201407427/2/R4. Datum uitspraak: 28 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: de vereniging Vereniging voor Natuurbescherming, gevestigd te Gorredijk, verzoekster, en de raad van de gemeente Opsterland, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft onder meer de vereniging beroep ingesteld. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft de vereniging de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 november 2014, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [secretaris], bijgestaan door mr. M.T. Hoen, advocaat te Gorredijk, en de raad, vertegenwoordigd door A. Kramer, werkzaam bij de gemeente, en P. van Dijk, wethouder, zijn verschenen. Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2. Het plan beoogt een actueel planologisch-juridisch kader te bieden voor het buitengebied van de gemeente Opsterland. 3. De vereniging betoogt dat het plan zal leiden tot negatieve effecten op de in het plangebied aanwezige natuurwaarden, waaronder een drietal Natura 2000-gebieden, vanwege stikstofdepositie. Ook betoogt zij dat het plan leidt tot verstoring van beschermde diersoorten, onder andere vanwege lichthinder. 3.1. De raad stelt dat analyses in onder meer het plan-MER hebben uitgewezen dat de stikstofsituatie in het plangebied ontwikkelingsruimte overlaat voor agrarische bedrijvigheid. Deze ontwikkelingsruimte is in de planregels afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de bestaande stikstofemissie als gevolg van een wijziging van dieraantallen, diersoorten dan wel andere stalsystemen niet mag toenemen. Daarmee is volgens de raad op planniveau generiek geborgd dat geen significant negatieve effecten kunnen optreden voor de relevante Natura 2000-gebieden en andere natuurgebieden. Daarbij heeft de raad niet verder willen gaan dan wat op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw) mogelijk is. Mocht in het kader van een Nbw-vergunningprocedure blijken dat een door een agrarisch bedrijf gewenste ontwikkeling met toename van emissie door het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân wordt toegestaan, dan wil de raad deze ontwikkeling niet in de weg staan. Wat betreft de gestelde verstoring van beschermde diersoorten door licht wijst de raad erop dat betrokken instanties (LTO, provincie en milieuorganisaties) bezig zijn met afronding van een convenant, waarin afspraken over lichtuitstoot worden gemaakt. Een planregeling over lichthinder zou die afspraken kunnen frustreren en tot onnodige regeldruk en juridische problemen kunnen leiden, aldus de raad. 3.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Ingevolge het derde lid, gelezen in samenhang met artikel 19g, mag het plan alleen dan worden vastgesteld indien het bestuursorgaan uit de passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. 3.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grond- en plaatsgebonden agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat intensieve veehouderij als neventak met een oppervlakte van maximaal 250 m², dan wel de bestaande oppervlakte wanneer deze groter is, in de bestemming is begrepen; c. intensieve veehouderij, uitsluitend voor zover het gronden betreft ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij". Ingevolge artikel 28, lid 28.1, aanhef en onder e, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met enige bestemming in ieder geval gerekend het gebruik van gronden, gebouwen dan wel overkappingen waarbij een toename plaatsvindt van de bestaande stikstofemissie als gevolg van een wijziging van dieraantallen, diersoorten en/of andere stalsystemen vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden. Ingevolge lid 28.2 wordt niet tot een strijdig gebruik gerekend: a. het gebruik van gronden, gebouwen en/of overkappingen waarbij een toename plaatsvindt van de bestaande stikstofemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden, indien: 1. dit niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.