(2012)’. Volgens ProRail ziet de eis van 40 m op de brandveiligheid met betrekking tot een woningbrand. ProRail stelt zich op het standpunt dat de vuistregel bij de bestrijding van een treinbrand met lage druk is dat een debiet van 500 l/min door 1 tankautospuit over een afstand van 100 m kan worden getransporteerd zonder noemenswaardig drukverlies. Daarom had volgens ProRail in voorschrift 4.3.4 een afstand van 100 m aangehouden dienen te worden. Daarnaast zijn volgens ProRail de kosten voor het voldoen aan dit voorschrift hoog, omdat langs de volledige lengte van het emplacement een bereikbaarheidsweg moet worden aangelegd. Ook is volgens ProRail onduidelijk wat in dit voorschrift met ‘zodanig bewaakt’ wordt bedoeld. 10.
- In het deskundigenbericht is opgemerkt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid uit 2003 gold en niet de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid uit
- De afstand van 40 m is volgens het deskundigenbericht gebaseerd op de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid uit
- Daarnaast is in het deskundigenbericht opgemerkt dat de vuistregel uit de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid uit 2012, waar ProRail op wijst, niet ziet op de afstand van de opstelplaats tot de incidentlocatie, maar op de afstand tussen de opstelplaats en de bluswatervoorziening. Daarnaast heeft deze vuistregel volgens het deskundigenbericht betrekking op de inzet van hoge druk stralen, terwijl in geval van een brand op het emplacement wordt geblust met lage druk stralen. Voorts gaat het deskundigenbericht ervan uit dat wanneer de afstand groter is dan 40 m, de standaarduitrusting van een tankautospuit ontoereikend is om in het benodigde aantal slangen te voorzien, nu om een afstand van 40 meter te overbruggen al twee slangen nodig zijn. 10.
- De Afdeling is van oordeel dat ProRail in haar zienswijze over het deskundigenbericht niet aannemelijk heeft gemaakt dat hetgeen hierin is opgemerkt onjuist is. Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is opgemerkt geeft hetgeen ProRail aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 4.3.4 onevenredig bezwarend is. Voorts blijkt uit de strekking van dit voorschrift voldoende duidelijk wat met ‘zodanig bewaakt’ wordt bedoeld. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten voorschrift 4.3.4 aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.
- In vergunningvoorschrift 4.3.6 is bepaald dat voor elk deel van de inrichting het mogelijk moet zijn bluswater op te brengen, dat wordt gevoed vanuit een primaire bluswatervoorziening met een capaciteit van ten minste 30 m3/uur. 11.
- ProRail voert aan dat voorschrift 4.3.6 niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu en onevenredig bezwarend. ProRail stelt zich hiertoe op het standpunt dat al een openbare bluswatervoorziening aanwezig is met een capaciteit van 30 m3/uur. Dit betreft de waterleiding in de straat. Volgens ProRail kan zij niet verantwoordelijk worden gehouden voor de instandhouding van de waterleiding buiten de inrichting zonder dat zij daarover zeggenschap heeft. 11.
- Het college brengt naar voren dat het opbrengen van voldoende bluswater is voorgeschreven om in geval van een brand de gevolgen daarvan buiten de inrichting zo klein mogelijk te houden. Volgens het college is het aan ProRail om te beslissen op welke wijze aan het voorschrift invulling wordt gegeven. ProRail moet waarborgen dat bluswater kan worden opgebracht, maar zij is niet verantwoordelijk voor instandhouding van de openbare waterleiding. ProRail kan hier wel gebruik van maken, aldus het college. 11.
- ProRail heeft, gelet op hetgeen het college naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk gemaakt dat voorschrift 4.3.6 niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu dan wel onevenredig bezwarend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van ProRail kan verlangen dat zij erop toeziet dat voor elk deel van de inrichting het mogelijk is bluswater op te brengen. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid voorschrift 4.3.6 aan de vergunning kunnen verbinden. De beroepsgrond faalt.
- In vergunningvoorschrift 4.3.7 is bepaald dat de afstand tussen het blusvoertuig en de primaire bluswatervoorziening maximaal 40 m mag bedragen, tenzij, met behulp van de aanwezige bluswaterfunctionaliteiten op het emplacement, een grotere afstand niet leidt tot een verhoging van de inzettijd met meer dan 15 minuten. 12.
- ProRail voert aan dat het niet noodzakelijk is om een afstand van 40 m aan te houden. Daarnaast is voorschrift 4.3.7 volgens ProRail gericht tot de brandweer en daarom voor haar niet uitvoerbaar. 12.
