← Nederland

ECLI:NL:RVS:2014:4653

201303444/1/R

  1. Datum uitspraak: 24 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1], wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,
  3. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], beiden wonend te Helden, gemeente Peel en Maas, en [appellante sub 2C], gevestigd te Helden, gemeente Peel en Maas,
  4. de stichting Stichting Archeologie Actueel Limburg, gevestigd te Geulle, gemeente Meerssen (hierna: SAAL),
  5. [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],
  6. [appellante sub 5], gevestigd te Beringe, gemeente Peel en Maas,
  7. [appellant sub 6], wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas,
  8. [appellant sub 7], wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas, en anderen,
  9. [appellant sub 8], wonend te Baarlo, gemeente Peel en Maas,
  10. [appellant sub 9], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
  11. [appellant sub 10], wonend te Helden, gemeente Peel en Maas,
  12. [appellante sub 11], gevestigd te Helden, gemeente Peel en Maas,
  13. [appellant sub 12A], wonend te Mortel, gemeente Gemert-Bakel, en [appellante sub 12B], gevestigd te Maasbree, gemeente Peel en Maas (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 12]),
  14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Samen B.V., gevestigd te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
  15. [appellant sub 14], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas, en anderen,
  16. [appellante sub 15], gevestigd te Maasbree, gemeente Peel en Maas, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Maasbree, gemeente Peel en Maas,
  17. [appellante sub 16], gevestigd te Meijel, gemeente Peel en Maas, en anderen,
  18. [appellant sub 17], wonend te Egchel, gemeente Peel en Maas,
  19. [appellante sub 18], gevestigd te Beringe, gemeente Peel en Maas, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,
  20. [appellante sub 19], gevestigd te Beringe, gemeente Peel en Maas, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,
  21. [appellant sub 20], wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas,
  22. [appellant sub 21], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
  23. [appellante sub 22], gevestigd te Maasbree, gemeente Peel en Maas,
  24. [appellant sub 23], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
  25. [appellant sub 24], wonend te Maasbree, gemeente Peel en Maas,
  26. [appellante sub 25], gevestigd te Kessel, gemeente Peel en Maas, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Kessel, gemeente Peel en Maas,
  27. [appellant sub 26], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
  28. [appellant sub 27], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
  29. [appellant sub 28], wonend te Koningslust, gemeente Peel en Maas,
  30. [appellant sub 29], wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas,
  31. [appellanten sub 30], beiden wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
  32. [appellante sub 31], gevestigd te Helden, gemeente Peel en Maas,
  33. [appellante sub 32], gevestigd te Meijel, gemeente Peel en Maas, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas,
  34. de vereniging Vereniging Limburgse Land- en Tuinbouw Bond Belangenbehartiging (hierna: LLTB), gevestigd te Roermond,
  35. [appellanten sub 34], beiden wonend te Kessel, gemeente Peel en Maas,
  36. [appellant sub 35], wonend te Kessel, gemeente Peel en Maas,
  37. [appellant sub 36], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas, appellanten, en de raad van de gemeente Peel en Maas, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 5 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" vastgesteld (hierna: het oorspronkelijke besluit). Tegen dit besluit hebben alle appellanten, behoudens [appellant sub 36], beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen hebben daarop hun zienswijze naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. Bij besluit van 5 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" op enkele onderdelen gewijzigd vastgesteld (hierna: het herstelbesluit). Tegen dit besluit heeft [appellant sub 36] beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 en 18 september 2014, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord. Overwegingen Toetsingskader
  38. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De plannen
  39. Het plan voorziet in een actueel planologisch kader voor het buitengebied van Peel en Maas. Met het herstelbesluit is het plan op onderdelen gewijzigd. Hiermee heeft de raad beoogd om een aantal aanpassingen door te voeren en gevolg te geven aan een aantal verzoeken om wijziging van het plan. 2.
  40. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben De beroepen van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. 2.
  41. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 5 november 2013 voor een deel van de beroepen aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, nu het herstelbesluit betrekking heeft op enkele planonderdelen waarop ook het besluit van 5 februari 2013 ziet en waartegen de desbetreffende beroepen gericht zijn. Het beroep van LLTB De bestemming "Wonen - Plattelandswoningen"
  42. LLTB betoogt dat de raad ten onrechte voor ongeveer 325 plandelen met de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" heeft voorzien in burgerbewoning van bedrijfswoningen bij inmiddels beëindigde agrarische bedrijven. De wettelijke regeling voor plattelandswoningen is volgens haar niet op deze woningen van toepassing, zodat de naam van de bestemming misleidend is. De raad heeft ten onrechte niet onderkend dat deze woningen worden beschermd tegen milieuhinder van omliggende agrarische bedrijven, waaronder met name geurhinder vanwege nabijgelegen veehouderijen. Derhalve zal de voorziene burgerbewoning leiden tot een onaanvaardbare beperking van de milieuruimte van een groot aantal bestaande agrarische bedrijven wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als eventuele toekomstige uitbreidingen. Daarnaast heeft de raad ten onrechte nagelaten om van geval tot geval in kaart te brengen in hoeverre een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, aldus LLTB. Het vorenstaande klemt temeer, nu het plan ook voorziet in uitbreiding van geurgevoelige objecten in de richting van nabijgelegen agrarische bedrijven. In dit verband voert LLTB aan dat het plan ter plaatse van de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" voorziet in ruime bouwvlakken. In dit verband richt LLTB zich ook tegen diverse onderdelen van artikel 32 en artikel 55, lid 55.3, 55.7, 55.8 en 55.9, van de planregels. LLTB richt zich voorts tegen de wijzigingsbevoegdheden uit artikel 56 met toepassing waarvan andere bestemmingen kunnen worden gewijzigd in de bestemming "Wonen - Plattelandswoning". 3.
  43. De raad stelt zich op het standpunt dat een voormalige agrarische bedrijfswoning om twee redenen voormalig kan zijn. De bewoner kan geen relatie met het bedrijf (meer) hebben en het bedrijf kan gestaakt zijn. Volgens de raad volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wettelijke regeling voor plattelandswoningen dat de wetgever ook een regeling heeft willen treffen voor de situatie dat het bedrijf is gestaakt. De woningen die zijn voorzien van de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" worden niet aangemerkt als geurgevoelige objecten ten aanzien van nabijgelegen veehouderijen, aldus de raad. 3.
  44. Het plan voorziet voor een groot aantal plandelen in de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" en een aanduiding voor een bouwvlak. Ingevolge artikel 1, lid 131, van de planregels wordt onder plattelandswoning verstaan een voormalige bedrijfswoning waarvan het voorheen bijbehorende bedrijf de bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt. Ingevolge artikel 32, lid 32.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen - Plattelandswoning" aangewezen gronden bestemd voor wonen in een plattelandswoning. Artikel 55, lid 55.3, 55.7, 55.8 en 55.9, voorziet in algemene afwijkingsbevoegdheden die betrekking hebben op meerdere bestemmingen. Ingevolge artikel 56, lid 56.5, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de in dat artikelonderdeel genoemde bestemmingen met een bouwvlak en de bestaande bedrijfswoning te wijzigen in: a. de bestemming "Wonen" dan wel "Wonen - Plattelandswoning"; b. de bestemming "Agrarisch" waarin het bestemmingsvlak ligt voor de resterende grond; mits (lees: met dien verstande dat): f. uitsluitend het deel van het perceel met de woning en het daarbijbehorende erf mag worden gewijzigd in de bestemming "Wonen - Plattelandswoning". De resterende grond moet gelijktijdig worden gewijzigd in de bestemming "Agrarisch" met de daarbij behorende gebiedsaanduiding. Lid 56.6, aanhef en onder a, b en f, voorziet, voor zover van belang, in vergelijkbare bepalingen. 3.
  45. De wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen) is op 1 januari 2013 in werking getreden (hierna: de Wijzigingswet). De Wijzigingswet brengt met zich dat het planologische regime en niet langer het feitelijk gebruik bepalend is voor de bescherming die een gebouw of functie geniet tegen negatieve milieueffecten. Daarnaast geeft de Wijzigingswet een wettelijke regeling voor plattelandswoningen bestaande uit met name het nieuwe artikel 1.1a van de Wabo. 3.
  46. Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan (…) door een derde bewoond mag worden, met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald. Ingevolge het tweede lid wordt voor de toepassing van het eerste lid onder landbouwinrichting verstaan: inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. 3.
  47. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) wordt onder "geurgevoelig object" verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Ingevolge artikel 2, eerste lid, betrekt het bevoegd gezag, bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij, de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met
  48. Ingevolge het derde lid is, in afwijking van het eerste lid, artikel 1.1a van de Wabo van overeenkomstige toepassing op het nemen van een beslissing als bedoeld in dat lid. De eerste volzin is niet van toepassing op gevallen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, voor zover het betreft een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, en artikel 14, tweede lid. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wgv wordt een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan het in dat artikelonderdeel genoemde aantal odour units per kubieke meter lucht. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, bedraagt, in afwijking van het eerste lid, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. 3.
  49. Een bedrijfswoning is een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wgv, met dien verstande dat alleen geurgevoelige objecten die geen deel uitmaken van een inrichting voor bescherming ten opzichte van die inrichting in aanmerking komen. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 in zaak nr. 200806627/1/H
  50. Derhalve wordt een bedrijfswoning als geurgevoelig object beschermd tegen geurhinder van nabijgelegen veehouderijen, niet zijnde de landbouwinrichting waar de bedrijfswoning deel van uitmaakt of heeft uitgemaakt. Voor de ingevolge artikel 1.1a van de Wabo aangewezen bedrijfswoning geldt hetzelfde. 3.
  51. De zinsnede "een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting" uit artikel 1.1a van de Wabo brengt met zich dat de raad een woning in twee situaties met het oog op bewoning door een derde kan bestemmen als plattelandswoning. Enerzijds gaat het om de situatie dat een bedrijfswoning feitelijk nog als bedrijfswoning wordt gebruikt. Anderzijds gaat het om de situatie dat een bedrijfswoning feitelijk door een derde wordt bewoond. In beide gevallen wordt de plattelandswoning aangemerkt als onderdeel van een bestaande landbouwinrichting. Artikel 1.1a van de Wabo impliceert dat de plattelandswoning behoort bij een bestaand bedrijf. Immers, de wet leidt er slechts toe dat deze niet wordt beschermd tegen milieuhinder van het bijbehorende bedrijf. Derhalve is onjuist de door de raad voorgestane rechtsopvatting dat ook in een plattelandswoning kan worden voorzien als de landbouwinrichting is gestaakt. 3.
  52. Nu reeds uit de systematiek van de Wabo en de Wgv volgt dat de wettelijke regeling voor plattelandswoningen uit artikel 1.1a van de Wabo niet van toepassing is op de situatie dat het agrarisch bedrijf is gestaakt, komt geen betekenis toe aan de door de raad genoemde passages uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet, waaronder met name Kamerstukken II 2011/20125, 33 078, nr. 3, die mogelijk anders suggereren. 3.
  53. Gelet op het hiervoor overwogene is artikel 1.1a van de Wabo niet van toepassing op de als "Wonen - Plattelandswoning" bestemde woningen, nu het daarbij gaat om voormalige bedrijfswoningen bij landbouwinrichtingen die er niet meer zijn en er op grond van de toegekende bestemming ook niet meer mogen zijn. Overigens zou artikel 1.1a van de Wabo, anders dan de raad veronderstelt, ook geen gevolgen hebben voor de mate van bescherming vanwege andere landbouwinrichtingen dan de landbouwinrichting waar de woning ingevolge artikel 1.1a van de Wabo beschouwd wordt onderdeel van uit te maken. Ingevolge de Wgv worden alle woningen - burgerwoningen, bedrijfswoningen en plattelandswoningen - beschermd tegen geurhinder vanwege omliggende andere agrarische bedrijven. Aan de aard van de woning komt slechts betekenis toe bij de vervolgvraag welke geurnorm van toepassing is in gevallen als bedoeld in artikel 3, eerste onderscheidenlijk derde lid, van de Wgv. De raad heeft dan ook niet onderkend dat de als "Wonen - Plattelandswoning" bestemde woningen worden aangemerkt als geurgevoelige objecten ten opzichte van omliggende agrarische bedrijven. Derhalve heeft de raad ten onrechte het woon- en leefklimaat en de belangen die zijn betrokken bij de bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven, waaronder toekomstige uitbreidingsmogelijkheden, niet bij de besluitvorming betrokken. Dit klemt temeer nu het plan in een onbekend aantal gevallen ook voorziet in uitbreiding van geurgevoelige objecten in de richting van nabijgelegen agrarische bedrijven. Voor zover een bestemming als burgerwoning uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet mogelijk is, en bestaand gebruik voor burgerbewoning wordt beschermd door overgangsrecht uit het voorgaande plan, had de raad moeten bezien of een uitsterfregeling in het plan had kunnen worden opgenomen. Het plan is in zoverre onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd vastgesteld. Het betoog van LLTB slaagt. Conclusie 3.
