201205174/1/R
- Datum uitspraak: 22 januari 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellant sub 1], wonend te Son en Breugel,
- [appellant sub 2], wonend te Sint-Oedenrode,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GreenPlan B.V., gevestigd te Sint-Oedenrode, en anderen,
- [appellant sub 4], wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 5], wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 6], wonend te Beek en Donk, gemeente Laarbeek,
- [appellant sub 7], wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 8], wonend te Sint-Oedenrode, en anderen,
- [appellant sub 9], wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellante sub 10], gevestigd te Sint-Oedenrode, en [vennoot A] en [vennoot B] (hierna: [appellante sub 10] en anderen),
- [appellant sub 11], wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 12], h.o.d.n. [boomkwekerij], wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 13], wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 14], wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 15], wonend te Sint Oedenrode,
- [appellant sub 16A] en [appellante sub 16B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]), beiden wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 17], wonend te Sint-Oedenrode,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Brinvast B.V., gevestigd te Schijndel,
- [appellant sub 19A] en [appellant sub 19B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 19]), beiden wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 20]), beiden wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 21], wonend te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 22] h.o.d.n. [autobedrijf], wonend te Sint-Oedenrode,
- de vereniging Het Groene Hart Brabant, gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
- [appellante sub 24], gevestigd te Sint-Oedenrode,
- [appellant sub 25], wonend te Sint-Oedenrode,
- Staatsbosbeheer directie Zuid, gevestigd te Tilburg,
- [appellante sub 27], gevestigd te Sint-Oedenrode,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Spera Bouwprojecten B.V. en Okko Project (hierna tezamen en in enkelvoud: Spera), gevestigd te Eindhoven,
- [appellant sub 29A], [appellante sub 29B], [appellant sub 29C] en [appellant sub 29D] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 29]), allen wonend te Sint-Oedenrode,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forum Bouwmarkt en bouwmaterialen B.V., gevestigd te Sint-Oedenrode,
- [appellante sub 31], gevestigd te Sint-Oedenrode,
- [appellante sub 32], gevestigd te Sint Oedenrode,
- [appellante sub 33], gevestigd te Sint-Oedenrode, en de raad van de gemeente Sint-Oedenrode, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Oedenrode" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], GreenPlan, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 9], [appellante sub 10] en anderen, [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], Brinvast, [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 21], [appellant sub 22], Het Groene Hart, [appellante sub 24], [appellant sub 25], Staatsbosbeheer, [appellante sub 27], Spera, [appellant sub 29], Forum, [appellante sub 31], [appellante sub 32] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 en 20 augustus 2013, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen. De raad heeft ter zitting een nader stuk overgelegd. Overwegingen
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 32]
- [appellante sub 32] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid van buitenopslag op haar perceel [locatie 1]. Hiertoe betoogt [appellante sub 32] dat zij op dit perceel een milieustraat exploiteert en dat buitenopslag een vele jaren bestaande activiteit is die noodzakelijk is voor haar bedrijfsvoering. Daarnaast is voor de buitenopslag door het college van gedeputeerde staten een milieuvergunning verleend en is de buitenopslag landschappelijk ingepast door de aanleg van een aarden wal met beplanting. Ten aanzien van de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van buitenopslag betoogt [appellante sub 32] dat de maximaal toegestane hoogte van 5 m te gering is voor de opslag van snoeiafval en dat op grond van de milieuvergunning opslag van snoeiafval tot een hoogte van 7,5 m is toegestaan. 2.
- De raad stelt dat voor het toestaan van buitenopslag een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen in het plan, teneinde buitenopslag in het buitengebied nader te kunnen reguleren. Een hogere maatvoering dan 5 m voor buitenopslag acht de raad vanuit landschappelijk oogpunt in het algemeen niet wenselijk.
- Ingevolge artikel 6, lid 6.4.1, van de planregels wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van buitenopslag. 3.
- Ten behoeve van het gebruik van het perceel voor buitenopslag heeft het college van gedeputeerde staten een milieuvergunning verleend. In deze vergunning is buitenopslag van snoeiafval tot een hoogte van 7,5 m toegestaan. De buitenopslag is ruimtelijk ingepast door de aanleg van een aarden wal met beplanting. [appellante sub 32] heeft onbetwist gesteld dat de buitenopslag een gedurende vele jaren bestaande activiteit betreft en dat de buitenopslag noodzakelijk is voor haar bedrijfsvoering. Gelet op deze omstandigheden heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom buitenopslag op het perceel van [appellante sub 32] niet als zodanig is toegelaten en evenmin waarom het belang bij het begrenzen van de maximaal toelaatbare stapelhoogte op 5 m zwaarder weegt dan de bedrijfsbelangen van [appellante sub 32] bij de mogelijkheid van buitenopslag van snoeiafval op het perceel tot een hoogte van 7,5 m. Het plan is dan ook in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond.
- [appellante sub 32] stelt dat het bouwvlak niet overeenkomstig de zienswijzennota is aangepast. [appellante sub 32] acht de door haar beoogde verruiming van het bouwvlak noodzakelijk aangezien het perceel ter plaatse vrij ondiep is. 4.
- De raad stelt dat het bouwvlak is vastgesteld overeenkomstig de zienswijzennota en het voorheen geldende plan "Buitengebied 1997", zoals partieel herzien met het op 27 september 2007 vastgestelde plan "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 1997 Eversestraat". 4.
- In de door de raad vastgestelde zienswijzennota is hieromtrent opgenomen: "Vlak na terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan buitengebied is geconstateerd dat de partiële herziening van het bestemmingsplan buitengebied 1997 ten behoeve van onderhavig bedrijf niet juist en onvolledig is vertaald. Gelet hierop is aan reclamant voorgesteld een serie ambtshalve aanpassingen bij vaststelling door te voeren. Verwezen wordt naar het hoofdstuk ambtshalve aanpassingen voor wat betreft aanpassingen aan de verbeelding en de regels". De door [appellante sub 32] bedoelde verruiming van het bouwvlak is niet opgenomen in het hoofdstuk ambtshalve aanpassingen van de zienswijzennota. Het bouwvlak is dan ook overeenkomstig de door de raad vastgestelde zienswijzennota vastgesteld, zodat het bestreden besluit, anders dan [appellante sub 32] betoogt, in zoverre niet innerlijk tegenstrijdig is en derhalve niet in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. [appellante sub 32] heeft voorts geen aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat de raad het in het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 1997 Eversestraat" opgenomen bouwvlak niet in redelijkheid heeft kunnen overnemen. In dit verband acht de Afdeling van belang dat [appellante sub 32] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdig een concreet voornemen voor de inrichting van dit deel van het perceel aan het gemeentebestuur kenbaar heeft gemaakt. Het betoog faalt.
- [appellante sub 32] betoogt voorts dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" ten onrechte aan het perceel is toegekend, aangezien het een al jaren bestaand bedrijfsterrein betreft waar in de loop der jaren allerlei grond- en bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden zodat archeologische waarden niet worden verwacht. 5.
- De raad heeft aan zijn besluit de archeologische waardekaart en de archeologische verwachtingskaart uit het Erfgoedplan Sint-Oedenrode ten grondslag gelegd. Uit de archeologische verwachtingskaart volgt dat het perceel van [appellante sub 32] in een zone ligt waarvoor een hoge verwachting geldt, aldus de raad. De raad stelt dat deze dubbelbestemming echter niet tot aanvullende bouwregels of vergunningplichten leidt ten aanzien van percelen met de bestemming "Bedrijf", zodat de dubbelbestemming niet belastend is voor [appellante sub 32]. 5.
- Blijkens de verbeelding is aan het perceel de dubbelstemming "Waarde - Archeologie 1" toegekend. Ingevolge artikel 22, lid 22.2, onder a, van de planregels dient voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Ingevolge lid 22.2, onder b, kan, indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, het bevoegd gezag één of meerdere van de in dit artikellid genoemde voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. Ingevolge lid 22.2, onder c, is het bepaalde in sub a en b niet van toepassing binnen het bouwvlak en binnen de bestemmingsvlakken van de bestemmingen 'Bedrijf', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie', 'Sport’, en 'Wonen'. Ingevolge lid 22.4.1 is het binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in dit artikellid genoemde werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren. Ingevolge lid 22.4.2, aanhef en onder c, is het in lid 22.4.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke binnen het bouwvlak of binnen de bestemmingsvlakken van de bestemmingen 'Bedrijf', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie', 'Sport’, en 'Wonen' plaats vinden. 5.
- De Afdeling stelt vast dat het perceel van [appellante sub 32] volgens de archeologische verwachtingskaart in een zone met een hoge verwachting ligt. Overeenkomstig deze kaart is aan het perceel van [appellante sub 32] de dubbelbestemming toegekend die strekt tot bescherming van ter plaatse verwachte hoge archeologische waarden. Aangezien aan het perceel van [appellante sub 32] de bestemming "Bedrijf" is toegekend, leidt, gelet op artikel 22, leden 22.2, onder c, en 22.4.2, aanhef onder c, van de planregels, de toegekende dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" niet tot aanvullende onderzoeks- of vergunningplichten voor [appellante sub 32]. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toegekende dubbelbestemming niet onevenredig belastend is voor [appellante sub 32]. Het betoog faalt.
- Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover het plan niet voorziet in de mogelijkheid van buitenopslag op het perceel [locatie 1]. Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 22]
- [appellant sub 22] kan zich niet verenigen met de voor het perceel [locatie 2] vastgestelde planregeling. Hij betoogt dat, anders dan in zienswijzennota staat vermeld, in de tabel Bedrijven behorende bij artikel 6 van de planregels het adres [locatie 3] niet is gewijzigd in [locatie 2]. Voorts betoogt hij dat, anders dan in de zienswijzennota staat vermeld, geen definitie van het begrip ‘garagebedrijf’ is opgenomen. 7.
- In de zienswijzennota is vermeld dat in de tabel Bedrijven behorende bij artikel 6 van de planregels bij de aanduiding "sb-23" het adres [locatie 3] dient te worden gewijzigd in [locatie 2]. Voorts is in de zienswijzennota vermeld dat in de planregels een begripsbepaling wordt opgenomen voor ‘garagebedrijf’. Deze onderdelen uit de zienswijzennota zijn niet in het plan verwerkt. Nu de raad bij het bestreden besluit zowel het plan als de zienswijzennota heeft vastgesteld, is het besluit van de raad innerlijk tegenstrijdig en heeft de raad het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond.
- [appellant sub 22] betoogt dat in de tabel Bedrijven behorende bij artikel 6 van de planregels bij de aanduiding "sb-23" ten onrechte is vermeld dat ter plaatse van zijn perceel 1.090 m2 aan bebouwing is toegestaan, terwijl op grond van in 2004 en 2005 verleende bouwvergunningen bebouwing tot een oppervlakte van 1.215 m2 is toegestaan. 8.
- De raad stelt dat de vergunde oppervlakte van de bedrijfsbebouwing in totaal 1.160 m2 bedraagt en dat de tabel Bedrijven in zoverre dient te worden aangepast. 8.
- Tussen partijen is niet in geschil dat in het plan de oppervlakte van de op het perceel aanwezige, krachtens bouwvergunningen opgerichte bedrijfsbebouwing dient te worden opgenomen en dat deze oppervlakte meer bedraagt dan de in het plan opgenomen oppervlakte van 1.090 m
- Het plan is dan ook in zoverre vastgesteld in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van een plan te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond.
- [appellant sub 22] betoogt dat de op het perceel [locatie 3] gelegen woning ten onrechte is bestemd als bedrijfswoning. Hij stelt dat de woning niet als bedrijfswoning kan worden beschouwd aangezien het niet noodzakelijk is naast het autobedrijf te wonen. Voorts wijst hij op het perceel [locatie 4] te Sint-Oedenrode waar de raad eveneens een woonbestemming heeft toegekend aan een voormalige bedrijfswoning. Verder wijst [appellant sub 22] op twee voormalige agrarische bedrijfswoningen waaraan een woonbestemming is toegekend. Daarnaast betoogt [appellant sub 22] dat er geen ruimtelijke bezwaren zijn tegen een woonbestemming, aangezien de woning op een afstand van 33 m van het bedrijf staat. 9.
- De raad heeft toegelicht dat het gemeentelijk beleid erop is gericht bedrijfswoningen in beginsel slechts tot burgerwoningen te bestemmen bij volledige bedrijfsbeëindiging. Reden hiervoor is dat bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning een ruimtelijke eenheid vormen en dat burgerwoningen in het buitengebied kunnen leiden tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven. In overeenstemming met dit beleid heeft de raad de aanwezige woning als bedrijfswoning bestemd. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Hetgeen [appellant sub 22] aanvoert, geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitvoering van dit beleid zodanig onevenredige gevolgen heeft voor [appellant sub 22] dat de raad niet in redelijkheid aan de uitvoering van dit beleid vast heeft kunnen houden. 9.
- Ten aanzien van de door [appellant sub 22] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 4] heeft de raad onbetwist gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de op het perceel [locatie 4] als burgerwoning bestemde bedrijfswoning een tweede bedrijfswoning betrof en uit een door de eigenaar aangereikt onderzoek is gebleken dat een burgerwoning ter plaatse niet zal leiden tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering ter plaatse. De overige door [appellant sub 22] genoemde situaties betreffen volgens de raad voormalige agrarische bedrijfswoningen. In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 22] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.
- Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover: - het plan niet voorziet in een definitie van het begrip ‘garagebedrijf’; - in de tabel Bedrijven behorende bij artikel 6 van de planregels bij de aanduiding "sb - 23" het adres [locatie 3] in plaats van het adres [locatie 2] is vermeld en een oppervlakte van 1.090 m2 in plaats van de bestaande oppervlakte van de krachtens bouwvergunningen opgerichte bedrijfsgebouwen is vermeld. Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellante sub 31]
- [appellante sub 31] kan zich niet verenigen met de voor haar perceel [locatie 5] vastgestelde planregeling. Zij betoogt hiertoe dat haar bedrijf in overwegende mate is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven, zodat in het plan ten onrechte niet is vastgelegd dat haar bedrijf een volledig agrarisch verwant bedrijf betreft. Hierdoor heeft zij minder uitbreidingsmogelijkheden. In dit verband maakt zij een vergelijking met Central Point Brabant aan de Liempdseweg 31, een boomkwekerij en logistiek bedrijf, waaraan een agrarische bestemming is toegekend. 11.
- De raad stelt dat het bedrijf van [appellante sub 31] niet voldoet aan de definitie van agrarisch verwant bedrijf aangezien de bedrijfsactiviteiten niet in overwegende mate kunnen worden gekenmerkt als het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van landbouwkundige methoden. Uitsluitend het gedeelte van de bedrijfsoppervlakte dat wordt gebruikt voor bewortelingsactiviteiten, kan als agrarisch aanverwant worden aangemerkt, aldus de raad. Op grond van de verleende milieuvergunning is de oppervlakte van dat deel van het bedrijf bepaald op 920 m
- Voorts stelt de raad dat Central Point Brabant een boomkwekerij is met een ondergeschikte distributietak en daarom aan dit bedrijf de bestemming "Agrarisch" is toegekend. 11.
- Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 5] de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 12" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels in samenhang met de tabel Bedrijven zijn deze gronden bestemd voor een koelbedrijf/bewortelingsbedrijf/groothandel groente en fruit, waarvan 920 m2 agrarisch verwant en 8.180 m2 niet-agrarisch, met bijbehorende voorzieningen. Ingevolge lid 6.3.2 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 6.2.2 voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen waarbij moet worden voldaan aan de volgende bepalingen: […] c. Agrarisch technische hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven mogen uitbreiden met maximaal 25% van de aangegeven bebouwde oppervlakte; d. Niet-agrarische bedrijven mogen uitbreiden met maximaal 15% van de aangegeven bebouwde oppervlakte, met dien verstande dat de oppervlakte van het bestemmingsvlak maximaal 5.000 m2 mag bedragen, indien gelegen in de 'groenblauwe mantel'; Ingevolge lid 1.16 wordt onder een agrarisch technisch hulpbedrijf verstaan een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten waarbij gemechaniseerd loonwerk ten behoeve van land-, tuin-, bos- of natuurbouw wordt verricht of waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, tuin-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Voorbeelden van agrarisch technische hulpbedrijven zijn: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven. Ingevolge artikel 1, lid 1.17 wordt onder een agrarisch verwant bedrijf verstaan een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn: pensionstalling, dierenasiels, dierenklinieken, groen-composteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs, proefbedrijven. 11.
- Op het bedrijf van [appellante sub 31] worden producten opgeslagen die voor het grootste deel afkomstig zijn uit de agrarische sector, zoals groente, fruit, pootaardappelen, planten en boomkwekerijproducten. Daarnaast bestaan de bedrijfsactiviteiten uit een groothandel in groente en fruit, waarbij tevens wordt bemiddeld bij verkoop van agrarische producten door telers en kopers bij elkaar te brengen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat deze bedrijfsactiviteiten niet voldoen aan de definitie van agrarisch verwant bedrijf, nu de bedrijfsactiviteiten niet in overwegende mate kunnen worden gekenmerkt als het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van landbouwkundige methoden. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ter bepaling van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing die voor de bewortelingsactiviteiten wordt gebruikt niet in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de verleende milieuvergunning. De omstandigheid dat ook andere delen van het bedrijf zo nodig kunnen worden ingericht ten behoeve van de bewortelingsactiviteiten leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt. 11.
- Over de door [appellante sub 31] gemaakte vergelijking met het bedrijf aan de Liempdseweg 31 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat dit bedrijf in hoofdzaak een boomkwekerij betreft met ondergeschikte distributieactiviteiten. In hetgeen [appellante sub 31] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 31] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.
- Voorts betoogt [appellante sub 31] dat reeds tientallen jaren buitenopslag plaatsvindt op het perceel en dat op 12 februari 2012 hieromtrent een gesprek met de wethouder heeft plaatsgevonden. Van de zijde van het gemeentebestuur is toen te kennen gegeven dat geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen buitenopslag op het perceel, zodat dit gebruik ten onrechte niet als zodanig is toegestaan. 12.
- [appellante sub 31] heeft gesteld dat reeds 40 jaar buitenopslag plaatsvindt op het perceel. Voorts heeft [appellante sub 31] gesteld dat het aan het bedrijf gerelateerde opslag betreft van onder meer pallets en kisten en dat de buitenopslag noodzakelijk is voor haar bedrijfsvoering. De buitenopslag vindt achter de bedrijfsbebouwing plaats en wordt afgeschermd door een beukenhaag. De raad heeft met de enkele verwijzing naar de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid onvoldoende gemotiveerd waarom buitenopslag niet als zodanig in het plan kan worden toegestaan op het perceel [locatie 5]. Het plan is dan ook in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond.