- Voorschrift 4.3.7 staat toe dat, wanneer aan de voorwaarde hiervoor wordt voldaan, een grotere afstand dan 40 m wordt aangehouden tussen het blusvoertuig en de primaire bluswatervoorziening. ProRail heeft niet gesteld dat niet aan de genoemde voorwaarde kan worden voldaan. Daarnaast is dit voorschrift niet gericht tot de brandweer, omdat het aan ProRail is om ervoor zorg te dragen dat er voldoende opstelplaatsen zijn voor blusvoertuigen binnen de voorgeschreven afstand tot de primaire bluswatervoorziening. De beroepsgrond faalt.
- ProRail stelt zich op het standpunt dat nu de voorschriften 4.3.4, 4.3.6 en 4.3.7 niet in stand kunnen blijven ook de hiermee samenhangende voorschriften 4.3.10 en 4.3.11 geschrapt dienen te worden. 13.
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten de voorschriften 4.3.4, 4.3.6 en 4.3.7 aan de vergunning te verbinden. Hetgeen ProRail aanvoert geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet ook in redelijkheid heeft kunnen besluiten de voorschriften 4.3.10 en 4.3.11 aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt. Overige voorschriften
- In vergunningvoorschrift 1.1.5 is bepaald dat de verlichting van het spoorwegemplacement zodanig moet zijn dat rangeeractiviteiten op een veilige manier kunnen worden uitgevoerd. 14.
- ProRail voert aan dat voorschrift 1.1.5 niet noodzakelijk is ter bescherming van het milieu en onevenredig bezwarend. Zij stelt zich hiertoe op het standpunt dat dit onderwerp in de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde regelgeving en Arbo-wetgeving voldoende is geregeld. Daarnaast leidt dit voorschrift volgens ProRail vanwege de zeer algemene bewoordingen tot rechtsonzekerheid. 14.
- Reeds omdat ProRail niet nader heeft geconcretiseerd dat hetgeen is voorgeschreven in voorschrift 1.1.5 ook in de door haar genoemde wet- en regelgeving is voorgeschreven is er geen aanleiding voor het oordeel dat dit voorschrift niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Voorts is de strekking van voorschrift 1.1.5 voldoende duidelijk. Gelet hierop geeft hetgeen ProRail aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten voorschrift 1.1.5 aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.
- In vergunningvoorschrift 1.2.2 is bepaald dat de vergunninghouder ten aanzien van de verplichtingen, die voortvloeien uit deze vergunning, aan de gebruikers van het spoorwegemplacement een schriftelijke instructie moet verstrekken, die is gericht op het in werking zijn van de inrichting conform de vergunning en het naleven van de aan de vergunning verbonden voorschriften. De vergunninghouder is verplicht aan een daartoe door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar op diens eerste verzoek de instructie te overleggen. 15.
- ProRail voert aan dat voorschrift 1.2.2 niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu en onevenredig bezwarend. Zij stelt zich in dit verband op het standpunt dat in redelijkheid niet van haar gevergd kan worden dat zij instructies moet uitreiken aan alle personen die op het emplacement werkzaamheden verrichten ongeacht mogelijk daarmee samenhangende nadelige gevolgen voor het milieu. Ook wanneer het voorschrift alleen gericht is op spoorwegondernemingen kan dit volgens haar niet in redelijkheid gevergd worden nu zij jaarlijks een netverklaring uitgeeft die alle informatie bevat die de spoorwegondernemingen nodig hebben voor toegang tot het spoorwegnet. Met het ondertekenen van de zogenoemde toegangsovereenkomst verbinden de spoorwegondernemingen zich aan de bepalingen in de netverklaring inzake het naleven van de milieuvergunning, aldus ProRail. Niet-spoorwegondernemingen verbinden zich volgens ProRail door middel van een opdrachtcontract waarin wordt verwezen naar de milieuvergunning. 15.
- Het college merkt in het verweerschrift op dat de vergunning in voldoende mate moet borgen dat ProRail invulling geeft aan haar verantwoordelijkheid. Het doel van voorschrift 1.2.2 is dat iedere individuele gebruiker van het spoorwegemplacement op de hoogte is van de aan de milieuvergunning verbonden voorschriften. ProRail kan dit uitbesteden door spoorwegondernemingen of contractaannemers in de netverklaring of een contract te verplichten hun personeel in te lichten. Wat de inhoud van de instructie betreft moet voor iedere individuele gebruiker duidelijk zijn wat wel en niet is toegestaan op grond van de milieuvergunning. Een verwijzing naar de van toepassing zijnde voorschriften is volgens het college in principe voldoende. 15.
- Duidelijk is dat voorschrift 1.2.2 beoogt risico’s voor het milieu te voorkomen en te beperken. Uit de strekking van voorschrift 1.2.2 volgt niet dat ProRail op grond van dit voorschrift verplicht is om zelf iedere individuele gebruiker van het spoorwegemplacement een schriftelijke instructie te overhandigen. Er is daarnaast geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van ProRail kan verlangen dat zij naast de reeds opgestelde netverklaring ook een instructie opstelt als bedoeld in voorschrift 1.2.