  54. In hetgeen LLTB heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb en niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen - Plattelandswoning", artikel 32 van de planregels, en artikel 56, lid 56.5, onder a, voor zover het betreft de zinsnede "dan wel "Wonen - Plattelandswoning"", en onder f, en voor zover het betreft lid 56.6, onder a, voor zover het betreft de zinsnede "dan wel "Wonen - Plattelandswoning"", en onder f. Het beroep van LLTB is gegrond, zodat het oorspronkelijke besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Plattelandswoningen op grond van de definitie "bedrijfswoningen"
  55. LLTB betoogt dat de raad op onjuiste wijze heeft voorzien in derdenbewoning van bedrijfswoningen bij agrarische bedrijven die nog worden uitgeoefend. Hierbij voert zij aan dat in het plan ten onrechte niet is aangegeven in welke 40 bestaande situaties een plattelandswoning is voorzien. Door het ontbreken van een aanduiding "plattelandswoning" of "(voormalige) agrarische bedrijfswoning" is in strijd met de memorie van toelichting onvoldoende kenbaar dat het hier gaat om woningen als bedoeld in de Wijzigingswet. LLTB vreest dat die wet daarom niet van toepassing is zodat de bijbehorende agrarische bedrijven met milieunormen worden geconfronteerd. Voorts heeft de raad ten onrechte in derdenbewoning van deze bedrijfswoningen voorzien zonder maatwerk in de vorm van een afweging van de diverse betrokken belangen, aldus LLTB. 4.
  56. De raad stelt zich op het standpunt dat de wettelijke regeling voor plattelandswoningen van toepassing is op alle bedrijfswoningen in het plangebied, omdat artikel 1 van de planregels voorziet in een definitie "bedrijfswoning" waarmee ook bewoning door derden is toegestaan. 4.
  57. Het plan voorziet voor diverse plandelen in een agrarische bestemming waarbij een bedrijfswoning is toegestaan. Ingevolge artikel 1, onder 1.34, van de planregels wordt onder het begrip "bedrijfswoning" verstaan een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is of een dergelijke woning die voorheen als zodanig is gebouwd maar inmiddels wordt bewoond door niet functioneel aan het bedrijf verbonden personen. 4.
  58. Wat betreft de kenbaarheid heeft de wetgever toegelicht dat een plattelandswoning in een bestemmingsplan aangeduid kan blijven worden als 'agrarische bedrijfswoning' of eventueel als 'voormalige agrarische bedrijfswoning' dan wel als 'plattelandswoning'. De wetgever noemt daarbij twee vereisten. Enerzijds dient de relatie met het bijbehorende agrarische bedrijf duidelijk te zijn. Dat is noodzakelijk want alleen ten opzichte van dat bedrijf geldt dat de woning geen bescherming zal genieten tegen nadelige milieueffecten voor de bedrijfsvoering. Anderzijds dient uit de gebruiksvoorschriften duidelijk te blijken dat sprake is van een geval als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo, aldus de geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet (Kamerstukken II 2011/20125, 33 078, nr. 3, blz. 8). 4.
  59. Uit het plan kan niet worden afgeleid voor welke 40 percelen is voorzien in bestaand gebruik van bedrijfswoningen bij agrarische bedrijven als plattelandswoning. In het plan zijn namelijk alle bedrijfswoningen in het buitengebied van de gemeente als plattelandswoning bestemd. Gelet op de plantoelichting heeft de raad dat ook beoogd. Het plan voldoet, behoudens onderstaande uitzondering, aan de twee hiervoor genoemde kenbaarheidsvereisten. In zoverre faalt het betoog dat onvoldoende kenbaar is in welke gevallen het gaat om woningen als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo. Het is evenwel gebleken dat het plan in tenminste een geval voorziet in meerdere agrarische bedrijven en een plattelandswoning binnen hetzelfde bouwvlak. In zoverre is niet voldaan aan het vereiste dat de relatie met het bijbehorende agrarische bedrijf duidelijk is. Hiermee is niet kenbaar tegen de milieuhinder van welke agrarische bedrijven de plattelandswoning wordt beschermd en tegen de milieuhinder van welk agrarisch bedrijf de plattelandswoning niet wordt beschermd. Het plan is in zoverre onzorgvuldig vastgesteld. 4.
  60. De wetgever beveelt het opstellen van beleid als toetsingskader aan voor de beoordeling in welke situaties het in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening om planologisch toe te staan dat derden wonen in een agrarische bedrijfswoning, maar stelt dat niet verplicht. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet (Kamerstukken II 2011/20125, 33 078, nr. 3, blz. 10 en 11) heeft de wetgever een aantal relevante aspecten naar voren gebracht: "Er is bewust voor gekozen om dit onderdeel van het wetsvoorstel - in lijn met de initiatiefnota - te beperken tot de agrarische bedrijfswoningen en deze niet ruimer van toepassing te verklaren, bijvoorbeeld ten aanzien van door «derden» bewoonde bedrijfswoningen op industrieterreinen. De toenemende functieverandering en functiemenging op het platteland leidt er op veel plekken toe dat de omgeving in toenemende mate geschikter wordt voor bewoning door anderen dan de agrariërs zelf. Die omstandigheid rechtvaardigt het creëren van een mogelijkheid om de milieuwetgeving onder omstandigheden minder strikt toe te passen dan gebruikelijk. Met andere woorden: in de specifieke veranderende omgeving van het agrarisch gebied is een uitzondering op de gebruikelijke toepassing van de milieuwetgeving te billijken, want het ís en blijft een uitzondering. Echter, andersoortige bedrijfsmatige gebieden zoals industrieterreinen lenen zich naar hun aard niet voor (het bevorderen van) een menging van woon- en bedrijfsfuncties. Om die reden is ervoor gekozen om voor dergelijke gebieden niet zo’n uitzonderingsmogelijkheid toe te staan. (…) In zo’n beleidskader kunnen allerlei relevante aspecten een plek krijgen, bijvoorbeeld de karakteristiek van het gemeentelijke buitengebied en de voorgenomen ontwikkelingsrichting daarvan, maar bijvoorbeeld ook de cultuurhistorische waarde van het landschap en de bebouwing, de relatie met de lokale woningmarkt, de leefbaarheid van het platteland, maar ook gezondheidsaspecten (de ontwikkelingen rond Q-koorts indachtig). Van belang is dat bij ruimtelijke besluitvorming onderbouwd dient te worden dat ter plaatse van de woning nu, maar ook in de toekomst, een goed woon- en leefklimaat geboden kan worden. In dat verband is het zeer wel denkbaar dat een gemeente het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet wenselijk acht om een toename van burgerbewoning toe te staan in een gebied dat bedoeld is voor intensieve veeteelt en mogelijk zelfs de verdere intensivering daarvan (bijvoorbeeld in de zogenaamde LOG’s: landbouwontwikkelingsgebieden), terwijl dat in gebieden waar sprake is van extensivering van de landbouw in algemene zin op veel minder bezwaren zou stuiten. Het is verstandig rekening te houden met niet alleen het karakter van het gebied, maar ook de redelijkerwijs te voorziene bedrijfsontwikkelingen van het bijbehorende bedrijf. Op grond van artikel I, onderdeel A, van het wetsvoorstel geniet de plattelandswoning geen bescherming tegen de nadelige milieueffecten van dat bedrijf. Indien de gemeente wil garanderen dat ter plaatse ook in de toekomst een goed woon- en leefklimaat bestaat, kan er aanleiding zijn niet over te gaan tot aanwijzing van de woning als plattelandswoning. De woning zou dan immers niet beschermd zijn tegen de effecten van het bedrijf in zijn huidige hoedanigheid en omvang, maar in beginsel ook niet tegen de effecten van datzelfde bedrijf na eventuele, al dan niet ingrijpende, uitbreiding of wijziging van de bedrijfsactiviteiten. Het is dus zaak dat de gemeente bij de besluitvorming niet alleen kijkt naar het bestaande bedrijf, maar in de afweging ook de te voorziene ontwikkeling van het bedrijf in kwestie betrekt." 4.
  61. Met het bestemmen van een plattelandswoning wordt voorzien in burgerbewoning met een laag beschermingsniveau in die zin dat, bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de inrichting van het bijbehorende agrarische bedrijf, geen toetsing zal plaatsvinden aan de desbetreffende milieuwetgeving. In voormelde geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet is de mogelijkheid om te voorzien in een plattelandswoning evenwel omschreven als een uitzonderingsmogelijkheid. Voorts worden diverse aspecten genoemd die een rol spelen bij de beoordeling in welke situaties het in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening om planologisch toe te staan dat derden wonen in een (voormalige) agrarische bedrijfswoning. De raad heeft ervoor gekozen om geen beleid vast te stellen als bedoeld in voormelde geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet. Gelet op artikel 3.1 van de Wro, artikel 3:2 van de Awb en voormelde geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet laat artikel 1.1a van de Wabo onverlet dat de raad bij de totstandkoming van een bestemmingsplan dient te beoordelen in welke situaties het in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening om planologisch toe te staan dat derden wonen in een (voormalige) agrarische bedrijfswoning. In dit geval heeft de raad, met een ruime definitie voor "bedrijfswoning" uit artikel 1, onder 1.34, van de planregels, alle bedrijfswoningen in het buitengebied van de gemeente als plattelandswoning bestemd. Nu het voorzien in een plattelandswoning in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wijzigingswet als een uitzonderingsmogelijkheid wordt omschreven, en iedere motivering van de raad ontbreekt, heeft de raad niet in redelijkheid alle bedrijfswoningen in het plan als plattelandswoning kunnen bestemmen. De raad was gehouden te beoordelen of er bijzondere gevallen zijn waarbij het aspect woon- en leefklimaat in de weg staat aan het toekennen van een plattelandswoning. Daarnaast was de raad gehouden van geval tot geval te beoordelen of er een redelijk belang bij een plattelandswoning bestaat. Slechts onder die omstandigheden kan worden voorzien in plattelandswoningen, bijvoorbeeld door ter plaatse van de daarvoor in aanmerking komende plandelen met een agrarische bestemming de aanduiding "plattelandswoning" op te nemen. Verder is niet uitgesloten dat de raad kan voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor nieuwe gevallen gedurende de planperiode waarbij het hiervoor overwogene in de toepassingsvoorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid wordt gewaarborgd. De Afdeling overweegt ten overvloede dat artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo niet van toepassing is op bedrijfswoningen bij andere inrichtingen dan omschreven in het tweede lid. De in het plan voorziene derdenbewoning leidt er, anders dan de raad veronderstelt, bij andere inrichtingen dan een landbouwinrichting, niet toe dat de woning niet wordt beschermd tegen milieuhinder van het eigen bedrijf. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd vastgesteld. Het betoog van LLTB slaagt. Conclusie 4.
  62. In hetgeen LLTB heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb en niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft de definitie voor "bedrijfswoning" uit artikel 1, onder 1.34, van de planregels, wat betreft de zinsnede "of een dergelijke woning die voorheen als zodanig is gebouwd maar inmiddels wordt bewoond door niet functioneel aan het bedrijf verbonden personen". Het beroep van LLTB is gegrond, zodat het oorspronkelijke besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Proceskosten
  63. De raad dient ten aanzien van LLTB op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 5.
  64. De beroepen van LLTB, [appellant sub 24], [appellant sub 17] en [appellante sub 19] zijn vier afzonderlijke beroepen die op dezelfde gronden tegen het bestreden besluit zijn ingediend. Derhalve worden deze beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) beschouwd als één samenhangende zaak. Vanwege het aantal appellanten van vier of meer bestaat voorts aanleiding ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor van 1,5 toe te passen (bijlage bij het Bpb, onderdeel C2). Het beroep van [appellant sub 24]
  65. [appellant sub 24] heeft een intensieve veehouderij aan [locatie 1] te Maasbree en richt zich in beroep tegen de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" voor de woning op het naastgelegen perceel [locatie 2]. Zoals hiervoor onder 3 t/m 3.10 is overwogen slaagt het betoog van LLTB tegen de plandelen met deze bestemming, hetgeen leidt tot vernietiging van de daarbij betrokken onderdelen van het oorspronkelijke besluit, waartoe het door [appellant sub 24] bestreden plandeel behoort. Nu het betoog van [appellant sub 24] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.
