(18). Dit leidt ten opzichte van het Lvb 2004 tot een toename van de te verwachten geluidbelasting van iets minder dan 2,5 Lden. Volgens de besliscommissie leidt een toename van de te verwachten door het luchtvaartverkeer veroorzaakte geluidbelasting van iets minder dan 2,5 Lden tot een waardevermindering van iets minder dan 5% van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade. Door de toepassing van een drempel van 5% blijft de schade als gevolg van het Lvb 2008 voor rekening van [appellant sub 2]. 10.
- Schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico dient redelijkerwijs ten laste te blijven van degene die om schadevergoeding verzoekt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201112232/1/A2, is de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan. Dit komt daarbij beoordelingsvrijheid toe. Het bestuursorgaan zal zijn vaststelling naar behoren moeten onderbouwen. De bestuursrechter toetst de besluitvorming op rechtmatigheid en daarmee dus ook aan het égalitébeginsel. In beginsel is het met het oog op de uniformiteit en de voorspelbaarheid van de eventuele vergoeding van schade aanvaardbaar dat het bestuursorgaan ten aanzien van het normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico werkt met een vaste drempel. Dat komt de rechtszekerheid ten goede, nu de vraag of schade buiten het normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico valt daarmee aanstonds eenvoudig kan worden beantwoord. Het bestuursorgaan zal, als daartoe op grond van de door de benadeelde verschafte gegevens aanleiding bestaat, moeten beoordelen of deze drempel ook onverkort toepassing kan vinden in de omstandigheden van het geval. Naarmate een bestuursorgaan een hoger percentage als drempel hanteert, geldt dat er zwaardere eisen aan de motivering worden gesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2012 in zaak nr. 201104496/1/T1/A2). 10.
- De vraag of schade tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in de zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel. 10.
- De Afdeling is van oordeel dat de besliscommissie zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er voldoende redenen zijn om een drempel van 5% te hanteren. Deze drempel is relatief hoog in vergelijking tot de drempel van 2% die in artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening is neergelegd. De drempel van 2% is een minimum-forfait, dat geldt voor alle gevallen waarin is verzocht om vergoeding van indirecte planschade in de vorm van waardevermindering, ongeacht de vraag of de beweerdelijke schadeveroorzakende planologische maatregel als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. In dit geval is voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een drempel van 5% uitgangspunt dat, zoals de Afdeling in de uitspraak van 10 november 2010 heeft overwogen, bewoners van huizen binnen de invloedsfeer van Schiphol rekening dienen te houden met de mogelijkheid van een toename van geluidbelasting die samenhangt met de groei van de luchthaven, ook al bestaat geen zicht op de omvang en vorm waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkelingen zich zullen concretiseren en de omvang van het nadeel dat daar mogelijkerwijs uit zal voortvloeien. De woning van [appellant sub 2] lag zowel ten tijde van de aankoop als thans op ongeveer 2500 meter van de dichtstbijzijnde start- en landingsbaan, de Zwanenburgbaan. Deze locaties in de invloedsfeer van Schiphol en daarbinnen in de nabijheid van een start- en landingsbaan, brengen risico met zich mee. Rekening moet worden gehouden met wijzigingen in de regulering van het gebruik van de luchthaven die zullen leiden tot wijzigingen in de toegestane geluidbelasting op woningen. Artikel 8.17, zevende lid, van de Wet luchtvaart gaat uit van elkaar opvolgende Lvb’s. Het Lvb 2008 kan als vervolgbesluit van het Lvb 2003, zoals gecorrigeerd door het Lvb 2004, in beginsel worden beschouwd als een min of meer voorspelbare en uit het normale gebruik van Schiphol voortvloeiende ontwikkeling. Een dergelijke ontwikkeling zal de ene keer voor de ene groep van omwonenden voordeel of nadeel teweegbrengen en de andere keer voor een andere groep omwonenden. Daarbij is in dit geval van belang dat het bij het Lvb 2008 niet gaat om een drastische en niet te verwachten