- Hetgeen ProRail aanvoert geeft gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten voorschrift 1.2.2 aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.
- In vergunningvoorschrift 1.4.1 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de vergunninghouder een registratiesysteem moet onderhouden waarin onder meer de volgende informatie moet zijn opgenomen: - de schriftelijke instructies voor de gebruikers van het spoorwegemplacement; - de actuele plattegrondtekening, zoals bedoeld in voorschrift 4.3.
- 16.
- ProRail stelt zich op het standpunt dat nu voorschrift 1.2.2 inzake de schriftelijke instructie voor gebruikers van het spoorwegemplacement en voorschrift 4.3.10 inzake het overleggen van een plattegrondtekening, niet in stand kunnen blijven, ook voorschrift 1.4.1, voor zover onder 16 weergegeven, niet in stand kan blijven. 16.
- Nu is geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de voorschriften 1.2.2 en 4.3.10 aan de vergunning te verbinden geeft hetgeen ProRail aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het niet ook in redelijkheid heeft kunnen besluiten voorschrift 1.4.1, voor zover onder 16 weergegeven, aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.
- In vergunningvoorschrift 2.2.1 is bepaald dat de volgende afvalstromen, die binnen de inrichting ontstaan, moeten worden gescheiden, gescheiden worden gehouden, gescheiden worden aangeboden en afgevoerd naar erkende verwerkers: - de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen, onderling en van andere afvalstoffen; - papier en karton; - hout; - elektrische en elektronische apparatuur; - kunststoffolie. 17.
- ProRail voert aan dat voorschrift 2.2.1 niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu en in ieder geval onevenredig bezwarend. Volgens ProRail wordt vrijkomend afval wel afgevoerd door of naar een erkende verwerker. Dit geschiedt echter met een tussenstap waarbij de procescontractaannemer het afval meeneemt naar zijn eigen locatie en het aldaar scheidt en door of naar een erkende verwerker laat afvoeren. Daarnaast zijn de storings- en onderhoudsbussen en auto’s niet geschikt om allerlei afval te scheiden op locatie, aldus ProRail. 17.
- Het college merkt in het bestreden besluit op dat in hoofdstuk 14 van het landelijk afvalbeheerplan als uitgangspunt wordt gehanteerd dat inrichtingen verplicht zijn afvalstoffen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Ongeacht de bedrijfssituatie moeten gevaarlijk afvalstoffen alsook papier en karton altijd worden gescheiden. Dit heeft het college aanleiding gegeven tot het stellen van voorschrift 2.2.
- 17.
- Gelet op de motivering van het college is er geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 2.2.1 niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Daarnaast geeft hetgeen ProRail aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het voor haar onevenredig bezwarend is om dit voorschrift na te leven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ProRail niet aannemelijk heeft gemaakt dat afval in de storings- of onderhoudsbussen niet gescheiden kan worden afgevoerd. Hetgeen ProRail aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dit voorschrift aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.
- In vergunningvoorschrift 3.2.1 is bepaald dat bij beëindiging van een bodembedreigende activiteit ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie moet zijn uitgevoerd. In vergunningvoorschrift 3.2.2 is bepaald dat het eindsituatiebodemonderzoek moet worden verricht op die locaties van de inrichting, die bij het nulsituatiebodemonderzoek, zoals vastgelegd in de rapportage oriënterend onderzoek NS-emplacement Born, documentnummer 1557-44565, locatienummer 216.001, revisie 03, oktober 2000, Oranjewoud, relevant zijn gebleken en op alle overige locaties in de inrichting, waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. 18.
- ProRail voert aan dat de voorschriften 3.2.1 en 3.2.2 niet noodzakelijk zijn in het belang van de bescherming van het milieu en onevenredig bezwarend. Zij stelt zich hiertoe op het standpunt dat deze voorschriften ten onrechte ook zien op de activiteiten ‘wagens met bodembedreigende stoffen’ en ‘het gebruik van bestrijdingsmiddelen’, nu uit de considerans van het bestreden besluit blijkt dat het college van oordeel is dat voor deze activiteiten geen aanvullende voorschriften in het kader van de bescherming van de bodem aan de vergunning hoeven te worden verbonden. Daarnaast stelt ProRail dat het bodemrisico voor transport van gevaarlijke stoffen conform de geldende vervoerswetgeving dermate beperkt is dat de verplichting dat bij beëindiging van een activiteit een terrein van 2 km lengte - dit betreft de lengte van het emplacement - aan een bodemonderzoek moet worden onderworpen, niet nodig is en leidt tot rechtsongelijkheid ten opzichte van het vervoer op de openbare infrastructuur. Tot slot stelt ProRail zich op het standpunt dat onduidelijk is hoe kan worden vastgesteld of een verontreiniging is ontstaan door de activiteiten waarvoor bij het bestreden besluit een vergunning is verleend, nu het eindsituatiebodemonderzoek niet alleen moet worden verricht op locaties die bij het nulsituatieonderzoek relevant zijn gebleken, maar ook op alle overige locaties in de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, aldus ProRail. 18.
