voorheen geldende planologische regeling en gelet daarop voor een aantal wateren de bestemming "Water" is opgenomen. In de omschrijving van de bestemming "Water" is opgenomen dat groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen zijn toegestaan. De bescherming van de EHS is daarnaast geregeld door het opnemen van gebiedsaanduidingen, waarbij een voorrangsregeling voor de EHS is opgenomen. 4.
  36. Ingevolge artikel 14, lid 14.2.1, van de planregels mogen op de voor "Natuur" aangewezen gronden geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van de 10 gebouwen ten behoeve van verblijfsrecreatie en 3 stacaravans, zoals toegestaan in artikel 14, lid 14.1 Ingevolge lid 14.2.4 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m; b. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 10 m²; c. de maximale bouwhoogte van molens bedraagt 5 m. Ingevolge lid 14.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren; (…); g. de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage; h. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen. Ingevolge artikel 25, lid 25.2, mogen op of in de voor "Water" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte en de oppervlakte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 3 m en 10 m². Ingevolge artikel 42, lid 42.6.1, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "ecologische hoofdstructuur" mede aangewezen voor het behoud en ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit lid vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Ingevolge lid 42.6.2 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden van het bevoegd gezag op en in lid 42.6.1 bedoelde gronden de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren: (…); c. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; (…). 4.
  37. Voor gronden met de bestemming "Water" zijn in de planregels minder bouwmogelijkheden opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dan voor gronden met de bestemming "Natuur". Zowel ter plaatse van gronden met de bestemming "Water" en de aanduiding "ecologische hoofdstructuur" als ter plaatse van de gronden met de bestemming "Natuur" geldt voorts dat een aantal werken of werkzaamheden met betrekking tot het verlagen van de waterstand of het anderszins wijzigen van oppervlaktewateren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet is toegestaan. Voor zover de Natuur- en Milieuvereniging naar voormelde uitspraak van 11 april 2012 verwijst, wordt overwogen dat dit een andere situatie betrof dan de voorliggende situatie, nu de raad in die zaak in tegenstelling tot hetgeen uit de nota van zienswijzen volgde de bestemming "Water" in het vastgestelde plan niet naar de bestemming "Natuur" had gewijzigd. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Gelet op het voorgaande geeft hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot de gekozen wijze van bestemmen heeft kunnen komen. Het betoog faalt. Kwaliteitsverbetering van het landschap
  38. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat bij een aantal ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap als bedoeld in artikel 2.2 van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012) onvoldoende is geregeld. De bij het plan gevoegde erfbeplantingsplannen voldoen niet aan de gestelde vereisten voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Voorts betoogt de Natuur- en Milieuvereniging dat de in dit kader gesloten overeenkomsten met initiatiefnemers onvoldoende zijn om te waarborgen dat de erfbeplanting ook in de toekomst zal blijven bestaan. De Natuur- en Milieuvereniging doet een aantal suggesties om de overeenkomsten op dit punt aan te passen. 5.
  39. De raad stelt zich op het standpunt dat in de erfbeplantingsplannen de aantallen en soorten beplanting zijn gespecificeerd. De uitvoering en de instandhouding hiervan is geborgd in overeenkomsten, waarmee wordt voldaan aan artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening
  40. Voorts is in de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden opgenomen dat de initiatiefnemer zich jegens de gemeente dient te verplichten om de kwaliteitsverbetering van het landschap uit te voeren en in stand te houden. 5.
  41. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012 bevat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft. Ingevolge het derde lid kan de in het eerste lid bedoelde verbetering mede betreffen: a. de landschappelijke inpassing van bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij, voor zover vereist op grond van deze verordening; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. 5.
  42. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012 bevat de toelichting van een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling een verantwoording op welke wijze een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd. In artikel 2.2, derde lid, van de Verordening 2012 is een aantal mogelijke verbeteringen weergegeven, maar dit betreft geen limitatieve opsomming. Gelet hierop wordt de invulling van de kwaliteitsverbetering aan gemeenten overgelaten, hetgeen in de toelichting van de Verordening 2012 wordt bevestigd. Voor de ruimtelijke ontwikkelingen in het plan zijn ruimtelijke onderbouwingen opgesteld. Voorts is per ontwikkeling een inrichtingsplan en een erfbeplantingsplan met een bijbehorende notitie kwaliteitsverbetering landschap opgesteld. Deze plannen zijn als bijlagen bij de toelichting op het plan gevoegd. De Natuur- en Milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze inrichtingsplannen en erfbeplantingsplannen ontoereikend zijn en gelet daarop niet als kwaliteitsverbetering van het landschap als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012 kunnen worden aangemerkt. Met de eigenaren van de percelen waarop de ruimtelijke ontwikkelingen zullen worden gerealiseerd zijn overeenkomsten gesloten ter verzekering van de kwaliteitsverbetering van het plan. Dat de Natuur- en Milieuvereniging de gesloten overeenkomsten ontoereikend vindt, brengt niet reeds met zich dat er strijd is met de verantwoordingsplicht uit de Verordening
  43. Voor zover de Natuur- en Milieuvereniging een aantal voorstellen tot aanpassing doet, overweegt de Afdeling dat zij niet treedt in de beoordeling van een privaatrechtelijke overeenkomst. Het betoog faalt.
  44. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat de eis van kwaliteitsverbetering van het landschap niet alleen bij wijziging of vergroting van een bouwvlak dient te gelden, maar ook in het geval binnen een bouwvlak de bebouwing wordt uitgebreid. Uit artikel 2.2 van de Verordening 2012 in samenhang met artikel 1.1, aanhef en onder 72, volgt dat deze eis ook dient te gelden bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen. Voorts is in dit plan voor alle bestaande agrarische bedrijven een maximale bouwhoogte van 10 m toegekend, terwijl dit voorheen in beginsel 8 m was. Ten onrechte is voor deze ontwikkelingen geen kwaliteitsverbetering van het landschap verzekerd. Gelet hierop wordt voorgesteld om de toegestane bouwhoogte voor agrarische bedrijfsbebouwing naar 8 m te verlagen en een hogere bouwhoogte alleen toe te staan door middel van een afwijkingsbevoegdheid, onder de voorwaarde van kwaliteitsverbetering van het landschap. 6.
  45. De raad stelt zich op het standpunt dat de eis van kwaliteitsverbetering van het landschap volgens de Verordening 2012 alleen geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die niet mogelijk waren in de voorheen geldende planologische regeling, waarmee wordt gedoeld op een uitbreiding van een bouwvlak. Bij de inpassing worden de toegestane bouwmogelijkheden als uitgangspunt genomen en niet de eventuele concrete bouwplannen. Voor het opnemen van een maximale bouwhoogte van 10 m voor agrarische bedrijven is volgens de raad aangesloten bij de Verordening 2012 en bij de voorheen geldende planologische regeling. Voor zover de maximale bouwhoogte naar 10 m is verhoogd, hoeft volgens de raad een kwaliteitsverbetering van het landschap niet te zijn verzekerd. Voor een verdergaande verhoging is dit wel in de planregels verzekerd. 6.
  46. Voor de tekst van artikel 2.2 van de Verordening 2012 verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 5.2 is opgenomen. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 72, van de Verordening 2012 wordt onder ruimtelijke ontwikkeling verstaan: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist. 6.
  47. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen op als "Agrarisch" aangewezen gronden dat de goothoogte en bouwhoogte niet meer bedragen dan respectievelijk 6,5 m en 10 m. Ingevolge lid 3.3.3, kan het college van burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.2, onder a, ten behoeve van het vergroten van de goot- en/of bouwhoogte, onder de volgende voorwaarden: a. de maximale goothoogte bedraagt niet meer dan 7,5 m; b. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 12 m; (…); e. er is sprake van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem en/of water en/of natuur en/of landschap en/of cultuurhistorie van het gebied, waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit hoofdstuk 4 van de Ontwikkelingsvisie buitengebied (hierna: Ontwikkelingsvisie), zoals vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 20 juli 2010 en aanvrager zich jegens de gemeente heeft verplicht om deze kwaliteitsverbetering uit te voeren en in stand te houden. In artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a, en lid 4.3.3 is eenzelfde regeling opgenomen voor het bouwen van bedrijfsgebouwen op als "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden. 6.
  48. Artikel 2.
  49. van de Verordening 2012 bepaalt dat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een verantwoording bevat dat na de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling de kwaliteitsverbetering van het landschap is verzekerd. Uit dit artikel volgt niet dat een dergelijke verantwoordingsplicht ook geldt ingeval een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend voor nieuwe bebouwing binnen het bestaande bouwvlak. De reden hiervoor is dat de verantwoording van de kwaliteitsverbetering van het landschap bij het bestemmingsplan dient te zien op hetgeen het plan maximaal mogelijk maakt. Gelet hierop hoeft bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet nogmaals een kwaliteitsverbetering van het landschap te worden verantwoord. Daarbij komt dat in de planregels wel is opgenomen dat een kwaliteitsverbetering van het landschap dient te zijn verzekerd bij de toepassing van flexibiliteitsinstrumenten ten behoeve van een vergroting van een bouwvlak, vergroting van de bouwhoogte en vergroting van de toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden. Zoals in 5.3 is overwogen, is voor concrete ontwikkelingen die in het plan mogelijk worden gemaakt, voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap. De Natuur- en milieuvereniging heeft niet concreet gemaakt bij welke bestaande agrarische bedrijven de bouwhoogte van 8 m naar 10 m is verhoogd, zonder dat daarbij is voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap. Het betoog faalt. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
  50. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat het plan ten onrechte tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogelijk maakt in kwetsbare gebieden. In het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat", gebieden met de aanduiding "openheid" en gebieden met de aanduiding "groenblauwe mantel" dienen lage en hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak niet te worden toegestaan, ook niet door middel van een afwijkingsmogelijkheid. Hoewel de oprichting van lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" reeds is uitgesloten, is onduidelijk welk deel van dit gebied thans is begrensd in de planregels en waarom dit niet ook voor hoge tijdelijke voorzieningen geldt. Nu aan dit gebied de aanduiding "openheid" is toegekend, is niet onderbouwd waarom lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in andere gebieden met de aanduiding "openheid" wel zijn toegestaan. Voorts is in de begripsbepaling van hoge teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte niet opgenomen dat hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 4 m hoog mogen zijn. 7.
  51. De Natuur- en Milieuvereniging heeft voorts beoogd de omvang van het geschil uit te breiden door na afloop van de beroepstermijn ook nog artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder c, van de planregels aan te vechten. Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder c, van de planregels naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten. 7.
