(2002)heeft gesteld, betekent, nu het daarbij gaat om een globaal gemiddelde en [wederpartij] alle activiteiten zelf verricht, niet dat bij de beoordeling of zijn agrarische activiteiten een bedrijfsmatig karakter dragen aan door hem daaraan besteedde uren die boven dat gemiddelde liggen geen betekenis kan worden gehecht. Voorts is gebleken dat de agrarische activiteiten van [wederpartij] bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie staan ingeschreven als veehouderij en dat de door hem gehouden schapen aldaar worden geregistreerd op zogeheten stallijsten. In het licht van het geheel van de zich hier voordoende feiten en omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat niet valt in te zien dat in dit geval niet kan worden gesproken van een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1, onder at, van de planvoorschriften. Dat, zoals het college heeft aangevoerd, [wederpartij] niet bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als houder van een agrarisch bedrijf, maakt dat niet anders. Het betoog faalt.
- Voorts betoogt het college dat de rechtbank heeft miskend dat de aangelegde verharding niet van ondergeschikte betekenis is bij het agrarische bedrijf en derhalve een omgevingsvergunning is vereist. Het college voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan artikel 3, elfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften van belang is of de aan te leggen verharding ondergeschikt is aan de grootte van het perceel, de aanwezige schapenboet en de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het perceel. 4.
- Vast staat dat de op het perceel aangebrachte verharding een oppervlakte heeft van 343 m
- Anders dan het college stelt heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor het aanleggen van deze verharding geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder b, van de Wabo is vereist. Hierbij heeft de rechtbank bij de uitleg van artikel 3, elfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften terecht geen zelfstandige betekenis toegekend aan de vraag of de aangelegde werkzaamheden ondergeschikt zijn aan de op het perceel aanwezige landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Gelet op de totale omvang van het perceel en de oppervlakte, situering en aard van de verharding heeft de rechtbank terecht overwogen dat de verharding en inrit ondergeschikt zijn aan het agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 3, elfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden tegen het aanleggen van de verharding zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder b, van de Wabo. Het betoog faalt.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Texel tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1016,54 (zegge: duizendzestien euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Texel een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier. w.g. Van der Spoel w.g. Vermeulen lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014 700.