(7230)voorkomt in een kleinschalig mozaïek met het habitattype blauwgraslanden (H6410). Het wordt omgeven door onder meer het habitattype heischrale graslanden (H6230). Op afgeplagde delen wordt het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) aangetroffen, aldus de nota van toelichting. 11.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 oktober 2010, in zaak nr. 200908058/1/R2) is de natuur voortdurend aan verandering onderhevig en worden de gegevens per gebied volgens de Nota van Antwoord doorlopend geactualiseerd. Hierdoor komen nieuwe gegevens beschikbaar die kunnen afwijken van de eerder gehanteerde gegevens. De aanwezigheid van de in de nota van toelichting genoemde habitattypen heeft de staatssecretaris onder meer gebaseerd op vegetatiekartering van het gebied uit
- Naar het oordeel van de Afdeling is de staatssecretaris derhalve bij het nemen van het bestreden besluit uitgegaan van de meest actuele gegevens omtrent de kwalificerende habitattypen in het Natura 2000-gebied. Voor zover het college heeft gesteld dat de genoemde typen slechts op zeer geringe schaal voorkomen en stikstofgevoelig zijn, behoefde de staatssecretaris hierin geen aanleiding te zien om het gebied niet voor deze typen aan te wijzen. De relatieve bijdrage aan de landelijke gunstige staat van instandhouding is met minder dan 2% voor alle drie habitattypen weliswaar beperkt, maar op zichzelf is dat geen reden om niet tot aanwijzing voor deze habitattypen over te gaan. In dit verband is van belang dat de landelijke staat van instandhouding voor blauwgraslanden (H6410) en heischrale graslanden (H6230) voor zowel oppervlakte als kwaliteit is beoordeeld als "zeer ongunstig". Ten aanzien van pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) is daarnaast de kwaliteit van dit habitattype landelijk bezien beoordeeld als "matig ongunstig". Wat betreft de stikstofgevoeligheid wordt overigens overwogen dat eerst in het beheerplan wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen worden genomen en op welke wijze deze worden uitgevoerd. Derhalve zal pas in het beheerplan worden beoordeeld op welke wijze de instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen zullen worden bereikt. Aan de omstandigheid dat het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen slechts door middel van beheermaatregelen weer kan worden ontwikkeld ten opzichte van het type vochtige heiden, behoefde de staatssecretaris geen doorslaggevende betekenis toe te kennen. Volgens de beschrijving uit het Profielendocument, dat mede aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, ontstaan pioniervegetaties met snavelbiezen namelijk nog maar zelden op natuurlijke wijze. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid tot aanwijzing van het gebied voor de habitattypen blauwgraslanden (H6410), heischrale graslanden (H6230) en pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) heeft kunnen besluiten. Het betoog faalt. Conclusie
- In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of vastgesteld in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Konings voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2014 612.