  66. [appellant sub 24] richt zich in beroep voorts tegen de wijze waarop de raad heeft voorzien in derdenbewoning van de bedrijfswoning aan [locatie 3] in hetzelfde bestemmingsvlak als zijn intensieve veehouderij aan [locatie 1]. Zoals hiervoor onder 4 t/m 4.7 is overwogen slaagt het betoog van LLTB hetgeen leidt tot vernietiging van de planregeling voor plattelandswoningen zoals neergelegd in de zinsnede "of een dergelijke woning die voorheen als zodanig is gebouwd maar inmiddels wordt bewoond door niet functioneel aan het bedrijf verbonden personen" uit de definitie voor "bedrijfswoning" in artikel 1, onder 1.34, van de planregels. Hiermee komt ook het door [appellant sub 24] bestreden planonderdeel voor vernietiging in aanmerking. Nu het betoog van [appellant sub 24] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft.
  67. Het beroep van [appellant sub 24] is gegrond.
  68. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 24] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De beroepen van LLTB, [appellant sub 24], [appellant sub 17] en [appellante sub 19] zijn vier afzonderlijke beroepen die op dezelfde gronden tegen het bestreden besluit zijn ingediend. Derhalve worden deze beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Bpb beschouwd als één samenhangende zaak. Vanwege het aantal appellanten van vier of meer bestaat voorts aanleiding ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor van 1,5 toe te passen (bijlage bij het Bpb, onderdeel C2). Het beroep van [appellant sub 17]
  69. [appellant sub 17] heeft naar aanleiding van het herstelbesluit zijn beroep ingetrokken voor zover het betreft het niet mogen oprichten van gebouwen binnen 5 m van de grens van het bouwvlak.
  70. [appellant sub 17] heeft een intensieve veehouderij aan [locatie 4] te Egchel en richt zich in beroep tegen de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" voor de woning op het naastgelegen perceel [locatie 5]. Zoals hiervoor onder 3 t/m 3.10 is overwogen slaagt het betoog van LLTB tegen de plandelen met deze bestemming, hetgeen leidt tot vernietiging van de daarbij betrokken onderdelen van het oorspronkelijke besluit, waartoe het door [appellant sub 17] bestreden plandeel behoort. Nu het betoog van [appellant sub 17] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep geen bespreking meer behoeft. 11.
  71. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 17] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 11.
  72. De beroepen van LLTB, [appellant sub 24], [appellant sub 17] en [appellante sub 19] zijn vier afzonderlijke beroepen die op dezelfde gronden tegen het bestreden besluit zijn ingediend. Derhalve worden deze beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Bpb beschouwd als één samenhangende zaak. Vanwege het aantal appellanten van vier of meer bestaat voorts aanleiding ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor van 1,5 toe te passen (bijlage bij het Bpb, onderdeel C2). Het beroep van [appellante sub 19]
  73. [appellante sub 19] heeft naar aanleiding van het herstelbesluit haar beroep ingetrokken voor zover het betreft de onduidelijkheid omtrent de status van de tweede bedrijfswoning bij haar veehouderij, het niet mogen oprichten van gebouwen binnen 5 m van de grens van het bouwvlak en het betoog omtrent het bestemmingsvlak "Wonen" aan [locatie 6b].
  74. [appellante sub 19] heeft een intensieve veehouderij aan [locatie 6] en [locatie 7] te Beringe en richt zich in beroep tegen de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" voor de nabijgelegen woningen aan [locaties 7b] en [locaties 6c]. Zoals hiervoor onder 3 t/m 3.10 is overwogen slaagt het betoog van LLTB tegen de plandelen met deze bestemming, hetgeen leidt tot vernietiging van de daarbij betrokken onderdelen van het oorspronkelijke besluit, waartoe de door [appellante sub 19] bestreden plandelen behoren. Nu het betoog van [appellante sub 19] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep geen bespreking meer behoeft.
  75. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 19] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 14.
  76. De beroepen van LLTB, [appellant sub 24], [appellant sub 17] en [appellante sub 19] zijn vier afzonderlijke beroepen die op dezelfde gronden tegen het bestreden besluit zijn ingediend. Derhalve worden deze beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Bpb beschouwd als één samenhangende zaak. Vanwege het aantal appellanten van vier of meer bestaat voorts aanleiding ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor van 1,5 toe te passen (bijlage bij het Bpb, onderdeel C2). Het beroep van [appellante sub 25] Intrekking
  77. [appellante sub 25] heeft naar aanleiding van het herstelbesluit haar beroep ingetrokken voor zover het betreft het niet mogen oprichten van gebouwen binnen 5 m van de grens van het bouwvlak. [locatie 9]
  78. [appellante sub 25] heeft een melkveehouderij aan [locatie 8] te Kessel en richt zich in beroep tegen de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" voor de er tegenover gelegen woning aan [locatie 9]. Zoals hiervoor onder 3 t/m 3.10 is overwogen slaagt het betoog van LLTB tegen de plandelen met deze bestemming, hetgeen leidt tot vernietiging van de daarbij betrokken onderdelen van het oorspronkelijke besluit, waartoe het door [appellante sub 25] bestreden plandeel behoort. Nu het betoog van [appellante sub 25] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep in zoverre geen bespreking meer behoeft. [locatie 10]
  79. [appellante sub 25] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in uitbreiding van woonbebouwing aan [locatie 10] richting haar melkveehouderij aan [locatie 8]. Zij vreest voor een beperking van haar bedrijfsmogelijkheden. 17.
  80. De raad stelt zich op het standpunt dat het plandeel met de bestemming "Wonen" is overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan. 17.
  81. Het plan voorziet voor de melkveehouderij aan [locatie 8] te Kessel in de bestemming "Agrarisch grondgebonden" en een bouwvlak. Ter plaatse van het perceel [locatie 10] voorziet het plan in de bestemming "Wonen". Het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Kessel uit 2006 voorzag voor het perceel [locatie 10] eveneens in de bestemming "Wonen". 17.
  82. Gelet op het deskundigenbericht en de stukken kan als vaststaand worden beschouwd dat het voorziene plandeel met de bestemming "Wonen" gelijk is aan het plandeel "Wonen" uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Voorts is het noordelijke gebouw de woning en het zuidelijke gebouw een vrijstaande schuur die geen deel uitmaakt van een agrarisch bedrijf. De melkveehouderij van [appellante sub 25] aan [locatie 8] ligt op ongeveer 50 m van de woning, 30 m van de schuur en 23 m van het plandeel met de bestemming "Wonen" waarin de woning en de schuur liggen. Gelet op het vorenstaande voorziet het plan in uitbreiding van woonbebouwing aan [locatie 10] richting de melkveehouderij aan [locatie 8] tot een afstand waarbij niet is uitgesloten dat de bedrijfsmogelijkheden, waaronder mede begrepen toekomstige uitbreidingsmogelijkheden, worden beperkt. Niet gebleken is dat de raad de daarbij betrokken belangen heeft onderzocht en afgewogen. Een enkele verwijzing naar het vorige bestemmingsplan is daarvoor onvoldoende. Het plan is in zoverre onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd vastgesteld. Het betoog van [appellante sub 25] slaagt. Conclusie 17.
  83. In hetgeen [appellante sub 25] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb en niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Wonen" aan [locatie 10] te Kessel waarop thans geen legale woonbebouwing aanwezig is. Het beroep van [appellante sub 25] is gegrond, zodat het oorspronkelijke besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  84. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 25] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellanten sub 34]
  85. [appellanten sub 34] hebben naar aanleiding van het herstelbesluit hun beroep ingetrokken voor zover het betreft de bestemming van hun intensieve veehouderij aan de [locatie 11] te Kessel.
  86. [appellanten sub 34] hebben een intensieve veehouderij aan de [locatie 11] te Kessel en richten zich in beroep tegen de wijze waarop de raad heeft voorzien in derdenbewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie 12]. Zoals hiervoor onder 4 t/m 4.7 is overwogen slaagt het betoog van LLTB hetgeen leidt tot vernietiging van de planregeling voor plattelandswoningen zoals neergelegd in de zinsnede "of een dergelijke woning die voorheen als zodanig is gebouwd maar inmiddels wordt bewoond door niet functioneel aan het bedrijf verbonden personen" uit de definitie voor "bedrijfswoning" in artikel 1, onder 1.34, van de planregels. Hiermee komt ook het door [appellanten sub 34] bestreden planonderdeel voor vernietiging in aanmerking. Nu het betoog van [appellanten sub 34] van gelijke strekking is, slaagt het eveneens zodat het beroep geen bespreking meer behoeft.
  87. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 34] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 1]
  88. [appellant sub 1] heeft mede naar aanleiding van het herstelbesluit zijn beroep ingetrokken voor zover het betreft de wijze waarop het loonwerkersbedrijf is bestemd, de buitenopslag en de ondergrond van het plan.
  89. [appellant sub 1] heeft een loonwerkbedrijf aan de [locatie 13] te Grashoek, op gronden waar tot 2005 een champignonkwekerij was gevestigd. Hij betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in legalisatie van burgerbewoning van de voormalige bedrijfswoning aan de [locatie 14] bij de champignonkwekerij. Het plan staat hiermee in de weg aan een nieuwe bedrijfswoning voor het loonwerkbedrijf aan de [locatie 13]. 23.
  90. Het plan voorziet voor de gronden aan de [locatie 13 en 14] te Grashoek in een gezamenlijk plandeel met de bestemming "Agrarisch verwant" en de aanduidingen "bouwvlak" en " specifieke vorm van bedrijf - 60". Ingevolge artikel 1, onder 1.34, van de planregels wordt onder "bedrijfswoning" verstaan een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is of een dergelijke woning die voorheen als zodanig is gebouwd maar inmiddels wordt bewoond door niet functioneel aan het bedrijf verbonden personen. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, zijn de voor "Agrarisch verwant" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch verwante bedrijven in categorie 1 en 2 conform de 'Lijst van bedrijfsactiviteiten' (bijlage 1 bij deze regels), met als nevenactiviteit:
  91. bestaande grondgebonden bedrijfsactiviteiten; n. een loonbedrijf met ondergeschikt een grondverzetbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 60"; v. wonen in een bedrijfswoning. Ingevolge lid 10.2.4, aanhef en onder b, geldt voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken dat per bouwvlak maximaal één bedrijfswoning is toegestaan. 23.
  92. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied (artikel 30 WRO)" uit 2001 van de gemeente Helden voorzag voor de gronden aan [locatie 13 en 14] te Grashoek in een gezamenlijk plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)" met de aanduiding "bouwvlak". Gelet op artikel 2.02 van de planvoorschriften was een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning toegestaan. Ten behoeve van de vestiging van het loonwerkbedrijf van [appellant sub 1] in de vrijkomende agrarische bebouwing aan [locatie 13] is op 26 juni 2007 een artikel 19-vrijstelling WRO (oud) verleend. Niet in geschil is dat burgerbewoning van de voormalige bedrijfswoning aan [locatie 14] op grond van de voorheen geldende planologische regeling niet was toegestaan. 23.
  93. Gelet op de plantoelichting hanteert de raad het beleid dat bij nieuwvestiging van een bedrijf onder omstandigheden een bedrijfswoning mag worden opgericht en dat bij een bestaand bedrijf in beginsel geen nieuwe bedrijfswoning wordt toegestaan. 23.
  94. Het loonwerkbedrijf van [appellant sub 1] is gevestigd in vrijgekomen bebouwing van de voormalige champignonkwekerij aan [locatie 13], welk perceel planologisch een geheel vormt met [locatie 14]. Het loonwerkbedrijf is derhalve gevestigd op gronden waar planologisch reeds een bedrijfswoning is toegestaan. Dat de bedrijfswoning privaatrechtelijk is afgesplitst en dat de bedrijfsgebouwen een aantal jaren leeg hebben gestaan maakt dat niet anders. Verder heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de voortzetting van zijn loonwerkbedrijf door het ontbreken van een bedrijfswoning wordt bedreigd. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid kunnen vasthouden aan het beleid om bij een bestaand bedrijf in beginsel geen nieuwe bedrijfswoning toe te staan. Het betoog van [appellant sub 1] faalt.
  95. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in burgerbewoning van de voormalige bedrijfswoning aan [locatie 14] bij de champignonkwekerij vanwege het risico op een verzoek om handhaving tegen de milieuhinder van zijn loonwerkbedrijf aan [locatie 13]. 24.
