201308949/1/R2. Datum uitspraak: 5 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Doetinchem, 2. de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie, thans: de besloten vennootschap Gasunie Transport Services B.V., gevestigd te Groningen (hierna: de Gasunie), 3. [appellant sub 3], wonend te Doetinchem, 4. [appellant sub 4], wonend te Wehl, gemeente Doetinchem, 5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Wehl, gemeente Doetinchem, 6. [appellant sub 6A]en [appellant sub 6B], beiden wonend te Wehl, gemeente Doetinchem, 7. [appellant sub 7], wonend te Gaanderen, gemeente Doetinchem, 8. [appellant sub 8] en anderen, allen wonend te Gaanderen, gemeente Doetinchem, 9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Gaanderen, gemeente Doetinchem, 10. [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B], beiden wonend te Wehl, gemeente Doetinchem, 11. de minister van Economische Zaken, gevestigd te 's-Gravenhage, 12. [appellant sub 12], wonend te Doetinchem, en anderen, en de raad van de gemeente Doetinchem, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], de Gasunie, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en anderen, [appellanten sub 9], [appellanten sub 10], de minister en [appellant sub 12] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende A], [belanghebbenden B], [belanghebbende C], [belanghebbende D] en anderen en [belanghebbenden E] een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellanten sub 5], [appellant sub 8] en anderen en [appellanten sub 9] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 en 27 mei 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellanten sub 5], [appellant sub 8] en anderen, vertegenwoordigd door mr. D. Pool, [appellanten sub 10], bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Overduin, mr. J.H. Kleinemans en drs. O. Bitter, [appellant sub 12] en anderen, vertegenwoordigd door A.H. Stoltenborg en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en de raad, vertegenwoordigd door E. Ketels, E. Wentink, P. Hartskeerl en I. Noordhoek, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A], vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Roijers, advocaat te Rotterdam, [belanghebbende F] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde belanghebbende F], [belanghebbende C], bijgestaan door mr. K.A. Luehof, [belanghebbende D] en anderen, in de persoon van [gemachtigden belanghebbende D] en bijgestaan door mr. K. de Wit, allen belanghebbenden, gehoord. Overwegingen Toetsingskader 1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Ontvankelijkheid 2. Het beroep van de Gasunie voor zover gericht tegen de vaststelling van de plandelen betreffende de gronden tussen 4 en 5 meter aan weerszijden van de in het noordelijke deel van het plangebied gelegen hoofdaardgastransportleiding die is weergegeven op kaartblad twee, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 alsmede met artikel 6:13, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van de Gasunie is in zoverre niet-ontvankelijk. 3. Het beroep van [appellant sub 12] en anderen voor zover gericht tegen de ontwikkelingen die binnen de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) en bij de Pitch&Putt-golfbaan zijn voorzien, steunt, voor zover dat beroep is ingesteld door de zestien natuurlijke personen, niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Gelet op de hiervoor onder 2 aangehaalde bepalingen van de Awb kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 12] en anderen, voor zover ingesteld door de zestien natuurlijke personen, is in zoverre niet-ontvankelijk. Procedurele aspecten Terinzagelegging 4. [appellant sub 1] betoogt dat het elektronische ontwerpplan in de vorm van een GML-bestand niet gedurende de gehele periode van terinzagelegging van het ontwerpplan kon worden geraadpleegd op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Hij wijst erop dat in de ontwerpverbeelding die in de vorm van een pdf-bestand op de gemeentelijke website ter inzage was gelegd, de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel en transport in vee" ontbreekt op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" betreffende de gronden ten zuiden van de bestaande bedrijfsgebouwen aan de [locatie 1], terwijl deze aanduiding wel is weergegeven in de elektronische ontwerpverbeelding die later in de vorm van een GML-bestand op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen is geplaatst. [appellant sub 12] en anderen betogen dat een groot aantal stukken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd - de bijlagen 20 t/m 54 - ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd. Volgens hen is het ontwerpplan daarmee niet overeenkomstig de wettelijke publicatieverplichtingen ter inzage gelegd. 4.1. De raad stelt dat het elektronische ontwerpplan in de vorm van een GML-bestand door verschillende technische problemen korte tijd niet of niet volledig digitaal beschikbaar is geweest. Volgens de raad kon het elektronische ontwerpplan vanaf 9 mei 2013 worden geraadpleegd via www.ruimtelijkeplannen.nl. De raad stelt dat voldoende gelegenheid bestond kennis te nemen van het ontwerp, nu gedurende de gehele termijn de papieren versie ter inzage heeft gelegen en binnen een week na aanvang van de termijn een pdf-versie op de website van de gemeente is geplaatst. Volgens de raad is niet gebleken dat het naar voren brengen van zienswijzen is belemmerd. 4.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef onder a, van de de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, met dien verstande dat het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Ingevolge artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), voor zover van belang, stelt het college van burgemeester en wethouders een bestemmingsplan aan eenieder elektronisch beschikbaar. Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, is er een landelijke voorziening waar de plannen, bedoeld in het eerste lid, raadpleegbaar zijn. Ingevolge artikel 1.2.1a, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, wordt het ontwerpbesluit met overeenkomstige toepassing van artikel 1.2.1, eerste en tweede lid, beschikbaar gesteld bij de voorbereiding van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 2 van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, eerste lid, voor zover hier van belang, vinden de vormgeving, inrichting en elektronische beschikbaarstelling van een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 1.2.1a van het Bro plaats overeenkomstig de standaarden IMRO2012, IMROPT2012, SVBP2012 en STRI2012. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kunnen in afwijking van het eerste lid indien afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is en vóór 1 juli 2013 een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, de vormgeving, inrichting en elektronische beschikbaarstelling plaatsvinden overeenkomstig de standaarden IMRO2008, SVBP2008 en STRI2008, voor zover het betreft een plan als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, van het Bro. 4.3. Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving in de Staatscourant en in Doetinchem Actueel met ingang van 18 april 2013 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd tot 29 mei 2013. In de kennisgeving is vermeld dat het ontwerpplan elektronisch beschikbaar is als GML-bestand op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl en als pdf-bestand op de gemeentelijke website. Daarnaast is het ontwerpplan in papieren vorm ter inzage gelegd in de gemeentewinkel, aldus de kennisgeving. Volgens de planhistorie, zoals vermeld op www.ruimtelijkeplannen.nl, is het elektronische ontwerpplan, met kenmerk NL.IMRO.0222.R07B300A-0001, ingelezen op 9 mei 2013. Niet in geschil is dat het gelet hierop ervoor moet worden gehouden dat het ontwerpplan eerst vanaf die dag kon worden geraadpleegd op www.ruimtelijkeplannen.nl. Voorts is niet in geschil dat het ontwerpplan voordien en derhalve gedurende een deel van de termijn van terinzagelegging niet zichtbaar was op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Dit verdraagt zich niet met artikel 1.2.1 van het Bro, gelezen in verbinding met artikel 1.2.1a, aanhef en onder a. Het betoog van [appellant sub 1] slaagt. 