- [appellante sub 31] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een regeling op grond waarvan de op het perceel aanwezige weegbrug tevens door derden gebruikt kan worden. Het gebruik door derden leidt niet tot milieuhinder ter plaatse, aldus [appellante sub 31]. Voorts maakt [appellante sub 31] een vergelijking met twee andere percelen waarop weegbruggen voor algemeen gebruik worden geëxploiteerd. 13.
- De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij momenteel onderzoekt of het gebruik van de weegbrug door derden kan worden toegestaan. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan het eerst na vaststelling van het plan mogelijk was voormeld onderzoek te doen. Het plan is dan ook in zoverre vastgesteld in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van een plan te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond.
- Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover het plan niet voorziet in de mogelijkheid van buitenopslag op het perceel [locatie 5] en in het gebruik van de weegbrug door derden. Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellante sub 27]
- [appellante sub 27] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid van buitenopslag op haar perceel [locatie 6]. Hiertoe betoogt zij dat buitenopslag bestaand legaal gebruik betreft waarvoor in 2006 een vergunning met vrijstelling is verleend. 15.
- Bestaand legaal gebruik dient in het algemeen als zodanig te worden bestemd. Op dit uitgangspunt kan onder meer een uitzondering worden gemaakt indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet dan met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode van tien jaar zal worden verwezenlijkt. De raad heeft met de enkele verwijzing naar de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid onvoldoende gemotiveerd waarom buitenopslag niet als zodanig in het plan kan worden toegestaan op het perceel [locatie 6]. Het plan is dan ook in zoverre ontoereikend gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van de Awb vastgesteld. Het beroep is gegrond.
- Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het plan niet voorziet in de mogelijkheid van buitenopslag op het perceel [locatie 6]. Het beroep van Forum
- Forum betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een definitie van ‘bouwmarkt’ en dat de activiteiten timmerwerkplaats, houtzagerij en vuurwerkopslag tot 10 ton ten onrechte niet zijn opgenomen in de gebruiksregels voor het perceel Liempdseweg
- 17.
- De raad stelt dat overeenkomstig de vastgestelde zienswijzennota bedoeld is te voorzien in de door Forum gewenste definitie van het begrip ‘bouwmarkt’ en de activiteiten timmerwerkplaats, houtzagerij en vuurwerkopslag tot 10 ton als zodanig in de gebruiksregels op te nemen, maar dat deze wijzigingen ten onrechte niet in het plan zijn verwerkt. Uit de door de raad vastgestelde zienswijzennota volgt dat een begripsbepaling voor bouwmarkt zal worden opgenomen en dat zal worden voorzien in voornoemde gebruiksregel. Nu de inhoud van de zienswijzennota in zoverre niet in de planregels is verwerkt, is het plan innerlijk tegenstrijdig en heeft de raad het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond.
- Forum kan zich voorts niet verenigen met het plan voor zover het niet voorziet in de mogelijkheid van buitenopslag op het perceel Liempdseweg
- Zij stelt hiertoe dat sprake is van reeds tientallen jaren bestaand gebruik dat bovendien is geregeld in een milieu- en gebruiksvergunning, zodat de buitenopslag ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht. 18.
- Forum heeft onbetwist gesteld dat op het terrein reeds 40 jaar een bouwmarkt en bouwmaterialenhandel met buitenopslag is gevestigd. Forum heeft voorts een tekening met een terreinindeling overgelegd, behorende bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 13 januari 2004 waarbij de milieu- en gebruiksvergunning is vernieuwd, waarop de buitenopslag is ingetekend. Verder heeft Forum onbetwist gesteld dat de buitenopslag achter de bedrijfsbebouwing plaatsvindt en door een beplantingsstrook aan het zicht wordt onttrokken. De raad heeft met de enkele verwijzing naar de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid onvoldoende gemotiveerd waarom buitenopslag niet als zodanig in het plan kan worden toegestaan op het perceel Liempdseweg
- Het plan is dan ook in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond.
- Forum betoogt voorts dat de raad ten onrechte niet de bestemming "Wonen" aan de op het perceel aanwezige bedrijfswoningen heeft toegekend. Hiertoe betoogt Forum dat beide bedrijfswoningen niet langer noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de bouwmarkt. Daarnaast zal de bestemming "Wonen" ter plaatse geen belemmeringen meebrengen voor de bedrijfsvoering van de bouwmarkt, aldus Forum. Forum wijst erop dat aan de [locatie 4] te Sint-Oedenrode aan één van de twee bedrijfswoningen wel de bestemming "Wonen" is toegekend. 19.
- Over de door Forum gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 4] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de op het perceel [locatie 4] als burgerwoning bestemde bedrijfswoning een tweede bedrijfswoning betrof en uit onderzoek is gebleken dat een burgerwoning ter plaatse niet leidt tot een belemmering van de bedrijfsvoering. In hetgeen Forum heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door Forum genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. 19.
- De raad heeft toegelicht dat het gemeentelijk beleid erop is gericht bedrijfswoningen in beginsel slechts tot burgerwoningen te bestemmen bij volledige bedrijfsbeëindiging. Reden hiervoor is dat bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning een ruimtelijke eenheid vormen en dat burgerwoningen in het buitengebied kunnen leiden tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven. In overeenstemming met dit beleid heeft de raad de aanwezige woning als bedrijfswoning bestemd. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Hetgeen Forum aanvoert, geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitvoering van dit beleid zodanig onevenredige gevolgen heeft voor Forum dat de raad niet in redelijkheid aan de uitvoering van dit beleid vast heeft kunnen houden.
- Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover: - het plan niet voorziet in een definitie van het begrip ‘bouwmarkt’; - de activiteiten timmerwerkplaats, houtzagerij en vuurwerkopslag tot 10 ton niet in de gebruiksregels zijn opgenomen; en - het plan niet voorziet in de mogelijkheid van buitenopslag op het perceel Liempdseweg
- Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van Betonfabriek Het perceel Nijnselseweg 38
- Betonfabriek kan zich niet verenigen met de voor haar perceel Nijnselseweg 38 vastgestelde planregeling. Hiertoe betoogt Betonfabriek dat anders dan in het op 25 juni 2009 vastgestelde plan "Partiële herziening [betonwarenfabriek], Nijnselseweg 38 Sint-Oedenrode" buitenopslag niet is toegestaan en dat buitenopslag essentieel is voor de bedrijfsvoering van Betonfabriek. 21.
- Uit pagina 195 van de door de raad vastgestelde zienswijzennota volgt dat een gebruiksregel zal worden opgenomen op grond waarvan buitenopslag op het perceel Nijnselseweg 38 is toegestaan. Nu de inhoud van de zienswijzennota in zoverre niet in de planregels is verwerkt, is het plan innerlijk tegenstrijdig en heeft de raad het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond.
- Betonfabriek betoogt dat ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" aan haar perceel is toegekend, aangezien de bodem reeds verstoord is en in het vorige plan geen archeologische dubbelbestemming aan de gronden was toegekend. 22.
- De raad heeft aan zijn besluit de archeologische waardekaart en de archeologische verwachtingskaart uit het Erfgoedplan Sint-Oedenrode ten grondslag gelegd. Uit de archeologische verwachtingskaart volgt dat het perceel van Betonfabriek in een zone ligt waarvoor een hoge verwachting geldt, aldus de raad. De raad stelt dat deze dubbelbestemming echter niet tot aanvullende bouwregels of vergunningplichten leidt ten aanzien van percelen met de bestemming "Bedrijf", zodat de toegekende dubbelbestemming niet belastend is voor Betonfabriek. 22.
- Blijkens de verbeelding is aan het perceel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" toegekend. Ingevolge artikel 22, lid 22.2, onder a, van de planregels dient voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Ingevolge lid 22.2, onder b, kan, indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, het bevoegd gezag één of meerdere van de in dit artikellid genoemde voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. Ingevolge lid 22.2, onder c, is het bepaalde in sub a en b niet van toepassing binnen het bouwvlak en binnen de bestemmingsvlakken van de bestemmingen 'Bedrijf', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie', 'Sport’, en 'Wonen'. Ingevolge lid 22.4.1 is het binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in dit artikellid genoemde werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren. Ingevolge lid 22.4.2, aanhef en onder c, is het in lid 22.4.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke binnen het bouwvlak of binnen de bestemmingsvlakken van de bestemmingen 'Bedrijf', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie', 'Sport’, en 'Wonen' plaats vinden. 22.