wijziging van het gebruikersregime van de banen van Schiphol en evenmin om een fysieke uitbreiding van de luchthaven Schiphol. Ook gaat het Lvb 2008 niet gepaard met nieuwe beperkingen in het gebruik van de omgeving van de luchthaven, zoals bouwbeperkingen aan woningen. De enkele omstandigheid dat het Lvb 2008 leidt tot een verslechtering van de akoestische situatie ter plaatse van de woning van een omwonende, kan niet worden aangemerkt als een omstandigheid die niet in de lijn der verwachtingen ligt. Daarbij is van belang dat, zoals blijkt uit hetgeen onder 3 is overwogen, het Lvb 2008 voor [appellant sub 2] niet leidt tot een hogere geluidbelasting dan die daarvoor, vanaf 1996 tot 2003, heeft gegolden. Evenmin is gebleken dat Lijnden door achtereenvolgende luchthavenverkeersbesluiten per saldo zwaarder is getroffen wat betreft de toename van geluidbelasting dan andere gebieden binnen de invloedssfeer van Schiphol. De besliscommissie heeft zich derhalve op het standpunt mogen stellen dat een waardevermindering van 5% van een woning als gevolg van de inwerkingtreding van het Lvb 2008 en de wijziging van uitvliegroutes bij een van de vijf start- en landingsbanen, behoort tot het normale maatschappelijk risico van een omwonende. 10.
- Anders dan de rechtbank heeft overwogen vloeit uit de uitspraak van 10 november 2010 niet voort dat de besliscommissie gehouden was een korting van 50% op de gestelde schade toe te passen. In die situatie ging het om vergoeding van schade veroorzaakt door het aanwijzingsbesluit, voor zover het ziet op het S4S2-stelsel. Zoals onder 9.
- en 9.
- is overwogen, doet die situatie zich hier niet voor. Evenmin kan uit die uitspraak worden afgeleid dat de besliscommissie bij de vraag naar vergoedbaarheid van schade veroorzaakt door geluidbelasting wegens vliegverkeer altijd gehouden is een korting van 50% toe te passen. Bij de toepassing van artikel 8.31 van de Wet luchtvaart ter zake van schade die zou zijn veroorzaakt door het Lvb 2003, zoals later gewijzigd door het Lvb 2004, heeft de besliscommissie in het geheel geen aftrek wegens normaal maatschappelijk risico toegepast, omdat het om een niet te verwachten wijziging in het gebruikersregime van de banen van de luchthaven ging. Dat ligt anders met de besluitvorming die is gevolgd op het Lvb 2003 en het Lvb
- Zoals onder 10.4 is overwogen kan het Lvb 2008 wel worden beschouwd als een uit het normale gebruik van Schiphol voortvloeiende ontwikkeling. Het betoog van de besliscommissie slaagt.
- Het hoger beroep van de besliscommissie is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd.
- Nu uit hetgeen zojuist is overwogen, volgt dat de besliscommissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] gestelde schade als gevolg van het Lvb 2008 het normaal maatschappelijk risico niet overstijgt en niet voor vergoeding in aanmerking komt, heeft [appellant sub 2] geen belang bij zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem gestelde schade voorzienbaar was, zodat dit punt onbesproken kan blijven.
- Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.
- Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 31 juli 2012, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 16 april 2012 ongegrond is verklaard, ingestelde beroep ongegrond verklaren. In het in beroep aangevoerde is, gelet op bespreking van het hoger beroep van de besliscommissie, geen grond te vinden voor het oordeel dat de besliscommissie gehouden was de als gevolg van het Lvb 2008 geleden schade te vergoeden.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond; II. verklaart het hoger beroep van de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol gegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 juni 2013 in zaak nr. 12/4248, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 31 juli 2012, voor zover daarbij het bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 april 2012 ongegrond is verklaard, gegrond is verklaard en dat besluit in zoverre is vernietigd; IV. verklaart het door [appellant sub 2] ingestelde beroep in zoverre ongegrond; V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. C.J. Borman en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat. w.g. Van Altena w.g. Planken voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014 299.