4.4. Blijkens de plantoelichting behorend bij het ontwerpplan, zijn in het ontwerpplan een aantal ontwikkelingen meegenomen. Dit betreft ontwikkelingen waarvan de ruimtelijke onderbouwing akkoord is en waarbij een anterieure overeenkomst is gesloten. In de plantoelichting behorend bij het ontwerpplan zijn de betreffende ontwikkelingen opgesomd. Blijkens het raadsbesluit is als gevolg van de zienswijzen het plan op diverse punten aangepast. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn in het plan onder meer de ruimtelijke onderbouwingen voor de ontwikkelingen die verwerkt zijn in het plan, als bijlagen bij het plan gevoegd. Niet in geschil is dat de door [appellant sub 12] en anderen bedoelde stukken niet bij het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen. Nu de bedoelde stukken onderbouwingen zijn van ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, betreffen de stukken naar het oordeel van de Afdeling op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken die, gelet op het feit dat in de toelichting behorend bij het ontwerpplan slechts een opsomming van de bedoelde ontwikkelingen is gegeven, redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp. Het niet ter inzage leggen van deze stukken bij het ontwerpplan verdraagt zich niet met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 3.8, eerste lid, aanhef, van de Wro. Het betoog van [appellant sub 12] en anderen slaagt. 4.5. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 12] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 1.2.1 van het Bro, gelezen in verbinding met artikel 1.2.1a, aanhef en onder a, en tevens in strijd met artikel 3.8, eerste lid, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. De Afdeling zal in het kader van de definitieve geschillenbeslechting evenwel na de beoordeling van de beroepen voor het overige bezien of aanleiding bestaat te onderzoeken of met toepassing van artikel 6:22 van de Awb de voormelde formele gebreken zouden kunnen worden gepasseerd en het besluit in stand zou kunnen worden gelaten. Gewijzigde vaststelling 5. [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] betogen dat de in het plan voorziene woning op de gronden betreffende het perceel, kadastraal bekend gemeente Wehl, sectie K, nummer 725, (hierna: perceel 725) ten onrechte eerst bij de gewijzigde vaststelling in het plan is opgenomen. [appellanten sub 6] betogen dat de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheden voor het aan de [locatie 2] te Wehl gevestigde diervoederbedrijf ten onrechte eerst bij de gewijzigde vaststelling in het plan zijn opgenomen. 5.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het plan voor de gronden betreffende perceel 725 ten opzichte van het ontwerpplan voorziet in één woning. Voorts voorzag het ontwerpplan reeds in de bestaande activiteiten en bedrijfsbebouwing van het diervoederbedrijf dat is gevestigd aan de [locatie 2]. De betogen falen. Vooroverleg 6. [appellant sub 12] en anderen betogen dat niet aan de vereisten inzake het vooroverleg, zoals neergelegd in artikel 3.1.1 van het Bro, is voldaan, nu de provincie niet is gehoord over de in het plan voorziene ontwikkelingen. 6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de vooroverlegpartners overleg is gevoerd over het voorontwerpplan. Voor de plandelen die later zijn toegevoegd is, voor zover noodzakelijk, nader overleg gevoerd. 6.2. Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met die diensten van de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het geding zijn. 6.3. Blijkens de plantoelichting behorend bij het ontwerpplan, zijn in het ontwerpplan een aantal ontwikkelingen meegenomen. Dit betreft ontwikkelingen waarvan de ruimtelijke onderbouwing akkoord is en waarbij een anterieure overeenkomst is gesloten. In de plantoelichting behorend bij het ontwerpplan zijn vervolgens de betreffende ontwikkelingen opgesomd. 6.4. Blijkens het raadsbesluit is als gevolg van de zienswijzen het plan op diverse punten aangepast. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn in het plan onder meer de ruimtelijke onderbouwingen voor de ontwikkelingen die verwerkt zijn in het plan, als bijlagen bij het plan gevoegd. 6.5. Uit artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro volgt dat de raad in het kader van de bestemmingsplanprocedure verplicht is overleg te voeren met, voor zover hier van belang, die diensten van de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met dit artikel is vastgesteld. Daarbij is van belang dat uit de plantoelichting en de daarbij behorende bijlagen volgt dat in het voortraject van de totstandkoming van het plan overleg als bedoeld in voornoemd artikel heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de ontwikkelingen die in de ontwerpfase dan wel bij gewijzigde vaststelling aan het plan zijn toegevoegd, heeft de raad onweersproken gesteld dat deze in het kader van het vooroverleg aan de betrokken diensten zijn voorgelegd. Het betoog faalt. Het beroep van [appellant sub 1] Ingetrokken beroepsgrond 7. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgrond omtrent de oppervlakte van de gronden betreffende de [locatie 1] te Doetinchem waarop bedrijfsactiviteiten kunnen plaatsvinden, ingetrokken. Keerlus 8. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte de aanleg van een keerlus mogelijk maakt aan de zuidzijde van de gronden betreffende de [locatie 1]. Hij voert hiertoe aan dat een keerlus niet past bij de agrarische bestemming van de betreffende gronden. Voorts voert hij aan dat de flora en fauna in de ecologische verbindingszone worden aangetast. Verder past het mogelijk maken van een keerlus volgens [appellant sub 1] niet bij het uitgangspunt dat bedrijfsactiviteiten horen op bedrijventerreinen. 8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een keerlus ter plaatse aanvaardbaar is, maar dat het plan hierin niet voorziet. 8.2. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten zuiden van de bestaande bedrijfsgebouwen aan de [locatie 1] de bestemming "Agrarisch" toegekend. Op dit plandeel is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel en transport in vee" weergegeven. Ingevolge artikel 3.1 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de onder a tot en met o vermelde functies en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. 8.3. Uit artikel 3.1 van de planregels volgt niet dat het plan ten zuiden van de bestaande bedrijfsgebouwen voorziet in de aanleg van een keerlus als voorziening die behoort bij het bedrijf dat is gevestigd op de gronden betreffende de [locatie 1], waaraan de bestemming "Bedrijf" is toegekend. Dit bedrijf betreft immers niet een functie als bedoeld onder a tot met o van artikel 3.1. Het betoog van [appellant sub 1] dat het plan ter plaatse ten onrechte voorziet in de aanleg van een keerlus ten behoeve van het voormelde bedrijf, mist gelet op het ontbreken van de mogelijkheid daartoe dan ook feitelijke grondslag. Veehandelsbedrijf 9. [appellant sub 1] heeft bezwaar tegen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel en transport in vee" die is weergegeven op de plandelen met de bestemmingen "Bedrijf" en "Agrarisch" betreffende de gronden aan de [locatie 1], voor zover hiermee volgens de raad is voorzien in de handel in en het transport van kadavers en slachtproducten. Hij voert aan dat onder vee niet tevens kadavers en slachtproducten kunnen worden begrepen. 9.