- De Afdeling stelt vast dat volgens de archeologische verwachtingskaart het perceel van Betonfabriek in een zone met een hoge verwachting ligt. Overeenkomstig deze kaart is aan het perceel van Betonfabriek de dubbelbestemming toegekend die strekt tot bescherming van de verwachte hoge archeologische waarden. Aangezien aan het perceel van Betonfabriek de bestemming "Bedrijf" is toegekend, leidt, gelet op artikel 22, leden 22.2, onder c, en 22.4.2, aanhef onder c, van de planregels, de toegekende dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" niet tot aanvullende onderzoeks- of vergunningplichten voor Betonfabriek. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toegekende dubbelbestemming niet onevenredig belastend is voor Betonfabriek. Het betoog faalt. Het perceel Nijnselseweg 42/42a
- Betonfabriek kan zich voorts niet verenigen met de voor het perceel Nijnselseweg 42/42a vastgestelde planregeling voor zover deze voorziet in een zelfstandige woonbestemming voor Nijnselseweg 42a en de mogelijkheid van de bouw van een tweede bouwlaag op dit gebouw. Betonfabriek vreest dat zij hierdoor in haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd. Hiertoe betoogt Betonfabriek dat het perceel Nijnselseweg 42/42a op enkele meters ligt van het bedrijf van Betonfabriek. Volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) geldt voor betonwarenfabrieken een richtafstand van ten minste 200 m tot gevoelige objecten, aldus Betonfabriek. De raad is dan ook ten onrechte tot het oordeel gekomen dat zij niet in haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd, aldus Betonfabriek. Betonfabriek betoogt voorts dat het college de geluidbelasting op een hoogte van 5 m ter plaatse van de gevel van Nijnselseweg 42a niet heeft onderzocht en dat de geluidcontour van het bedrijf van Betonfabriek dan ook ten onrechte op de gevel van de woning Nijnselseweg 42a is gelegd. Betonfabriek wijst erop dat in het vorige voor dit perceel geldende plan de geluidzone wel over de woning Nijnselseweg 42a was gelegd. Verder betoogt Betonfabriek dat de planregel die bepaalt dat de verdieping van het bijgebouw buiten het bouwvlak Nijnselweg 42a niet mag worden gebruikt voor geluidgevoelige functies/vertrekken niet handhaafbaar is. In dit verband wijst Betonfabriek op een reeds aangevraagde vergunning die de bouw van een verdieping met een geluidgevoelige functie mogelijk maakt. 23.
- De raad stelt dat een haalbaarheidsonderzoek is uitgevoerd voor de legalisatie van de in Nijnselseweg 42 en 42a gesplitste woning, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de door SRE Milieudienst opgestelde ruimtelijke onderbouwing van 12 januari
- Uit dit haalbaarheidsonderzoek volgt dat, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Nijnselseweg 42a kan worden gewaarborgd en dat deze woning niet zal leiden tot een beperking voor het bedrijf van Betonfabriek. De bedoelde voorwaarden zijn in het plan verwerkt, aldus de raad. De raad stelt voorts dat de geluidbelasting op een hoogte van 5 m ter plaatse van de achtergevel van Nijnselseweg 42a is berekend op 49,5 dB(A) en dat de geluidbelasting vanwege het bedrijf van Betonfabriek op de achtergevel van Nijnselseweg 42a derhalve onder de voor industrielawaai geldende grenswaarde blijft. Volgens de raad bestaat dan ook geen noodzaak om in het plan uit te sluiten dat een verdieping op de woning Nijnselseweg 42a kan worden gerealiseerd. 23.
- Ingevolge 44 van de Wet geluidhinder is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het betrokken industrieterrein, van de gevel van woningen binnen een krachtens artikel 40 vast te stellen zone 50 dB(A). 23.
- Blijkens de verbeelding is aan het perceel Nijnselseweg 42/42a de bestemming "Wonen" en de aanduiding "twee-aaneen" toegekend. Ingevolge artikel 20, lid 20.1, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor wonen. Ingevolge lid 20.2.1, onder a, is per bestemmingsvlak bebouwing ten behoeve van niet meer dan één woning toegestaan, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' twee-aaneen gebouwde woningen mogen worden gebouwd. Indien tussen bouwvlakken de aanduiding 'relatie' is aangegeven worden deze bouwvlakken aangemerkt als één bouwvlak. Ingevolge lid 20.4.2 mag op het perceel Nijnselseweg 42/42a de verdieping van bijgebouwen buiten het bouwvlak niet worden gebruikt voor geluidsgevoelige functies/vertrekken. 23.
- De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de VNG-brochure is vastgesteld, nu de raad de VNG-brochure niet ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit voor zover het betreft de planregeling voor de Nijnselseweg 42/42a. De Afdeling stelt vast dat uit de ruimtelijke onderbouwing van 12 januari 2012 volgt dat de geluidbelasting ten gevolge van het bedrijf van Betonfabriek op de achtergevel van de woning Nijnselseweg 42a op zowel 1,5 m hoogte als 5 m hoogte is berekend. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt 42,6 dB(A) onderscheidenlijk 49,5 dB(A). Het betoog van Betonfabriek dat de raad de geluidbelasting op een hoogte van 5 m niet heeft onderzocht, mist dan ook feitelijke grondslag. Betonfabriek heeft de uitkomsten van de ruimtelijke onderbouwing en de daaraan ten grondslag liggende berekeningen niet bestreden. Gelet op de uitkomsten van de ruimtelijke onderbouwing bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de geluidcontour van het bedrijf van Betonfabriek ten onrechte op de gevel van de woning Nijnselseweg 42/42a is gelegd en evenmin voor het oordeel dat het plan ten onrechte de bouw van een verdieping op de woning Nijnselseweg 42a mogelijk maakt. 23.
- Een vergunningaanvraag voor de bouw van een verdieping op een bijgebouw buiten het bouwvlak dient te worden getoetst aan artikel 20, lid 20.4.2, van de planregels. In hetgeen Betonfabriek heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat artikel 20, lid 20.4.2, van de planregels niet handhaafbaar is. Dat volgens Betonfabriek reeds een vergunning is aangevraagd voor een verdieping met geluidgevoelige functies leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu die vergunningaanvraag ziet op een verdieping op de woning Nijnselseweg 42a. Conclusie
- Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover het plan niet voorziet in de mogelijkheid van buitenopslag op het perceel Nijnselseweg
- Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 29]
- Het beroep van [appellant sub 29] is gericht tegen de aanduiding "wonen uitgesloten" die aan een deel van de gronden op het perceel [locatie 7] is toegekend. [appellant sub 29] voert aan dat deze aanduiding ten onrechte is toegekend aan een deel van de woonboerderij, vanwege de aanwezigheid van een intensieve veehouderij aan de overzijde van de weg. De afstand tussen de voorgevel van de woonboerderij en de grens van de inrichting aan de [locatie 8] is volgens [appellant sub 29] ongeveer 60 m. Hiermee wordt volgens [appellant sub 29] voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv), waardoor er geen noodzaak is het gebruik voor woondoeleinden in een deel van het pand uit te sluiten. Dit is volgens [appellant sub 29] bevestigd in een uitspraak van de rechtbank Den Bosch over een geweigerd projectbesluit. Voorts betoogt [appellant sub 29] dat ten onrechte persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is op het perceel [locatie 7]. Ter plaatse is volgens [appellant sub 29] reeds enkele jaren geen sprake meer van een agrarisch bedrijf en het is onredelijk jegens [appellant sub 29D] en [appellant sub 29C] die mede-eigenaars zijn, maar niet als hoofdbewoners worden aangemerkt waardoor het overgangsrecht niet op hen van toepassing is. Verder voert [appellant sub 29] aan dat een deel van de gronden met de bestemming "Agrarisch" de bestemming "Wonen" dient te krijgen, omdat dit onderdeel is van het voormalige bouwvlak, verhard is en het bijgebouw in gebruik is voor de stalling van landbouwwerktuigen. Daarnaast is het beroep gericht tegen de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" die aan een deel van de gronden is toegekend. Dit deel van het perceel behoort volgens [appellant sub 29] tot het voormalige agrarische bouwvlak, is altijd in gebruik geweest voor extensieve agrarische doeleinden en het heeft geen landschappelijke of natuurwaarden. 25.
- De raad wijst er op dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Oedenrode op 19 februari 2013 een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, heeft genomen ten behoeve van het verlenen van een bouwvergunning voor de verbouw van de agrarische bedrijfswoning tot burgerwoning op het perceel [locatie 7]. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het projectbesluit integraal opgenomen zal worden in een herziening van het plan. Uitgaande van het projectbesluit van 19 februari 2013, dat onherroepelijk is, stelt de raad zich thans op het standpunt dat de aanduiding "wonen uitgesloten" en het persoonsgebonden overgangsrecht dienen te vervallen en dat het bestemmingsvlak voor "Wonen" ten noorden van de woning overeenkomstig het projectbesluit wordt vergroot. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat ook de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" dat aan een deel van het perceel ten noordoosten van de woning is toegekend als gevolg van het projectbesluit dient te worden gewijzigd in de bestemming "Agrarisch". 25.1.
- De raad heeft zich aldus op een ander standpunt gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Gelet daarop dient te worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft deze onderdelen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" dat ziet op het perceel [locatie 7], alsmede voor zover de bestemming "Agrarisch" is toegekend aan het deel van perceel [locatie 7] dat is gearceerd op de bij deze uitspraak behorende kaart nr. 1, voorts voor zover de aanduiding "wonen uitgesloten" is toegekend aan het perceel [locatie 7] en tevens voor zover het adres [locatie 7] wordt genoemd in de tabel persoonsgebonden overgangsrecht bij artikel 35, lid 35.3, van de planregels. 25.
- Voorts richt het beroep zich tegen de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" die aan het perceel zijn toegekend. Het is volgens [appellant sub 29] onzorgvuldig dat de dubbelbestemmingen elkaar deels overlappen. 25.2.