  96. De voormalige bedrijfswoning aan [locatie 14] behoort planologisch bij de bedrijfsgronden van de voorheen bestaande champignonkwekerij die een aantal jaar later in gebruik zijn genomen voor het loonwerkbedrijf van [appellant sub 1]. Dat thans een ander bedrijf is gevestigd dan voorheen brengt op zichzelf niet met zich dat de wettelijke regeling voor plattelandswoningen niet kan worden toegepast. Voorts is de wettelijke regeling voor plattelandswoningen van toepassing op zowel een champignonkwekerij als een loonwerkbedrijf. Hieruit volgt dat de woning aan [locatie 14] niet wordt beschermd tegen milieuhinder vanwege het loonwerkbedrijf aan [locatie 13]. De raad heeft evenwel voorzien in burgerbewoning aan [locatie 14] zonder aan de hand van de in overweging 4.6 bedoelde aspecten te beoordelen in hoeverre dat ter plaatse in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog van [appellant sub 1] slaagt.
  97. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft de definitie voor "bedrijfswoning" uit artikel 1, onder 1.34, van de planregels, wat betreft de zinsnede "of een dergelijke woning die voorheen als zodanig is gebouwd maar inmiddels wordt bewoond door niet functioneel aan het bedrijf verbonden personen". Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het oorspronkelijke besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  98. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellanten sub 2]
  99. [appellanten sub 2] betogen dat hun woning aan [locatie 15] te Helden ten onrechte is bestemd als bedrijfswoning althans als plattelandswoning binnen een agrarische bestemming. Zij wensen een planregeling waarbij de plattelandswoning binnen een woonbestemming wordt voorzien en wijzen in dit verband op het ontwerpplan. Volgens hen staat de agrarische bestemming in de weg aan het mogen bouwen ten behoeve van de woonfunctie. Voorts is het feitelijk onjuist om [locatie 15] als bedrijfswoning te zien, nu die woning sinds enkele decennia niet meer als zodanig wordt gebruikt. Na [locatie 15] werd eerst [nr.] en wordt thans [nr.] gebruikt als bedrijfswoning bij het bedrijf aan [locatie 16]. Om die reden kan artikel 1.1a van de Wabo niet op [locatie 15] van toepassing zijn, aldus [appellanten sub 2]. 27.
  100. Het plan voorziet voor de woning van [appellanten sub 2] aan [locatie 15] en het agrarisch bedrijf van [belanghebbende A] aan [locatie 16] in een gezamenlijk bouwvlak met de bestemming "Agrarisch - grondgebonden". Dit plandeel is met de aanduiding "relatie" verbonden met het plandeel met dezelfde bestemming voor de bedrijfswoning van [belanghebbende A] aan [locatie 17]. Het plan voorziet voor beide plandelen in de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 1". Voor [locatie 15b] voorziet het plan in de bestemming "Wonen - Plattelandswoning". Voor de gronden ten westen daarvan voorziet het plan in de bestemming "Agrarisch - niet grondgebonden". Voor [locaties 16b] voorziet het plan in de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 1, onder 1.34, van de planregels wordt onder het begrip "bedrijfswoning" verstaan een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is of een dergelijke woning die voorheen als zodanig is gebouwd maar inmiddels wordt bewoond door niet functioneel aan het bedrijf verbonden personen. Ingevolge artikel 1, onder 1.50, wordt onder bouwvlak verstaan een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten en waarbinnen silo's en waterbassins dienen en verhardingen en parkeervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Indien twee of meer bouwvlakken middels de aanduiding "relatie" op de verbeelding aan elkaar zijn gekoppeld gelden deze bouwvlakken gezamenlijk als één bouwvlak. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik (…); b. wonen in een bedrijfswoning; met daaraan ondergeschikt: s. tuinen, erven en terreinen; t. groenvoorzieningen. Ingevolge lid 5.2.1 mogen op de voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden uitsluitend ten behoeve van de in artikel 5.1 genoemde bestemming worden gebouwd: a. gebouwen; b. een bedrijfswoning; c. bijbehorende bouwwerken; d. bouwwerken, geen gebouw zijnde. Ingevolge lid 5.2.2, aanhef en onder d, mag het bouwvlak geheel worden bebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak" de aangeduide bebouwde oppervlakte van gebouwen, de bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken geldt en met dien verstande dat nieuwe bedrijfsgebouwen of uitbreidingen daarvan slechts mogen worden gebouwd indien de nieuwe bebouwing voldoende landschappelijk wordt ingepast. Ingevolge lid 5.2.4, gelden voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken de volgende regels: a. per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat:
  101. ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning is toegestaan;
  102. ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding. d. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 1000 m³, dan wel maximaal de bestaande inhoud, met uitzondering van het bepaalde onder i; e. de goot- en bouwhoogte van bedrijfswoningen bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 9 m; g. de afstand tussen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 15 m; h. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,30 m en 6 m. 27.
  103. Vast staat dat de raad de woning van [appellanten sub 2] aan [locatie 15] heeft willen bestemmen als plattelandswoning. Voor zover [appellanten sub 2] de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" wensen overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar overweging 4.3, dat die bestemming op een onjuiste rechtsopvatting berust. Voor zover [appellanten sub 2] de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" uit het ontwerpplan wensen overweegt de Afdeling dat deze bestemming niet voldoet aan het onder overweging 4.3 genoemde vereiste dat de relatie met het bijbehorende agrarische bedrijf duidelijk dient te zijn. Alleen ten opzichte van dat bedrijf geldt dat de woning geen bescherming zal genieten tegen nadelige milieueffecten van de bedrijfsvoering. De thans toegekende bestemming voldoet wel aan dat vereiste, zodat op een kenbare wijze is voorzien in een plattelandswoning als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder b, s en t, van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 1, onder 1.34, is voorzien in het gebruik van de gronden aan [locatie 15] voor het wonen door personen die niet functioneel aan het bedrijf verbonden zijn. Voorts staat lid 5.2.1 er niet aan in de weg om ten behoeve van dat gebruik te bouwen. Verder worden de bouwmogelijkheden gelet op lid 5.2.2, aanhef en onder d, in dit geval niet beperkt door een maximum bebouwd oppervlak. Voor het overige hebben [appellanten sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de in lid 5.2.4 genoemde bouwmogelijkheden minder en/of onvoldoende zijn dan de bouwmogelijkheden van de door hen gewenste bestemming. Voorts brengt de omstandigheid dat de woning aan [locatie 15] reeds langere tijd niet meer feitelijk als bedrijfswoning is gebruikt op zichzelf niet met zich dat de woning niet met toepassing van artikel 1.1a van de Wabo als plattelandswoning kan worden bestemd. De wettelijke regeling voor plattelandswoningen is juist bedoeld als oplossing voor dergelijke historische gegroeide situaties. In het aangevoerde bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de woning van [appellanten sub 2] aan [locatie 15] niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in een plattelandswoning binnen dezelfde bestemming als het agrarisch bedrijf van [belanghebbende A] aan [locatie 16]. Het betoog van [appellanten sub 2] faalt.
  104. [appellanten sub 2] betogen dat het plan per abuis niet voorziet in de woning [locatie 15] nu ter plaatse van de met de aanduiding "relatie" verbonden bouwvlakken voor [locatie 15, 16 en 17] slechts één bedrijfswoning is toegestaan. 28.
  105. Vast staat dat de raad heeft beoogd te voorzien in beide wooneenheden ter plaatse van de met de aanduiding "relatie" verbonden plandelen aan [locatie 15, 16 en 17]. Het plan voorziet ter plaatse van beide plandelen in de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 1". De Afdeling is van oordeel dat niet duidelijk is dat aan een tweede aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 1" zelfstandige betekenis toekomt. Hierbij wordt overwogen dat een redelijke uitleg van artikel 5, lid 5.2.4, aanhef en onder a, van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 1, onder 1.50, met zich brengt dat de zinsnede "ter plaatse" niet ziet op alleen het desbetreffende plandeel, maar op het gezamenlijke bouwvlak voor de met de aanduiding "relatie" verbonden gronden. Tot deze conclusie leidt overigens ook het herstelbesluit waarin de raad in een of meer andere gevallen, met twee wooneenheden ter plaatse van met een aanduiding "relatie" verbonden plandelen, voor een van beide plandelen heeft voorzien in de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 2". Gelet op het vorenstaande heeft de raad op rechtsonzekere wijze voorzien in de wooneenheden aan [locatie 15, 16 en 17]. Het betoog van [appellanten sub 2] slaagt. Conclusie
  106. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het rechtszekerheidbeginsel, voor zover het betreft de aanduidingen "maximum aantal wooneenheden: 1" voor de gronden aan [locatie 15, 16 en 17] te Helden. Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond, zodat het oorspronkelijke besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  107. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat ter plaatse van de gronden aan [locatie 15]/18 de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 2" wordt opgenomen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit punt in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Niet aannemelijk is dat derde-belanghebbenden in hun belangen worden geschaad, nu daarmee louter bestaande rechten als zodanig worden bestemd.
  108. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De beroepen van [appellant sub 26] en [appellant sub 21] Intrekking
  109. [appellant sub 21] heeft naar aanleiding van het herstelbesluit zijn beroep ingetrokken voor zover het betreft de vorm en de oppervlakte van het bouwvlak voor zijn varkenshouderij aan [locatie 18]. [locatie 21]
  110. [appellant sub 26] heeft een varkenshouderij aan [locatie 19] te Grashoek. [appellant sub 21] heeft een varkenshouderij aan [locatie 18 en 20]. Beiden betogen dat de raad ten onrechte heeft voorzien in de bestemming "Wonen" voor de nabijgelegen woning aan [locatie 21] van [appellant sub 36]. Hierbij voeren zij aan dat niet is onderzocht of dit nadelige gevolgen heeft voor hun agrarische bedrijven en of ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Verder voorziet het plan ten onrechte in uitbreiding van de woning aan [locatie 21], aldus [appellant sub 21]. 33.
  111. De raad stelt zich op het standpunt dat de buitengrenzen van het plandeel "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan niet zijn gewijzigd, zodat het plan de bedrijfsmogelijkheden niet verder beperkt. Voorts wordt de woning al een groot aantal jaar bewoond. Daarnaast voorzag het voorheen geldende bestemmingsplan weliswaar in twee woningen, maar viel de woning aan [locatie 21] onder het overgangsrecht. Om te voorkomen dat deze woning opnieuw onder het overgangsrecht wordt gebracht, is gekozen voor een positieve bestemming, aldus de raad. 33.
  112. Het plan voorziet voor de varkenshouderij van [appellant sub 21] aan [locatie 18] en [locatie 20] te Grashoek in twee plandelen met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" met een bouwvlak. Beide bouwvlakken zijn met een aanduiding "relatie" met elkaar verbonden. Op ongeveer 8 m ten oosten van het bouwvlak voor de varkenshouderij aan [locatie 20] is voorzien in een plandeel met de bestemming "Wonen", onderverdeeld in drie bouwvlakken. Nabij de varkenshouderij is voorzien in een bouwvlak voor de woning [locatie 21]. Ten oosten daarvan voorziet het plan in twee bouwvlakken voor de woningen [locatie 22] en [locatie 23]. 33.
  113. Ingevolge artikel 3.08, eerste lid, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied (artikel 30 WRO)" uit 2001 van de gemeente Helden mochten bouwwerken, welke - hetzij rechtens bestaan op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan; - hetzij rechtens worden of nog kunnen worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning; en die afwijken van het plan, op voorwaarde dat de afwijking van het plan ook naar de aard niet wordt vergroot en behoudens onteigening: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of gedeeltelijk worden veranderd; b. uitsluitend na calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag tot bouwvergunning binnen 2 jaar na de calamiteit zal zijn ingediend. 33.
  114. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de daarvoor geldende voorschriften van het bestemmingsplan "Algemeen bestemmingsplan" van de gemeente Helden uit 1974 mochten met dat plan in strijd zijnde bouwwerken, welke bestaan op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerpplan dan wel worden c.q. kunnen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende, dan wel aangevraagd bouwvergunning, behoudens onteigening overeenkomstig de wet: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of gedeeltelijk veranderd mits de bestaande afwijking van het plan daarbij niet wordt vergroot; b. uitsluitend na calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd mits de aanvraag tot bouwvergunning binnen twee jaar na de calamiteit zal zijn aangevraagd; c. niet worden uitgebreid, tenzij de uitbreiding de afwijking van het plan doet verkleinen. 33.