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de bedrijfsactiviteiten aan de [locatie 1] bestaan uit handel in en transport van slachtproducten van pluimvee en dat hij dit als zodanig heeft bestemd. Daarbij heeft de raad het wenselijk geacht de mogelijkheid open te houden dat handel in en transport van levende have weer deel gaan uitmaken van de bedrijfsactiviteiten, nu het vorige bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2 - 1988", dat bij besluit van 29 juni 1989 is vastgesteld door de raad van de gemeente Zelhem, thans: Doetinchem (hierna: het vorige plan "Buitengebied herziening 2-1988"), daarin reeds voorzag. 9.2. Blijkens de verbeelding is aan een gedeelte van de gronden betreffende de [locatie 1] de bestemming "Bedrijf" toegekend en aan een ander gedeelte van de gronden de bestemming "Agrarisch". Op deze plandelen is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel en transport in vee" weergegeven. Ingevolge artikel 5.1 van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor: a. bedrijven met bijbehorende bedrijfsactiviteiten uitsluitend in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 7; b. een bedrijf met bijbehorende bedrijfsactiviteiten in de vorm van een veehandelsbedrijf, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel en transport van vee". 9.3. Ter zitting is door [belanghebbende A] verklaard dat de bedrijfsactiviteiten aan de [locatie 1] oorspronkelijk bestonden uit de handel in en het transport van levende dieren. Thans bestaan de bedrijfsactiviteiten uitsluitend uit de handel in en het transport van slachtproducten. Ingevolge artikel 5.1, aanhef en lid b, onder 23, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel en transport van vee" bestemd voor een veehandelsbedrijf. In de begripsbepalingen van artikel 1 is niet nader omschreven wat onder de begrippen ‘vee’ of ‘veehandelsbedrijf’ moet worden verstaan. Volgens Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal, wordt onder ‘vee’ verstaan de tamme dieren die de mens wegens hun nut houdt. Voorts wordt volgens Van Dale onder ‘levende have’ mede vee begrepen, waaruit volgt dat vee in het normale spraakgebruik naar zijn aard als levend wordt gezien. Gelet hierop acht de Afdeling onvoldoende duidelijk of de toegekende aanduiding uitsluitend voorziet in een handelsbedrijf in levende dieren, of tevens in een handelsbedrijf in kadavers en slachtproducten. Het plan is op dit punt derhalve in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Dat de raad heeft bedoeld tevens een handelsbedrijf in kadavers en slachtproducten mogelijk te maken geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze bedoeling blijkt gelet op het vorenstaande onvoldoende duidelijk uit de planregels en niet valt in te zien dat de raad het toegestane gebruik niet beter in de planregels tot uitdrukking heeft kunnen en, met het oog op de rechtszekerheid, heeft moeten brengen dan hij thans heeft gedaan. Het betoog slaagt. Parkeeroverlast 10. [appellant sub 1] vreest dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast. Hij voert hiertoe aan dat op basis van het vorige plan "Buitengebied herziening 2-1988" een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw met koelhuis op het terrein waar thans elk weekend vrachtwagens geparkeerd staan. Realisatie van het vergunde bedrijfsgebouw betekent volgens hem dat onvoldoende parkeerruimte overblijft voor de vrachtwagens. De raad heeft hiermee volgens [appellant sub 1] ten onrechte geen rekening gehouden. 10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, rekening houdend met de vergunde realisatie van een koel- en vriesruimte, geen onaanvaardbare parkeeroverlast zal ontstaan. 10.2. Ingevolge artikel 5.1 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor de onder a tot en met k vermelde functies en de bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. Ingevolge artikel 5.2, lid 5.2.2, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan het bestaande bebouwde oppervlakte, vermeerderd met 10 %. Ingevolge artikel 1.25, voor zover hier van belang, wordt onder ‘bestaand’ verstaan: op moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan op grond van een vergunning toegestaan. 10.3. Volgens paragraaf 4.14 van de plantoelichting heeft de raad als uitgangspunt genomen dat parkeren in het buitengebied in beginsel op eigen terrein plaatsvindt. De raad heeft dienaangaande ter zitting toegelicht dat de parkeerbehoefte van het bedrijf dat is gevestigd aan de [locatie 1] in de huidige situatie ongeveer tien vrachtwagens bedraagt, hetgeen ter zitting is bevestigd door [belanghebbende A] De raad heeft toegelicht dat dit overeenkomt met de parkeerbehoefte die het plan in zoverre maximaal met zich brengt. [appellant sub 1] heeft dit niet gemotiveerd betwist, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad is uitgegaan van een onjuiste parkeerbehoefte. Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn parkeerplaatsen toegestaan als voorziening behorende bij de bestemming "Bedrijf" die is toegekend aan de gronden betreffende de [locatie 1]. Naar de raad ter zitting heeft toegelicht en naar blijkt uit het ter zitting door [belanghebbende A] toegelichte inrichtingsplan, waarop rekening is gehouden met de hernieuwde bedrijfsindeling na de realisatie van het vergunde koelhuis, biedt het plan ter plaatse van het toegekende bestemmingsvlak voldoende parkeerruimte voor tien vrachtwagens. Derhalve kunnen de parkeerplaatsen die volgens de raad nodig zijn ook worden gerealiseerd. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare parkeeroverlast met zich brengt. Het betoog faalt. Verkeersveiligheid 11. [appellant sub 1] vreest dat het plan zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Hij voert hiertoe aan dat de ontsluitingsweg ook wordt gebruikt door andere weggebruikers dan de vrachtwagens die van en naar het bedrijf rijden. [appellant sub 1] vreest dat deze andere weggebruikers van de weg worden gedrukt als vrachtwagens op de weg moeten keren. 11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie. Volgens de raad zijn over de bestaande situatie geen klachten bekend en blijft deze ongewijzigd. 11.2. Ter zitting is vastgesteld dat de [locatie 1] wordt ontsloten door een ongeveer 3 meter brede weg, die ook wordt gebruikt door andere weggebruikers dan de vrachtwagens die van en naar de [locatie 1] rijden. [appellant sub 1] heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de bestaande situatie reeds vanwege deze omstandigheden uit een oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar is. De raad heeft dienaangaande onweersproken gesteld dat hem geen ongelukken of klachten bekend zijn. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een wijziging van deze bestaande situatie, of dat zo nodig geen maatregelen kunnen worden genomen om de verkeersveiligheid te waarborgen. Het betoog faalt. Conclusie 12. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel en transport van vee" die is weergegeven op de plandelen met de bestemming "Bedrijf" onderscheidenlijk "Agrarisch" betreffende de [locatie 1], is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het beroep van de Gasunie 13. De Gasunie betoogt dat ten onrechte op het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding-Gas" betreffende de Broekhuizerweg 2 te Wehl een gedeelte van een bouwvlakaanduiding is weergegeven. Voorts is volgens de Gasunie ten onrechte niet in artikel 22.3, lid 22.3.1, van de planregels vermeld dat geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. De Gasunie voert aan dat zij in haar zienswijze heeft gewezen op de voormelde twee gebreken en dat in de Nota van zienswijzen is vermeld dat het plan in zoverre overeenkomstig haar zienswijze zou worden aangepast. Dat is volgens haar ten onrechte niet gebeurd. 