  52. De raad stelt zich op het standpunt dat met de regeling voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen enerzijds de gewenste en noodzakelijke exploitatiemogelijkheden voor agrarische gronden worden geboden en anderzijds voldoende rekening is gehouden met de te beschermen waarden. Voor lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn in beginsel geen beperkingen opgenomen. Verder geldt in de gebieden met de aanduiding "openheid" dat de hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen alleen worden toegestaan middels een afwijkingsbevoegdheid. 7.
  53. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder bl, van de planregels wordt onder hoge (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen, die in de regel hoger zijn dan 1,5 m. Hieronder worden in ieder geval verstaan: teeltbakken in de stellingen of teelttafels, eventueel regenkappen; plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen. Ingevolge het bepaalde onder ci wordt onder lage (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: (teelt)ondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, die op of nabij de grond worden aangebracht, met een maximale hoogte van 1,5 m. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: containervelden (een geheel verharde ondergrond veelal van niet-opneembare/gesloten verhardingen, zoals beton of anti-worteldoek met daartussen opneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- of klinkerbestratingen) lage tunnels (halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen), insectengaas, afdekfolies, acryldoek, valkveldfolies of vraatnetten. Ingevolge het bepaalde onder dr wordt onder tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen verstaan: teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van zes maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, regenkappen, palen, vraatnetten en boomteelthekken. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder c, geldt dat buiten het bouwvlak van de voor "Agrarisch" aangewezen gronden de volgende teeltondersteunende voorzieningen en permanente palen ten behoeve van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan:
  54. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met uitzondering van de nieuwvestiging van plastic- of glazen constructies in het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens Kanaal; (…);
  55. hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met een maximale oppervlakte van 1,5 ha per bedrijf, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "openheid". Ingevolge lid 3.3.4, kan het college van burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.3, onder c, sub 3, ten behoeve van de bouw/aanleg van teeltondersteunende voorzieningen op de gronden ter plaatse van de aanduiding "openheid", met dien verstande dat: a. de voorziening noodzakelijk dient te zijn voor de agrarische bedrijfsvoering; b. het landschap, de waterhuishouding en de omliggende functies niet in onevenredige mate worden aangetast, respectievelijk belemmerd. 7.
  56. In de nota van zienswijzen is opgenomen dat een maximale hoogte van 4 m voor hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de planregels zal worden vastgelegd. Uit de definitiebepaling van hoge teeltondersteunende voorzieningen volgt echter alleen dat dit teeltondersteunende voorzieningen betreffen die hoger zijn dan 1,5 m. Voorts is in artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder c, aanhef en sub 3, van de planregels geen maximale hoogte opgenomen. De Afdeling stelt vast dat een maximale hoogte van 4 m voor hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bij de vaststelling van het plan niet in de planregels is verwerkt en gelet hierop de hoogte daarvan niet is begrensd. Ter zitting heeft de raad erkend dat dit abusievelijk niet in de planregels is opgenomen. De planregels stemmen in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling van het plan. Het betoog slaagt. 7.
  57. Uit artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder c, van de planregels volgt dat lage en hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak zijn toegestaan. Hierbij is evenwel voor het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat", uitgesloten dat plastic- of glazen lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak kunnen opgericht. Voorts is uitgesloten dat hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen kunnen worden opgericht ter plaatse van de aanduiding "openheid". Van dit laatste verbod kan ingevolge artikel 3, lid 3.3.4, van de planregels bij omgevingsvergunning worden afgeweken. Voor gronden met de aanduiding "groenblauwe mantel" is geen uitzondering voor het oprichten van lage of hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen opgenomen. 7.
  58. Voor zover de Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat niet duidelijk is of lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak in het gehele cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" zijn uitgesloten of dat dit alleen voor het westelijke gedeelte van dat gebied geldt, wordt overwogen dat in artikel 3, lid 3.2.3, onder c, aanhef en sub 1, van de planregels is opgenomen dat plastic- of glazen lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak in het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens Kanaal niet zijn toegestaan. Hieruit volgt niet dat dit verbod alleen geldt voor het westelijke gebied. De begrenzing is voldoende duidelijk in de planregels opgenomen. Het betoog faalt. 7.
  59. Aan het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" is de aanduiding "openheid" toegekend, zodat, anders dan de Natuur- en Milieuvereniging stelt, het oprichten van zowel hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen als plastic- of glazen lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak niet zijn toegestaan en het betoog in zoverre feitelijke grondslag mist. Over het betoog van de Natuur- en Milieuvereniging dat het oprichten van lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van gronden met de aanduiding "openheid" niet dient te worden toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat plastic- of glazen lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" zijn uitgesloten vanwege afspraken in het kader van de Gebiedsversterking Oostelijke Langstraat (hierna: GOL) om dit gebied van dergelijke voorzieningen te vrijwaren. De raad heeft deze afspraken in het plan willen respecteren. De raad heeft geen aanleiding gezien om lage teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van alle gronden met de aanduiding "openheid" te verbieden, omdat de openheid van de gronden bij tijdelijke voorzieningen met een maximale hoogte van 1,5 m volgens de raad niet onevenredig wordt aangetast. De Afdeling acht dit gelet op de kenmerken van het landschap en de impact van deze voorzieningen niet onredelijk. Voorts heeft de raad gelet hierop in redelijkheid andere lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in het cultuurhistorisch vlak "Baardwijkse en Beerse Overlaat" aanvaardbaar kunnen achten. De Afdeling stelt vast dat de gebieden waaraan de aanduiding "openheid" is toegekend grotendeels overeenkomen met de gebieden waaraan de aanduiding "groenblauwe mantel" is toegekend. Gelet daarop is het in een groot deel van de groenblauwe mantel niet toegestaan om hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bij recht op te richten. De te beschermen waarden van gebieden die alleen als groenblauwe mantel zijn aangewezen zien niet zozeer op de openheid van de gebieden, maar op het behoud en de ontwikkeling van natuur, water en landschap. Voor zover aan de gebieden met de aanduiding "groenblauwe mantel" niet tevens de aanduiding "openheid" is toegekend, heeft de Natuur- en Milieuvereniging niet aannemelijk gemaakt dat de waarden van de groenblauwe mantel op die plaatsen dusdanig worden aangetast door het oprichten van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak dat de exploitatiemogelijkheden van agrarische gronden in zoverre moet worden beperkt. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de waarden van de groenblauwe mantel worden aangetast door het oprichten van lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak. Het betoog faalt. 7.
  60. Over het betoog dat in artikel 3, lid 3.3.4, van de planregels ten onrechte een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen voor hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak op gronden met de aanduiding "openheid", overweegt de Afdeling als volgt. De Natuur- en Milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat gelet op de voorwaarden die in artikel 3, lid 3.3.4, van de planregels zijn opgenomen onvoldoende belang wordt gehecht aan de natuur- en landschapswaarden van deze gebieden. Het uitsluiten van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak ter plaatse van gronden met de aanduiding "openheid" zonder daar een mogelijkheid tot afwijken voor op te nemen, zou betekenen dat in een groot deel van het plangebied de oprichting van deze teeltondersteunende voorzieningen niet mogelijk is, hetgeen te grote beperkingen voor de betrokken bedrijven in het plangebied met zich brengt. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid een mogelijkheid tot afwijken in de planregels kunnen opnemen. Ter zitting heeft de raad evenwel erkend dat abusievelijk niet in de planregels is opgenomen dat de afwijkingsmogelijkheid voor hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van gronden met de aanduiding "openheid" niet geldt voor gronden die tevens in het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens liggen en waar ook lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt. Waterwingebied
  61. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat artikel 42.2 van de planregels in strijd met artikel 5.5, eerste lid, van de Verordening 2012 voorziet in de oprichting van teeltondersteunende voorzieningen in een waterwingebied. 8.
  62. Ingevolge artikel 5.5, eerste lid, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een waterwingebied uitsluitend tot instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening waarbij een medebestemming voor natuur of bos is toegelaten. 8.
  63. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Nutsvoorziening" aangewezen gronden bestemd voor: a. nutsvoorzieningen; b. erven en verhardingen; c. groenvoorzieningen, natuur en landschapselementen; d. water en waterhuishoudkundige doeleinden. Ingevolge artikel 42.2 mogen ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - waterwingebied", in afwijking van hetgeen elders in deze planregels is bepaald, op de in deze zone begrepen gronden geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen zoals opgenomen in artikel
  64. 8.
  65. In het plangebied is aan de gronden met de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn deze gronden niet bestemd voor agrarische doeleinden, en is het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van gronden met deze bestemming niet toegestaan. Gelet hierop komt geen betekenis toe aan de uitzondering voor teeltondersteunende voorzieningen van het verbod tot het bouwen van bouwwerken op gronden met de aanduiding "milieuzone - waterwingebied" en is de vrees van de Natuur- en Milieuvereniging ongegrond. Artikel 42.2 van de planregels strekt gelet daarop enkel tot een verbod op het bouwen van bouwwerken, zodat dit artikel niet in strijd is met de Verordening
  66. Het betoog faalt. Lichtmasten
  67. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat de maximale bouwhoogte van lichtmasten nabij Natura 2000-gebieden en EHS dient te worden verlaagd naar 8 m, zodat de duisternis van deze gebieden kan worden beschermd. Voorts dient gelet hierop voldoende afstand tot deze gebieden te worden aangehouden. 9.
  68. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van lichtmasten is beperkt tot de tijden waarop een paardrijbak wordt gebruikt en gelet daarop niet tot een onevenredige aantasting van de aanwezige fauna leidt. Bij het toestaan van lichtmasten is de voorheen geldende planologische regeling als uitgangspunt genomen. 9.
  69. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.6, aanhef en onder i, van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op als "Agrarisch" aangewezen gronden dat bouwwerken voor rijbakken zijn toegestaan, waarbij onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarde dat de hoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m mag bedragen. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.6, aanhef en onder b, van de planregels is eenzelfde regeling opgenomen voor lichtmasten op als "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden. 9.
  70. De raad heeft in het plan lichtmasten ten behoeve van een paardrijbak met een maximale hoogte van 12 m op agrarische gronden mogelijk gemaakt. Niet is gebleken dat deze lichtmasten op een dusdanig korte afstand van een Natura 2000-gebied of van de EHS kunnen worden opgericht, dat de waarden van Natura 2000-gebieden of van de EHS hierdoor zullen worden aangetast. Gelet hierop geeft hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot de gekozen wijze van bestemmen heeft kunnen komen. Het betoog faalt. Voormalige agrarische bedrijfswoningen
  71. De Natuur- en Milieuvereniging betoogt dat in artikel 3, lid 3.7.6, van de planregels in strijd met artikel 11.1 van de Verordening 2012 niet is verzekerd dat het bouwvlak bij de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming niet groter mag zijn dan de oppervlakte van de voormalige agrarische woning. 10.