  115. Vast staat dat van de omliggende woningen de woning aan [locatie 21] op de kortste afstand van de varkenshouderij van [appellant sub 21] aan [locatie 20] ligt en daarom maatgevend is voor de milieuruimte van de varkenshouderij. Voorts is afhankelijk van het emissiepunt niet uitgesloten dat de woning aan [locatie 21] maatgevend is voor de varkenshouderij van [appellant sub 26] aan [locatie 19]. 33.
  116. Niet in geschil is dat de woning aan [locatie 21] niet als zodanig was bestemd onder het voorheen geldende plan. Ter zitting is voorts vast komen te staan dat de woning aan [locatie 21] enkele decennia geleden zonder een bouwvergunning is opgericht als noodwoning zonder eigen aansluiting op nutsvoorzieningen en voor water, gas, elektra en riolering is aangewezen op de nutsvoorzieningen van de woning aan [locatie 22]. Dit betreft derhalve een woning die illegaal is opgericht. De woning wordt niet beschermd door het bouwovergangsrecht, nu bouwovergangsrecht geen legaliserende werking heeft. De Afdeling stelt verder vast dat de bewoning van de woning wel onder de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht van de voorheen geldende bestemmingsplannen uit 1974 en 2001 viel. De enkele omstandigheid dat gebruik onder de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht valt, rechtvaardigt echter nog geen positieve bestemming. Gebruik dat onder het overgangsrecht valt, doet in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan dat dit gebruik als zodanig wordt bestemd. Een positieve bestemming is alleen mogelijk indien dat in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop had de raad moeten afwegen of een positieve bestemming in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en andere opties dan een positieve bestemming moeten bezien. De raad had kunnen bezien of handhavend optreden tegen de woning als bouwwerk een mogelijkheid is. Indien handhavend zou worden opgetreden tegen het bouwwerk, zou ook de bewoning van de woning worden beëindigd. Indien handhavend optreden tegen de woning als bouwwerk niet mogelijk is, had de raad ervoor kunnen kiezen om een uitsterfregeling voor het gebruik van de woning in het plan op te nemen. De raad heeft ten onrechte deze afweging niet gemaakt. Gelet hierop heeft de raad het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De betogen van [appellant sub 26] en [appellant sub 21] slagen. [locatie 24]
  117. [appellant sub 26] heeft een intensieve veehouderij aan de [locatie 26] te Grashoek en betoogt dat het plan met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" ten onrechte voorziet een plattelandswoning aan [locatie 24]. Volgens hem gaat het om een tot woning verbouwde loods die nooit als bedrijfswoning bij een landbouwinrichting in gebruik is geweest. Daarnaast heeft de raad nagelaten het woon- en leefklimaat voor de aspecten geur en geluid te onderzoeken. [appellant sub 26] vreest daarom voor zijn bedrijfsmogelijkheden, nu de woning bijvoorbeeld binnen de geurcontour van [appellant sub 26] ligt. 34.
  118. Het plan voorziet voor de [locatie 25] en [locatie 24] in een gezamenlijk plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw", een bouwvlak en een aanduiding voor twee bedrijfswoningen. Ingevolge artikel 1, onder 1.34, van de planregels wordt onder het begrip "bedrijfswoning" verstaan een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is of een dergelijke woning die voorheen als zodanig is gebouwd maar inmiddels wordt bewoond door niet functioneel aan het bedrijf verbonden personen. 34.
  119. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied (artikel 30 WRO)" uit 2001 van de gemeente Helden voorzag voor de gronden waarop de woningen [locatie 25] en [locatie 24] staan in een gezamenlijk plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden A" en de aanduiding "agrarisch bedrijf". Ingevolge artikel 2.04, vierde lid, onder A, sub 3, van de planvoorschriften mocht ter plaatse één bedrijfswoning aanwezig zijn. 34.
  120. Blijkens de nota van zienswijzen heeft de raad beoogd de woning aan [locatie 24] te voorzien als plattelandswoning als bedoeld in artikel 1, onder 1.34, van de planregels. De raad heeft evenwel de stelling van [appellant sub 26], dat het gaat om een tot woning verbouwde loods die nooit als bedrijfswoning bij een landbouwinrichting in gebruik is geweest, niet dan wel onvoldoende bestreden. Voorts voorzag het voorheen geldende bestemmingsplan niet in de woning aan [locatie 24] en is evenmin gebleken van een bouwvergunning waaruit kan worden afgeleid dat deze woning legaal als bedrijfswoning bij het bedrijf aan [locatie 25] is gebruikt. Daarnaast was de raad, zoals in 4.6 is overwogen, gehouden om te onderzoeken en te beoordelen of een plattelandswoning aan [locatie 24] in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij komt dat, anders dan de raad veronderstelt, een woning aan [locatie 24] bescherming toekomt tegen het bedrijf van [appellant sub 26] aan [locatie 26]. Dat de woning aan [locatie 27] dichter bij [locatie 26] ligt maakt dat reeds niet anders nu het plandeel aan [locatie 27] in het kader van Het beroep van LLTB wordt vernietigd. Gelet op het vorenstaande heeft de raad het plan onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd vastgesteld voor zover is voorzien in een aanduiding voor twee bedrijfswoningen aan [locatie 24] te Grashoek. Het betoog van [appellant sub 26] slaagt. Conclusie
  121. In hetgeen [appellant sub 26] en [appellant sub 21] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb en niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft het bouwvlak voor de woning aan [locatie 21] te Grashoek en de aanduiding voor twee bedrijfswoningen aan [locatie 24] te Grashoek. De beroepen van [appellant sub 26] en [appellant sub 21] zijn gegrond, zodat het oorspronkelijke besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  122. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 26] en [appellant sub 21] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 35] Intrekking beroepsgronden
  123. Ter zitting heeft [appellant sub 35] de beroepsgrond over artikel 40, lid 40.1.2, onder a, van de planregels en de beroepsgrond over de planregeling in artikel 6 van de planregels, ingetrokken. Inhoudelijk
  124. Het beroep van [appellant sub 35] is gericht tegen het bouwvlak op zijn perceel [locatie 28]. Hij betoogt allereerst dat de opgenomen begrenzing van het bouwvlak onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt voor zijn bedrijf en niet overeenkomt met de toezegging door de gemeente. Hierbij voert [appellant sub 35] aan dat hij in 2009 desgevraagd duidelijk te kennen heeft gegeven welke begrenzing van het bouwvlak volgens hem moet worden aangehouden en dat door de colleges van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel bij brief van november 2009 de toezegging is gedaan dat deze begrenzing in het plan zou worden opgenomen. Dat aan een groter deel van het perceel de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" is toegekend maakt volgens [appellant sub 35] niet dat hij zijn bedrijf kan uitbreiden, nu op deze gronden geen bouwvlak is opgenomen. Verder voert hij aan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied (artikel 30 WRO)" van de gemeente Kessel het bouwvlak zelfs is verkleind. 38.
  125. Blijkens de verbeelding is aan een deel van het perceel [locatie 28] de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" toegekend en aan een ander deel de bestemming "Agrarisch". Het bouwvlak is gelegen op een deel van de gronden met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij". Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder a, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een intensieve veehouderij, al dan niet met als nevenactiviteit een grondgebonden bedrijfstak. 38.
  126. De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak op het perceel [locatie 28] is verkleind ten opzichte van het bouwvlak dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied (artikel 30 WRO)" van de gemeente Kessel was opgenomen, omdat aan een klein deel van de gronden in het noordoosten van het perceel [locatie 28] ten noordwesten van het perceel [locatie 29], welke gronden in het voorheen geldende bestemmingsplan binnen het bouwvlak lagen, thans de bestemming "Agrarisch" is toegekend zonder de aanduiding "bouwvlak". Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet gemotiveerd waarom het bouwvlak op het perceel [locatie 28] in zoverre is verkleind. Gelet hierop berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering Het betoog van [appellant sub 35] slaagt. 38.
  127. Over het betoog van [appellant sub 35] dat in afwijking van de in de brief van november 2009 van de colleges van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel gedane toezegging dat de door hem gewenste begrenzing van het bouwvlak in het plan zou worden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. [appellant sub 35] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bedoelde toezeggingen - wat daar verder ook van zij - aan de raad kunnen worden toegerekend. Gelet hierop heeft de raad bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Het betoog van [appellant sub 35] faalt. 38.
  128. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met het reeds in 2009 kenbaar gemaakte verzoek van [appellant sub 35] tot vergroting van het bouwvlak op het perceel [locatie 28] en hieromtrent een planologische afweging heeft gemaakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de Nota van zienswijzen volgt dat de raad er vanuit is gegaan dat [appellant sub 35] slechts het bestemmingsvlak "Agrarisch - Intensieve veehouderij" vergroot wil hebben zonder bouwvlak, terwijl uit de ingediende zienswijze in samenhang gelezen met het in 2009 kenbaar gemaakte verzoek naar het oordeel van de Afdeling duidelijk volgt dat [appellant sub 35] vergroting van zijn bouwvlak wenst. Voor zover de raad in reactie op het deskundigenbericht betoogt dat bij vergroting van het bouwvlak op de door [appellant sub 35] gewenste wijze aantasting van het woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 29] niet kan worden uitgesloten, overweegt de Afdeling dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze omstandigheid ten tijde van de vaststelling van het plan een rol heeft gespeeld. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" zonder de aanduiding "bouwvlak" op het perceel [locatie 28], in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog van [appellant sub 35] slaagt. Conclusie
  129. Het beroep van [appellant sub 35] is gegrond, zodat het oorspronkelijke besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.
  130. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 35] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De beroepen van [appellant sub 9], [appellante sub 18] en [appellant sub 14] en anderen Het perceel [locatie 30]
  131. [appellant sub 9] betoogt dat zijn woning op het perceel [locatie 30] te Grashoek ten onrechte is bestemd als bedrijfswoning in plaats van als plattelandswoning. Hierbij voert hij aan dat de woning voor burgerbewoning wordt gebruikt. Verder vreest [appellant sub 9] dat hij zonder aanwijzing als plattelandswoning eventuele bouwkundige aanpassingen niet vergund kan krijgen. De bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" uit het ontwerpplan zou naar zijn mening passend zijn. [appellante sub 18] betoogt dat het onduidelijk is of de woning op het perceel [locatie 30] aan de in artikel 1, lid 1.34, van de planregels opgenomen definitie van bedrijfswoning voldoet, omdat geen sprake is van een voormalige bedrijfswoning. Nu binnen het bestemmingsvlak maximaal twee bedrijfswoningen zijn toegestaan, is zij van mening dat het niet zeker is dat de woning op het perceel [locatie 30] hieronder valt. 41.
  132. Blijkens de verbeelding is aan de percelen [locatie 31], [locatie 30] en [locatie 32] de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" toegekend met de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden 2". Ingevolge artikel 1, lid 1.34, van de planregels moet onder het begrip "bedrijfswoning" worden verstaan een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is of een dergelijke woning die voorheen als zodanig is gebouwd maar inmiddels wordt bewoond door niet functioneel aan het bedrijf verbonden personen. Ingevolge artikel 6, lid 6.2.4, onder a, geldt voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken op gronden met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" dat per bouwvlak maximaal één bedrijfswoning is toegestaan, met dien verstande dat:
  133. ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning is toegestaan;
  134. ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" bedrijfswoningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding. 41.
  135. Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan (…) door een derde bewoond mag worden, met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald. 41.
  136. De raad heeft beoogd in het plan te regelen dat [appellant sub 9] als burger aan [locatie 30] woont door deze woning binnen de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" te voorzien als een plattelandswoning bij het bedrijf aan [locatie 32]. Ter zitting is door de raad evenwel verklaard dat op het perceel [locatie 30] in 1965 een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte. Niet in geschil is dat deze bebouwing in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan in gebruik is genomen als woning. Nu de bebouwing in 1965 niet is gebouwd als woning dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk was, maar als bedrijfsruimte, overweegt de Afdeling dat de woning op het perceel [locatie 30] ingevolge artikel 1, lid 1.34, van de planregels niet valt onder de begripsomschrijving van het begrip "bedrijfswoning" en derhalve niet als zodanig is bestemd. Voorts kon de raad de woning aan [locatie 30] ook niet voorzien als plattelandswoning. De daartoe benodigde definitie van het begrip "bedrijfswoning" zou immers in strijd zijn met het gegeven dat artikel 1.1a van de Wabo alleen van toepassing is op bedrijfswoningen die behoren of voorheen behoorden tot een landbouwinrichting. Verder voldoet de voorziene planregeling, overigens evenals de door [appellant sub 9] gewenste planregeling uit het ontwerpplan, niet aan het vereiste dat de relatie met het bijbehorende agrarische bedrijf duidelijk moet zijn. De woning aan [locatie 30] is immers voorzien in een bouwvlak waarin twee verschillende agrarische bedrijven liggen. Hiermee is niet kenbaar tegen de milieuhinder van welke omliggende andere agrarische bedrijven de plattelandswoning zou worden beschermd en tegen de milieuhinder van welk voorheen bijbehorend agrarisch bedrijf de plattelandswoning niet zou worden beschermd. Voor dit vereiste verwijst de Afdeling voor het overige naar overwegingen 4.3 en 4.