- In het bestreden besluit is opgemerkt dat binnen de inrichting onder meer de volgende bodembedreigende activiteiten plaatsvinden: ‘wagens met bodembedreigende stoffen’ en ‘het gebruik van bestrijdingsmiddelen’. Volgens het bestreden besluit zijn aan de vergunning voor de hiervoor genoemde activiteiten geen voorschriften verbonden, omdat aan wagens met bodembedreigende stoffen in het kader van de vervoerswetgeving eisen worden gesteld en bestrijdingsmiddelen slechts minimaal worden gebruikt. Voorts is in het bestreden besluit opgemerkt dat om te kunnen controleren of de bedrijfsactiviteiten tot (een toename van) bodemverontreiniging hebben geleid, na beëindiging van deze activiteiten de bodem van de inrichting opnieuw moet worden onderzocht. Mogelijke bodemverontreinigingen kunnen dan worden verwijderd. 18.
- Dat in de considerans is opgemerkt dat aan de vergunning voor ‘wagens met bodembedreigende stoffen’ en ‘het gebruik van bestrijdingsmiddelen’ geen aanvullende voorschriften hoeven te worden verbonden betekent niet dat het eindsituatiebodemonderzoek niet tevens op deze activiteiten kan zien. Daarnaast blijkt uit de voorschriften 3.2.1 en 3.2.2 niet dat over de gehele lengte van het emplacement een bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden. Voorts valt niet in te zien waarom het voorschrijven van een bodemonderzoek tot rechtsongelijkheid leidt met het vervoer op de openbare infrastructuur nu dit vervoer en rangeeractiviteiten onvergelijkbare risico’s teweeg brengen. Tot slot is de Afdeling van oordeel dat het niet uitvoeren van een nulsituatiebodemonderzoek voor risico van ProRail dient te komen. Gelet hierop geeft hetgeen ProRail aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de voorschriften 3.2.1 en 3.2.2 aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.
- In voorschrift 4.2.1 is bepaald dat voor het behandelen van wagens met gevaarlijke stoffen bedieningsvoorschriften of procedures zijn opgesteld, waarin ten minste hetgeen in dit voorschrift is genoemd is opgenomen. 19.
- ProRail voert aan dat het college niet bevoegd was dit voorschrift te stellen, nu de aanvraag niet ziet op risico relevante gevaarlijke stoffen. Daarnaast stelt ProRail zich op het standpunt dat dit voorschrift niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu, nu in de Spoorwegwet en daarop gebaseerde regelgeving reeds bedieningsvoorschriften zijn opgenomen. 19.
- Hetgeen ProRail aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet bevoegd was om te bepalen dat bedieningsvoorschriften of procedures dienen te worden opgesteld voor het behandelen van wagens met gevaarlijke stoffen, wanneer op het emplacement geen risico relevante gevaarlijke stoffen worden behandeld. Daarnaast heeft ProRail niet geconcretiseerd dat hetgeen is voorgeschreven in voorschrift 4.2.1 in de Spoorwegwet en daarop gebaseerde regelgeving is voorschreven. Hetgeen ProRail aanvoert geen daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten voorschrift 4.2.1 aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.
- In vergunningvoorschrift 6.1.1 is bepaald dat alle installaties en voorzieningen steeds in goede staat verkeren en naar behoren functioneren. Dit moet regelmatig door middel van interne (apparaat)inspecties en/of testen worden gecontroleerd, waarbij de bevindingen schriftelijk worden vastgelegd. Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparaties, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. De vergunninghouder legt de frequentie van inspectie/onderhoud schriftelijk vast, indien de bevindingen daartoe aanleiding geven. De vergunninghouder is verplicht aan een daartoe door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar op diens verzoek dit registratiesysteem ter inzage te geven. 20.