13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de verbeelding en artikel 22.3, lid 22.3.1, van de planregels per abuis niet overeenkomstig de in de Nota van zienswijzen vermelde beantwoording van de zienswijze van de Gasunie zijn aangepast. 13.2. In de Nota van zienswijzen is bij de beantwoording van de zienswijze van de Gasunie vermeld dat in de verbeelding het bouwvlak ter plaatse van de Broekhuizerweg 2/2a zodanig wordt aangepast dat het niet meer op het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding-Gas" is weergegeven. Voorts is vermeld dat artikel 22.3, lid 22.3.1, van de planregels zodanig wordt aangepast dat het in overeenstemming is met hetgeen is overwogen in de uitspraak van 20 juni 2012 in zaak nr. 201200554/1/R4, onder 2.5.3, hetgeen volgens de raad en naar de Gasunie niet heeft betwist erop neerkomt dat de zinsnede "door de omgevingsvergunning geen kwetsbare objecten worden toegelaten" had moeten worden toegevoegd. De Afdeling stelt vast dat deze wijzigingen wel zijn vermeld in de Nota van zienswijzen, die is vastgesteld in het besluit tot vaststelling van het plan, maar niet zijn verwerkt in de vastgestelde verbeelding en planregels. De raad heeft dit erkend. De verbeelding en de planregels stemmen derhalve in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling. In hetgeen de Gasunie heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en de verbeelding en de planregels in onderlinge samenhang bezien in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt. Conclusie 14. In hetgeen de Gasunie heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien, voor zover het betreft het bouwvlak dat is weergegeven op het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding-Gas" betreffende de gronden aan de Broekhuizerweg 2/2a en voor zover bij artikel 22.3, lid 22.3.1, van de planregels de zinsnede "door de omgevingsvergunning geen kwetsbare objecten worden toegelaten" ontbreekt, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van de Gasunie, voor zover ontvankelijk, is gegrond. Het beroep van [appellant sub 3] 15. [appellant sub 3] heeft bezwaar tegen de bestemming "Wonen" die is toegekend aan zijn gronden betreffende de [locatie 3] te Doetinchem. [appellant sub 3] voert aan dat hij ter plaatse al jarenlang een veehandelsbedrijf uitoefent, dat is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij wijst erop dat het vorige bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2 - 1988" voorzag in een agrarisch bouwperceel. De toegekende bestemming voorziet volgens hem met name niet langer in de realisatie van een stal voor zijn veehandelsbedrijf. Ook is volgens hem onduidelijk in hoeverre hij zijn bedrijfsactiviteiten nog zou kunnen uitbreiden. Ten slotte wijst [appellant sub 3] erop dat de milieuvergunning van het voorheen aanwezige varkensbedrijf niet is ingetrokken. 15.1. De raad stelt dat hij bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt heeft genomen dat het bestaande gebruik als zodanig wordt bestemd. Volgens de raad betreft het bestaande gebruik aan de [locatie 3] hoofdzakelijk bewoning. De toegekende bestemming "Wonen" voorziet volgens de raad tevens in voortzetting van de bestaande veehandelsactiviteiten. Deze bedrijfsactiviteiten kwalificeren, naar de raad stelt, niet als bedrijfsmatige agrarische activiteiten waarvoor een agrarisch bouwperceel dient te worden toegekend. Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een agrarisch bouwperceel, aldus de raad. 15.2. Blijkens de verbeelding is aan de gronden betreffende de [locatie 3] de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 20.1 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor: a. wonen […]; g. het hobbymatig houden van dieren […]; h. aan huis gebonden beroepen en bedrijven bij de woning. Ingevolge artikel 20.5.1 van de planregels mag een als zodanig bestemde woning, inclusief eventueel aanwezige bijbehorende bouwwerken, mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf of beroep of een escortbedrijf, onder de daarbij vermelde voorwaarden. Onder meer is onder f. vermeld dat alleen bedrijven of beroepen aan huis toelaatbaar zijn, die behoren tot de Lijst van aan huis gebonden beroepen en bedrijven zoals deze is opgenomen in bijlage 4. Ingevolge artikel 1.6 wordt onder ‘aan huis gebonden bedrijf’ verstaan: het beroepsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Ingevolge artikel 1.7 wordt onder ‘aan huis gebonden beroep’ verstaan: een dienstverlenend beroep, waaronder een vrij beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Ingevolge artikel 1.41 wordt onder ‘dienstverlening’ verstaan: hulp die een persoon, instantie of onderneming bedrijfsmatig biedt aan de klant. 15.3. Ter zitting is vastgesteld dat [appellant sub 3] in 2005 eigenaar is geworden van de gronden betreffende de [locatie 3]. Op dat moment was de voorheen aanwezige varkenshouderij, waarvoor een milieuvergunning is verleend, reeds beëindigd. In 2007 is [appellant sub 3] een loodgietersbedrijf begonnen. Na 2007 is [appellant sub 3], naar niet in geschil is, tevens begonnen met op bedrijfsmatige wijze in paarden en schapen te handelen, hetgeen de Afdeling ziet bevestigd in het door [appellant sub 3] overgelegde KvK-uittreksel. [appellant sub 3] heeft dienaangaande ter zitting uiteengezet dat op een perceel naast zijn woning gemiddeld dertig schapen een dag tot een week aanwezig zijn, waarna zij weer worden verkocht. Daarnaast houdt [appellant sub 3] tien paarden, waarmee ook wordt gefokt. Zeven paarden staan op een perceel naast zijn woning en drie staan op een ander, verder weg gelegen, perceel. De paarden zijn veelal langere tijd aanwezig voordat zij weer worden verkocht. Ter zitting is voorts vastgesteld dat tijdens een controlebezoek op 21 mei 2010 is geconstateerd dat de bedoelde varkenshouderij is beëindigd en dat een installatiebedrijf aanwezig is. Niet is gebleken dat de constatering specifiek betrekking had op het wel of niet bestaan van de voormelde veehandelsactiviteiten. De Afdeling volgt niet het standpunt van de raad dat het plan voor de [locatie 3] voorziet in de voortzetting van de voormelde bestaande bedrijfsactiviteiten in de vorm van veehandel. Niet valt in te zien dat dit gebruik kan worden aangemerkt als het hobbymatig houden van dieren of een aan huis gebonden beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 20.1, aanhef en lid g en h, gelezen in verbinding met artikel 1.6 en 1.7 van de planregels. Nog daargelaten dat een veehandelsbedrijf niet is vermeld op de Lijst van aan huis gebonden beroepen en bedrijven zoals deze is opgenomen in bijlage 4 van de planregels, valt niet in te zien dat de beschreven activiteiten een zodanig beperkte omvang zouden hebben dat zij in een woning en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend. Evenmin valt in te zien dat de beschreven activiteiten een dienstverlenend beroep zouden zijn. Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat het plan, anders dan de raad meent, voor de gronden betreffende de [locatie 3] niet langer voorziet in de bestaande veehandelsactiviteiten. De raad heeft in zoverre niet bereikt wat hij heeft beoogd, namelijk het mogelijk maken van voorzetting van dit bestaande gebruik. Gelet op het vorenstaande is het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" betreffende de gronden aan de [locatie 3] niet voorbereid met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt. 16. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" betreffende de gronden aan de [locatie 3] te Doetinchem, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is van [appellant sub 3] is gegrond. De beroepen van [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] Ingetrokken beroepsgrond 17. Ter zitting hebben [appellanten sub 5] hun beroepsgrond omtrent de vraag of het beleidskader "Hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing, nieuwe landgoederen & landelijk wonen in het buitengebied", mocht worden toegepast, ingetrokken. Procedureel Besluit hogere grenswaarden 17.1. Voor zover het beroep van [appellanten sub 5] is gericht tegen het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden, dat door het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem is vastgesteld op 27 juni 2013, overweegt de Afdeling dat dit besluit niet ter beoordeling voorligt en derhalve thans niet aan de orde kan komen. Overleg en afspraken 18. [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben bezwaar tegen de in het plan voorziene woning op de gronden betreffende perceel 725. Zij stellen dat de initiatiefnemer, anders dan in de plantoelichting is vermeld, geen overleg met hen heeft gepleegd dan wel geen afspraken met hen heeft gemaakt. 18.1. Het plegen van onderling overleg en het maken van onderlinge afspraken tussen een initiatiefnemer en omwonenden maken geen deel uit van de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Los van de vraag of overleg is gepleegd en afspraken zijn gemaakt, kan het ontbreken daarvan daarom geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het plan. Voor zover [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] betogen dat de plantoelichting in zoverre onvolledig is, wordt overwogen dat de plantoelichting geen juridisch bindend deel is van het bestemmingsplan. Bovendien heeft [appellant sub 5B] ter zitting verklaard dat wel contact is geweest tussen hem en de initatiefnemer en heeft [appellant sub 5A] ter zitting verklaard dat wel contact is geweest tussen de initatiefnemer en zijn ouders, waaronder [appellant sub 4], die op het adres wonen waar hijzelf ook woonachtig is. Mede gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat de plantoelichting dusdanige onjuistheden of onvolkomenheden bevat dat reeds om die reden geoordeeld dient te worden dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden en de raad hierom het plan niet heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt. Inhoudelijk Toepasselijk beleid 19. [appellant sub 4] betoogt dat onduidelijk is waarom de raad bij de vaststelling van het plan, voor zover het de gronden van perceel 725 betreft, is uitgegaan van het beleidskader "Hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing, nieuwe landgoederen & landelijk wonen in het buitengebied" (hierna: beleidskader), nu dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet meer van kracht was. 19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij in dit geval het beleidskader kon toepassen. 19.2. Het beleidskader, dat is vastgesteld door de raad bij besluit van 19 april 2007, betreft onder meer de sloop van niet beeldbepalende vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied, die een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied (hierna: het VAB-beleid). Om dit te bevorderen, worden in ruil voor de sloop van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing mogelijkheden geboden voor de bouw van woningen. Bij besluit van 6 januari 2011 heeft de raad het VAB-beleid aldus gewijzigd dat hiermee per 1 december 2010 geen nieuwe woningen meer mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 4 april 2012 heeft de raad de nota Uitgangspunten voor het bestemmingsplan Buitengebied (hierna: de nota Uitgangspunten) vastgesteld. Daarin is onder meer bepaald dat in ruil voor de sloop van vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing weer mogelijkheden worden geboden voor de bouw van woningen, waarbij de voorwaarden ten opzichte van het beleidskader zijn aangescherpt. 19.3. Als uitgangspunt geldt dat ten tijde van het nemen van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en dat het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt eveneens voor beleid zoals het VAB-beleid. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. De raad heeft het plan, voor zover het de voorziene woning op de gronden van perceel 725 betreft, getoetst aan het VAB-beleid zoals dit luidde tot 1 december 2010. Dienaangaande volgt uit het raadsbesluit van 6 januari 2011 dat voor initiatieven die zijn ingediend voor 30 november 2010 het overgangsbeleid geldt, inhoudende dat zij worden getoetst aan het beleid zoals dat luidde tot 1 december 2010. Ter zitting is vastgesteld dat de initiatieven die zijn ingediend voor 30 november 2010 zijn bijgehouden op een lijst. De raad heeft onweersproken gesteld dat het initiatief voor de realisatie van een woning op de gronden van perceel 725 is vermeld op deze lijst. Het voormelde overgangsbeleid voor de initiatieven die zijn ingediend voor 30 november 2010 is gecontinueerd na het besluit van 4 april 2012. Nu de gronden betreffende perceel 725 zijn vermeld op de lijst van initiatieven waarvoor gelet op het voormelde overgangsbeleid het VAB-beleid zoals neergelegd in het beleidskader van toepassing blijft, is de raad bij het nemen van het bestreden besluit in zoverre met juistheid uitgegaan van het beleidskader. Het betoog faalt. 19.4. Voor zover [appellanten sub 5] betogen dat niet is aangetoond dat de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing tenminste 3 jaar voor agrarische doeleinden is gebruikt en dat de nieuwbouw niet plaatsvindt op een slooplocatie, overweegt de Afdeling dat deze voorwaarden eerst zijn gesteld in het VAB-beleid zoals dat bij besluit van 4 april 2012 door de raad is neergelegd in de nota Uitgangspunten. Deze voorwaarden worden niet gesteld in het beleidskader. Reeds hierom falen de betogen van [appellanten sub 5] dat in zoverre niet aan het beleidskader zou zijn voldaan. Bebouwde oppervlakte 20. [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] betogen dat onduidelijk is of de bebouwde oppervlakte met tenminste 50% afneemt, zoals vereist volgens het beleidskader. [appellanten sub 5] wijzen erop dat op pagina 29 van bijlage 23 bij de plantoelichting is vermeld dat de beoogde oppervlakte van de woning 377 m² bedraagt. 20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan voorziene woning voldoet aan de voorwaarden die zijn vermeld in het beleidskader. 20.2. Blijkens de verbeelding is aan de gronden betreffende perceel 725 de bestemming "Wonen" toegekend. Op dit plandeel is de aanduiding "maximum volume (m³)=531,5" weergeven. Ingevolge artikel 20.2, lid 20.2.2, aanhef en onder e, van de planregels, voor zover hier van belang, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat ter plaatse van de aanduiding "maximum volume (m³)", de inhoud van de woning niet meer mag bedragen dan de aangegeven inhoud. Ingevolge lid 20.2.3, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning dat de gezamenlijke oppervlakte maximaal 100 m² per woning mag bedragen, met dien verstande dat niet meer dan 50% van het bestemmingsvlak mag worden bebouwd 20.3. In het beleidskader is vermeld dat de te slopen oppervlakte in m² kan worden geruild tegen de inhoud in m³ van een nieuwe woning. Volgens het beleidskader geldt daarbij als spelregel dat de bebouwde oppervlakte met ten minste 50%, inclusief bijgebouwen, moet afnemen. De Afdeling ziet geen aanleiding de raad niet te volgen in diens standpunt dat, zoals vermeld in het rekenvoorbeeld op pagina 42 van de nota Uitgangspunten, toegepast op pagina 5 van bijlage 23 van de plantoelichting, de voormelde voorwaarden samen zo moeten worden begrepen dat de oppervlakte van de mogelijk gemaakte bijgebouwen op zowel de slooplocatie als de nieuwbouwlocatie dient te worden afgetrokken van de gesloopte oppervlakte, waarna de resterende oppervlakte in m² kan worden geruild naar de inhoud in m³ van de nieuwe woning. Daarbij geldt dat de oppervlakte van de nieuwe woning niet meer mag bedragen dan de helft van de gesloopte oppervlakte. Naar het oordeel van de Afdeling hoeven de voormelde voorwaarden, anders dan [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] betogen, niet noodzakelijk zo te worden