  137. Gelet op het vorenstaande heeft de raad het plan in zoverre vastgesteld in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. De betogen van [appellant sub 9] en [appellante sub 18] slagen. De percelen [locatie 31] en [locatie 32] Intrekking beroepsgrond
  138. Ter zitting hebben [appellant sub 14] en anderen hun beroepsgrond dat de raad ten onrechte de gevolgen van een uitbreiding van de intensieve veehouderij van [appellante sub 18] voor Natura 2000-gebieden en ammoniakgevoelige gewassen niet heeft onderzocht, ingetrokken. Inhoudelijk
  139. [appellante sub 18] en [appellant sub 14] en anderen kunnen zich niet verenigen met de planregeling voor de percelen [locatie 31] en [locatie 32] te Grashoek (hierna: de percelen). [appellante sub 18] betoogt dat het plan ten onrechte geen rechtstreekse uitbreiding van haar intensieve veehouderij op het perceel [locatie 32] mogelijk maakt, omdat het bouwvlak niet is ingetekend op de wijze waarop zij dat heeft verzocht, anders dan in de inspraakprocedure is toegezegd. Zij wijst er daarbij op dat zij een concreet plan heeft voor uitbreiding van haar intensieve veehouderij en dat zij daarover in een vroegtijdig stadium in overleg is getreden met het gemeentebestuur. Volgens [appellante sub 18] is reeds onderzoek verricht naar de milieugevolgen van de beoogde uitbreiding en is deze positief beoordeeld door het gemeentebestuur. [appellant sub 14] en anderen betogen dat het plan ten onrechte de uitbreiding van de intensieve veehouderij van [appellante sub 18] mogelijk maakt door middel van een wijzigingsbevoegdheid. Volgens hen had de raad reeds bij de vaststelling van het plan moeten beoordelen of deze wijzigingsbevoegdheid ruimtelijk aanvaardbaar is. Verder is volgens [appellant sub 14] en anderen het grondgebonden agrarisch bedrijf dat door [belanghebbende b] wordt geëxploiteerd niet als zodanig bestemd, nu dat bedrijf niet als nevenactiviteit van de intensieve veehouderij van [appellante sub 18] kan worden aangemerkt. 43.
  140. Volgens de raad was onder het voorheen geldende plan een bouwvlak van 1 ha toegekend aan de percelen en is geen ruimtelijke procedure gevolgd om het bouwvlak voor het perceel [locatie 32] af te splitsen van het bouwvlak voor het perceel [locatie 31]. De afweging of de door [appellante sub 18] beoogde uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is, is volgens de raad pas aan de orde in een nieuwe planologische procedure. De raad stelt dat [appellante sub 18] in de procedure tot vaststelling van het plan geen ruimtelijke onderbouwing voor de gewenste uitbreiding van haar bedrijf heeft overgelegd, zodat hij de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan niet kon beoordelen. Verder is volgens de raad het grondgebonden agrarische bedrijf op het perceel [locatie 31] toegestaan, omdat in de planregels is bepaald dat een grondgebonden bedrijfstak als nevenactiviteit van de intensieve veehouderij is toegestaan. 43.
  141. [appellante sub 18] exploiteert op het perceel [locatie 32] een intensieve veehouderij en wil deze op gronden ten westen van het bouwvlak uitbreiden. [belanghebbende b] is eigenaar van het perceel [locatie 31] en gebruikt dit perceel voor de vollegrondteelt, de verkoop aan huis van groente en fruit en het stallen van paarden en landbouwmachines. Voorts is op dit perceel een bedrijfswoning aanwezig. Aan de percelen is onder meer de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" met een bouwvlak toegekend. Aan de gronden ten westen van het bouwvlak is de bestemming "Agrarisch" met de gebiedsaanduidingen "wro-zone - wijzigingsgebied 4 go" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" zonder een bouwvlak toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.6.2, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van onder meer de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4 go" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en het bouwvlak van een bestaande intensieve veehouderij, al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, mits [..]. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch - Intensieve veehouderij" aangewezen gronden onder meer bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een intensieve veehouderij, al dan niet met als nevenactiviteit een grondgebonden bedrijfstak. 43.
  142. In het deskundigenbericht staat dat op de percelen [locatie 31], [locatie 30] en [locatie 32] voorheen één intensieve veehouderij aanwezig was die werd geëxploiteerd door [belanghebbende c]. Deze heeft de gronden en opstallen gesplitst en in drie delen verkocht. In 1996 heeft hij het perceel [locatie 30] aan [appellant sub 9] verkocht die thans op dat perceel woont. Het perceel [locatie 31] heeft [belanghebbende c] in 1997 verkocht aan [vennoot] van [belanghebbende b]. Het perceel [locatie 32] heeft [belanghebbende c] in 2005 aan [appellante sub 18] verkocht. 43.
  143. Wat betreft het grondgebonden agrarische bedrijf van [belanghebbende b] op het perceel [locatie 31] stelt de Afdeling vast dat dit bedrijf was toegestaan onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: bestemmingsplan "Buitengebied Helden"), welk plan op 16 september 1991 door de raad van de voormalige gemeente Helden is vastgesteld en op 28 april 1992 door het college van gedeputeerde staten gedeeltelijk is goedgekeurd. In de voorschriften van dat plan waren geen beperkingen gesteld aan het aantal agrarische bedrijven dat binnen de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf" mocht worden geëxploiteerd. Het grondgebonden agrarische bedrijf betreft derhalve bestaand legaal gebruik. Bestaand legaal gebruik dient in beginsel als zodanig te worden bestemd. Het grondgebonden agrarische bedrijf is evenwel niet als zodanig bestemd. Dit is een zelfstandig bedrijf, terwijl binnen de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" een grondgebonden bedrijfstak alleen als nevenactiviteit van een intensieve veehouderij is toegestaan. De raad heeft dit ten onrechte niet onderkend. Het plan is in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog van [appellant sub 14] en anderen slaagt. 43.
  144. Wat betreft de door [appellante sub 18] beoogde uitbreiding van haar bedrijf overweegt de Afdeling dat in het stelsel van de Wro een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Niet in geschil is dat [appellante sub 18] ten tijde van de vaststelling van het plan een concreet plan had voor uitbreiding van haar bedrijf. Voorts heeft zij dit plan tijdig kenbaar gemaakt. Reeds voordat het ontwerpplan op 9 augustus 2012 ter inzage was gelegd had [appellante sub 18] bij brief van 23 december 2011 het gemeentebestuur om een groter bouwvlak verzocht en op 26 april 2012 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning eerste fase voor uitbreiding van haar bedrijf. Verder heeft het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 20 april 2012 beoordeeld of voor de gewenste uitbreiding van de intensieve veehouderij van [appellante sub 18] een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Indien het voor de raad niet mogelijk was om op basis daarvan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de gewenste uitbreiding van het bedrijf van [appellante sub 18] te beoordelen, daargelaten de vraag of dat inderdaad het geval is, had het op de weg van de raad gelegen om aan [appellante sub 18] te kennen te geven ten aanzien van welke aspecten nog onderzoek diende te worden verricht. Niet is gebleken dat de raad dit heeft gedaan. Gelet hierop heeft de raad het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog van [appellante sub 18] slaagt. Reeds daarom slaagt ook het betoog van [appellant sub 14] en anderen ten aanzien van de uitbreiding van de intensieve veehouderij van [appellante sub 18], zodat de beroepsgronden van [appellant sub 14] en anderen ten aanzien daarvan niet behoeven te worden besproken. Conclusie
  145. In hetgeen [appellant sub 9], [appellante sub 18] en [appellant sub 14] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het oorspronkelijke besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch - Intensieve veehouderij" en "Agrarisch" voor de percelen [locatie 31], [locatie 30] en [locatie 32], kadastraal bekend gemeente Helden, sectie […], nrs. […]., is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 9], [appellante sub 18] en [appellant sub 14] en anderen zijn gegrond, zodat het oorspronkelijke besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  146. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 9], [appellante sub 18] en [appellant sub 14] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellante sub 11]
  147. [appellante sub 11] betoogt dat zij als gevolg van de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" ten onrechte geen hoge teeltondersteunende voorzieningen mag oprichten op haar bouwland ten noorden van de Kwistbeek. Volgens haar heeft zij hoge teeltondersteunende voorzieningen nodig om haar bedrijf rendabel te kunnen exploiteren. Een groot deel van haar gronden wordt gebruikt voor de aspergeteelt en door het plaatsen van hoge teeltondersteunende voorzieningen levert deze teelt meer rendement op. [appellante sub 11] vreest voorts voor een waardedaling van haar gronden als gevolg van het plan. Zij wijst er ook op dat agrarische bedrijven in de omgeving wel hoge teeltondersteunende voorzieningen ten behoeve van de aspergeteelt mogen oprichten. Verder is volgens haar het beleid om hoge teeltondersteunende voorzieningen in beekdalen tegen te gaan achterhaald. Dit beleid is opgesteld in een periode waarin veel aandacht bestond voor de uitbreiding van natuur terwijl thans als gevolg van geldgebrek veel projecten om natuur uit te breiden zijn stopgezet. Voorts zijn volgens haar maatregelen genomen die een goede aan- en afvoer van water langs de Kwistbeek verzekeren zodat het niet meer noodzakelijk is hoge teeltondersteunende voorzieningen te verbieden teneinde bergingscapaciteit te waarborgen. 46.
  148. Volgens de raad vloeit het verbod om hoge teeltondersteunende voorzieningen in beekdalen op te richten voort uit het gemeentelijke beleid. De raad wijst er verder op dat onder het voorheen geldende plan hoge teeltondersteunende voorzieningen ook niet waren toegestaan. 46.
  149. [appellante sub 11] exploiteert een grondgebonden agrarisch bedrijf op gronden ter plaatse van de [locatie 33] te Helden. Haar huiskavel ligt ten zuiden van de Kwistbeek en haar bouwland ligt grotendeels ten noorden van de Kwistbeek. Aan haar bouwland is de bestemming "Agrarisch" met de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" toegekend. Zij gebruikt ongeveer 15 ha van haar bouwland voor de aspergeteelt. Ingevolge artikel 1, lid 1.146, van de planregels wordt onder teeltondersteunende voorziening verstaan een voorziening of constructie welke dient ter ondersteuning van de teelt van een agrarisch bedrijf met als doel het gewas te forceren tot meer groei, de oogst te spreiden en meer opbrengsten te genereren, met uitzondering van afdekfolie. Het gaat daarbij om zowel vervroegen als verlaten ten opzichte van normale teelt en/of beschermen tegen weersinvloeden, ziekten en plagen om een kwalitatief beter product te verkrijgen. Deze constructies of voorzieningen kunnen zowel hoog als laag zijn, met dien verstande dat: a. een lage teeltondersteunende voorziening een hoogte heeft van maximaal 1,50 m; b. een hoge teeltondersteunende voorziening een hoogte heeft van minimaal 1,50 m of hoger. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2 mogen op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden geen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd. Ingevolge lid 3.3.4, onder a, kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 ten behoeve van het bouwen van tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen, mits:
  150. de voorzieningen niet zijn gelegen ter plaatse van onder meer de gebiedsaanduiding, "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd"; [..]. Ingevolge artikel 54, lid 54.24.1 zijn de gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" tevens bestemd voor instandhouding van beekdalen/rivierdal. 46.
  151. Onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Helden" was aan het bouwland van [appellante sub 11] de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke waarden en natuurwaarden" toegekend. Binnen deze bestemming was het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van erfafscheidingen. 46.
