(6410)en kalkmoerassen (H7230) tevens positieve effecten met zich voor het subtype heischrale graslanden (H6230), zo volgt uit met name tabel 3 van de knelpunten- en kansenanalyse. LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat knelpunten- en kansenanalyse in zoverre zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de staatssecretaris zich daarop niet heeft mogen baseren. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onder verwijzing naar de knelpunten- en kansenanalyse onvoldoende zou zijn gemotiveerd dat in het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek goede potenties aanwezig zijn voor de verbetering van de kwaliteit van het habitattype heischrale graslanden (H6230). Zoals hiervoor reeds overwogen doet de omstandigheid dat andere gebieden een relatief grotere bijdrage leveren aan het behalen van de landelijke instandhoudingsdoelstelling, niet af aan het feit dat het onderhavige gebied daar ook een bijdrage aan levert. Gelet op het vorenstaande volgt de Afdeling LTO niet in haar betoog dat de staatssecretaris ten onrechte in het aanwijzingsbesluit een uitbreidings- en verbeterdoelstelling heeft geformuleerd voor de oppervlakte en de kwaliteit van het habitattype heischrale graslanden (H6230). Het betoog faalt. Overgangs- en trilvenen, subtype trilvenen (H7140A)
- LTO betoogt dat in het aanwijzingsbesluit voor de oppervlakte en de kwaliteit van het subtype trilvenen (H7140A) ten onrechte een uitbreidings- en verbeterdoelstelling is opgenomen. LTO voert hiertoe aan dat dit habitattype in het gebied voorkomt op een verwaarloosbaar oppervlakte van 0,6 hectare. Voorts is volgens LTO onvoldoende gemotiveerd dat uitbreiding en verbetering mogelijk zijn. Verder is volgens LTO onduidelijk waarom niet net als in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden Regge een behouddoelstelling is geformuleerd. 21.
- De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het subtype trilvenen (H7140A) in het gebied voorkomt in een meer dan verwaarloosbare oppervlakte en dat, gelet op de ongunstige landelijke staat van instandhouding en de landelijke uitbreidings- verbeterdoelstelling voor dit habitattype, niet kan worden volstaan met een behouddoelstelling. 21.
- In het aanwijzingsbesluit is voor de oppervlakte en de kwaliteit van het subtype trilvenen (H7140A) een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling gesteld. Als toelichting is vermeld dat het habitattype voorkomt in de beekdalen waar grondwater uittreedt en dat goede potenties voor uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit aanwezig zijn van dit landelijk sterk bedreigde subtype. 21.
- Niet in geschil is dat het subtype trilvenen (H7140A) in het gebied voorkomt op een oppervlakte van 0,6 hectare. Deze omstandigheid is naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf geen reden om niet tot het formuleren van een instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype over te gaan, aangezien de oppervlakte meer dan de door de staatssecretaris blijkens de Leeswijzer bij het Profielendocument aangehouden minimumoppervlakte van 100 m2 bedraagt en het niet onredelijk voorkomt dat daarom in dit geval geen sprake is van een verwaarloosbare bijdrage (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 200908107/1/R2). De omstandigheid dat het subtype trilvenen (H7140A) in ruimere mate voorkomt in andere Natura 2000-gebieden staat er voorts niet aan in de weg dat het onderhavige gebied eveneens voor dit subtype wordt aangewezen en dat daarvoor een uitbreidings- en verbeterdoelstelling wordt opgenomen. Hierbij betrekt de Afdeling dat het subtype trilvenen (H7140A) blijkens het Profielendocument landelijk in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeert, met het oog waarop daarvoor op landelijk niveau een uitbreidings- en verbeterdoelstelling geldt. Voorts is in bijlage B van het aanwijzingsbesluit gemotiveerd waarom voor het onderhavige gebied ook een uitbreidings- en verbeterdoelstelling in plaats van een behouddoelstelling is geformuleerd voor het desbetreffende habitattype. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek mogelijkheden biedt voor uitbreiding en kwaliteitsverbetering van dit habitattype. Dienaangaande is in de knelpunten en kansenanalyse vermeld dat kwelafhankelijke habitattypen zoals trilvenen in stand kunnen worden gehouden en dat uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit kunnen worden gerealiseerd met lokale maatregelen in de waterhuishouding, voor trilvenen met name bestaande uit het verondiepen van beken, en vermindering of beëindiging van de bemesting in intrekgebieden. Daarnaast is op specifieke locaties herstelbeheer noodzakelijk, zoals plaggen en kappen, en natuurontwikkeling in percelen die aan landbouw worden onttrokken. Door de herstelbaarheid van de hydrologie zijn de potenties goed. In het bijzonder wordt gewezen op mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van de trilvenen in de middenloop en lage middenloop van het Springendal en mogelijkheden voor ontwikkeling van basenrijke vormen van trilvenen in het dal van de Hazelbekke. Geconcludeerd wordt dat de trilvenen met een klein oppervlak goed ontwikkeld aanwezig zijn en met een redelijk groot oppervlak matig ontwikkeld en dat mogelijkheden voor herstel bestaan. LTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de knelpunten- en kansenanalyse zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de staatssecretaris zich daarop niet heeft mogen baseren. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onder verwijzing naar de knelpunten- en kansenanalyse onvoldoende zou hebben gemotiveerd of onderbouwd dat in het gebied Springendal & Dal van de Mosbeek goede potenties aanwezig zijn voor de uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van het habitatsubtype trilvenen (H7140A). Zoals hiervoor reeds overwogen, doet de omstandigheid dat andere gebieden een relatief grotere bijdrage leveren aan het behalen van de landelijke instandhoudingsdoelstelling, niet af aan het feit dat het onderhavige gebied daar ook een bijdrage aan levert. Gelet op het vorenstaande volgt de Afdeling LTO niet in haar betoog dat de staatssecretaris ten onrechte in het aanwijzingsbesluit een uitbreidings- en verbeterdoelstelling heeft geformuleerd voor de oppervlakte en de kwaliteit van het subtype trilvenen (H7140A). Het betoog faalt. 21.
- Over de door LTO gemaakte vergelijking met de behouddoelstelling die voor het subtype trilvenen (H7140A) is geformuleerd in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied, wordt overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat, zoals ook staat vermeld in het aanwijzingsbesluit, in het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied slechts geringe oppervlakten van het subtype trilvenen (H7140A) aanwezig zijn en er weinig zicht is op herstel. In hetgeen LTO heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door LTO genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. Schade
- Maatschap Scholten, [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] stellen dat zij schade zullen ondervinden als gevolg van de aanwijzing van het gebied. Zij wensen dat deze schade wordt vergoed. 22.
- In bijlage C bij de Nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit wordt, onder verwijzing naar hoofdstuk 5 van de Nota van Antwoord, erop gewezen dat artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998 een regeling bevat voor vergoeding van schade die belanghebbenden lijden of zullen lijden als gevolg van een besluit genomen krachtens hoofdstuk III van die wet. Artikel 10a maakt deel uit van dit hoofdstuk zodat eventuele schade als gevolg van het bestreden besluit valt onder het bereik van de in artikel 31 opgenomen schadevergoedingsregeling. Toepassing van deze schadevergoedingsregeling valt buiten het kader van de onderhavige procedure, zodat vergoeding van schade als gevolg van het bestreden besluit thans niet ter beoordeling staat. Het betoog faalt.
- [appellant sub 4] betoogt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Hij voert hiertoe aan dat het besluit is genomen ruim 7 jaar nadat het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Hij wijst erop dat de Nota van zienswijzen in algemene bewoordingen is gesteld en dat het bestreden besluit nauwelijks is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. [appellant sub 4] verzoekt om deze reden om schadevergoeding. 23.
- Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. 23.