begrepen dat de oppervlakte van de in het plan voorziene bijgebouwen bij de voormalige boerderij en de nieuwe woning en de oppervlakte van de nieuwe woning samen minder moeten bedragen dan de helft van de gesloopte oppervlakte. In bijlage 23 bij de plantoelichting is vermeld dat 731,5 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing behorende bij de voormalige boerderij op de gronden betreffende de [locatie 4] wordt gesloopt. Na aftrek van de in het plan voorziene bijgebouwen met een oppervlakte van 100 m² bij zowel de voormalige boerderij aan de [locatie 4] als bij de voorziene woning op perceel 725, geldt als gesloopte oppervlakte 531,5 m². Volgens het beleidskader mag de inhoud van de woning op perceel 725 derhalve ten hoogste 531,5 m³ bedragen, zoals ook in het plan is vastgelegd. Weliswaar is in het plan niet de oppervlakte van de voorziene woning beperkt, maar gelet op de voormelde beperking van de inhoud en op de relevante bepalingen van onder meer het Bouwbesluit 2012, waar de raad ter zitting op heeft gewezen, kan geen woning worden gerealiseerd waarvan de oppervlakte meer dan de helft de van gesloopte oppervlakte, oftewel meer dan 365,75 m², bedraagt. Voor zover [appellanten sub 5] ter zitting erop hebben gewezen dat op pagina 29 van bijlage 23 bij de plantoelichting is vermeld dat een woning is beoogd met een oppervlakte van 377 m², geeft dit geen aanleiding voor een ander oordeel. De plantoelichting is immers zoals hiervoor vermeld geen juridisch bindend deel van het plan. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat wordt voldaan aan de voorwaarde omtrent de bebouwde oppervlakte. Het betoog faalt. Bouwhoogte 21. [appellanten sub 5] hebben bezwaar tegen de toegestane bouwhoogte van de voorziene woning. Zij voeren hiertoe aan dat de woning 3 meter hoger mag worden dan de voormalige boerderij aan de [locatie 4]. Dit is volgens hen niet passend in het buitengebied en daarmee in strijd met het beleidskader. 21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene woning dient te worden gerealiseerd met een zogenoemde schuurarchitectuur. Hiermee is volgens de raad duidelijk dat geen woning mag worden gerealiseerd die hoger is dan de voormalige boerderij aan de [locatie 4]. De bedoelde schuurarchitectuur is volgens de raad neergelegd in de plantoelichting en in de overeenkomst die met de initiatiefnemer is gesloten. De raad wijst erop dat in deze overeenkomst een boetebeding is opgenomen. Voor een hogere woning zal volgens de raad bovendien een negatief advies worden gegeven door de welstandscommissie. 21.2. Blijkens de verbeelding is op het plandeel met de bestemming "Wonen" betreffende perceel 725 geen aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)" weergegeven. Blijkens de verbeelding is aan de gronden betreffende de [locatie 4] de bestemming "Wonen" toegekend. Op dit plandeel is de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)=7" weergeven. Ingevolge artikel 20, lid 20.2.2, aanhef en onder h, van de planregels gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels: h. de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen; i. in afwijking van het bepaalde onder f en g mag, ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)" de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte. 21.3. In het beleidskader is vermeld dat als harde voorwaarde wordt gesteld dat vervangende nieuwbouw qua vormgeving en uitstraling past in het buitengebied. Uit de plantoelichting, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad de realisatie van woning van 10 meter hoog niet ruimtelijk aanvaardbaar acht, nu een dergelijke woning hoger zou zijn dan de voormalige boerderij aan de [locatie 4], die maximaal 7 meter hoog mocht zijn. De raad heeft dan ook ten onrechte deze bouwhoogte van 10 meter in het plan mogelijk gemaakt. Niet valt in te zien dat de raad geen regeling in het plan had kunnen opnemen waarmee de door hem bij de realisering van de woning op perceel 725 maximaal toelaatbare bouwhoogte planologisch is gewaarborgd, bijvoorbeeld door de weergave van een aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)=7" op het betreffende plandeel. Reeds hierom geeft hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene bouwhoogte, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de gronden betreffende perceel 725, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt. Locatie 22. [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben voorts bezwaar tegen de locatie van de in het plan voorziene woning. Zij betogen dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de woning niet is voorzien ter plaatse van de gronden betreffende de [locatie 4] waar de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Zij betwisten in dat verband dat sprake is van een zogenoemde knellocatie. [appellanten sub 5] betogen daarnaast dat in strijd met het beleidskader de bouwkavel wordt vergroot, nu een nieuw bestemmingsvlak "Wonen" is toegekend voor de gronden betreffende perceel 725 met een oppervlakte van ongeveer 1.600 m². Ook vindt volgens [appellanten sub 5] in strijd met het beleidskader geen beweging van het buitengebied naar een dorps- of stadsrandzone of uit de ecologische verbindingszone plaats. 22.1. Voor de locatie van een woning is volgens paragraaf 2.3 van bijlage 23 bij de plantoelichting het uitgangspunt dat wanneer na de sloop van vrijgekomen agrarische bebouwing een hoofdgebouw behouden blijft, zoals in het onderhavige geval de als monumentaal aangemerkte voormalige boerderij, de nieuwbouw wordt gerealiseerd in de directe nabijheid van, en in een cluster rond, een gemeenschappelijk erf met het betreffende hoofdgebouw, tenzij sprake is van een zogenoemde knellocatie. In het kader van de in het plan voorziene woning is onderzoek gedaan naar de akoestische gevolgen van het wegverkeer op de nabijgelegen A18. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai", dat op 12 november 2008 in opdracht van [gemachtigde belanghebbende F] is uitgebracht door Ecopart (hierna: het akoestisch onderzoek). Voor zover [appellanten sub 5] hebben aangevoerd dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet zou zijn uitgegaan van het wegdektype ZOAB, is ter zitting vastgesteld dat gelet op bijlage V, onderdeel Vc, bij het akoestisch onderzoek, wel van dit wegdektype is uitgegaan. In het akoestisch onderzoek is onderzocht of ergens op de gronden behorende bij de [locatie 4] de geluidbelasting op een gevel minder dan 48 dB zal kunnen bedragen. Volgens het akoestisch onderzoek is dit niet mogelijk zonder dat een aarden wal wordt gerealiseerd langs de perceelsgrens. De realisatie van een dergelijke aarden wal langs de perceelsgrens past volgens de raad echter niet bij het karakter van de omgeving en zou bovendien onevenredige kosten met zich brengen. Ter zitting is gebleken dat de eigenaar van de voormalige boerderij aan de [locatie 4] niettemin een aarden wal heeft aangelegd nadat het akoestisch onderzoek is uitgebracht. De raad heeft ter zitting toegelicht dat geen duidelijkheid bestaat over het voorbestaan van de aarden wal gedurende de planperiode. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd geen aanleiding om de raad niet te volgen in zijn standpunt dat het in deze situatie onwenselijk is de realisatie van een VAB-woning afhankelijk te stellen van het voorbestaan van de bedoelde wal, hetgeen in het plan ook niet is gedaan. Gelet hierop heeft de raad in dit geval ervan kunnen afzien om bij de beoordeling of sprake is van een zogenoemde knellocatie rekening te houden met de bedoelde aarden wal. De raad heeft zich onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek op het standpunt gesteld dat de geluidbelasting die vanwege het wegverkeer over de A18 zou optreden op een gevel van een woning die zou worden gerealiseerd op de gronden behorende bij de voormalige boerderij aan de [locatie 4] zonder realisatie van een aarden wal zodanig hoog is dat deze locatie een knellocatie is. [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben dit standpunt op zichzelf niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gronden in de directe nabijheid van de voormalige boerderij aan de [locatie 4] kunnen worden aangemerkt als knellocatie, zodat kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat de woning mogelijk wordt gemaakt in de directe nabijheid van, en in een cluster rond, een gemeenschappelijk erf met deze voormalige boerderij. Het betoog faalt in zoverre. 