- Ter zitting heeft de raad erkend dat de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" op de verbeelding abusievelijk overlap vertonen. De Afdeling oordeelt dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is gegrond. Nu de raad niet heeft kunnen verduidelijken aan welk deel van het perceel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en aan welk deel van het perceel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" had moeten worden toegekend, dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover dit het plandeel met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" betreft, voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 7]. Het beroep van [appellant sub 21]
- [appellant sub 21] is eigenaar van vier woningen aan de [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12]. Volgens hem is aan de woningen ten onrechte zowel de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - drie-aaneen" als de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vae" toegekend. Bovendien is laatstgenoemde aanduiding volgens hem ten onrechte niet vertaald in de planregels. Verder voert [appellant sub 21] aan dat ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" is toegekend aan zijn gronden, omdat naar aanleiding van de zienswijze is besloten deze aanduiding te verwijderen. 26.
- De raad heeft erkend dat de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - drie-aaneen" abusievelijk is toegekend aan de gronden van [appellant sub 21]. Nu voorts moet worden vastgesteld dat de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vae" niet in de planregels is gedefinieerd en daarom betekenis mist, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij de aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - drie-aaneen" en "specifieke vorm van wonen - vae" zijn toegekend aan de percelen [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12]. De aanduidingen dienen tevens te worden vernietigd voor zover deze zijn toegekend aan het perceel [locatie 13], omdat deze onlosmakelijk samenhangen met de aanduidingen die zijn toegekend aan de percelen [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12]. 26.
- Voorts heeft de raad erkend dat aan de gronden van [appellant sub 21] abusievelijk persoonsgebonden overgangsrecht is toegekend door middel van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" op de verbeelding en het opnemen van deze adressen in de tabel bij artikel 35, lid 35.3 van de planregels. Gelet hierop is het bestreden besluit ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep is ook op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" is toegekend aan de percelen [locatie 9], [locatie 10], [locatie 11] en [locatie 12], en voor zover de adressen [locatie 9] en [locatie 11] zijn opgenomen in de tabel bij artikel 35, lid 35.3 van de planregels. Het beroep van Spera
- Het beroep van Spera is gericht tegen het toekennen van de bestemming "Bos" aan een deel van de gronden op het perceel Nijnselseweg
- De bestemming "Bos" is volgens Spera uit het vorige plan overgenomen, maar nooit als zodanig gerealiseerd. Spera betoogt dat het perceel in gebruik is als weiland voor extensieve agrarische doeleinden. Het is volgens Spera uitgesloten dat de gronden binnen de planperiode als bos in gebruik zullen worden genomen. Spera voert ook aan dat het desbetreffende deel van het perceel, anders dan de raad stelt, niet behoort tot de EHS. De bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" komt volgens Spera overeen met de feitelijke situatie en brengt voorts geen schade toe aan de naastgelegen EHS. 27.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Bos" voor het desbetreffende deel van het perceel is overgenomen uit het vorige plan "Bedrijvenlokatie Nijnselseweg - Zuid". Ter zitting heeft de raad erkend dat de gronden buiten de EHS liggen. 27.
- Niet in geschil is dat het bestreden deel van het perceel niet als bos in gebruik is, maar als weiland. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het vorige plan viel het gebruik als weiland onder het overgangsrecht van dat plan. Gelet op artikel 35, lid 35.2, van het voorliggende plan is het gebruik thans opnieuw onder het overgangsrecht gebracht. 27.2.
- Onder omstandigheden kan het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van het bestaande gebruik van gronden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat aannemelijk is dat deze vorm van gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dit is evenwel in dit geval niet aannemelijk gemaakt. Spera heeft ter zitting toegelicht de gronden niet als bos in gebruik te zullen nemen en de raad heeft ter zitting gesteld de realisering van de bestemming "Bos" niet af te dwingen. Gelet hierop heeft de raad niet in redelijkheid het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen. Dit betekent niet dat het gebruik als weiland als zodanig had moeten worden bestemd, nu gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen kan doen ontstaan dat het gebruik als zodanig wordt bestemd. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het gebruik als weiland op zichzelf niet op ruimtelijke bezwaren stuit. Indien de raad niettemin van mening is dat het als zodanig bestemmen van het feitelijke gebruik niet mogelijk is, had het op de weg van de raad gelegen te bezien of voor het gebruik een uitsterfregeling in het plan had kunnen worden opgenomen. Nu de raad niet in redelijkheid het gebruik van de gronden als weiland opnieuw onder het overgangsrecht heeft kunnen brengen en de raad evenmin heeft bezien of voor deze gronden in het plan een andere regeling had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover dit het plandeel met de bestemming "Bos" betreft, voor zover betrekking hebbend op het deel van het perceel Nijnselseweg 26 dat in gebruik is als weiland, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart nr.
- Het beroep van [appellant sub 17]
- [appellant sub 17] exploiteert aan de [locatie 14] een groepsaccommodatie. Aan een weiland ten noordwesten van de groepsaccommodatie is ten onrechte de bestemming "Natuur" toegekend, aldus [appellant sub 17]. De raad heeft in de beantwoording van de inspraakreacties volgens [appellant sub 17] gesteld de bestemming van dit perceel overeenkomstig zijn verzoek te wijzigen in "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden". Deze wijziging is echter ten onrechte niet op de verbeelding aangebracht. Verder betoogt [appellant sub 17] dat de kanouitstapplaats aan de oever van de Dommel bij het hiervoor bedoelde weiland ten onrechte niet als zodanig is bestemd. De raad heeft de kanouitstapplaats weliswaar als zodanig willen bestemmen volgens [appellant sub 17], maar de aanduiding "specifieke vorm van bos - kano uitstapplaats" is niet op de juiste plaats op de verbeelding ingetekend en de aanduiding moet volgens [appellant sub 17] worden vervangen door de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - kano uitstapplaats". 28.
- De raad erkent dat abusievelijk aan het perceel [locatie 14] gedeeltelijk de bestemming "Natuur" is toegekend en dat de aanduiding "specifieke vorm van bos - kano uitstapplaats" op de verkeerde locatie op de verbeelding is ingetekend. 28.
- Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 14], alsmede de aanduiding "specifieke vorm van bos - kano uitstapplaats". Het beroep van Staatsbosbeheer
- Het beroep van Staatsbosbeheer is gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van bos - kano uitstapplaats", die is toegekend aan gronden in haar eigendom ten zuiden van de groepsaccommodatie van [appellant sub 17]. Staatsbosbeheer stelt onder meer dat zich ter plaatse geen kano-uitstapplaats bevindt en dat zij als eigenaar en beheerder van de gronden het medegebruik als kano-uitstapplaats niet gewenst acht. 29.
- De raad stelt dat de op de verbeelding opgenomen aanduiding voor de kano-uitstapplaats niet juist is gesitueerd. 29.
- Zoals onder 28.1 is overwogen, is het bestreden besluit wat betreft de aanduiding voor de kano-uitstapplaats niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep is gegrond. Het beroep van [appellant sub 8] en anderen
- [appellant sub 8] en anderen richten het beroep tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie" voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 14], alwaar [appellant sub 17] een groepsaccommodatie exploiteert. Zij voeren aan dat het plan ten onrechte zelfstandige horeca op het perceel van [appellant sub 17] toestaat, nu de eerder verleende vrijstelling dit gebruik uitsluit. Bovendien is ondersteunende horeca toegestaan en het toestaan van zowel zelfstandige als ondersteunende horeca maakt volgens [appellant sub 8] en anderen handhaving onmogelijk. De planregels voor ondersteunende horeca zijn voorts volgens [appellant sub 8] en anderen onduidelijk, omdat in de zienswijzennota deze regels worden tegengesproken. Verder biedt de planregeling volgens [appellant sub 8] en anderen ten onrechte ruimere gebruiksmogelijkheden dan de vrijstelling. Gezien de overlast die zij reeds ervaren, het landelijke karakter van de omgeving en de verkeersaantrekkende werking is het volgens [appellant sub 8] en anderen ongewenst om de horecamogelijkheden op het perceel uit te breiden. 30.
- De raad erkent dat het toestaan van zowel ondersteunende als zelfstandige horeca innerlijk tegenstrijdig is. Verder erkent de raad dat de eerder verleende vrijstelling zelfstandige feesten en partijen niet toestaat en dat het onderhavige plan deze vorm van horeca niet geheel uitsluit. 30.
- Ter zitting heeft [appellant sub 17] toegelicht dat wordt beoogd de bestaande activiteiten waarvoor vrijstelling is verleend voort te zetten en dat de horecavoorziening uitsluitend is bedoeld voor passanten, waaronder kanoërs. De horecavoorziening wordt volgens [appellant sub 17] niet gebruikt door bezoekers van de groepsaccommodatie. 30.
- De gronden op het perceel [locatie 14] hebben de bestemming "Recreatie" met de functieaanduidingen "horeca" en "specifieke vorm van recreatie - 2". Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn, voor zover relevant, de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor: a. recreatieve voorzieningen zoals genoemd in de "Tabel Recreatiebedrijven"; b. ondersteunende horeca bij de onder a genoemde recreatieve voorzieningen; c. zelfstandige horeca ter plaatse van de aanduiding "horeca". Ingevolge lid 13.4.3, mag ter plaatse van de aanduiding "horeca" de oppervlakte aan horecalokaliteit binnen de bestaande bebouwing niet meer bedragen dan 40 m². Ingevolge lid 13.4.4, onder c, is bij ondersteunende horeca een (boeren)terras toegestaan met een maximale oppervlakte van 100 m². Op het perceel [locatie 14] is aldus ingevolge het plan binnen de bestaande bebouwing zowel ondersteunende als zelfstandige horeca toegestaan met een maximale oppervlakte van de horecalokaliteit van 40 m² en een terras van 100 m² bij ondersteunende horeca. 30.3.