- ProRail voert aan dat dit voorschrift ten onrechte aan de vergunning is verbonden nu dit onderwerp in de Spoorwegwet en daarop gebaseerde regelgeving afdoende is gereguleerd. Daarnaast is volgens ProRail onduidelijk wat onder ‘regelmatig’ en ‘intern’ moet worden verstaan en wat schriftelijk moet worden vastgelegd. Het college heeft volgens ProRail in een overleg naar voren gebracht dat wat wordt bedoeld met ‘regelmatig’ afhangt van wat getest en/of gecontroleerd wordt. Daarnaast heeft het college volgens ProRail naar voren gebracht dat inspecties of testen door ProRail dan wel in opdracht van ProRail kunnen worden uitgevoerd en dat ProRail de frequentie van de inspecties of het onderhoud ook kan laten vastleggen. Volgens ProRail dient het voorschrift in zoverre aangepast te worden. 20.
- ProRail heeft niet geconcretiseerd dat hetgeen is voorgeschreven in voorschrift 6.1.1 ook in de Spoorwegwet en daarop gebaseerde regelgeving is voorgeschreven. Voorts is de strekking van voorschrift 6.1.1 voldoende duidelijk. Gelet hierop geeft hetgeen ProRail aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten voorschrift 6.1.1, zoals dit voorschrift nu luidt, aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.
- ProRail voert aan dat de in bijlage 2 bij de vergunning opgenomen definities van de begrippen ADR, GEVI code, gevaarlijke stoffen, groepsrisico, insluitsysteem, invloedsgebied en plaatsgebonden risico niet in de vergunning opgenomen mogen worden. ProRail voert hiertoe onder meer aan dat de opgenomen definities onjuist zijn. 21.
- Hetgeen ProRail heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de definities van de begrippen onjuist zijn. Ook voor het overige geeft hetgeen ProRail aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten bijlage 2 aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt. Beroep [appellant sub 2] en [appellant sub 3] Eén inrichting
- [appellant sub 2] voert aan dat het spoorwegemplacement, het raccordement ten noorden van het emplacement en het industrieterrein Holtum Noord één inrichting vormen. Hij stelt zich hiertoe op het standpunt dat het spoorwegemplacement en het industrieterrein functioneel met elkaar zijn verbonden nu alle werkzaamheden op het emplacement uitsluitend worden uitgevoerd ten behoeve het industrieterrein en het raccordement en het emplacement fysiek in elkaars verlengde liggen. 22.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 februari 2012 in zaak nr. 201101770/A4) is voor de vraag of sprake is van één inrichting de aanvraag bepalend. De aanvraag ziet alleen op het spoorwegemplacement Born, zodat ervan uitgegaan dient te worden dat het raccordement en het industrieterrein Holtum Noord niet samen met het spoorwegemplacement één inrichting vormen. De beroepsgrond faalt. Beoordeling opstellen milieueffectrapport
- [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat ten onrechte geen beoordeling is gemaakt of een milieueffectrapport moest worden opgesteld (hierna: mer). In dit verband wijzen zij er onder meer op dat nog niet eerder een milieuvergunning is verleend voor het emplacement en dat het emplacement zich in de onmiddellijke nabijheid bevindt van dichtbebouwde stadsdelen. 23.
- In het Besluit milieu-effectrapportage 1994 zijn in onderdeel D van de bijlage activiteiten aangewezen ter zake waarvan in bepaalde gevallen moet worden beoordeeld of een mer moet worden gemaakt. De activiteit waarvoor vergunning wordt verleend is in deze bijlage niet genoemd, zodat niet beoordeeld hoefde te worden of een mer opgesteld diende te worden. De beroepsgrond faalt. Bestemmingsplan
- [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat verlening van de vergunning vermoedelijk in strijd is met het geldende bestemmingsplan en daarom geweigerd had dienen te worden. 24.
- Het college heeft in de Nota van zienswijzen, waarin de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen zijn behandeld, uitvoerig uiteen gezet dat zich geen strijd met het bestemmingsplan voordoet. De niet nader geconcretiseerde beroepsgrond van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college hier ten onrechte van is uitgegaan. De beroepsgrond faalt. Geluid
- [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning is verbonden waarin is voorgeschreven dat alle in het kader van de verlening van de vergunning opgestelde akoestische rapporten deel uitmaken van de vergunning. Zij merken in dit verband op dat deze rapporten dienen te worden betrokken bij de beoordeling van de geluidbelasting. 25.
- Er is geen wettelijke bepaling die hiertoe verplicht. Hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten een dergelijk voorschrift niet aan de vergunning te verbinden. De beroepsgrond faalt.
- [appellant sub 2] voert aan dat gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is opgemerkt over de van toepassing zijnde richtwaarden voor het omgevingsgeluid, bij het stellen van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aangesloten had dienen te worden bij de in de Handreiking gehanteerde richtwaarden voor een ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’. 26.