22.2. In het beleidskader is vermeld dat vervangende nieuwbouw ook op een andere plaats mag worden opgericht, mits dit een beweging van het buitengebied naar een dorps- of stadsrandzone is of uit de ecologische verbindingszone. De oppervlakte van het bouwkavel mag niet worden vergroot, aldus het beleidskader. In het onderhavige geval is in ruil voor de sloop van de schuren aan de [locatie 4] een nieuwe woning mogelijk gemaakt. De als cultuurhistorisch waardevol aangemerkte voormalige boerderij aan de [locatie 4] blijft als woning behouden. Met het oog hierop is in het plan aan de gronden rond de bestaande woning met een oppervlakte van ongeveer 5.500 m² de bestemming "Wonen" toegekend, waarvoor in de planregels een bebouwingsregeling is opgenomen. Daarnaast is aan de gronden betreffende perceel 725 met een oppervlakte van ongeveer 1.600 m² eveneens de bestemming "Wonen" toegekend, met de onder 20.2 en 21.2 vermelde bebouwingsregeling. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2002", dat op 13 november 2003 is vastgesteld door de raad van de gemeente Wehl, thans: Doetinchem, en op 24 februari 2004 gedeeltelijk is goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het vorige plan "Buitengebied 2002"), was aan de gronden betreffende de [locatie 4] de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Voorts was de bestemming "Wonen (dubbelbestemming)" toegekend aan de gronden ter plaatse van de voormalige boerderij. Aan de overige bij de boerderij behorende gronden en de gronden betreffende perceel 725 was de bestemming "Agrarisch" toegekend. Uit het beleidskader kan niet worden afgeleid of en zo ja, welke betekenis in het onderhavige geval toekomt aan de voormelde voorwaarden dat vervangende nieuwbouw ook op een andere plaats mag worden opgericht, mits dit een beweging is van het buitengebied naar een dorps- of stadsrandzone of uit de ecologische verbindingszone, en dat de oppervlakte van het bouwkavel niet mag worden vergroot. Op grond van de andere stukken en het verhandelde ter zitting kon hierover ook geen duidelijkheid worden verkregen. Evenmin kon worden vastgesteld of en zo ja, om welke redenen volgens de raad aan deze voorwaarden wordt voldaan. Gelet hierop geeft hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd, aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het plan in zoverre in overeenstemming zou zijn met het beleidskader. In zoverre slaagt het betoog. Flora- en faunawet 23. [appellanten sub 5] betogen dat nader onderzoek had moeten worden verricht naar de gevolgen van de sloop van de vrijkomende agrarische bebouwing voor de vleermuis, huismuis, kerkuil en steenuil. 23.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellanten sub 5] zo, dat het plan volgens hen is vastgesteld in strijd met het beleidskader, omdat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) aan de sloop van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in de weg staat. De vraag of voor de sloop van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in overeenstemming is met het beleidskader indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de sloop van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing in weg staat. In het kader van het plan is onderzoek verricht naar de gevolgen van de sloop van de vrijkomende agrarische bebouwing en de realisatie van de in het plan voorziene woning. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Quick scan flora en fauna", dat op 2 juli 2012 in opdracht van Sonsbeek Adviseurs B.V. is uitgebracht door Laneco (hierna: de quickscan). Over de in het plan voorziene woning staat in de quickscan dat geen gevolgen zijn te verwachten als de vermelde aanbevelingen in acht worden genomen. Over de te slopen vrijkomende agrarische bebouwing is vermeld dat effecten op zogenoemde strikt beschermde soorten niet kunnen worden uitsloten. Om de gevolgen van deze sloop te kunnen bepalen, dient volgens de quickscan nader onderzoek te worden uitgevoerd naar zomer- en najaarsverblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen. Ook dient volgens de quickscan nader onderzoek te worden uitgevoerd naar nestplaatsen van de huismus, kerkuil en steenuil. Anders dan [appellanten sub 5] stellen, was dit nadere onderzoek ten tijde van het nemen van het bestreden besluit verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het "Veldinventarisatierapport [locatie 4] te Wehl-Doetinchem", dat op 12 november 2012 in opdracht van [gemachtigde belanghebbende F] is uitgebracht door Laneco (hierna: de veldinventarisatie). Voor zover [appellanten sub 5] ter zitting hebben gesteld dat geen sloopvergunning had mogen worden verleend voordat de uitkomsten van de veldinventarisatie bekend waren, overweegt de Afdeling dat de bedoelde sloopvergunning niet ter beoordeling voorligt en derhalve thans niet inhoudelijk aan de orde kan komen. Het betoog faalt. Uitzicht en woongenot 24. [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] betogen dat hun woongenot en met name het uitzicht vanuit hun woningen zal worden aangetast door de in het plan voorziene woning op de gronden betreffende perceel 725. 24.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat geen blijvend recht op vrij uitzicht (onder meer uitspraak van 15 december 2010 in zaak nr. 200905577/1/R2). Het plan voorziet in een woning met een hoogte van maximaal 10 meter en een inhoud van maximaal 531,5 m³. De Afdeling verwijst wat betreft de hoogte naar hetgeen zij onder 21.3 heeft overwogen. De raad heeft van belang geacht dat de kortste afstand tussen de gronden betreffende perceel 725 waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend tot de woning van [appellant sub 4] ongeveer 60 meter bedraagt. Daarnaast is van belang dat de kortste afstand tot de woningen van [appellanten sub 5] ruim 100 meter is. Ten slotte heeft de raad in aanmerking genomen dat de woning is voorzien in de directe nabijheid van de bestaande woningen aan de Broekstraat 18, 18A en [locatie 4], zodat de bestaande openheid rond de woningen van [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] grotendeels behouden blijft. Hetgeen [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich gelet op deze omstandigheden niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene woning niet tot een onevenredige aantasting van hun woongenot en het uitzicht vanuit hun woningen zal leiden. Het betoog faalt. Bodemgesteldheid 25. [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de bodemgesteldheid op de locatie waar de woning is voorzien. Zij voeren hiertoe aan dat het bodemonderzoek niet is verricht voor de gronden betreffende perceel 725, maar voor daarnaast gelegen gronden. [appellant sub 4] voert voorts aan dat slechts één bodemmonster lijkt te zijn genomen. 25.1. Volgens de raad is de bodem ter plaatse van perceel 725 net als de bodem ter plaatse van de locatie waarvoor het bodemonderzoek is uitgevoerd in gebruik als weiland en, blijkens de Bodemkwaliteitskaart 2012, van vergelijkbare aard. Gelet hierop en op de conclusie uit het bodemonderzoek is de bodem ter plaatse van perceel 725 geschikt voor de realisatie van de in het plan voorziene woning, aldus de raad. 25.2. De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan met de daarin opgenomen bestemmingen niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan binnen de planperiode in de weg staat. 