  72. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, van de Verordening 2012 stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van: a. nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen. Ingevolge het vierde lid kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat: a. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; b. overtollige bebouwing wordt gesloopt. 10.
  73. Ingevolge artikel 3, lid 3.7.6, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Wonen" voor zover het de voormalige agrarische bedrijfswoning betreft en indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. ter plaatse van en aansluitend aan de bestaande woning of woningen worden gronden aangewezen met de bestemming "Wonen" als bedoeld in artikel 26; b. het bestemmingsvlak "Wonen" mag na wijziging niet meer dan 1.500 m² bedragen; c. de overige gronden binnen het voormalig bouwvlak houden de desbetreffende agrarische bestemming; (…); j. het aantal woningen binnen elk bouwvlak mag niet worden vergroot; k. overtollige bebouwing dient te worden gesloopt. 10.
  74. Uit de Verordening 2012 volgt niet dat het bouwvlak met de bestemming "Wonen" alleen de oppervlakte van de bestaande woning mag omvatten. Vast staat dat aan de in artikel 11.1, vierde lid, van de Verordening 2012 opgenomen voorwaarden voor het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning wordt voldaan. In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid mogelijk heeft kunnen maken dat ook aan gronden aansluitend aan de voormalige agrarische bedrijfswoning een woonbestemming kan worden toegekend. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de wijzigingsvoorwaarden is opgenomen dat de overige gronden binnen het voormalige bouwvlak de agrarische bestemming behouden. Het betoog faalt. Conclusie
  75. In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 1, aanhef en onder bl, van de planregels, voor zover daarin niet is opgenomen dat hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 4 m mogen zijn, is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In hetgeen de Natuur- en Milieuvereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 3, lid 3.3.4, van de planregels, voor zover hierin niet een uitzondering is opgenomen voor het gebied van de Baardwijkse Overlaat ten zuiden van de Koningsvliet en ten noorden van het Drongelens Kanaal, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 11.
  76. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. 11.
  77. Teneinde te voorkomen dat tot aan de periode van inwerkingtreding van het nieuwe plan hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen van meer dan 4 m kunnen worden gerealiseerd, ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals hierna vermeld. De beroepen van [appellant sub 18] en het college
  78. [appellant sub 18] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel aan de [locatie 1] te Drunen ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het plan ten onrechte, in tegenstelling tot hetgeen het ontwerpplan mogelijk maakte, niet voorziet in de exploitatie van een tuincentrum. Het vorige bestemmingsplan voorzag, weliswaar met een koppelteken naar [locatie 2] te Drunen, in de exploitatie van een tuincentrum. Daarbij komt volgens [appellant sub 18] dat het gebruik van de op het perceel aanwezige tuinbouwkas onder het overgangsrecht mag worden voortgezet. Gelet hierop draagt het aanwenden van het perceel voor het exploiteren van een tuincentrum volgens [appellant sub 18] bij aan de uitgangspunten van de Verordening 2012 inzake zorgvuldig ruimtegebruik en gebruik van bestaande bebouwing. Volgens [appellant sub 18] zal de verkeers- en parkeerdruk op de Zwaluwmoersedreef hierdoor niet onevenredig. Het college betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch", een bouwvlak en de aanduiding "glastuinbouw" voor het perceel aan de [locatie 1] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert het college aan dat in strijd met de Verordening 2012 nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf of een grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk wordt gemaakt, terwijl het vorige bestemmingsplan ter plaatse niet in een zelfstandig bouwvlak voor dergelijke bedrijven voorzag. Volgens het college strookt deze wijze van bestemmen niet met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast ontbreekt in het plan een adequate motivering ter zake van het mogelijk maken van een glastuinbouwbedrijf of een grondgebonden agrarisch bedrijf. 12.
  79. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het plan voor een bestemming is gekozen die het meest tegemoet komt aan de bestemming in het vorige plan en anderzijds recht doet aan de feitelijke loskoppeling van [locatie 2] door middel van eigendomsoverdracht. Volgens de raad is hiermee voorts de legale op het perceel aanwezige kas als zodanig bestemd. De vestiging van een zelfstandig tuincentrum ter plaatse is volgens de raad in strijd met de Verordening
  80. Volgens de raad is het daarnaast ruimtelijk niet gewenst om op de Zwaluwmoersedreef een zelfstandig tuincentrum te vestigen, onder meer omdat de Zwaluwmoersedreef niet geschikt is voor de verkeersstromen behorend bij een zelfstandig tuincentrum. Eventuele detailhandelsactiviteiten vallen volgens de raad niet onder het overgangsrecht. 12.
  81. Het perceel [locatie 1] heeft de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "glastuinbouw" en "bedrijfswoning uitgesloten". Voorts is een bouwvlak aan het perceel toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; (…); c. glastuinbouwbedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw"; (…). f. één bedrijfswoning per bouwvlak, waarbij geldt dater plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoningen zijn toegestaan. Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken in het algemeen dat gebouwen dienen te worden gebouwd in het bouwvlak. Ingevolge artikel 46, lid 46.2, onder a, van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van [lees: inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is] worden voortgezet. Ingevolge het bepaalde onder d is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 12.
  82. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" had het perceel [locatie 2] de bestemming "Tuincentrum". Het perceel [locatie 2] was via een koppelteken verbonden aan het perceel [locatie 1]. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 8, van de voorschriften van dat plan wordt onder gekoppeld bouwvlak/bestemmingsvlak verstaan: twee als zodanig op de plankaart aangeduid bouwvlakken/bestemmingsvlakken die gezamenlijk als één bouwvlak/bestemmingsvlak in aanmerking genomen moeten worden. Ingevolge artikel 17 zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Tuincentrum" bestemd voor een bedrijf dat zich overwegend richt op het kweken van planten en siergewassen en de handel daarin, alsmede andere benodigdheden voor aanleg en onderhoud van tuinen. 12.
  83. De stelling van [appellant sub 18] dat de op het perceel aanwezige kas vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Buitengebied" legaal is opgericht is door de raad bevestigd en door het college niet weersproken. Uit de stukken en het gestelde ter zitting is niet duidelijk geworden of de bouwvergunning van de kas ten behoeve van gebruik in het kader van een tuincentrum of voor agrarisch gebruik is verleend. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van de bouwwerken, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Omdat geen gerechtvaardigde verwachting bestaat dat de op het perceel staande kas binnen de planperiode zal worden verwijderd, heeft de raad, in aansluiting op voornoemd uitgangspunt, de bestaande legale bebouwing planologisch willen bestemmen door een agrarische bestemming met de aanduiding "glastuinbouw" en een bouwvlak toe te kennen. Een bestemming als "Tuincentrum" acht de raad niet wenselijk, onder meer omdat de Zwaluwmoersedreef niet geschikt is voor de verkeersstromen behorend bij een zelfstandig tuincentrum. Het overgrote deel van de omliggende gronden is onbebouwd, vormt een open ruimte naar het buitengebied en heeft een agrarische bestemming. Mede omdat vast staat dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" het gebruik van het perceel voor een zelfstandig tuincentrum dat niet was gekoppeld aan het ter plaatse van [locatie 2] opgenomen bestemmingsvlak voor een tuincentrum niet was toegestaan, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat het perceel niet bestemd kan worden als "Tuincentrum" niet onredelijk. Het betoog van [appellant sub 18] dienaangaande faalt. Over de stelling van [appellant sub 18] dat het huidige gebruik van de kas onder het overgangsrecht mag worden voortgezet, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is vast komen te staan dat ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan geen detailhandelsactiviteiten werden uitgeoefend op het perceel. Gelet hierop wordt een eventueel gebruik van het perceel als zelfstandig tuincentrum niet beschermd door het overgangsrecht van artikel 46, lid 46.2, van de planregels. Het gebruik van de kas voor teeltactiviteiten ten behoeve van een agrarisch bedrijf is, anders dan [appellant sub 18] meent, gelet op de doeleindenomschrijving in artikel 3, lid 3.1, van de planregels, toegestaan. Over het betoog van het college dat de toegekende bestemming nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf of een grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk maakt, overweegt de Afdeling dat de raad, gelet op alle omstandigheden van het geval, in redelijkheid doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan het belang om legale bebouwing als zodanig te bestemmen. Daarbij is van belang dat de raad heeft vastgelegd dat het niet mogelijk is ter plaatse een bedrijfswoning te bouwen, zodat de mogelijkheden voor een nieuw bedrijf, mede gelet op de omvang van het perceel, in dit geval beperkt zijn. Het betoog van het college faalt. 12.
  84. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 18] en het college ongegrond. Het beroep van [appellant sub 12]
  85. [appellant sub 12] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel ten zuiden van de [locatie 3] te Elshout ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het perceel sinds 2005 in gebruik is voor de stalling van materiaal voor een grondverzetbedrijf en zich heeft ontwikkeld naar een agrarisch verwant bedrijf. Ten onrechte is dit bedrijf niet als zodanig bestemd. Volgens [appellant sub 12] is de vestiging van een agrarisch verwant bedrijf niet in strijd met de Verordening 2012, omdat in artikel 11.7 afwijkende regels voor agrarisch verwante bedrijven zijn gesteld en het perceel grotendeels als bestaand stedelijk gebied is aangewezen. 13.
  86. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw". In artikel 4, lid 4.1, van de planregels is opgenomen dat de voor "Agrarisch - Glastuinbouw" aangewezen gronden onder meer zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en glastuinbouwbedrijven. Deze bestemming staat geen agrarisch verwante bedrijven toe. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven, tenzij het bedrijven zoals per adres opgenomen in de bij dit artikel behorende tabel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bestaand bedrijf", betreft. 13.
  87. Het perceel is in de Verordening 2012 voor een gedeelte als agrarisch gebied en vestigingsgebied glastuinbouw en voor een gedeelte als bestaand stedelijk gebied aangemerkt. 13.
  88. Het perceel is in gebruik voor de stalling van materiaal voor een grondverzetbedrijf. Voorts bestaan de werkzaamheden van het bedrijf van [appellant sub 12] onder meer uit het aanleggen van verhardingen en voederkuilen en het verrichten van grondwerk voor agrarische bedrijven en worden daarnaast hovenierswerkzaamheden verricht. Vast staat dat het bedrijf niet als zodanig is bestemd. 13.