- De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis, de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene. Met de vaststelling van het aanwijzingsbesluit is, voor zover het betreft de gronden van [appellant sub 4], tevens een beslissing genomen omtrent zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Hiervan uitgaande begint de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn in een zaak betreffende een aanwijzingsbesluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb te lopen bij het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het aanwijzingsbesluit door [appellant sub 4]. Anders dan [appellant sub 4] stelt, blijft derhalve de tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van een aanwijzingsbesluit buiten beschouwing voor het bepalen van de ingangsdatum van de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn (vergelijk de uitspraak van 7 juli 2010 in zaak nr. 200903026/1/R1, onder 2.24.1). Nu sinds het instellen van beroep door [appellant sub 4] op 21 november 2013 in de beroepsfase nog geen twee jaar is verstreken, kan niet worden geoordeeld dat daarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook reeds om deze reden te worden afgewezen. Herhalen zienswijze
- Voor zover [appellant sub 7] in zijn beroepschrift heeft verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze, wordt overwogen dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Voor zover in het beroepschrift noch ter zitting redenen zijn aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in zoverre onjuist zou zijn, kan die enkele verwijzing naar de zienswijzen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Conclusies 24.
- In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op hetgeen is overwogen onder 10.1 aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij een deel van bedrijfsgebouwen en de verharde kuilvoeropslag van [appellant sub 4] op de kaart zijn aangeduid als Habitatrichtlijngebied, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. In hetgeen [appellant sub 7] en LTO hebben aangevoerd, ziet de Afdeling voorts gelet op hetgeen is overwogen onder 11.4 aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken en het landbouwperceel direct ten oosten daarvan, zoals aangegeven op het aangehechte kaartje, als Habitatrichtlijngebied zijn aangewezen, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De staatssecretaris dient daartoe met inachtneming van hetgeen onder 10.1 is overwogen het besluit te wijzigen in die zin dat het deel van bedrijfsgebouwen en de verharde kuilvoeropslag van [appellant sub 4] niet langer op de kaart zijn aangeduid als Habitatrichtlijngebied. Voorts dient de staatssecretaris met inachtneming van hetgeen onder 11.4 is overwogen, alsnog toereikend te motiveren op grond waarvan de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken en het landbouwperceel direct ten oosten daarvan als Habitatrichtlijngebied zijn aangewezen, of in plaats daarvan het besluit te wijzigen. In het laatste geval behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. De Afdeling wijst erop dat in dat geval ingevolge artikel 3:44, eerste lid, onder b, van de Awb de staatssecretaris mededeling van dat besluit moet doen door toezending van een exemplaar van dat gewijzigde besluit aan degenen die over dit onderdeel van het ontwerpbesluit een zienswijze naar voren hebben gebracht.
- In hetgeen [appellante sub 3], [appellante sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of vastgesteld in strijd met het recht. De beroepen van [appellante sub 3], [appellante sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] en anderen, voor zover ontvankelijk, zijn ongegrond. Proceskosten en griffierecht
- In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht ten aanzien van [appellant sub 4]. [appellant sub 7] en LTO. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellante sub 3], [appellante sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] en anderen bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant sub 9] en anderen niet-ontvankelijk voor zover het is ingediend door [appellante sub 9b], [appellante sub 9c] en [appellante sub 9d]; II. verklaart de beroepen van [appellante sub 3], maatschap Maatschap G.J.D. Bouhuis en G.G.M. Bouhuis-Nijhuis, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond; III. draagt de staatssecretaris van Economische Zaken naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 7] en LTO op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 4 juli 2013, kenmerk PDN/2013-045, te herstellen door:
- alsnog toereikend te motiveren op grond waarvan de gronden in de hoek van de Beekzijdeweg en de Lädderken en het landbouwperceel direct ten oosten daarvan, zoals aangegeven op het aangehechte kaartje, zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied of in plaats daarvan een gewijzigd besluit te nemen; in dat laatste geval dient het gewijzigde besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt;
- een gewijzigd besluit te nemen waarbij het deel van bedrijfsgebouwen en de verharde kuilvoeropslag van [appellant sub 4] niet langer op de kaart zijn aangeduid als Habitatrichtlijngebied; het gewijzigde besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt;
- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, griffier. w.g. Koeman w.g. Broekman voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2014 12-743.