- Nu de raad heeft erkend dat voor de bestaande horecavoorziening op het perceel in het plan geen passende regeling is getroffen, is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Daarnaast is ter zitting gebleken dat de raad niet heeft onderzocht in hoeverre het toestaan van een terras van 100 m² bij de bestaande horecavoorziening gevolgen heeft voor de omgeving. Ook hierin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij de aanduiding "horeca" is toegekend aan het perceel [locatie 14]. Voorts dient artikel 13, lid 13.1, onder b, van de planregels, voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 14], te worden vernietigd. 30.
- Het beroep richt zich voorts tegen de nieuwe locatie voor de kano-uitstapplaats op het perceel ten zuiden van de groepsaccommodatie van [appellant sub 17]. [appellant sub 8] en anderen voeren aan dat in de bestaande situatie uitsluitend sprake is van een kanorustpunt en dat de functie gelet op het karakter van de omgeving niet verzwaard mag worden door er een begin- en/of eindpunt van te maken. 30.4.
- De raad stelt dat de aanduiding van de kano-uitstapplaats niet juist op de verbeelding is gesitueerd en dat een kanorustpunt in het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" reeds als zodanig was bestemd en dat het onderhavige plan niet voorziet in een functieverandering. 30.4.
- Gelet op hetgeen onder 28.1 is overwogen, is het bestreden besluit wat betreft de aanduiding voor de kano-uitstapplaats niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep is in zoverre gegrond. 30.4.
- Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting overweegt de Afdeling over het betoog van [appellant sub 8] en anderen dat het gebruik van het kanopunt zal intensiveren, omdat dit in het voorheen geldende plan was aangeduid als "kanorustpunt" en in het onderhavige plan als "kano-uitstapplaats" als volgt. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, onder e, van de planregels zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor extensief recreatief medegebruik, waaronder een kano-uitstapplaats ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bos - kanouitstapplaats". Ingevolge artikel 1, lid 1.59, wordt onder "extensief recreatief medegebruik" verstaan: een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de bestemmingsomschrijving van de bestemmingen gegeven functies zoals wandelen, fietsen e.d. Uit deze planregels volgt dat een kanouitstapplaats is toegestaan die nauwelijks of geen invloed heeft op de functies die in de bestemmingsomschrijving van de bestemming zijn gegeven. In de begripsbepalingen van het plan is niet omschreven wat onder het begrip "kanouitstapplaats" moet worden verstaan. Voor de uitleg van het begrip "kanouitstapplaats" is het normale spraakgebruik dan ook richtinggevend. Een begin- of eindpunt voor kanotochten is niet hetzelfde als een kanouitstapplaats. Beoogd is het bestaande en onder het vorige plan toegestane gebruik voort te zetten. Ter zitting hebben [appellant sub 17] en de raad toegelicht dat dit inhoudt dat kanoërs gedurende een korte periode kunnen aanleggen en hun kano’s op de wal kunnen leggen en eventueel van de aanwezige horeca gebruik maken. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze activiteiten onder de noemer kanouitstapplaats kunnen worden gevat. In hetgeen [appellant sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan voorziet in het gebruik van de kanoplaats als begin- of eindpunt voor kanotochten. Het betoog faalt. Het beroep van Het Groene Hart Beoordelingsniveau gebiedswaarden
- Het Groene Hart voert aan dat het plan ten onrechte niet specifiek is afgestemd op behoud en versterking van gebiedswaarden, zoals aardkundige en cultuurhistorische waarden, op gemeentelijke schaal. 31.
- Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wro kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. Uit dit artikellid en uit artikel 4.1, tweede lid, vloeit voort dat de raad bij het vaststellen van het plan de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) in acht dient te nemen. Voor zover de Verordening 2011 aan gebieden binnen de gemeente bepaalde waarden toekent, waaronder cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden, en regels stelt ter bescherming daarvan, betekent dit dat de raad zowel de begrenzing van deze gebieden als de eventuele regels die de Verordening 2011 voor deze gebieden voorschrijft, in acht moet nemen. In de Verordening 2011 zijn onder meer regels gesteld voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de aardkundig waardevolle gebieden (artikel 7.2) en cultuurhistorische vlakken (artikel 7.4). Deze gebieden zijn ingevolge de Verordening 2011 op de daarbij behorende kaarten aangewezen. Dit betekent evenwel niet dat de raad de gebieden niet ruimer kan begrenzen en beschermen als daar op gemeentelijk niveau aanleiding toe bestaat. Daarnaast kan de raad gebieden tevens van extra aanduidingen voorzien als het uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening nodig wordt geacht om bepaalde waarden te beschermen. Dit heeft de raad onder meer beoordeeld aan de hand van het actuele grondgebruik, de actuele natuur- en landschapswaarden, het Landschapsontwikkelingsplan, het Erfgoedplan, de Erfgoedverordening en de bestemmingsregeling in het hiervoor geldende plan, zo blijkt uit de beantwoording van de zienswijzen en de plantoelichting. Naar aanleiding van deze beoordeling heeft de raad aan bepaalde delen van het plangebied de gebiedsaanduidingen "aardkundig waardevol", "cultuurhistorisch waardevolle akkers", "cultuurhistorisch waardevol gebied" en "waardevol beekdal" toegekend. Gelet op de plantoelichting en de voornoemde overwegingen van de raad over de gebiedsbestemmingen, heeft Het Groene Hart naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de raad de gebiedswaarden niet mede op gemeentelijk niveau heeft beoordeeld en de bestemmingen en gebiedsaanduidingen op basis daarvan heeft toegekend. Het betoog faalt. Of de raad voor de in de Verordening 2011 en in het Erfgoedplan vastgestelde gebiedswaarden een passende regeling heeft getroffen in het plan, komt hierna aan de orde in 32.4, 32.6, 33.5 en 33.
- Aardkundige waarden
- Ten onrechte ontbreekt voorts volgens Het Groene Hart een nadere beschrijving over de totstandkoming van de Erfgoedkaart uit 2005 over aardkundige waarden waarop het plan mede is gebaseerd en de aanduidingen op de verbeelding zijn volgens Het Groene Hart niet altijd accuraat. De Erfgoedkaart gaat volgens Het Groene Hart niet specifiek in op de abiotische structuur die de basis vormt van de aardkundige waarden, maar onderscheidt uitsluitend landschapstypen. Het Groene Hart stelt verder dat de raad de zienswijze over de classificatie van geomorfologie ten onrechte niet heeft behandeld. 32.
- In het plan is volgens de raad rekening gehouden met aardkundige waarden van gemeentelijke betekenis. Over de classificatie geomorfologie merkt de raad op dat aansluiting is gezocht bij de aanduiding "aardkundig waardevol gebied" uit de Verordening
- 32.
- Ingevolge artikel 7.1, eerste lid, van de Verordening 2011 zijn als aardkundig waardevol gebied aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 12,5 m zijn vastgelegd. Het gebied "Dommel, Vresselsche Bosch, Breugelse Beemden, Nuenense Broek", dat voor een deel ligt binnen de gemeente Sint-Oedenrode, is ingevolge dit artikellid aangewezen als aardkundig waardevol gebied op de kaart "Cultuurhistorie" die behoort bij de Verordening
- Ingevolge artikel 7.1, tweede lid, beschrijven gedeputeerde staten de aardkundige waarden en kenmerken van de gebieden aangewezen op grond van het eerste lid aan de hand van de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant, vastgesteld door gedeputeerde staten op 30 november
- De aardkundige waarden en kenmerken van het gebied "Dommel, Vresselsche Bosch, Breugelse Beemden, Nuenense Broek" zijn beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant. Volgens deze beschrijving is het een mooi voorbeeld van een klein rivierdal in dekzandlandschap, met verscheidenheid aan fluviatiele landvormen, en bijbehorende aardkundige landschapselementen in de directe omgeving. Ingevolge artikel 7.2, onder a, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een aardkundig waardevol gebied mede tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ingevolge artikel 7.2, onder b, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in een aardkundig waardevol gebied regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. 32.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.7, van de planregels wordt onder "aardkundige waarden en kenmerken" verstaan: waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen dan wel anderszins vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van algemeen belang zijn vanuit aardkundig oogpunt. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder p, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor:
- aardkundig waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding "aardkundig waardevol gebied". Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder i, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor:
- aardkundig waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding "aardkundig waardevol gebied". 32.
- Gelet op de algemene overwegingen over de gebiedsbestemmingen en de overige detailfuncties in de zienswijzennota is beoogd de zonering van de aardkundig waardevolle gebieden uit de Verordening 2011 volledig over te nemen in het plan door de gebiedsaanduiding "aardkundig waardevol" aan deze gronden toe te kennen. Dit is ter zitting door de raad bevestigd. Het Groene Hart heeft een aantal gebieden genoemd die volgens haar als aardkundig waardevol hadden moeten worden aangeduid in het plan. Het gaat daarbij volgens Het Groene Hart om het Vresselse Bos, de Jekschotse Heide, de Schijndelse Heide, de Sonsche Heide en het gebied ten oosten van Boskant. Uit de verbeelding volgt dat dit betoog slaagt wat betreft het Vresselse Bos. Ingevolge de kaart "Cultuurhistorie" bij de Verordening 2011 is het Vresselse Bos aangewezen als aardkundig waardevol gebied en behoort het tot het gebied "Dommel, Vresselsche Bosch, Breugelse Beemden, Nuenense Broek". Deze aanwijzing is niet overgenomen in het plan nu het Vresselse Bos op de verbeelding niet is voorzien van de aanduiding "aardkundig waardevol". In zoverre slaagt het betoog. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7.2 van de Verordening 2011 te worden vernietigd, voor zover het Vresselse Bos niet is voorzien van de aanduiding "aardkundig waardevol". 32.