  89. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat een groot gedeelte van het perceel in de Verordening 2012 is aangemerkt als bestaand stedelijk gebied, waar meer mogelijkheden zijn voor de vestiging van niet-agrarische functies. Ten aanzien van dat gedeelte van het perceel is volgens de raad ten onrechte niet bezien of voor het bedrijf van [appellant sub 12] een passende regeling in het plan kan worden opgenomen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Gelet op de samenhang van dit gedeelte van het perceel met de rest van het perceel, ziet de Afdeling aanleiding voor de conclusie dat de planregeling voor het gehele perceel onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog slaagt. 13.
  90. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van een deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel ten zuiden van de [locatie 3], zoals nader aangeduid op een bij deze uitspraak behorende kaart, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 13.
  91. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het beroep van [appellant sub 10]
  92. [appellant sub 10] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de percelen, kadastraal bekend gemeente Vlijmen, sectie […], nrs. […] en […], ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte geen bedrijfsbestemming aan het perceel is toegekend, zodat een opslagruimte voor zijn evenementenverhuurbedrijf met eventueel een daarbij behorende bedrijfswoning is toegestaan. Volgens [appellant sub 10] is geen sprake van een bedrijventerrein, maar van een gemengd gebied met voornamelijk woningen en enkele solitair gelegen bedrijven, zodat het areaal aan bedrijventerreinen niet zal worden uitgebreid en de Verordening 2012 niet aan de door hem gewenste ontwikkelingen in de weg staat. Voorts is dit niet in strijd met de Structuurvisie "Ideeën voor een plek" (hierna: de structuurvisie) en is de vestiging van een bedrijf in milieucategorie 2 in een gemengd gebied planologisch aanvaardbaar. Volgens [appellant sub 10] is ten onrechte geen planologische afweging gemaakt over zijn verzoek. 14.
  93. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming passend is voor het gebied en is afgestemd op het huidige gebruik. Voorts wenst de raad het aantal bedrijfslocaties in beginsel niet uit te breiden. Hierbij verwijst de raad naar regionale afspraken hierover, waarbij behoudens bijzondere gevallen, geen nieuwe bedrijventerreinen worden mogelijk gemaakt. 14.
  94. De percelen hebben de bestemming "Agrarisch". Vast staat dat een opslagruimte voor het evenementenverhuurbedrijf van [appellant sub 10] met eventueel een daarbij behorende bedrijfswoning niet zijn toegestaan. 14.
  95. Op 15 juni 2010 heeft [appellant sub 10] een verzoek ingediend voor de vestiging van de gewenste bedrijvigheid en een daarbij behorende bedrijfswoning, waarbij een schets is overgelegd. Anders dan [appellant sub 10] betoogt is zijn concrete plan door de raad bij de vaststelling in ogenschouw genomen, maar acht de raad de toevoeging van een nieuwe bedrijfslocatie niet wenselijk. De raad heeft hieraan ten grondslag gelegd dat terughoudendheid wordt betracht bij de uitbreiding van bedrijfslocaties, mede gelet op de in overeenstemming met de Verordening 2012 in voorbereiding zijnde regionale afspraken. Deze terughoudendheid volgt ook uit de notitie "Gronduitgiftebeleid bedrijventerreinen gemeente Heusden", waarin onder meer staat dat bedrijven zich slechts op een nieuwe locatie mogen vestigen als vast staat dat op de bestaande bedrijventerreinen geen geschikte locatie beschikbaar is. Volgens de raad is niet aangetoond dat het bedrijf van [appellant sub 10] zich niet op een bestaande bedrijfslocatie in de omgeving kan vestigen, hetgeen [appellant sub 10] niet heeft weersproken. De Afdeling overweegt dat de raad gelet op voormelde omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen planologische medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 10]. Dat [appellant sub 10] ter zitting naar voren heeft gebracht dat hij slechts een opslagruimte voor zijn evenementenverhuurbedrijf op het perceel wenst te vestigen en het een kleinschalige bedrijfslocatie betreft, leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt. 14.
  96. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 24]
  97. [appellant sub 24], die een agrarisch bedrijf exploiteert aan de [locatie 4] te Vlijmen, kan zich niet verenigen met de planregeling voor dit perceel en de planregeling voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie […], nr. […].
  98. [appellant sub 24] betoogt dat de vorm van het bouwvlak op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 4] ondoelmatig is, omdat de grenzen ten onrechte niet evenwijdig aan de zijgevels van de bestaande bebouwing zijn opgenomen. Gelet hierop heeft hij verzocht om de vorm van het bouwvlak aan te passen en het bouwvlak te vergroten. Volgens [appellant sub 24] is het bouwvlak niet in overeenstemming met de feitelijke situatie. De aan de noordoostzijde van de woning gelegen siertuin en de hoofdinrit van de melkrundveehouderij vallen geheel buiten het bouwvlak, zodat beide niet als zodanig zijn bestemd. 16.
  99. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Voor vormverandering van het bouwvlak kan, indien kan worden voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap als bedoeld in de Verordening 2012, gebruik worden gemaakt van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. 16.
  100. De percelen aan de [locatie 4] hebben de bestemming "Agrarisch", waarbij aan een gedeelte van deze gronden een bouwvlak is toegekend. 16.
  101. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; (…); met de daarbij behorende: q. paden en wegen en parkeervoorzieningen; (…); t. tuinen, erven en verhardingen; (…). Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken dat gebouwen dienen te worden gebouwd in het bouwvlak. Ingevolge lid 3.7.1, aanhef en onder e, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de vormverandering van het bouwvlak, waarbij onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarde dat er sprake is van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem en/of water en/of natuur en/of landschap en/of cultuurhistorie van het gebied, waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit hoofdstuk 4 van de Ontwikkelingsvisie en aanvrager zich jegens de gemeente heeft verplicht om deze kwaliteitsverbetering uit te voeren en in stand te houden. Ingevolge lid 3.7.2, aanhef en onder d, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om het plan te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van grondgebonden agrarische bedrijven, waarbij onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarde dat er sprake is van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem en/of water en/of natuur en/of landschap en/of cultuurhistorie van het gebied, waarbij wordt getoetst aan de ontwerprichtlijnen uit hoofdstuk 4 van de Ontwikkelingsvisie en aanvrager zich jegens de gemeente heeft verplicht om deze kwaliteitsverbetering uit te voeren en in stand te houden. 16.
  102. Vast staat dat de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak staat en dus als zodanig is bestemd. Niet is gebleken dat vanwege het feit dat de grenzen van het bouwvlak niet evenwijdig aan de zijgevels van de bestaande bebouwing zijn opgenomen, de vorm van het bouwvlak dermate ondoelmatig is dat thans geen ruimte bestaat om de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak uit te breiden. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aan de noordoostzijde van de woning gelegen siertuin en de hoofdinrit niet als zodanig zijn bestemd en derhalve een groter bouwvlak dient te worden opgenomen, nu paden, wegen, tuinen, erven en verhardingen ingevolge de planregels op gronden met de bestemming "Agrarisch" zijn toegestaan en deze niet binnen een bouwvlak hoeven te liggen. Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat artikel 3, lid 3.7.1, en artikel 3, lid 3.7.2, van de planregels voorzien in wijzigingsbevoegdheden waarmee een bouwvlak van vorm kan veranderen of kan worden vergroot indien een concreet bouwplan hiertoe aanleiding geeft, geeft hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot de gekozen wijze van bestemmen heeft kunnen komen. Het betoog faalt.
  103. [appellant sub 24] betoogt dat de raad ten onrechte artikel 3, lid 3.2.6, van de planregels heeft vastgesteld. Gelet op de noodzaak van het voorkomen van onbevoegde betreding van zijn gronden dient langs de [locatie 4] te worden toegestaan om een hekwerk hoger dan 1 m op te richten. Vanuit landschappelijk oogpunt bestaan hiertegen geen bezwaren. 17.
  104. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.6, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer mag bedragen dan 1 m. 17.
  105. Voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel geldt ingevolge artikel 3, lid 3.2.6, aanhef en onder a, van de planregels dat deze niet hoger dan 1 m mogen zijn. De reden hiervoor is dat de raad het vanuit landschappelijk oogpunt niet wenselijk acht om een erfafscheiding hoger dan 1 m toe te staan. In hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gelet op het behoud van een open aanzicht van bebouwing vanaf de weg niet in redelijkheid een bouwhoogte van maximaal 1 m voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel heeft kunnen opnemen. Het betoog faalt.
  106. [appellant sub 24] betoogt dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" ten onrechte aan de zuidwestzijde van de percelen aan de [locatie 4] is toegekend. Vanwege verstoring van de ondergrond door cultuurtechnische werkzaamheden en drainage tot ongeveer 0,5 tot 1 m en door ruilverkaveling is volgens hem geen sprake meer van archeologische waarden. 18.
  107. De raad stelt zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat vanwege verstoring van de ondergrond van de percelen alle archeologische waarden verloren zijn gegaan. Gelet hierop is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" aan de percelen toegekend. 18.
  108. Aan de zuidwestzijde van de percelen aan de [locatie 4] is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend. Ingevolge artikel 32, lid 32.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de gebieden met te verwachten archeologische waarden. 18.
  109. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. 18.
  110. In de plantoelichting staat dat voor de gemeenten Haaren, Heusden, Loon op Zand en Vught door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie op 20 december 2011 een Archeologische verwachtingskaart is opgesteld. Hiertoe behoren een kaart met archeologische waarden en verwachtingen en een archeologische beleidsadvieskaart. De raad heeft met de vaststelling van het plan bij deze stukken aangesloten en deze stukken als uitgangspunt gebruikt bij alle activiteiten waar mogelijk archeologische waarden in het geding zijn. Op de archeologische beleidsadvieskaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen in het plangebied in vijf verschillende archeologisch waardevolle gebieden onderverdeeld. De raad heeft in het plan aan de gronden in de categorieën 1 tot en met 4 door middel van een dubbelbestemming regels verbonden. Op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart ligt het gedeelte van de percelen van [appellant sub 24] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" is toegekend in de categorie "archeologische waarde", hetgeen op de archeologische beleidsadvieskaart is vertaald naar de categorie "archeologisch waardevol gebied 2: waarde archeologie hoog (archeologisch waardevol terrein)". In de planregels behorend bij deze bestemming is opgenomen dat archeologisch onderzoek dient te worden verricht voor het verrichten van werkzaamheden of het bouwen van bouwwerken, tenzij het een gebied betreft dat kleiner is dan 100 m² of waarbij de bodem tot maximaal 50 cm onder maaiveld wordt geroerd. 18.