25.3. In het kader van de in het plan voorziene woning is onderzoek verricht naar de kwaliteit van de bodem. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkennend bodemonderzoek conform NEN-5740", dat op 21 december 2011 in opdracht van Sonsbeek Adviseurs B.V. is uitgebracht door BOOT organiserend ingenieursbureau B.V. (hierna: het bodemonderzoek). De conclusie van het bodemonderzoek is dat de kwaliteit van de onderzochte bodem geen belemmering vormt voor gebruik als woning met tuin. In het bodemonderzoek zijn de gronden, kadastraal bekend gemeente Wehl, sectie K, nummer 314, onderzocht. [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het bodemonderzoek op zichzelf zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet hierop heeft kunnen baseren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, anders dan [appellant sub 4] meent, volgens het bodemonderzoek niet één maar acht boringen zijn verricht. De in het bodemonderzoek onderzochte gronden liggen op korte afstand ten noordoosten van de gronden betreffende perceel 725, waarop in het plan de woning is voorzien. [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben niet gemotiveerd betwist dat de bodem ter plaatse van de gronden betreffende perceel 725 net als de bodem ter plaatse van de in het bodemonderzoek onderzochte locatie in gebruik is als weiland en van vergelijkbare aard is. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging ter plaatse van perceel 725, anders dan ter plaatse van de in het bodemonderzoek onderzochte locatie, in zoverre aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Het betoog faalt. Landschappelijke inpassing 26. [appellanten sub 5] betogen dat de landschappelijke inpassing van de in het plan voorziene woning onvoldoende is verzekerd met de overeenkomst die is gesloten tussen de gemeente Doetinchem en de initiatiefnemer. Volgens hen had een voorwaardelijke verplichting in het plan moeten worden opgenomen. Zij hebben ter zitting geconcretiseerd dat zij het in dit verband kwalijk vinden dat ook geen zakelijke weergave van de overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer van de in het plan voorziene woning ter inzage is gelegd. 26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de landschappelijke inpassing voldoende is gewaarborgd in de bedoelde overeenkomst. De raad wijst erop dat in deze overeenkomst een boetebeding is opgenomen. 26.2. In paragraaf 2.3 van bijlage 23 bij de plantoelichting is over de inrichting van het erf bij de in het plan voorziene woning vermeld dat het gebruik van beplantingselementen spaarzaam is, zoals bij de erven in de omgeving. De beplantingselementen die er komen zijn streekeigen en vormen een geheel met de aard en soort van de voorgenomen beplanting rond de bestaande boerderij, aldus de plantoelichting. In de plantoelichting is voorts een plan voor de landschappelijke inpassing van de in het plan voorziene woning weergegeven (hierna: het inrichtingsplan). Blijkens de plantoelichting en het verhandelde ter zitting heeft de raad beoogd om de in het plan voorziene woning landschappelijk in te passen door het aanleggen van beplanting zoals weergeven in het inrichtingsplan. Met het oog op de realisatie hiervan heeft de gemeente een overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer waarin, aldus de raad, is bepaald dat de initiatiefnemer op straffe van een boete bij realisatie van de woning tevens de landschappelijke inrichting zal realiseren. Het plan voorziet gelet op artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder i, van de planregels weliswaar in de realisatie van een dergelijke landschappelijke inpassing, maar de aanleg en instandhouding daarvan zijn niet in het plan geregeld. Nu uit de plantoelichting, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad de aanleg en instandhouding van beplanting zoals weergegeven in het inrichtingsplan wel noodzakelijk acht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorziene woning en in aanmerking genomen dat dit niet op andere publiekrechtelijke wijze is gewaarborgd, heeft de raad dit ten onrechte niet in het plan geregeld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat hij thans een planregel in het plan zou opnemen waarmee de door hem bij de realisering van de woning noodzakelijk geachte landschappelijke inpassing planologisch is gewaarborgd, bijvoorbeeld in de vorm van een voorwaardelijke verplichting die inhoudt dat de realisatie van de woning overeenkomstig de woonbestemming alleen dan is toegestaan indien de landschappelijke inrichting zoals weergegeven in het inrichtingsplan wordt aangelegd en in stand gehouden. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de gronden betreffende perceel 725, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt. Conclusie 27. In hetgeen [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" betreffende de gronden van perceel 725, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb en artikel 3.1 van de Wro. De beroepen van [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] zijn gegrond. Het beroep van [appellanten sub 6] Provinciaal beleid 28. [appellanten sub 6] hebben bezwaar tegen de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheden voor het aan de [locatie 2] te Wehl gevestigde diervoederbedrijf. [appellanten sub 6] betogen dat de in het plan voorziene uitbreiding van bedrijfsbebouwing groter is dan op grond van het provinciale beleid is toegestaan. 28.1. Voor zover [appellanten sub 6] bedoeld hebben te betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2, lid 2.2, van de Ruimtelijke Verordening Gelderland, overweegt de Afdeling dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat niet is voldaan aan de in lid 2.6 vermelde voorwaarden op grond waarvan in afwijking van het bepaalde in lid 2.2 bebouwing mogelijk kan worden gemaakt. De raad heeft dienaangaande ter zitting toegelicht dat het bestaande veevoederbedrijf wenst uit te breiden, verplaatsing van het bedrijf in dit geval niet mogelijk is en het bedrijf met de aankoop van gronden zal bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe natuur. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan is de raad voorts niet gebonden aan beleid van de provincie dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad heeft dienaangaande te kennen gegeven dat, na overleg met en instemming van de provincie Gelderland, gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden aanleiding bestaat van het bedoelde provinciale beleid af te wijken. Hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid niet afdoende zou hebben betrokken in zijn belangenafweging. Het betoog faalt. Woon- en leefklimaat 29. [appellanten sub 6] betogen dat de in het plan voorziene toename van de bouwhoogte en de bebouwingsoppervlakte van de bedrijfsbebouwing aan de [locatie 2] niet passend zijn in het buitengebied. Voorts betogen [appellanten sub 6] dat het plan in zoverre zal leiden tot een aantasting van het woongenot, met name hun uitzicht. Ook vrezen zij voor geur- geluid en stofhinder. Ten slotte vrezen zij dat de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheden veiligheidsrisico’s met zich brengen. Zij voeren in dit verband aan dat twee jaar geleden een stofexplosie van een stoomketel heeft plaatsgevonden op het terrein van het bedrijf. 29.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden betreffende de [locatie 2] de bestemming "Bedrijf" toegekend. Op dit plandeel zijn de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - productie van diervoeders" en "maximum oppervlakte (m²) = 1.330" weergeven. Op het middelste gedeelte van dit plandeel is voorts de aanduiding "maximale bouwhoogte (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.