  152. In de plantoelichting staat dat de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" de gebiedstypologie beekdalen/rivierdal betreft uit het op 17 december 2008 door de raden van de voormalige gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel vastgestelde "Structuurplan Buitengebied regio Peel en Maas" (hierna: het Structuurplan), welk plan is opgenomen in het door de raad op 21 december 2011 vastgestelde beleid "Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas" (hierna: de Structuurvisie). In dit gebied is wat betreft toekomstige ontwikkelingen sprake van ruime toelating van grondgebonden landbouwkundige functies, die een bijdrage leveren aan het behoud en de versterking van de landschappelijke openheid en de actuele en potentiële natuurwaarden (voornamelijk rundveehouderij). Waar mogelijk wordt extensief beheer van graslanden gestimuleerd, evenals natuur- en landschapsontwikkeling en het bieden van ruimte voor water (beekherstel en waterberging). Nieuwe economische dragers zijn in kleinschalige vorm toelaatbaar aan de randen. Bepaalde ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt aan de hand van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zijn niet, of onder strengere voorwaarden, toegestaan in deze gebiedstypologie. Dit is verankerd in de planregels. 46.
  153. Uit de kaart behorende bij het Structuurplan volgt dat de gronden van [appellante sub 11] zijn aangewezen als gebiedstypologie beekdalen/rivierdal. In het Structuurplan wordt per gebiedstype onder meer de globale ligging en begrenzing gegeven. In dit plan staat verder dat de beken een eigen gebiedstype vormen door de invloed op het omliggende land en de kansen die dit met zich brengt. De beken hebben een structurerend karakter in het landschap. Door ontginning, ontwatering en egalisering zijn de beken echter niet altijd even herkenbaar meer in het landschap aanwezig. De doorsnijdende beken in het landschap zijn tevens uitermate geschikt als ecologische verbindingszone. In het beekdal zijn gradiënten aanwezig door oude geulen en de overgang naar de hoger gelegen zandgronden. Deze gradiënten bieden ruimte voor bijzondere ecologische kwaliteiten. Daarnaast hebben de beken een belangrijke functie in de waterhuishouding. Ze kunnen zorgen voor waterafvoer en waterberging. De gronden langs de beken werden van oorsprong veelal gebruikt als hooiland of weide. Tegenwoordig is er naast rundveehouderijen ook akkerbouw te vinden. De verkaveling is kleinschalig en veelal lineair loodrecht op de beek. Op de kavelgrenzen zijn nog steeds houtsingels, heggen en knotbomen te vinden. Langs de beken staan soms tevens beekbegeleidende beplantingen. Het doel voor gronden met deze gebiedstypologie is onder meer versterking van de landschappelijke karakteristiek bestaande uit relatief open en onbebouwde beekdalen met beplantingen loodrecht op de beek, behoud van de relatief open beekdalen, realisatie van een verdere landschappelijke verdichting door beplantingen langs de kavels en percelen en realisatie van beekherstel. Tevens vindt ruime toelating van grondgebonden landbouwkundige functies plaats, die een bijdrage leveren aan het behoud en de versterking van de landschappelijke openheid en de actuele en potentiële natuurwaarden. Verder staat in het Structuurplan dat teeltondersteunende voorzieningen gevolgen hebben voor het landschapsbeeld en voor natuurwaarde. Vaak wordt het landschapsbeeld verstoord door de voorzieningen. Weliswaar houdt deze verstoring weer op te bestaan zodra bij de tijdelijke voorzieningen het plastic is verwijderd, maar het gebruik van de tijdelijke voorzieningen vindt wel plaats in hetzelfde seizoen als dat recreanten en inwoners van het buitengebied willen genieten. Bovendien kunnen de voorzieningen blijvende schade toebrengen aan natuurwaarden op agrarische percelen. Daarom is het beleidsuitgangspunt volgens het Structuurplan dat hoge teeltondersteunende voorzieningen in het gebiedstype beekdal/rivierdal zijn uitgesloten. 46.
  154. Niet betwist is dat ter plaatse van de gronden van [appellante sub 11] de ruimtelijke kwaliteiten van het gebiedstype beekdal/rivierdal aanwezig zijn. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang om de openheid van beekdalen te behouden en te versterken dan aan het belang van [appellante sub 11] bij de mogelijkheid om hoge teeltondersteunende voorzieningen op haar bouwland te plaatsen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante sub 11] niet aannemelijk heeft gemaakt aan de hand van bijvoorbeeld financiële gegevens dat het plaatsen van hoge teeltondersteunende voorzieningen noodzakelijk is om de continuering van haar bedrijfsvoering te verzekeren. Voorts heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat haar gronden ernstig in waarde zullen dalen als gevolg van het plan. De raad behoefde in de omstandigheden dat veel projecten om de natuur uit breiden als gevolg van geldgebrek zijn stopgezet en dat maatregelen zijn genomen die een goede aan- en afvoer van water in de Kwistbeek waarborgen in redelijkheid geen aanleiding te zien om niet vast te houden aan het beleid ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen in beekdalen. Dit beleid is niet gericht op de uitbreiding van natuur en het verzekeren van bergingscapaciteit maar op het behoud en de versterking van de openheid van beekdalen en het voorkomen van aantasting van natuurwaarden op agrarische percelen. Voor zover zij aanvoert dat agrarische bedrijven in de omgeving wel hoge teeltondersteunende voorzieningen mogen oprichten, overweegt de Afdeling dat deze bedrijven niet in het gebiedstype beekdal/rivierdal liggen. Dit betreffen derhalve geen vergelijkbare situaties. Het betoog van [appellante sub 11] faalt.
  155. [appellante sub 11] betoogt voorts dat de voorwaarden die voor vergroting van het bouwvlak gelden onevenredig bezwarend zijn, in het bijzonder de voorwaarde dat compensatie moet plaatsvinden. 47.
  156. Ingevolge artikel 3, lid 3.6.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van onder meer de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en het bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf al dan niet in combinatie met een bestaande nevenactiviteit intensieve veehouderij, met dien verstande: [..] g. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie. De landschappelijke inpassing wordt in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen met een daaraan gekoppelde aanleg- en instandhoudingsverplichting; [..]. 47.
  157. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid in lid 3.6.1 voorwaarden heeft kunnen stellen aan een vergroting van het bouwvlak ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven. Gelet op het belang van het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied heeft de raad in redelijkheid de voorwaarde kunnen stellen dat een vergroting van het bouwvlak landschappelijk wordt ingepast. Het betoog van [appellante sub 11] faalt. Conclusie
  158. Gelet op het voorgaande is Het beroep van [appellante sub 11] ongegrond.
  159. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 15] Intrekking beroepsgrond
  160. Ter zitting heeft [appellante sub 15] haar beroepsgrond dat het ten onrechte op grond van de planregels niet is toegestaan om binnen de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" gebouwen op te richten binnen een afstand van 5 m van het bouwvlak ingetrokken. Inhoudelijk
  161. [appellante sub 15] betoogt dat ten onrechte de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" is toegekend aan haar gronden waardoor zij geen hoge teeltondersteunende voorzieningen kan oprichten binnen de bestemming "Agrarisch" en bij vergroting van het bouwvlak een extra tegenprestatie moet leveren. Zij wil de mogelijkheid behouden om in de toekomst asperges te telen of gronden te verpachten aan aspergetelers. Zij vreest ook voor een waardedaling van haar gronden als gevolg van de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd". Volgens [appellante sub 15] zijn ter plaatse van haar gronden de ruimtelijke kwaliteiten van het gebiedstype beekdal niet aanwezig en heeft de raad dan ook ten onrechte haar gronden als beekdal aangemerkt. 51.
  162. De raad heeft het buitengebied aan de hand van de landschappelijke en functionele karakteristieken opgedeeld in gebiedstypologieën. Dit heeft volgens de raad plaatsgevonden op gebiedsniveau en niet op perceelsniveau. Dat percelen die als een bepaalde gebiedstypologie zijn aangemerkt niet de ruimtelijke kwaliteiten van die gebiedstypologie hebben doet er volgens de raad niet aan af dat hij deze percelen tot die gebiedstypologie kon rekenen. Volgens de raad wordt er niet alleen naar gestreefd om de ruimtelijke kwaliteiten van de gebiedstypologieën te behouden en te verbeteren maar ook om deze te herstellen op percelen die niet meer de ruimtelijke kwaliteiten van een gebiedstypologie hebben. Het zou volgens de raad zeer moeilijk dan wel onmogelijk zijn om de ruimtelijke kwaliteiten van deze percelen te herstellen indien aan deze percelen niet een gebiedsaanduiding zou worden toegekend. 51.
  163. [appellante sub 15] exploiteert een vollegrondstuinbouwbedrijf op gronden aan de [locatie 34] te Maasbree. Ten zuiden van de gronden ligt de provinciale weg N
  164. De teelt op de gronden is wisselend. Momenteel verbouwt [appellante sub 15] rodekool, witte kool, maïs en granen. Aan de huiskavel van [appellante sub 15] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met een bouwvlak en de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" toegekend. Aan het bouwland van [appellante sub 15] is de bestemming "Agrarisch" met de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" toegekend. 51.
  165. Uit de kaart behorende bij het Structuurplan volgt dat de gronden van [appellante sub 15] zijn aangewezen als gebiedstypologie beekdalen/rivierdal. In de kaart behorende bij het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: het POL) is het zuidelijk gedeelte van de gronden van [appellante sub 15] aangewezen als landschapstype beekdal. Het noordelijk gedeelte van de gronden van [appellante sub 15] is aangewezen voor andere landschapstypen. 51.
  166. De Afdeling overweegt dat in het deskundigenbericht staat dat ten zuiden van de provinciale weg de Everlose Beek ligt en dat deze beek niet het karakter heeft dat men van een beek mag verwachten, omdat ter hoogte van Maasbree deze beek een rechte watergang is. Voorts staat in het deskundigenbericht dat door de ligging van de provinciale weg en het gebruik van de gronden het beekdal als zodanig niet waarneembaar is. De raad heeft het deskundigenbericht op dit punt niet betwist. Gelet hierop en nu uit het Structuurplan volgt dat de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" is toegekend om de landschappelijke karakteristiek bestaande uit relatief open en onbebouwde beekdalen met beplantingen loodrecht op de beek te versterken, om de relatief open beekdalen te behouden en om een verdere landschappelijke verdichting door beplantingen langs de kavels en percelen en beekherstel te realiseren, is naar het oordeel van de Afdeling aan de gronden van [appellante sub 15] ten onrechte de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" toegekend. Dat op de kaart behorende bij het Structuurplan deze gronden wel zijn aangewezen als beekdal en deze gronden in het POL gedeeltelijk als beekdal zijn aangewezen doet daaraan niet af. In het Structuurplan en in het POL is slechts de globale ligging en begrenzing van de gebiedstypologieën, onderscheidenlijk landschapstypen opgenomen. Het lag derhalve op de weg van de raad om nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van de ruimtelijke kwaliteiten van de gebiedstypologie beekdal/rivierdal op de gronden van [appellante sub 15]. Dat het beleid is gericht op herstel van de ruimtelijke kwaliteiten van de gebiedstypologieën leidt niet tot een ander oordeel, nu niet is gebleken dat ter plaatse de ruimtelijke kwaliteiten van de gebiedstypologie beekdal/rivierdal binnen de planperiode zullen worden hersteld. Het betoog van [appellante sub 15] slaagt.
  167. In hetgeen [appellante sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het oorspronkelijke besluit, voor zover het betreft de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" die is toegekend aan de gronden aan de [locatie 34] te Maasbree die door [appellante sub 15] worden gebruikt, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 15] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  168. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 15] op na te melden wijze in de vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 12] Intrekking beroepsgronden
  169. Ter zitting heeft [appellant sub 12] de beroepsgrond over het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" aan het perceel [locatie 35] en aan de gronden direct ten westen van het perceel [locatie 35] (hierna: het perceel Rooth ongenummerd), de beroepsgrond over het bouwvlak op het perceel Rooth ongenummerd en de beroepsgrond over het niet mogelijk maken van een bedrijfswoning op het perceel Rooth ongenummerd, ingetrokken. Inhoudelijk Het bouwvlak op het perceel [locatie 35]
  170. Het beroep van [appellant sub 12] tegen het oorspronkelijke besluit is gericht tegen de omvang van de aanduiding "bouwvlak" op het perceel [locatie 35]. [appellant sub 12] betoogt dat het bouwvlak op het perceel [locatie 35] ten onrechte strak om de bestaande bedrijfsbebouwing is ingetekend, zodat hij in zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmoglijkheden wordt beperkt. Hierbij voert hij aan dat het opgenomen bouwvlak te klein is voor het treffen van toekomstige maatregelen op het gebied van het dierenwelzijn en om te voldoen aan de eisen op het gebied van de milieuwetgeving. Dat in het voorheen geldende bestemmingsplan goedkeuring was onthouden aan onder meer het bouwvlak op het perceel [locatie 35] omdat bouwvlakken over het algemeen te groot waren ingetekend, maakt volgens [appellant sub 12] niet dat de raad niet de specifieke situatie op zijn perceel kan beoordelen. Tevens voert [appellant sub 12] aan dat het bouwvlak op het perceel [locatie 1] juist niet strak om de bestaande bebouwing heen is gelegd, zodat de raad voor zijn perceel [locatie 35] in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. 55.