  111. De Afdeling is van oordeel dat voor het opnemen van een beschermingsregeling niet is vereist dat de aanwezigheid van de archeologische waarden ter plaatse vast staat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke waarden in het gebied voorkomen. Op grond van voormelde stukken en het ten behoeve daarvan verrichte veldonderzoek heeft de raad aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de percelen archeologisch relevante resten in de bodem kunnen voorkomen, zodat een gedeelte van de gronden van [appellant sub 24] archeologisch waardevol is. Uit de stelling van [appellant sub 24] dat in het verleden grondwerkzaamheden, drainage en ruilverkaveling hebben plaatsgevonden en de ondergrond gelet daarop is verstoord, kan niet worden afgeleid op welke locaties en tot welke diepte de gronden zijn geroerd. Ter zitting is bovendien door [appellant sub 24] gesteld dat de gronden door de landbouwkundige bewerking in het algemeen niet dieper dan 50 cm zijn geroerd. [appellant sub 24] heeft niet aan de hand van stukken aannemelijk gemaakt dat de gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig kunnen zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zuidwestzijde van de percelen van [appellant sub 24] archeologisch waardevol kunnen zijn en daaraan derhalve bescherming dient toe te komen. Het betoog faalt.
  112. [appellant sub 24] betoogt dat de raad de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" ten onrechte aan het perceel kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie […], nr. […], heeft toegekend. Gelet op de geringe bergingscapaciteit van het perceel is deze dubbelbestemming niet noodzakelijk. Voorts zal deze capaciteit onbenut blijven door de voorziene aanpassing van de infrastructuur, zoals de aanleg van de oostelijke randweg Vlijmen en de klimaatbuffer, en heeft de raad geen rekening gehouden met het project voor Hoogwateraanpak ’s-Hertogenbosch (hierna: de Howabo). 19.
  113. De raad stelt zich op het standpunt dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" is opgenomen ter uitvoering van de Howabo. Het perceel is onderdeel van een groter bergingsgebied voor hoge waterstanden rondom 's-Hertogenbosch. 19.
  114. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied". Ingevolge artikel 37, lid 37.1, van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden , behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van het waterbergend vermogen. 19.
  115. Uit de plantoelichting volgt dat onder meer de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" is opgenomen om de belangen op het gebied van waterstaat veilig te stellen, wat onder meer ziet op de ontwikkeling van de Howabo. De Howabo maakt het mogelijk om het water van de rivieren rondom de stad 's-Hertogenbosch bij hoogwater tijdelijk te bergen, zodat overlast in de stad zelf wordt tegengegaan. De waterberging vindt plaats in het buitengebied van de gemeenten 's-Hertogenbosch, Vught en Heusden. Gelet hierop is de op 22 december 2010 door het onderzoeksbureau Royal Haskoning opgestelde notitie "Howabo, input voor het bestemmingsplan buitengebied Heusden" aan het plan ten grondslag gelegd en is de Howabo voor een deel in dit plan mogelijk gemaakt. Anders dan [appellant sub 24] betoogt, kan niet worden gesteld dat de raad geen rekening heeft gehouden met de Howabo, maar ligt deze ontwikkeling juist ten grondslag aan de toekenning van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aan het perceel. Het perceel maakt deel uit van een groter gebied waar de waterberging mogelijk wordt gemaakt en draagt op die manier bij aan de doelstellingen van de Howabo. Voor zover [appellant sub 24] stelt dat de bergingscapaciteit onbenut zal blijven gelet op de aanleg van de oostelijke randweg Vlijmen en de klimaatbuffer, wordt overwogen dat de raad ter zitting heeft gesteld dat de klimaatbuffer een onderdeel is van de Howabo en dat bij de ontwikkeling van de oostelijke randweg Vlijmen rekening zal worden gehouden met de Howabo. Gelet hierop is niet gebleken dat deze ontwikkelingen er toe zullen leiden dat de waterbergingscapaciteit van het perceel onbenut zal blijven. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad ter zitting heeft gesteld dat in het geval dat bij de planologische procedure voor de oostelijke randweg Vlijmen blijkt dat het perceel door de aanleg hiervan zal worden afgesneden van het waterbergingsgebied, in die betreffende procedure aan de orde kan komen of de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" kan worden verwijderd. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat het perceel thans een dermate geringe bergingscapaciteit heeft dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" ten onrechte aan het perceel is toegekend. Het betoog faalt.
  116. [appellant sub 24] betoogt dat de raad ten onrechte artikel 3, lid 3.7.10, van de planregels heeft vastgesteld. In strijd met een toezegging in de nota van zienswijzen is deze wijzigingsbevoegdheid niet uit de planregels verwijderd. 20.
  117. De raad stelt zich op het standpunt dat in de nota van zienswijzen abusievelijk het woord "niet" is weggevallen, maar dat niet is ingestemd met het verzoek de wijzigingsbevoegdheid niet meer in het plan op te nemen. Voorts stelt de raad dat slechts van de wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt indien een perceel door de gemeente ten behoeve van de realisatie van de EHS is aangekocht. 20.
  118. Ingevolge artikel 3, lid 3.7.10, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Natuur" en/of "Bos" uitsluitend voor zover het betreft de gronden die worden ingericht ten behoeve van het realiseren van de ecologische hoofdstructuren en/of natuurvriendelijke oevers, met dien verstande dat: a. de wijzigingsbevoegdheid niet eerder mag worden toegepast dan nadat de betreffende gronden in zijn geheel voor de daadwerkelijke natuurontwikkeling zijn verworven en aangewezen door gemeente, provincie of een andere daartoe bevoegde instantie; b. de wijzigingsbevoegdheid niet eerder mag worden toegepast dan nadat de eigenaar van de gronden instemt met de wijziging; (…). 20.
  119. Hoewel in de nota van zienswijzen met betrekking tot deze wijzigingsbevoegdheid het woord "niet" onder het kopje "reactie gemeente Heusden" niet staat vermeld, maar is vermeld dat kan worden ingestemd met het verwijderen van artikel 3, lid 3.7.10, van de planregels, is onder het kopje "gevolgen voor het bestemmingsplan" opgenomen dat deze zienswijze in zoverre niet leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan. Gelet hierop vat de Afdeling het weglaten van het woord "niet" op als een kennelijke verschrijving en is deze wijziging terecht niet opgenomen in het vaststellingsbesluit en ook niet verwerkt op de verbeelding die door de raad is gewaarmerkt als behorend bij zijn besluit van 18 december 2012 en ter inzage is gelegd. Het betoog van [appellant sub 24] leidt gelet hierop niet tot het oordeel dat de verbeelding niet overeenstemt met het vaststellingsbesluit. Het betoog faalt. 20.
  120. Uit de wijzigingsvoorwaarden in artikel 3, lid 3.7.10, aanhef en onder a en b, van de planregels volgt dat slechts gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid om de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Natuur" en/of "Bos" nadat het betreffende agrarische perceel ten behoeve van natuurontwikkeling is verworven en de eigenaar van dat perceel met wijziging van de bestemming instemt. Gelet hierop kan voor de agrarische percelen van [appellant sub 24] geen toepassing aan deze wijzigingsbevoegdheid worden gegeven, zolang deze percelen in eigendom van [appellant sub 24] zijn. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat met het toekennen van de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 24]. Het betoog faalt.
  121. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 24] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 6] en anderen
  122. [appellant sub 6] en anderen betogen dat de raad de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 5] te Heusden ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat een inhoudelijke beoordeling van de door hen ingediende zienswijzen over dit plandeel ontbreekt omdat in de nota van zienswijzen alleen is opgenomen dat de aanvraag om vergroting van het bouwvlak is ingetrokken. Later hebben zij nog tweemaal een inspraakreactie ingediend, die ten onrechte niet bij het vastgestelde plan is opgenomen en door de raad niet bij de belangenafweging is betrokken. In tegenstelling tot hetgeen uit de nota van zienswijzen volgt, is echter wel ten onrechte de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel toegekend. 22.
  123. Uit de nota van zienswijzen volgt dat [belanghebbende], de eigenaar van het perceel, naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft besloten zijn verzoek tot uitbreiding van het bouwvlak in te trekken. Gelet hierop is in de nota van zienswijzen opgenomen dat evenals in het vorige plan een agrarische bestemming aan het perceel wordt toegekend en, uitgaande van een plandeel zonder aanduiding voor intensieve veehouderij, een inhoudelijke bespreking van de zienswijze van [appellant sub 6] en anderen achterwege kan blijven. Daarna heeft de raad de planregeling voor dit perceel tijdens een raadsvergadering heroverwogen. [appellant sub 6] en anderen hebben tijdens de raadsvergadering van 4 december 2012 een inspraakreactie ingediend, waarbij zij hun bezwaren tegen het als zodanig bestemmen van een intensieve veehouderij hebben herhaald. In deze raadsvergadering is geconstateerd dat de aanduiding "intensieve veehouderij" op het perceel [locatie 5] ontbreekt en voorgesteld om het plan op dit punt aan te passen, omdat dit in overeenstemming is met de bestaande vergunde situatie en in overeenstemming is met de Verordening 2012, zo blijkt uit het voorstel bijstelling bestemmingsplan. De door [appellant sub 6] en anderen opgestelde inspraakreactie ten behoeve van de raadsvergadering van 18 december 2012 is schriftelijk aan de raad verstrekt. Gelet op het voorgaande heeft de raad bij de vaststelling van het plan bewust beslist over de toekenning van de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel en hebben [appellant sub 6] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de raad de twee inspraakreacties niet heeft betrokken bij deze besluitvorming. Het betoog faalt.
  124. [appellant sub 6] en anderen betogen dat een intensieve veehouderij op grond van het voorheen geldende plan ter plaatse niet mogelijk was. Niet is gemotiveerd waarom in dit plan een intensieve veehouderij is toegestaan. Volgens hen kan het bedrijf niet als intensieve veehouderij worden aangemerkt als bedoeld in de Verordening 2012, maar dient het als een grondgebonden agrarisch bedrijf te worden aangemerkt. Daarbij voeren ze aan dat het houden van varkens in dit geval als een hobbymatige activiteit moet worden beschouwd, gelet op de beperkte omvang hiervan in relatie tot het telen van gewassen. 23.
  125. De raad stelt zich op het standpunt dat een intensieve veehouderij op grond van het voorheen geldende plan ter plaatse reeds mogelijk was. Volgens de raad kan het bedrijf worden aangemerkt als een gemengd agrarisch bedrijf met een volwaardige intensieve veehouderijtak. Overeenkomstig de feitelijke situatie en de wensen van de eigenaar van het perceel is de aanduiding "intensieve veehouderij" aan een deel van het perceel toegekend. 23.