- Anders dan waarvan [appellant sub 2] lijkt uit te gaan is in het deskundigenbericht niet opgemerkt dat voor het stellen van de geluidgrenswaarden zonder meer kan worden aangesloten bij de te hanteren richtwaarden voor een ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’. Zoals hiervoor in 4.5 is overwogen is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid bij het stellen van de geluidgrenswaarden heeft kunnen besluiten aan te sluiten bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid. De beroepsgrond faalt.
- [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat het college bij het verlenen van de milieuvergunning onvoldoende rekening heeft gehouden met de geluidhinder vanwege het stationair draaien van de motoren van locomotieven. Ook wat betreft de overige activiteiten die op het emplacement plaatsvinden heeft het college volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] onvoldoende rekening gehouden met de geluidhinder die hiervan daadwerkelijk door omwonenden wordt ondervonden. Daarnaast stellen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zich op het standpunt dat het college bij het stellen van de voorschriften aansluiting had dienen te zoeken bij het convenant dat in 1999 is gesloten tussen onder meer de rechtsvoorgangers van ProRail en het college. Voorts ontbreekt volgens hen ten onrechte een voorschrift waarin is bepaald dat het gebruik van het emplacement in de nachtelijke uren en op zondag niet is toegestaan. 27.
- Het college heeft door het stellen van voorschrift 5.1.2, waarin is bepaald dat binnen de inrichting op zondag en van maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 en 07.00 uur geen rangeeractiviteiten en overstand mogen plaatsvinden, aangesloten bij het door [appellant sub 2] en [appellant sub 3] genoemde convenant van
- Het college heeft met het stellen van dit voorschrift beoogd de geluidhinder vanwege het langdurig draaien van motoren van locomotieven te beperken. Daarnaast heeft het college in de voorschriften 5.2.1 tot en met 5.2.6 geluidgrenswaarden gesteld voor de vergunde activiteiten die op het emplacement plaatsvinden. 27.
- Gelet op het bepaalde in voorschrift 5.1.2 mist het betoog van [appellant sub 2] en [appellant sub 3], dat het college ten onrechte geen aansluiting heeft gezocht bij het convenant uit 1999 en dat een voorschrift ontbreekt over het gebruik van het emplacement in de nachtelijke uren en op zondag, feitelijke grondslag. Hetgeen zij aanvoeren geeft voor het overige geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten te volstaan met het aan de vergunning verbinden van de in hoofdstuk 5 van de vergunning opgenomen geluidvoorschriften. De beroepsgrond faalt.
- [appellant sub 2] voert aan dat aan de vergunning ten onrechte geen voorschriften zijn verbonden over het te gebruiken materieel op het spoorwegemplacement. Hij vreest dat wanneer ander materieel wordt toegepast dan waarvan in de opgestelde akoestische rapporten wordt uitgegaan, niet wordt voldaan aan hetgeen is bepaald in de Circulaire "Beoordelingswijze piekgeluiden voor spoorwegemplacementen" (hierna: de Circulaire) over het toepassen van een strafkorting vanwege schrikreacties door de stijgsnelheid van een geluidgebeurtenis. 28.
- Het college heeft voor de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte piekgeluiden de Circulaire toegepast. Om te bewerkstelligen dat aan hetgeen hierin is bepaald wordt voldaan, is vergunningvoorschrift 5.2.2 aan de vergunning verbonden. In dit voorschrift is rekening gehouden met de stijgsnelheid van een geluidgebeurtenis. Hetgeen [appellant sub 2] aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten te volstaan met dit voorschrift ter voorkoming van onaanvaardbare hinder vanwege piekgeluiden. De beroepsgrond faalt. Veiligheid
- [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat het college ten onrechte de veiligheidsrisico’s vanwege het spoorverkeer buiten de inrichting niet heeft beoordeeld. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen zijn onder meer naar de uitspraak van de Afdeling 27 juni 2012 in zaak nr. 201101874/1/A4 waarin is overwogen dat het bevoegd gezag de veiligheidsrisico’s vanwege het spoorverkeer van en naar de inrichting bij de beoordeling van de vergunningaanvraag had dienen te betrekken. 29.
- Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met het verkeer van goederen van en naar de inrichting. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling zijn de gevolgen van verkeer buiten de inrichting aan de inrichting toe te rekenen, voor zover dit verkeer zich door zijn rijgedrag onderscheidt van ander verkeer dat zich op de betrokken weg, in dit geval: spoorweg, kan bevinden. 29.
- In het deskundigenbericht is opgemerkt dat vrijwel al het treinverkeer op de spoorlijn Sittard - Holtum Noord stopt op het spoorwegemplacement. Dit geldt zowel voor het doorgaande verkeer als het verkeer ten behoeve van de inrichting. Gelet hierop onderscheidt het treinverkeer buiten de inrichting ten behoeve van het emplacement zich niet van het doorgaande treinverkeer. Dit betekent dat de gevolgen van het treinverkeer buiten de inrichting ten behoeve van het emplacement, hieraan niet zijn toe te rekenen. Het college heeft hiermee terecht geen rekening gehouden bij het beoordelen van de veiligheidsrisico’s. De beroepsgrond faalt. Trillinghinder
- [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat het college bij de beoordeling van de aanvraag onvoldoende rekening heeft gehouden met trillinghinder vanwege het emplacement. 30.