  171. Blijkens de verbeelding is aan een deel van het perceel [locatie 35] de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder a, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een intensieve veehouderij, al dan niet met als nevenactiviteit een grondgebonden bedrijfstak. Ingevolge lid 6.2.2 geldt voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" dat: a. per bouwvlak maximaal één intensieve veehouderij is toegestaan, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding "relatie" gekoppeld zijn ten behoeve van één intensieve veehouderij; b. gebouwen, de bedrijfswoning, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouw zijnde in de vorm van waterbassins, teeltondersteunende voorzieningen, sleuf- en mestsilo's en mestbassins uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd [..]. 55.
  172. In het deskundigenbericht staat dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Maasbree 1997" aan het perceel [locatie 35] de bestemming "Agrarisch gebied (A)" was toegekend. Aan de detailplankaart waarop de agrarische bouwvlakken waren weergegeven was goedkeuring onthouden, zodat op onder meer het perceel [locatie 35] geen bouwvlak was opgenomen. De raad heeft toegelicht dat de omvang van het thans opgenomen bouwvlak op het perceel [locatie 35] is bepaald op basis van luchtfoto’s en de verleende vergunningen. In het deskundigenbericht staat verder dat in het noordoostelijke deel van het perceel uitbreidingsruimte is opgenomen ten behoeve van het realiseren van een bedrijfswoning. 55.
  173. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Op het perceel [locatie 35] is de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik als zodanig bestemd. De Afdeling overweegt dat uit de inspraakreactie en de zienswijze weliswaar volgt dat [appellant sub 12] voornemens heeft om zijn bedrijf op het perceel [locatie 35] aan te passen uit het oogpunt van dierenwelzijn en uit te breiden, maar niet dat daarvoor reeds een concreet plan bestond dat de raad kon beoordelen. Uit de inspraakreactie en de zienswijze volgt niet op welke manier en in welke omvang [appellant sub 12] ter plaatse zijn varkensbedrijf wil aanpassen en uitbreiden, alsmede met welke oppervlakte hij bebouwing wil oprichten en met welke bouwhoogte. Gelet daarop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gewenste uitbreiding van het bouwvlak, mede gelet op de belangen van derden, niet zonder nader onderzoek kan worden opgenomen in het plan. De uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013 in zaak nr. 201210659/1/R1 waar [appellant sub 12] op wijst, leidt niet tot een ander oordeel, nu het in dat geval een plan betrof voor de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten waarbij een bedrijfsplan en onderzoeksrapporten waren overgelegd en waar tevens een bouwaanvraag was ingediend zodat sprake was van een voldoende concreet plan. Nu niet is gebleken van concrete plannen voor de aanpassing en uitbreiding van de bestaande bedrijfsactiviteiten heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de gewenste uitbreiding van het bouwvlak op het perceel [locatie 35] en mogelijke gevolgen daarvan te onderzoeken en heeft hij in redelijkheid de bestaande situatie als zodanig kunnen bestemmen. Het betoog van [appellant sub 12] faalt. 55.
  174. Over de door [appellant sub 12] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 1] waar een ruimer bouwvlak is opgenomen wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de verharding op het perceel [locatie 1] ruimer is dan op het perceel [locatie 35] en het bouwvlak op het perceel [locatie 1] - net als op het perceel [locatie 35] - rondom de bestaande verharding is gelegd. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 12] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog van [appellant sub 12] faalt. De gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn"
  175. Het beroep van [appellant sub 12] is ten slotte gericht tegen het toekennen van de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" aan een deel van de percelen [locatie 35] en Rooth ongenummerd. Hij voert aan dat op deze delen geen bos- of natuurgebied aanwezig is en dat hij door het toekennen van deze aanduiding wordt beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden. Dat in het Structuurplan de gronden zijn aangewezen als bos- en natuurgebied maakt volgens [appellant sub 12] niet dat in de bestemmingsplanprocedure geen goede ruimtelijke afweging dient te worden gemaakt. 56.
  176. Blijkens de verbeelding is aan de aan de zuidkant van de percelen [locatie 35] en Rooth ongenummerd de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" toegekend. Deze aanduiding is grotendeels gelegen op gronden met de bestemming "Agrarisch", maar aan een klein deel van de gronden met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" is eveneens deze gebiedsaanduiding toegekend. Aan de overige delen van de percelen [locatie 35] en Rooth ongenummerd is de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsbevoegdheid 1 ob" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1 ob", "wro-zone - wijzigingsgebied 2 ko", "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd", "wro-zone - wijzigingsgebied 4 go" en "wro-zone - wijzigingsgebied 5 gv" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en het bouwvlak van een bestaande intensieve veehouderij, al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, mits: [..] e. het bestemmings-/bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "kernrandzone", "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" en "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" eenmalig mag worden uitgebreid met maximaal 15%, onder voorwaarde dat de vergroting noodzakelijk is uit het oogpunt van dierenwelzijn en het dierenaantal niet toeneemt; [..]. Ingevolge artikel 6, lid 6.5.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1 ob", "wro-zone - wijzigingsgebied 2 ko", "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd", "wro-zone - wijzigingsgebied 4 go" en "wro-zone - wijzigingsgebied 5 gv" de bestemming te wijzigen ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak binnen een bestemmingsvlak voor een intensieve veehouderij, mits: [..] e. het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "kernrandzone", "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" en "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" eenmalig mag worden uitgebreid met maximaal 15%, onder voorwaarde dat de vergroting noodzakelijk is uit het oogpunt van dierenwelzijn en het dierenaantal niet toeneemt; [..]. 56.
  177. In de plantoelichting staat dat de in het Structuurplan, dat deel uitmaakt van de Structuurvisie, opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden voor de verschillende functies afhankelijk zijn van in welke gebiedstype die functie ligt. De gebiedstypologieën uit het Structuurplan zijn opgenomen in het bestemmingsplan door deze te vertalen naar wro-zones - wijzigingsgebied. De gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" betreft de gebiedstypologie bos- en natuurgebied uit het Structuurplan. Wat betreft toekomstige ontwikkelingen is sprake van behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke kwaliteiten van de bos- en natuurgebieden door een gericht, gevarieerd en extensief bosbeheer. Dit beheer richt zich op de omvorming van naaldbos in loofbos en het versterken van gradiënten op overgangen in het landschap, waar mogelijk wordt natuur- en landschapsontwikkeling gestimuleerd, nieuwe economische dragers (vrijkomende agrarische bebouwing en vormen van recreatie en toerisme) zijn toelaatbaar aan de randen. Ze dienen dan wel het landschappelijk raamwerk verder te versterken en ruimte voor water (waterconservering en waterberging) te bieden in natte bos- en natuurgebieden. Bepaalde ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt aan de hand van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zijn niet, of onder strengere voorwaarden, toegestaan in deze gebiedstypologie. Dit is verankerd in de bestemmingsplanregels, aldus de plantoelichting. 56.
  178. Uit de kaart behorende bij het Structuurplan volgt dat een deel van de percelen [locatie 35] en Rooth ongenummerd is aangewezen als gebiedstypologie bos- en natuurgebied. In het Structuurplan wordt per gebiedstype onder meer de globale ligging en begrenzing gegeven. In dit plan staat verder dat relatief grote bos- en natuurgebieden van enige schaal en omvang verspreid zijn door de gemeente heen. De Heldense bossen vormen de grootste aaneengesloten bosstructuur in het gebied. Verder ligt er nog een aantal wat kleinere bos- en natuurgebieden binnen de vier voormalige gemeenten. Vanuit het landschapskader Noord- en Midden Limburg zijn ze aangeduid als bos en als heide, veen en zand. Onder deze gebiedstypologie vallen niet alle bestaande bos- en natuurgebieden maar alleen de grotere eenheden. De kleinere en niet opgenomen eenheden kunnen ook gelegen zijn in andere gebiedstypologieën. In het op te stellen bestemmingsplan zullen alle waardevolle bos- en natuurgebieden opgenomen en beschermd worden. 56.
  179. In het deskundigenbericht staat dat op de percelen [locatie 35] en Rooth ongenummerd geen bos- en natuurgebied aanwezig is, maar dat aan de overzijde van de weg, welke gelegen is ten oosten van het perceel [locatie 35], zich wel een bosgebied bevindt. Ter zitting heeft [appellant sub 12] eveneens verklaard dat op zijn percelen geen bos- en natuurgebied aanwezig is, maar dat deze gronden worden gebruikt ten behoeve van de agrarische bedrijven die op het perceel [locatie 35] en op het perceel Rooth ongenummerd gevestigd zijn. Gelet op het voorgaande en nu uit de plantoelichting volgt dat de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" is toegekend om de natuurlijke kwaliteiten van de bos- en natuurgebieden te behouden, herstellen en ontwikkelen, is naar het oordeel van de Afdeling aan de percelen [locatie 35] en Rooth ongenummerd ten onrechte de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" toegekend. Dat op de kaart behorende bij het Structuurplan de desbetreffende delen van de percelen wel zijn aangeduid als bos- en natuurgebied doet hieraan niets af, nu in het Structuurplan slechts de globale ligging en begrenzing van de gebiedstypologieën is opgenomen en het derhalve op de weg van de raad ligt om nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van bos- en natuurgebied op de percelen van [appellant sub 12]. Voor zover de raad stelt dat niet is uitgesloten dat op termijn bos- en natuurgebied gerealiseerd kan worden op het perceel [locatie 35] en het perceel Rooth ongenummerd, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 12] ter zitting heeft verklaard dat hij niet voornemens is om te stoppen met zijn bedrijfsactiviteiten ter plaatse en dat de raad te kennen heeft gegeven dat hij de percelen niet zal gaan onteigenen. Het betoog van [appellant sub 12] slaagt. 56.
  180. De Afdeling overweegt voorts ten overvloede dat, anders dan waar de raad van uit gaat, het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" ingevolge de aanhef van artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels, waarin het bedoelde wijzigingsgebied niet staat vermeld, niet bevoegd is de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" ten behoeve van de vergroting van het bestemmingsvlak en het bouwvlak van een bestaande intensieve veehouderij noch ingevolge de aanhef van artikel 6, lid 6.5.1, bevoegd is de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" te wijzigen ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak binnen een bestemmingsvlak voor een intensieve veehouderij. Conclusie
  181. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het oorspronkelijke besluit, voor zover het betreft het toekennen van de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" aan de percelen [locatie 35] en Rooth ongenummerd, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 12] is gegrond, zodat het oorspronkelijke besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.
  182. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 12] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 29] De gebiedsaanduidingen "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" en "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd"
  183. Het beroep van [appellant sub 29] is gericht tegen de planregeling voor zijn perceel [locatie 36]. Hij betoogt dat door het niet bij recht maar met afwijkingsbevoegdheid mogelijk maken van containervelden op gronden met de bestemming "Agrarisch" ten westen van het bestaande containerveld de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf ernstig worden beperkt. [appellant sub 29] voert hierbij aan dat hij zijn uitbreidingsplannen reeds in een vroegtijdig stadium kenbaar heeft gemaakt en dat de raad in het kader van de bestemmingsplanprocedure een ruimtelijke afweging dient te maken. Voorts betoogt hij dat in de Structuurvisie als uitgangspunt wordt genoemd dat reële ontwikkelingsmogelijkheden moeten worden geboden aan bestaande bedrijven. Verder voert [appellant sub 29] aan dat zijn uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt, omdat op de gronden ten zuiden van het bestaande containerveld waaraan de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn" is toegekend zelfs niet met een afwijkingsbevoegdheid nieuwe containervelden worden mogelijk gemaakt. 59.
  184. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten zuiden van het bestaande containerveld op het perceel [locatie 36] de bestemming "Agrarisch" toegekend met voor een groot deel de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn". Aan de gronden gelegen ten westen van het bestaande containerveld is de bestemming "Agrarisch" met de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3 bd" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels mag op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden niet worden gebouwd Ingevolge lid 3.4.1, onder f, wordt onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming "Agrarisch" in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als containervelden. Ingevolge lid 3.5.2 kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 ten behoeve van het gebruik van de gronden voor containervelden, mits: a. de voorzieningen niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding "bolle akkers" en "wro-zone - wijzigingsgebied 6 bn"; b. voorzieningen worden getroffen voor de afvoer van hemelwater; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cul

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.