  126. Het bedrijf aan de [locatie 5] heeft een oppervlakte van ongeveer 3 ha. Aan de percelen is de bestemming "Agrarisch" toegekend, waarbij aan een gedeelte daarvan de aanduiding "intensieve veehouderij" en een bouwvlak is toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch aangewezen gronden bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. intensieve veehouderijen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij"; (…). Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken in het algemeen dat gebouwen dienen te worden gebouwd in het bouwvlak. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder bj, wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder bz, wordt onder intensieve veehouderij verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij. De begrippen grondgebonden agrarisch bedrijf en intensieve veehouderij zijn gelijk aan de begrippen in de Verordening 2012, zoals opgenomen in artikel 1.1, aanhef en onder 36, respectievelijk 40, van de Verordening
  127. 23.
  128. In de plantoelichting is opgenomen dat de toegekende agrarische bouwvlakken en aanduidingen in beginsel zijn gebaseerd op de vigerende bestemmingsregeling. Daarbij is voor bestaande agrarische bedrijven in beginsel een grens van 15 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: nge) gehanteerd. Voor de omvang van de bouwvlakken op de plankaart zijn de geldende bouwvlakken en de bestaande bebouwing als uitgangspunt genomen. 23.
  129. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1996 had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" en was een bouwvlak toegekend. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 5, van de voorschriften van dat plan wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat geheel of overwegend gericht is op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het fokken of houden van dieren. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, zijn de op de plankaart voor "Agrarisch gebied" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, geldt voor het bouwen van gebouwen op de in het eerste lid omschreven gronden dat de gebouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken mogen worden gebouwd. 23.
  130. De bedrijfsvoering ter plaatse bestaat uit het houden van varkens en het telen van diverse akkerbouwgewassen. Gelet hierop dient het bedrijf als een gemengd agrarisch bedrijf met een intensieve veehouderijtak en een grondgebonden agrarische bedrijfstak te worden aangemerkt. Anders dan [appellant sub 6] en anderen stellen, was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" het gebruik van de percelen voor intensieve veehouderij op grond van de toegekende bestemming "Agrarisch gebied" binnen het bouwvlak niet uitgesloten, nu geen onderscheid werd gemaakt tussen verschillende agrarische bedrijfsvormen. Vast staat dat, anders dan in dat plan, in het voorliggende plan niet alle bedrijfspercelen voor een intensieve veehouderij in gebruik kunnen worden genomen, maar slechts het gedeelte van de gronden waarop het bouwvlak is gelegen en waaraan de aanduiding" intensieve veehouderij" is toegekend. Dit komt overeen met het gedeelte van de gronden waar de varkens in gebouwen worden gehouden. Zoals uit de plantoelichting volgt, heeft de raad voor de vraag of sprake is van een volwaardige bedrijfsactiviteit waarvoor een bouwvlak en de aanduiding "intensieve veehouderij" moet worden toegekend het aantal nge in beginsel bepalend geacht. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 6] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid daarbij aansluiting heeft kunnen zoeken ter bepaling van de volwaardigheid. Op basis van de in 1995 aan De Wilt verleende milieuvergunning voor 300 varkens bedraagt het totaal aantal nge 26, zodat de raad deze agrarische activiteiten in redelijkheid niet als een hobbymatige agrarische bedrijfsuitoefening heeft aangemerkt. In de definitie van intensieve veehouderij staat centraal de vraag of dieren al dan niet in gebouwen worden gehouden. [appellant sub 6] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering ter plaatse van het bouwvlak niet geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt, zodat de Afdeling van oordeel is dat de raad het bedrijf in zoverre terecht als een intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder 40, van de Verordening 2012 en artikel 1, aanhef en onder bz, van de planregels heeft aangemerkt. Dat een groot gedeelte van de bedrijfspercelen in gebruik is voor de grondgebonden agrarische bedrijfstak doet aan het vorenstaande niet af. Op die perceelsgedeelten is geen bouwvlak opgenomen en voorts is de aanduiding "intensieve veehouderij" hieraan niet toegekend, zodat het bestemmingsplan zich er tegen verzet dat die perceelsgedeelten bij recht kunnen worden benut voor de intensieve veehouderijtak. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid in overeenstemming met de bestaande situatie en vergunde rechten en met inachtneming van het vorige bestemmingsplan de aanduiding "intensieve veehouderij" kunnen toekennen aan het gedeelte van het perceel dat voor het houden van varkens in gebruik is.Het betoog faalt.
  131. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] en anderen ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3]
  132. [appellant sub 3] betoogt dat de raad aan een gedeelte van het perceel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 6] te Drunen ten onrechte geen woonbestemming heeft toegekend. In het verleden is overeenkomstig een bouwvergunning een schuur op het perceel opgericht, welke voor een gedeelte als woning in gebruik is genomen. Ten onrechte is deze volgens hem legale woonbebouwing niet als zodanig bestemd. Een gedeelte van de schuur is vervolgens afgebroken en daarvoor zijn volgens [appellant sub 3] woonunits in de plaats gekomen. Ten onrechte is de woonbebouwing en het gebruik daarvan alleen door middel van een persoonsgebonden gedoogbeschikking toegestaan. 25.
  133. De raad stelt zich op het standpunt dat bewoning van de woonunits op basis van een persoonsgebonden gedoogbeschikking is toegestaan. De raad acht het niet wenselijk om dit gebruik als zodanig te bestemmen. Dat een persoonsgebonden gedoogbeschikking is verleend, betekent voorts niet dat aanspraak op een woonbestemming kan worden gemaakt. 25.
  134. Ingevolge artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) worden behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan bestaand gebruik, in een bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van gebruik opgenomen:
  135. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. (…)
  136. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Ingevolge artikel 3.2.3 kan de gemeenteraad indien toepassing van het overeenkomstig artikel 3.2.2 in het plan opgenomen gebruiksovergangsrecht zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan persoonsgebonden overgangsrecht opnemen. 25.
  137. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch". Ingevolge artikel 46, lid 46.1, onder a, van de planregels mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  138. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  139. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Ingevolge het bepaalde onder c is het bepaalde onder a niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Ingevolge artikel 46, lid 46.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van [lees: inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is] worden voortgezet. Ingevolge het bepaalde onder d is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 25.
  140. In het voorheen geldende plan "Kasteeldreef-Groenewoud" van 1972 was aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. 25.
  141. Vast staat dat het zowel in het voorheen geldende plan als in dit plan niet is toegestaan om op het perceel woonbebouwing op te richten en in gebruik te nemen. Op 29 april 2008 is door het college van burgemeester en wethouders een persoonsgebonden gedoogbeschikking verleend voor bewoning van het voormalige kippenhok en van de twee woonunits. 25.
  142. Over het betoog van [appellant sub 3] dat de woonbebouwing ten onrechte niet als zodanig is bestemd, wordt als volgt overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat het voormalige kippenhok legaal is gebouwd. Uit de gedoogbeschikking volgt dat deze bebouwing in gebruik is genomen als woning en in 2008 hiertoe is aangepast. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een hiervoor benodigde bouwvergunning dan wel vrijstelling is verleend. Evenmin is gebleken dat een bouwvergunning of vrijstelling is verleend voor de in 2006 op het perceel aangetroffen woonunits, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze illegaal zijn gebouwd. Voorts zijn het voormalige kippenhok en de woonunits illegaal in gebruik genomen tijdens de geldingsduur van het voorheen geldende plan. Deze bebouwing en het gebruik daarvan worden, gelet op het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 46, lid 46.1 en lid 46.2, van de planregels, niet beschermd door het overgangsrecht van dit plan. Omdat de bouwwerken onder het voorheen geldende plan niet gelegaliseerd konden worden, bestond er voor de raad om die reden geen aanleiding dit in het thans voorliggende plan als zodanig te bestemmen. Ook gebruik in strijd met een geldende bestemming doet in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan dat het gebruik als zodanig wordt bestemd. Het enkele feit dat een illegaal bouwwerk reeds lange tijd aanwezig is en in strijd met de bestemming wordt gebruikt, rechtvaardigt op zichzelf niet dat het als zodanig wordt bestemd. De raad heeft ter zitting gesteld dat er geen aanleiding bestaat voor een positieve bestemming omdat verstening van het buitengebied niet wenselijk wordt geacht. Voorts ligt de bebouwing binnen de geluidzone van het nabijgelegen industrieterrein en op korte afstand van bedrijvigheid in categorie 4.
  143. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toekennen van een woonbestemming aan deze bebouwing. Daarbij betrekt de Afdeling dat een persoonsgebonden gedoogbeschikking geen recht inhoudt om op agrarisch aangewezen gronden bebouwing voor wonen op te richten en in gebruik te nemen en niet is gebleken van rechten die [appellant sub 3] anderszins daarop kan doen gelden. 25.
  144. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat [appellant sub 3] de bewoning op basis van de gedoogbeschikking mag voortzetten en hij dit besluit van het college van burgemeester en wethouders respecteert. Voorts heeft de raad gesteld dat hij niet bij het college van burgemeester en wethouders zal aansturen op handhavend optreden zolang [appellant sub 3] op het perceel woont. Hoewel de bebouwing en het gebruik daarvan in planologisch opzicht illegaal blijven, kan gelet hierop worden vastgesteld dat het gebruik naar verwachting niet binnen de planperiode zal worden beëindigd, maar tot na deze periode zal worden voortgezet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 oktober 2012, in zaak nr. 201113132/1/T1/R1 dient de raad indien hij bij het vaststellen van een bestemmingsplan het bestaande gebruik niet als zodanig bestemt, maar voor een of meer plandelen een andere bestemming in het belang van een goede ruimtelijke ordening aangewezen acht, te kiezen voor een bestemming waarvan aannemelijk is dat deze binnen de planperiode van in beginsel tien jaar wordt gerealiseerd. Bestaand legaal gebruik mag op grond van het - ingevolge artikel 3.2.2 van het Bro in het bestemmingsplan op te nemen - algemene overgangsrecht worden voortgezet. Artikel 3.2.3 biedt de raad daarnaast de mogelijkheid om voor een of meer natuurlijke personen persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen. Daartoe kan de raad overgaan in gevallen waarin het bestaande gebruik, gelet op artikel 3.2.2, vierde lid, niet onder de werking van het algemene overgangsrecht zou vallen en handhavend optreden tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.2.3 zou leiden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onder voormelde omstandigheden zijn keuze om voor de woonbebouwing op het perceel [locatie 6] geen regeling in het plan op te nemen niet afdoende gemotiveerd. De enkele, niet van motivering voorziene, stelling van de raad dat hij in dit geval geen regeling in het plan heeft willen opnemen, is daartoe, gelet op de mogelijkheden die de wet biedt, niet toereikend. Daarbij betrekt de Afdeling dat ter zitting door de raad te kennen is gegeven dat in de besluitvorming geen aandacht is besteed aan de mogelijkheid om artikel 3.2.3 van het Bro toe te passen en om voor [appellant sub 3] persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen in het plan. Voor zover de raad zich ter zitting tevens op het standpunt heeft gesteld dat dit gelet op de persoonsgebonden gedoogbeschikking niet nodig is, overweegt de Afdeling dat, anders dan de raad meent en zoals eerder is overwogen in voormelde uitspraak van 17 oktober 2012, een persoonsgebonden gedoogbeschikking in juridisch opzicht niet gelijk kan worden gesteld met in een plan opgenomen persoonsgebonden overgangsrecht. Het betoog slaagt. 25.
