(4). Dat kadevak OR-4.20-001a in het projectplan niet in zijn geheel is afgekeurd op hoogte, betekent niet dat binnen dit kadevak op alle plaatsen aan de vereiste hoogte wordt voldaan. Uit het projectplan en de daaraan ten grondslag liggende stukken blijkt dat in beide kadevakken ophoging nodig is ter plaatse van de damwand en de toegangsweg van het perceel van [appellant], die een coupure in de waterkering vormt. De hardhouten damwand wordt daarbij vervangen, omdat deze zich niet verdraagt met het beleidsuitgangspunt dat waterkeringen voldoende toekomstbestendig en robuust dienen te zijn en de damwand in de praktijk ook geen enkele functie met betrekking tot de stabiliteit van de waterkering vervult, aldus het college. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de door [appellant] bedoelde damwand op een andere locatie een damwand met een robuuste stalen constructie betreft, die zich wel verdraagt met voornoemd beleidsuitgangspunt. 4.
- Bij het vaststellen van een projectplan komt het college beleidsvrijheid toe. Daarbij is het aan het college om alle verschillende bij het projectplan betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient dit terughoudend te toetsen. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het hiervoor genoemde beleid van het college, dat ten grondslag ligt aan het vastgestelde projectplan, in strijd met het recht is. Hetgeen [appellant] aanvoert, geeft verder geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het college dat ophoging van de waterkering ter plaatse van de toegangsweg en damwand en vervanging van de damwand nodig zijn in verband met de krachtens de Waterverordening Rijnland geldende veiligheidsnorm en het beleid van het college. In het door [appellant] gestelde belang bij een onbelemmerd gebruik van zijn gronden heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college het projectplan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier. w.g. Sorgdrager w.g. Van Grinsven lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014 462-720.