- In vergunningvoorschrift 5.4.1 is bepaald dat de trillingen veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties en door de in de inrichting verrichte activiteiten en werkzaamheden, in geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan de streefwaarden uit de tabellen 3 (continu voorkomende trillingen gedurende langere tijd) en 4 (herhaald voorkomende trillingen gedurende langere tijd), (SBR-B, paragrafen 10.5.2 en 10.5.3.2) van de meet- en beoordelingsrichtlijn B, "Hinder voor personen in gebouwen", uitgave augustus 2002 van de Stichting Bouwresearch in Rotterdam. 30.
- In het deskundigenbericht is opgemerkt dat in vergunningvoorschrift 5.4.1 niet naar de juiste tabel uit de Meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de SBR, uitgave augustus 2002, deel B, Hinder voor personen in gebouwen (hierna: SBR-richtlijn B) is verwezen. Daarnaast is volgens het deskundigenbericht in het kader van de vergunningverlening niet nagegaan of aan de in de tabellen genoemde streefwaarden kan worden voldaan. 30.
- Het college merkt in de zienswijze over het deskundigenbericht op dat in voorschrift 5.4.1 abusievelijk de tabellen 3 en 4 zijn genoemd in plaats van tabel 2 van de SBR-richtlijn B. Voorts merkt het college op dat de belangrijkste bron die trillingen kan veroorzaken, het passeren van wissels door de rangerende treinen is. Uit trillingsonderzoeken in andere situaties blijkt dat buiten bepaalde richtafstanden geen trillinghinder zal optreden. In twee onderzoeken zijn volgens het college bijvoorbeeld richtafstanden gebruikt van 30 en 50 m vanaf een wissel in geval doorgaand treinverkeer met een hoge snelheid. Op het spoorwegemplacement Born wordt door de rangerende treinen met een snelheid van 20 km/uur gereden. Een afstand van 30 m vanaf de wissel is in deze situatie daarmee een afstand, waarbuiten in ieder geval geen trillinghinder zal optreden, aldus het college. Volgens het college zal, aangezien de afstand van wissels tot trillingsgevoelige bestemmingen nergens minder dan 30 m bedraagt, van de activiteiten op het spoorwegemplacement niet of nauwelijks trillinghinder worden ondervonden en kan worden voldaan aan de genoemde streefwaarden in tabel 2 van de SBR-richtlijn B. 30.
- Voor zover in voorschrift 5.4.1 de verkeerde tabellen zijn genoemd is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig genomen. Gelet op hetgeen het college heeft opgemerkt in de reactie op het deskundigenbericht is er geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan de op grond van de SBR-richtlijn B geldende streefwaarden kan worden voldaan. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de vergunning niet geweigerd hoefde te worden dan wel dat nog aanvullende voorschriften ten aanzien van trillinghinder aan de vergunning hadden dienen te worden verbonden. De beroepsgrond slaagt. 30.
- De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op na te melden wijze in de zaak te voorzien door voorschrift 5.4.1 te wijzigen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. Geurhinder
- [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat het college bij de beoordeling van de aanvraag onvoldoende rekening heeft gehouden met geurhinder vanwege het emplacement. 31.
- In het deskundigenbericht is opgemerkt dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de emissies van diesellocomotieven geen geurhinder kunnen veroorzaken. 31.
- Het college heeft in reactie op het deskundigenbericht het adviesbureau Royal Haskoning DHV opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren naar de geurbelasting vanwege de activiteiten op het spoorwegemplacement. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft Royal Haskoning DHV een notitie opgesteld. In deze notitie is een acceptabel geurhinderniveau bepaald, is de optredende geuremissie inzichtelijk gemaakt, is de geurbelasting in de omgeving berekend en is de berekende geurbelasting beoordeeld en getoetst aan het acceptabele hinderniveau. In de notitie is de conclusie getrokken dat de berekende geurbelasting voldoet aan het voorgestelde acceptabele geurhinderniveau. 31.
- [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben niet concreet gemotiveerd bestreden waarom op basis van de hiervoor genoemde notitie niet gesteld kan worden dat bij het in werking zijn van de inrichting geen acceptabel geurhinderniveau gewaarborgd is. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college wat betreft het geuraspect niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het bestreden besluit te nemen. De beroepsgrond faalt. Luchtkwaliteit
- [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat het college bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen vanwege het emplacement voor de luchtkwaliteit. Zij vrezen met name voor de toename van de concentratie van zwevende deeltjes (PM10). Zij voeren in dit verband aan dat het college bij de beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit ten onrechte niet is uitgegaan van een oprichtingssituatie. 32.
- Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen de bevoegdheid om te beslissen op de aanvraag om een milieuvergunning, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen in het geval dat de uitoefening, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen. In bijlage 2 zijn onder meer grenswaarden opgenomen voor zwevende deeltjes (PM10). 32.
- Het college stelt zich op het standpunt dat verlening van de vergunning voor het spoorwegemplacement niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie zwevende deeltjes (PM10) in de lucht, omdat het aantal diesel-tractie uren per jaar op het emplacement kleiner is dan 7.
- 32.
- Uit het bestreden besluit blijkt dat het college bij de beoordeling van de luchtkwaliteit is uitgegaan van een oprichtingssituatie. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben niet bestreden dat de vergunde activiteiten niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van zwevende deeltjes (PM10) in de buitenlucht. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid wat betreft het aspect luchtkwaliteit het bestreden besluit heeft kunnen nemen. De beroepsgrond faalt. Zienswijzen
- Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] aanvoeren dat het college ten onrechte niet is ingegaan op hun zienswijze over de bereikbaarheid van hun woningen, mist het beroepschrift feitelijke grondslag nu het college hierop in de Nota van zienswijzen wel is ingegaan. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zich voor het overige in hun beroepschrift beperken tot een verwijzing naar de over het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijzen, overweegt de Afdeling dat het college hierop in de Nota van zienswijzen is ingegaan. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen onjuist zou zijn. Handhaving
- Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen dat niet handhavend zal worden opgetreden wanneer niet wordt voldaan aan de gestelde vergunningvoorschriften, zien hun beroepschriften op het aspect handhaving en niet op de rechtmatigheid van het besluit tot verlening van de milieuvergunning voor het emplacement. Conclusie
- De beroepen zijn gegrond. Het besluit van 30 oktober 2012 dient te worden vernietigd voor zover het de voorschriften 4.1.2, 4.3.3, 5.1.2, 5.1.3, 5.2.3 en 5.4.1 betreft, voor zover het het bepaalde onder het vierde en het vijfde streepje van voorschrift 1.4.1 betreft en voor zover het de woorden "in elk geval" in de aanhef van voorschrift 4.1.1 en hetgeen is bepaald onder het vijfde streepje van dit voorschrift betreft. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op na te melden wijze in de zaak te voorzien door de vergunningvoorschriften 5.1.2, 5.2.3 en 5.4.1 te wijzigen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover vernietigd.
- Het college dient ten aanzien van ProRail, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen van 30 oktober 2012, voor zover het de voorschriften 4.1.2, 4.3.3, 5.1.2, 5.1.3, 5.2.3 en 5.4.1 betreft, voor zover het het bepaalde onder het vierde en vijfde streepje van voorschrift 1.4.1 betreft en voor zover het de woorden "in elk geval" in de aanhef van voorschrift 4.1.1 en hetgeen is bepaald onder het vijfde streepje van dit voorschrift betreft; III. bepaalt dat de voorschriften 5.1.2, 5.2.3 en 5.4.1 van de bij het besluit van 30 oktober 2012 verleende vergunning als volgt komen te luiden: Voorschrift 5.1.2: Binnen de inrichting mogen geen rangeeractiviteiten en overstand met langdurig draaiende motoren plaatsvinden: - op zondag; - van maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 en 07.00 uur. Voorschrift 5.2.3: Het maximale geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door het verrichten van kleinschalige onderhoudswerkzaamheden aan spoor, wissels en wisselverwarming, mag op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen op een waarneemhoogte 1,5 m in de dagperiode en 5 m in de avond- en nachtperiode niet meer bedragen dan - 60 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode); - 55 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode); - 50 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode). Voorschrift 5.4.1: De trillingen, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties en door de in de inrichting verrichte activiteiten en werkzaamheden, bedragen in geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan de streefwaarden uit tabel 2 (streefwaarden voor continue trillingen voor zowel nieuwe als bestaande situaties), (SBR-B, paragraaf 10.5.2) van de meet- en beoordelingsrichtlijn Richtlijn B, "Hinder voor personen in gebouwen", uitgave augustus 2002 van de Stichting Bouwresearch in Rotterdam. De meting van de trillingen en de beoordeling van de meetresultaten vinden ook volgens deze richtlijn plaats. IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 30 oktober 2012, voor zover vernietigd; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedragen van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt; gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen aan [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen aan [appellant sub 3] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat. w.g. Koeman w.g. Schoppers voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2014 578.