  145. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft een deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 6], zoals nader aangeduid op een bij deze uitspraak behorende kaart, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 25.
  146. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het beroep van [appellante sub 20]
  147. [appellante sub 20] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel, kadastraal bekend gemeente Heusden, sectie N, nr. 3500, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de vestiging van een tankstation ten onrechte niet bij recht dan wel via een wijzigingsbevoegdheid of een afwijkingsbevoegdheid wordt toegestaan. [appellante sub 20] is sinds 1989 met het college van burgemeester en wethouders in gesprek over verplaatsing van haar bestaande tankstation aan de Pastoriestraat te Vlijmen naar een meer perifere locatie en vanaf 2002 specifiek naar dit perceel. Voorts is hiervoor in 2004 een milieuvergunning verleend. Vanwege de nabijheid van een bedrijventerrein en de verdere ontwikkeling van woningbouw in de omgeving bestaat een toenemende behoefte aan een tankstation op deze locatie. Daarnaast is het perceel in de Ontwikkelingsvisie aangewezen als gemengd gebied waar ruimte is voor diverse functies en volgt uit de structuurvisie dat ter hoogte van het perceel nieuwe aansluitingen op de A59 zullen worden gerealiseerd. De vestiging van een tankstation is niet in strijd met de Verordening 2012, aldus [appellante sub 20]. 26.
  148. De raad stelt zich op het standpunt dat de Verordening 2012 in de weg staat aan de vestiging van een tankstation op het perceel omdat vestiging van niet-agrarische activiteiten in agrarisch gebied in beginsel niet mogelijk is. Een stedelijke ontwikkeling is in het gebied integratie stad-land in beginsel wel mogelijk, maar in dit geval bestaan er nog geen concrete ontwikkelingsplannen voor de gronden rondom het perceel. De geplande woningbouw zal mogelijk in een periode van 10 jaar worden gerealiseerd en voorts dient nog te worden bezien waar de nieuwe aansluitingen op de A59 zullen worden gerealiseerd. Gelet hierop wil de raad de ontwikkelingsmogelijkheden ter plaatse van deze gronden niet beperken. Aan de milieuvergunning komt volgens de raad geen betekenis toe, omdat die is vervallen. 26.
  149. In de Verordening 2012 is het perceel als gebied integratie stad-land en agrarisch gebied aangewezen. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 6, van de Verordening 2012 wordt onder agrarisch gebied verstaan: gebied waar ontwikkelingsmogelijkheden zijn voor agrarische bedrijven. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 29, wordt onder gebied integratie stad-land verstaan: gebied waar onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling in samenhang met een evenredige groene en blauwe landschapsontwikkeling mogelijk is. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 80, wordt onder VAB-vestiging verstaan: vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² toestaat. Ingevolge artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening 2012 geldt, in geval meer bepalingen van deze Verordening gelijktijdig van toepassing zijn, bij tegenstrijdigheid de meest beperkende bepaling tenzij in deze Verordening uitdrukkelijk anders is bepaald. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits het voldoet aan de hierin gestelde voorwaarden. 26.
  150. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch". Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven. Het plan maakt het gewenste tankstation ter plaatse niet mogelijk. 26.
  151. In het voorheen geldende bestemmingsplan "1e Partiële herziening buitengebied Vlijmen" had het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden ag". Aan het perceel was geen bouwvlak toegekend. Ingevolge artikel 5 van de voorschriften van dat plan zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening; b. verkeersdoeleinden, waaronder langzaamverkeerroutes en groenvoorzieningen; c. bij de bestemming behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge het eerste lid mogen op de als zodanig aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd. 26.
  152. Hoofdstuk 8 van de Verordening 2012 bevat regels die van toepassing zijn op agrarisch gebied. Mede gelet op de definitie van agrarisch gebied zoals opgenomen in artikel 1.1, onder 6, van de Verordening 2012, zijn de algemene regels voor dit gebied zoals opgenomen in Hoofdstuk 8 gericht op ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven. Gelet hierop zijn niet-agrarische ontwikkelingen als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening 2012 in agrarisch gebied alleen toegestaan als dit uitdrukkelijk in dat hoofdstuk is bepaald. Vast staat dat in het voorheen geldende plan een tankstation niet was toegestaan. Vestiging van een tankstation moet worden aangemerkt als een niet-agrarische ontwikkeling als bedoeld in Hoofdstuk 11 van de Verordening
  153. Artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2012 staat de vestiging van een niet-agrarische ontwikkeling in agrarisch gebied alleen toe als dit als een VAB-vestiging als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder 80, van de Verordening 2012 kan worden aangemerkt. In het voorheen geldende plan was geen bouwvlak aan het perceel toegekend. Voorts volgt uit de voorschriften van dat plan dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op het perceel mochten worden gebouwd. Gelet hierop stond dat plan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² niet toe en kan de vestiging van een tankstation ter plaatse niet worden aangemerkt als VAB-vestiging. Gelet op de systematiek van de Verordening 2012 is de vestiging van een tankstation in agrarisch gebied op dit perceel derhalve niet toegestaan. Omdat uit artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening 2012 volgt dat bij tegenstrijdigheid van bepalingen uit de Verordening 2012 de meest beperkende bepaling geldt, hoeft de vraag of vestiging van een tankstation in gebied integratie stad-land in dit geval op grond van artikel 3.4 van de Verordening 2012 mogelijk zou zijn, niet beantwoord te worden. Het betoog faalt. 26.
  154. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen voor het overige is aangevoerd geen bespreking meer. Het beroep van [appellante sub 20] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 21]
  155. [appellant sub 21] betoogt dat de raad de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" ten onrechte heeft toegekend aan de percelen met de bestemming "Agrarisch" en aan de percelen met de bestemming "Water", ten noorden van zijn perceel [locatie 7] te Drunen. Deze wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk een dagrecreatief of verblijfsrecreatief bedrijf op de percelen te vestigen, terwijl deze gronden volgens [appellant sub 21] niet geschikt zijn voor recreatieve doeleinden en de agrarische functie behouden dient te blijven. 27.
  156. De percelen ten noorden van de [locatie 7] hebben de bestemming "Agrarisch" of "Water" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4". Ingevolge artikel 44, lid 44.2, onder d, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" de bestemming te wijzigen ten behoeve van vergroting en omschakeling van een bestaand dagrecreatief bedrijf in een dagrecreatief en/of verblijfsrecreatief bedrijf, indien wordt voldaan aan de daarin opgenomen voorwaarden. 27.
  157. De raad stelt zich op het standpunt dat hij met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid tot een ander inzicht is gekomen en gelet hierop kan instemmen met vernietiging van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" voor de percelen ten noorden van de [locatie 7]. De raad heeft vervolgens bij besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Het Run" van 8 juli 2014 de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" niet meer aan de percelen met de bestemming "Agrarisch" en de percelen met de bestemming "Water" ten noorden van het perceel [locatie 7] toegekend. 27.
  158. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Ingevolge het zesde lid staat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. 27.
  159. De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 8 juli 2014 op dit punt geheel is tegemoet gekomen aan het beroep van [appellant sub 21] tegen het besluit van 18 december
  160. Gelet hierop heeft [appellant sub 21] onvoldoende belang bij een beroep tegen het besluit van 8 juli 2014 en is in dit geval geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog dient te worden beslist. Niet is gebleken dat [appellant sub 21] in zoverre nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 18 december
  161. Het beroep dient gelet hierop in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.
  162. [appellant sub 21] betoogt voorts dat de raad ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 7] ten onrechte niet tevens een groothandel voor agrarische benodigdheden inclusief ondergeschikte detailhandel als zodanig heeft bestemd. Dit bedrijf is verbonden en ondergeschikt aan de tevens op dat perceel gevestigde paardenhouderij, welke bedrijfsactiviteit wel als zodanig is bestemd, en is sinds 1968 op het perceel gevestigd. De raad is op de hoogte van de ter plaatse gevestigde groothandel en heeft daarnaast met de vestiging hiervan ingestemd. Gelet hierop kan het als zodanig bestemmen van de groothandel niet als nieuwe ontwikkeling worden aangemerkt. Volgens [appellant sub 21] bestaan geen ruimtelijke bezwaren tegen het als zodanig bestemmen van de groothandel. De afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van nevenactiviteiten op het perceel is niet toereikend, nu dit is beperkt tot bedrijven met een maximale oppervlakte van 400 m². 28.
  163. De raad stelt zich op het standpunt dat geen vergunning of vrijstelling is verleend voor de groothandel, zodat het als zodanig bestemmen hiervan een nieuwe ontwikkeling is. Daarbij wijst de raad op de afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven. 28.
  164. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "paardenhouderij". Voorts is een bouwvlak toegekend. Het perceel heeft niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit". Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven. Ingevolge het bepaalde in de aanhef en onder e zijn nevenactiviteiten toegestaan zoals per adres is aangegeven in de bij deze regels behorende bijlage 1 Overzicht nevenactiviteiten, waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bouwvlak, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit". Ingevolge het bepaalde in de aanhef en onder g zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor paardenhouderijbedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij", waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bouwvlak. Ingevolge artikel 3, lid 3.5, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten, waarbij de volgende bepalingen gelden: (…)
  165. wat betreft de omvang van de toe te laten nevenfuncties gelden de volgende voorwaarden: - bedrijven tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m² en behorende tot een milieucategorie 1 of 2 zijn toegestaan; (…). 28.