- Van de overige genoemde gebieden zijn de Jekschotse Heide, de Schijndelse Heide en het gebied ten oosten van Boskant ingevolge de Verordening 2011 niet aangewezen als aardkundig waardevol gebied, zodat de raad op basis daarvan niet gehouden was deze gebieden als zodanig aan te wijzen. De Sonsche Heide ligt buiten het plangebied. Voor zover Het Groene Hart betoogt dat de Jekschotse Heide, de Schijndelse Heide en het gebied ten oosten van Boskant niettemin als aardkundig waardevol hadden moeten worden aangemerkt, overweegt de Afdeling als volgt. 32.
- Uit de zienswijzennota blijkt dat de raad de grofmazige kaart behorende bij de Verordening 2011 heeft verfijnd in de Erfgoedkaart die behoort bij het Erfgoedplan, waarbij is ingezoomd op de specifieke situatie in Sint Oedenrode. Daarbij is volgens de raad rekening gehouden met de aardkundige waarden van gemeentelijke betekenis. De abiotische waarden en landschapswaarden die zijn opgenomen in het Erfgoedplan zoals beekdal, dekzandrug, dekzandvlakte en veen zijn betrokken bij de planvorming en voor zover vereist voorzien van een adequaat beschermingsregime, aldus de raad. Van de naast het Vresselse Bos door Het Groene Hart genoemde gebieden is het gebied ten oosten van Boskant op de Erfgoedkaart voorzien van een aanduiding, de andere gebieden niet. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het Erfgoedplan, waaronder de Erfgoedkaart, niet aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen en in aanvulling daarop in een beschermend regime had moeten voorzien voor gebieden die op de Erfgoedkaart niet van een aardkundig relevante aanduiding zijn voorzien, zoals de Jekschotse Heide en de Schijndelse Heide. In zoverre faalt het betoog. Het gebied ten oosten van Boskant is op de Erfgoedkaart aangemerkt als "Coulissenlandschap Rooise Broek". Uit het bestreden besluit kan niet worden afgeleid waarom de raad er ondanks deze kwalificatie voor heeft gekozen om dit gebied in het plan niet aan te duiden als "aardkundig waardevol". De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aardkundige waarden in de door Het Groene Hart genoemde gebieden ook zonder een specifieke aanduiding beschermd worden, omdat op de gronden in deze gebieden veelal de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dan wel de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" van toepassing is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aardkundige waarden door het toekennen van voornoemde bestemmingen beschermd worden, nu deze bescherming ingevolge artikel 4.1, onder p, en 5.1, onder i, uitsluitend geeffectueerd wordt door het toekennen van de aanduiding "aardkundig waardevol". In hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover het betreft het gebied ten oosten van Boskant. Het betoog slaagt. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover aan het gebied ten oosten van Boskant niet de aanduiding "aardkundig waardevol" is toegekend. Cultuurhistorische waarden
- Verder is het behoud van cultuurhistorische waarden in het plangebied ten onrechte niet gewaarborgd, aldus Het Groene Hart. Volgens Het Groene Hart heeft er ten behoeve van het plan ten onrechte geen onderzoek plaatsgevonden naar de feitelijke aanwezigheid en toestand van archeologische waarden. Ook in dit kader betoogt Het Groene Hart dat de jonge ontginningen, zoals de Schijndelse Heide, de Jekschotse Heide, de Vresselse Heide en de Sonsche Heide ten onrechte niet zijn aangeduid als cultuurhistorisch relevant. 33.
- De raad stelt zich op het standpunt dat cultuurhistorische akkers en beekdalen beschermd zijn binnen de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden". Bij de Verordening 2011 is volgens de raad een grofmazige Cultuurhistorische Waardenkaart gevoegd, welke is verfijnd met de gemeentelijke Erfgoedkaart. De cultuurhistorische vlakken zijn in het plan van een passende regeling voorzien, aldus de raad. 33.
- Ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de Verordening 2011 zijn als cultuurhistorische vlakken aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 12,5 meter zijn vastgelegd. Ingevolge artikel 7.3, tweede lid, stellen Gedeputeerde Staten een beschrijving vast van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de als cultuurhistorische vlakken aangewezen gebieden als onderdeel van de Cultuurhistorische Waardenkaart. Ingevolge artikel 7.4, onder a, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een gebied met cultuurhistorische vlakken mede tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ingevolge artikel 7.4, onder b, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in een gebied met cultuurhistorische vlakken regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. 33.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.44, van de planregels wordt onder "cultuurhistorische waarden en kenmerken" verstaan: waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. Ingevolge lid 1.45, wordt verstaan onder "cultuurhistorisch waardevolle akker": landbouwgrond met een bepaalde cultuurhistorische waarde, bestaande uit een relatief open, bolle akker met bebouwing en beplanting aan de rand. Ingevolge lid 1.46, wordt verstaan onder "cultuurhistorisch waardevol gebied": gebied met een bepaalde cultuurhistorische waarde, bestaande uit waardevolle structuren (ontsluiting, waterhuishouding, verkaveling, beplanting en percelering). Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder p, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor
- cultuurhistorisch waardevolle akkers ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorisch waardevolle akker" en voor
- cultuurhistorisch waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol gebied". Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder i, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor
- cultuurhistorisch waardevolle akkers ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorisch waardevolle akker" en voor
- cultuurhistorische waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol gebied". De archeologische waarden worden in het plan beschermd door het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1", "Waarde -Archeologie 2", "Waarde - Archeologie 3" of "Waarde - Archeologie 4" aan gronden met hoge of middelhoge verwachtingswaarden, bekende waarden of waarden van de gronden van de voormalige hoeves en molens of slotjes, kastelen, kerken of kloosters. 33.
- Voor de cultuurhistorisch waardevolle gebieden geldt evenals bij de aardkundig waardevolle gebieden dat de begrenzing daarvan in het plan tot stand is gekomen op basis van de Verordening 2011 en de gemeentelijke Erfgoedkaart, welke fijnmaziger is en specifiek op de situatie in Sint Oedenrode inzoomt. Voorts kent het plan een aanvullende regeling voor cultuurhistorisch waardevolle akkers die voornamelijk in het beekdal van de Dommel gelegen zijn. Uit de plantoelichting en uit de algemene overwegingen over de gebiedsbestemmingen en de overige detailfuncties in de zienswijzennota volgt dat de raad bij het toekennen van de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1 tot en met 4" aansluiting heeft gezocht bij de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart en bij de bij het Erfgoedplan behorende archeologische waarde- en verwachtingskaart. Voorts volgt uit de algemene overwegingen over archeologie in de zienswijzennota dat in de notitie "Archeologiebeleid gemeente Sint-Oedenrode - november 2011" beleid is opgenomen dat is vertaald in het onderhavige plan. Uit deze notitie volgt dat de archeologische waardekaart is vastgesteld op basis van locaties waarvan reeds vastgesteld is dat er archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn. Dit kan gebaseerd zijn op archeologisch vooronderzoek, toevalsvondsten, zichtbare restanten of resten die bekend zijn uit historische bronnen of historische kaarten. De archeologische verwachtingskaart is volgens de notitie gebaseerd op de opbouw van de bodem en het reliëf, en concrete aanwijzingen voor bewoning in het verleden, die kunnen bestaan uit zichtbare overblijfselen van menselijk handelen en historische bronnen. Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling in hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek ten grondslag heeft gelegd aan het toekennen van de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1 tot en met 4". Het betoog faalt. 33.
- Het Groene Hart heeft een aantal gebieden genoemd die volgens haar ten onrechte niet zijn aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Van die gebieden zijn het Vresselse Bos en de Schijndelse Heide ingevolge de Verordening 2011 aangewezen als cultuurhistorisch vlak. Deze gebieden zijn in het plan niet voorzien van de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol gebied". Het standpunt van de raad dat de cultuurhistorische waarden ook zonder een specifieke aanduiding beschermd worden, omdat op de gronden in deze gebieden veelal de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dan wel de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" van toepassing is, volgt de Afdeling niet. Naar het oordeel van de Afdeling is de raad er ten onrechte van uitgegaan dat de cultuurhistorische waarden door het toekennen van voornoemde bestemmingen beschermd worden, nu deze bescherming ingevolge artikel 4.1, onder p, en 5.1, onder i, uitsluitend geeffectueerd wordt door het toekennen van de aanduidingen "cultuurhistorisch waardevol gebied" of "cultuurhistorisch waardevolle akker". In zoverre strijdt het plan met artikel 7.4 van de Verordening 2011 en slaagt het betoog. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover aan het Vresselse Bos en de Schijndelse Heide niet de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol gebied" is toegekend. 33.