  166. Vast staat dat de groothandel op het perceel niet als zodanig is bestemd, omdat deze nevenactiviteit niet in bijlage 1 Overzicht nevenactiviteiten is opgenomen. Niet is gebleken dat de raad voorafgaand aan de vaststelling van dit plan heeft ingestemd met het als zodanig bestemmen van de groothandel. Daargelaten dat de brief van 14 juni 2012 afkomstig is van het college van burgemeester en wethouders en niet van de raad, is deze brief hiervoor onvoldoende. Hierin staat slechts dat na een controle op het perceel van [appellant sub 21] is vastgesteld dat ter plaatse een groothandel in stalinrichtings- en afrasteringsmaterialen inclusief detailhandel is gevestigd, waarbij er op is gewezen dat deze bedrijfsactiviteiten niet zijn toegestaan, maar eventueel als zodanig kunnen worden bestemd, waartoe [appellant sub 21] een verzoek dient in te dienen. [appellant sub 21] heeft vervolgens in zijn zienswijze verzocht om het als zodanig bestemmen van de bestaande groothandel, maar daarbij niet kenbaar gemaakt waar en in welke omvang de activiteiten van de groothandel precies plaatsvinden. Voorts is niet duidelijk of de detailhandelsactiviteiten ondergeschikt zijn en in welke omvang en waar deze plaatsvinden. Nu pas na de vaststelling van het plan is gespecificeerd dat de omvang van de groothandelsactiviteiten 1.500 m² is en een kaart is overgelegd waarop de specifieke locatie van de groothandelsactiviteiten is aangeduid, is de Afdeling van oordeel dat het verzoek van [appellant sub 21] ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende concreet was. De stelling van [appellant sub 21] dat dit voldoende bekend was gelet op de controle in het kader van een handhavingstraject kan niet worden gevolgd, omdat het gelet op voormelde brief op de weg van [appellant sub 21] lag om zijn verzoek te concretiseren en een controle niet bedoeld is om informatie te verzamelen voor een nieuwe bedrijfsontwikkeling. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om planologische medewerking aan het verzoek te verlenen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad zich onder deze omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de groothandel op grond van de in artikel 3, lid 3.5 opgenomen afwijkingsbevoegdheid voor nevenactiviteiten kan worden toegestaan, nu [appellant sub 21] in zijn zienswijzen de indruk heeft gewekt dat de groothandel ondergeschikt en kleinschalig van aard is. Het betoog faalt. Overigens heeft de raad ter zitting gesteld eventueel medewerking te willen verlenen aan het als zodanig bestemmen van de bestaande groothandelsactiviteiten in de huidige omvang indien een concreet en onderbouwd verzoek wordt ingediend, waarin onder meer een kwaliteitsverbetering van het landschap is opgenomen.
  167. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 21], voor zover ontvankelijk, ongegrond. Het beroep van [appellante sub 9]
  168. [appellante sub 9] die op het perceel [locatie 8] te Elshout een melkveehouderij exploiteert, kan zich niet verenigen met de planregeling voor het perceel. Volgens [appellante sub 9] wordt zij hierdoor onevenredig beperkt in de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf. De aanduiding "vrijwaringszone - snelweg"
  169. [appellante sub 9] betoogt dat de raad de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg", die is toegekend aan een deel van het perceel [locatie 8], ten onrechte heeft vastgesteld. Zij voert aan dat op haar perceel ter plaatse van de vrijwaringszone ten onrechte geen bebouwing mag worden gebouwd. Zij stelt hierdoor te worden belemmerd in haar uitbreidingsmogelijkheden. Weliswaar is in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, maar, gelet op de voorwaarden die daaraan zijn verbonden, is het onzeker of een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend. Daarnaast zijn de in de afwijkingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden volgens [appellante sub 9] onduidelijk en rechtsonzeker. 31.
  170. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg" is opgenomen vanwege het beleid van Rijkswaterstaat. Met de vrijwaringszone wordt beoogd de verkeersbelangen te beschermen. Dit betekent volgens de raad niet dat in het geheel niet kan worden gebouwd, maar dat daardoor de verkeersbelangen niet onevenredig mogen worden geschaad. 31.
  171. In het plan is aan de gronden waar rijksweg A59 ligt de bestemming "Verkeer - Snelweg" toegekend. Aan de A59, alsmede aan een strook aan weerszijden van de A59 van ongeveer 44 m, is de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg" toegekend. Het perceel [locatie 8] ligt aan de noordzijde van de A59 en heeft de bestemming "Agrarisch". Het perceel ligt tevens voor een gedeelte binnen de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg". Ingevolge artikel 42, lid 42.12, onder a, van de planregels mag ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg", ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen bebouwing worden gebouwd, met uitzondering van de met Rijksweg A59 verband houdende bouwwerken, zoals geluidswerende voorzieningen en ecologische voorzieningen. Ingevolge het bepaalde onder b kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a voor het bouwen van bebouwing ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg", mits door de bouw van deze bebouwing de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad. Daartoe dient vooraf de betrokken wegbeheerder te worden gehoord. Ingevolge het bepaalde onder c wordt de onder b bedoelde omgevingsvergunning geacht te zijn verleend ten aanzien van bebouwing die bestaat op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning. 31.
  172. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de algemene verkeersbelangen bij de aanwezigheid van de vrijwaringszone langs de A59 dan aan het belang van [appellante sub 9] bij bouwmogelijkheden op het betreffende gedeelte van het perceel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bebouwing ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - snelweg" niet geheel is uitgesloten, omdat een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend indien de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad. Op dat moment wordt een concrete afweging gemaakt tussen het bouwplan en de daarbij betrokken belangen en de algemene verkeersbelangen. Daarbij wordt tevens de betrokken wegbeheerder gehoord. Het betoog faalt. 31.
  173. Voor het oordeel dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met verkeersbelangen, ziet de Afdeling geen aanleiding. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat met verkeersbelangen het gebruik en de veiligheid van en bij de weg worden bedoeld. Bij het gebruik van de weg kan volgens de raad worden gedacht aan ondergrondse infrastructuur ten behoeve van de weg. Daarnaast kunnen bovengrondse verkeersafleidende objecten de veiligheid van de weg belemmeren. Om deze verkeersbelangen goed in beeld te brengen, is een advies van de wegbeheerder volgens de raad noodzakelijk. Voor het oordeel dat onduidelijk is wanneer de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad, bestaat evenmin aanleiding. Uit het bepaalde in artikel 42, lid 42.12, onder b, van de planregels volgt immers dat dit per concreet geval afgewogen dient te worden. Of de verkeersbelangen in een dergelijk geval onevenredig worden geschaad, kan pas worden beoordeeld nadat de betrokken wegbeheerder zijn advies daarover heeft gegeven. Dat met het gebruik van het begrip verkeersbelangen vooruit wordt gelopen op toekomstige infrastructurele werken, bijvoorbeeld extra rijstroken, zoals [appellante sub 9] stelt, is niet gebleken. Het betoog faalt. 31.
  174. Over het betoog dat bij toepassing van artikel 42, lid 42.12, onder b, van de planregels een onafhankelijke verkeersdeskundige zou moeten worden geraadpleegd, wordt als volgt overwogen. Bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid wordt de betrokken wegbeheerder gevraagd om de betrokken verkeersbelangen in beeld te brengen. Vervolgens is het aan het bevoegd gezag om een afweging te maken van de verschillende belangen. Anders dan [appellante sub 9] betoogt, hoeft daarvoor geen onafhankelijke verkeersdeskundige te worden geraadpleegd. Het betoog faalt. De aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop"
  175. [appellante sub 9] betoogt dat de raad de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop", die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 8], ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat voor de bescherming van de molen geen noodzaak bestaat en dat het bovendien onevenredig is. Voorts voert zij aan dat de bouwmogelijkheden op het perceel ten onrechte worden beperkt. De afwijkingsbevoegdheid die in het plan is opgenomen, biedt volgens [appellante sub 9] onvoldoende soelaas, nu dit afhankelijk is van de medewerking van het gemeentebestuur. Daarnaast zijn de voorwaarden op grond waarvan kan worden afgeweken, onduidelijk. [appellante sub 9] betoogt dat de raad in de zienswijzennota weliswaar stelt dat de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" in overeenstemming is met de daarvoor geldende richtlijnen, maar dat hij ten onrechte niet motiveert om welke richtlijnen het gaat, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. 32.
  176. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" is opgenomen voor de instandhouding van de molenbiotoop. De molen is volgens de raad aangewezen als rijksmonument en komt in aanmerking voor subsidie voor achterstallig en groot onderhoud. 32.
  177. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen bij de voor "Agrarisch" aangewezen gronden dat de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 6,5 en 10 m mogen bedragen. Ingevolge lid 3.3.3, aanhef en onder b, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a, ten behoeve van het vergroten van de goot- en/of bouwhoogte, onder de voorwaarde dat de maximale bouwhoogte niet meer bedraagt dan 12 m. Ingevolge artikel 42, lid 42.11.1, aanhef en onder a, sub 1, mag ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" voor de molen "Hertogin van Brabant", Parallelweg 8 te Drunen, in afwijking van het overigens in deze regels bepaalde, de bouwhoogte van bouwwerken niet meer bedragen dan, in meters uitgedrukt, de afstand van het bouwwerk tot de molen gedeeld door 30, plus 4,
  178. Ingevolge lid 42.11.2 kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 42.11.1, ten behoeve van het bouwen tot een bouwhoogte die in het desbetreffende geval krachtens het overigens in deze regels bepaalde is toegestaan, mits: a. daardoor de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; b. vooraf de eigenaar en de beheerder van de molen en een deskundige moleninstantie zijn gehoord. 32.
  179. Het perceel van [appellante sub 9] ligt binnen de molenbiotoop, die op de verbeelding aan de omliggende gronden met een straal van 400 m afstand van de molen "Hertogin van Brabant" is toegekend. De molen ligt ten zuiden van de A
  180. De afstand van de molen tot het bouwvlak van [appellante sub 9] bedraagt 160 m. De omgeving kenmerkt zich door agrarisch gebied en verspreide bebouwing. De molen is aangewezen als beschermd rijksmonument. Om te voorkomen dat de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molen onevenredig worden aangetast, geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan de afstand van het bouwwerk tot de molen gedeeld door 30, plus 4,
  181. De raad heeft voor de berekening van de afstand tot de molen waarop een obstakel van een bepaalde hoogte mag worden geplaatst, aansluiting gezocht bij de Handreiking Molenbiotoop van de provincie Zuid-Holland. Gelet op het karakter van het gebied en de aard en omvang van de beperkingen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de in het plan neergelegde regeling ter voorkoming van een onaanvaardbare aantasting van windvang, functioneren en zichtbaarheid van de molen niet in redelijkheid heeft kunnen opnemen. Dat het opnemen van de molenbiotoop niet noodzakelijk is, omdat deze op een afstand van 160 m tot het bouwvlak staat en de molen in slechte staat van onderhoud verkeert, vormt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de molenbiot

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.