- De Sonsche Heide ligt, zoals hiervoor is overwogen, buiten het plangebied. De Jekschotse Heide is ingevolge de Verordening 2011 niet aangewezen als cultuurhistorisch vlak, zodat de raad op basis van de Verordening 2011 niet verplicht was om dit gebied als cultuurhistorisch waardevol aan te duiden. Voor zover Het Groene Hart betoogt dat de Jekschotse Heide niettemin als cultuurhistorisch waardevol had moeten worden aangemerkt, overweegt de Afdeling als volgt. Op de Erfgoedkaart is aan de Jekschotse Heide geen specifieke aanduiding toegekend. Op de plankaart bij het Erfgoedplan is aan dit gebied de aanduiding "landschappelijk open gebied" gegeven. Op de archeologische verwachtingskaart behorend bij het Erfgoedplan heeft de Jekschotse Heide de aanduiding "lage verwachting" en op de archeologische waardekaart de aanduiding "dekzandvlakte" gekregen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het Erfgoedplan, waaronder de Erfgoedkaart, de archeologische verwachtingskaart en de archeologische waardekaart, niet in redelijkheid aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen en in aanvulling daarop in een beschermend regime had moeten voorzien voor gebieden die in het Erfgoedplan niet van een cultuurhistorisch relevante aanduiding zijn voorzien, zoals de Jekschotse Heide. In zoverre faalt het betoog. Omgevingsvergunning werken en werkzaamheden
- Het Groene Hart maakt verder bezwaar tegen de in het plan opgenomen regeling voor de omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden. Dit is volgens Het Groene Hart vanwege het gehanteerde toepassingscriterium een rechtsonzekere regeling. Verder ontbreekt volgens Het Groene Hart een compensatieregeling bij het ontstaan van schade. Het voorheen geldende plan bevatte wel een dergelijke regeling, aldus Het Groene Hart. 34.
- De raad verwijst wat betreft het omgevingsvergunningstelsel voor aanleggen naar het overzicht "Ingrepen - Effecten" dat als bijlage bij het plan is gevoegd en waarin de afwegingsaspecten en beoordelingscriteria zijn opgenomen. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de vraag of compensatie moet plaatsvinden aan de orde komt bij het beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning. Als compensatie noodzakelijk wordt geacht, dan wordt een verplichting daartoe volgens de raad in de omgevingsvergunning opgenomen. 34.
- Bij de bestemmingen "Agrarisch met waarden -Landschapswaarden", "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden", "Bos", "Groen", "Natuur", "Leiding", "Waarde -Archeologie 1 tot en met 4", "Waterstaat - Attentiegebied EHS" en "Waterstaat - Waterbergingsgebied" heeft de raad in het plan regels opgenomen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Zo is het ingevolge bijvoorbeeld artikel 4, lid 4.6.1, van de planregels verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zoals aangegeven in de "Tabel omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden". Op gronden die bijvoorbeeld zijn aangeduid als "aardkundig waardevol gebied", "cultuurhistorisch waardevolle akker" of "cultuurhistorisch waardevol gebied" is voor verschillende in de tabel genoemde werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist. Ingevolge lid 4.6.3, onder a, kan de in lid 4.6.1 genoemde omgevingsvergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden. Ingevolge lid 4.6.3, onder b, geldt wat betreft de verdere afwegingsaspecten en beoordelingscriteria de "Tabel ingrepen / effect BP Buitengebied". Deze als bijlage bij de planregels opgenomen tabel bevat een beschrijving van de werken en werkzaamheden die omgevingsvergunningplichtig kunnen zijn en hun mogelijke effecten op de gebiedswaarden en de gebiedskwaliteiten. 34.
- Inherent aan een omgevingsvergunningstelsel is dat per geval zal moeten worden beoordeeld of vergunning verleend kan worden. Het bevoegde gezag beoordeelt per geval of door de specifieke werken of werkzaamheden onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in dat geval aan de orde zijnde waarde. De tabel kan behulpzaam zijn bij de beoordeling van een concrete aanvraag om omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden. Of een ingreep onevenredige gevolgen heeft voor te beschermen waarden wordt in dat kader beoordeeld en kan in deze procedure niet aan de orde komen. In hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 4.6.3 of een daarmee vergelijkbare planregel over de toelaatbaarheid van een omgevingsvergunning in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad geen ongebruikelijk of onduidelijk toetsingscriterium hanteert. Het betoog faalt. 34.
- Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning kan tevens worden besloten om deze onder voorwaarden te verlenen en kan een compensatieplicht worden opgelegd als daartoe aanleiding bestaat. In aanmerking nemend dat artikel 7.2, onder b, noch artikel 7.4, onder b, van de Verordening 2011 voorschrijft dat in bestemmingsplannen een compensatieregeling als door Het Groene Hart bedoeld wordt opgenomen, heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen om een dergelijke regeling niet in het onderhavige plan op te nemen. Dat in het vorige plan een dergelijke regeling wel was opgenomen leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt. Recreatie
- Het Groene Hart betoogt voorts dat het plan ten onrechte geen sturingsinstrument bevat om recreatieve ontwikkelingen af te stemmen op het draagvermogen van het buitengebied. Extensieve recreatie kan volgens Het Groene Hart toch belastend zijn en negatieve gevolgen hebben. Ter zitting heeft Het Groene Hart haar betoog toegelicht en gesteld dat in artikel 13 van de planregels ten onrechte geen omgevingsvergunningstelsel is opgenomen voor werken en werkzaamheden. Het Groene Hart verwijst in haar beroepschrift voorts naar hetgeen [appellant sub 8] en anderen hebben aangevoerd tegen het plandeel [locatie 14]. 35.
- Artikel 13 van de planregels bevat bouwregels en gebruiksregels op basis waarvan sturing wordt gegeven aan de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de bestemming "Recreatie". Ingevolge artikel 13 is het niet verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren. Het Groene Hart heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet vereisen van een omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden op gronden met de bestemming "Recreatie" zodanige negatieve gevolgen heeft voor het buitengebied dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van een omgevingsvergunningplicht op deze gronden. 35.
- Voor zover Het Groene Hart verwijst naar het beroep van [appellant sub 8] en anderen wordt verwezen naar hetgeen ten aanzien van dat beroep is overwogen onder
- In zoverre slaagt het betoog. Intensieve teelten
- Volgens Het Groene Hart werkt de toename van intensieve teelten die het plan toelaat de verdere achteruitgang van gebiedskwaliteiten in de hand, terwijl een belangenafweging ontbreekt. 36.
- Het beroep van Het Groene Hart richt zich niet tegen het als zodanig bestemmen van een bepaald bedrijf in intensieve teelten in het bijzonder, maar tegen het toestaan van een toename van intensieve teelten binnen het plangebied in het algemeen. Nu Het Groene Hart hiervoor geen nadere argumenten heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Boomteelt
- Het Groene Hart wijst er voorts op dat de Notitie boomteelt geen deel uit maakt van het plan en dat deze slechts een adviesstatus heeft. In de Notitie boomteelt is bovendien volgens Het Groene Hart geen concrete afweging gemaakt tussen de belangen bij behoud van boomteelt en de belangen bij behoud van natuur, landschap en cultuurhistorie en daardoor heeft de raad geen zorgvuldige afweging gemaakt. De raad heeft ingestemd met een regeling voor boomteelt die schadelijk is voor het coulissenlandschap en geen saneringsmaatregelen in het vooruitzicht stelt. 37.
- De raad stelt dat de Notitie boomteelt, die als bijlage bij de toelichting is gevoegd, vermeldt dat in de kwetsbare gebieden een verbod op laanboomteelt geldt dan wel een omgevingsvergunningstelsel voor aanleggen. De raad acht het bestemmingsplan geen geschikt middel om tot sanering van boomteelt op ongewenste locaties over te gaan, daarvoor is volgens hem een uitvoeringsprogramma met een kavelruilmogelijkheid vereist. 37.
- Het Groene Hart stelt terecht dat de Notitie boomteelt geen deel uitmaakt van het plan. De Notitie, die is opgesteld door boomkwekers en de stichting Roois Landschap, heeft voor de raad als hulpmiddel gediend bij de voorbereiding van de besluitvorming over het plan voor zover dit het al dan niet toestaan van boomteelt binnen het plangebied betreft. In hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de Notitie boomteelt niet bij de voorbereiding van de besluitvorming heeft mogen betrekken. 37.
- Voor zover Het Groene Hart betoogt dat de boomteelt in het plangebied schadelijk is voor het coulissenlandschap en ten onrechte geen saneringsmaatregelen zijn getroffen, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.1, en artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels en de daarbij behorende tabel is het op gronden met de aanduiding "cultuurhistorisch waardevolle akker" niet toegestaan om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas met een agrarische productiefunctie aan te leggen of aan te planten. Dit betekent dat op die gronden boomteelt slechts na verlening van omgevingsvergunning is toegestaan. Op gronden met de aanduiding "waardevol beekdal" is ingevolge de voornoemde bepalingen boomteelt niet toegestaan. Het Groene Hart heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voornoemde bepalingen onvoldoende strekken tot behoud van de gebiedswaarden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voldoende bescherming biedt aan de gebiedswaarden van het plangebied door het gebruik van gronden voor boomteelt waaraan de gebiedsaanduidingen "cultuurhistorisch waardevolle akker" en "waardevol beekdal" zijn toegekend te beperken in vorenbedoelde zin. Het betoog faalt. Teeltondersteunende voorzieningen
- Het Groene Hart voert verder aan dat de teeltondersteunende voorzieningen de visuele kwaliteit van het buitengebied aantasten. 38.
- De raad stelt wat betreft de teeltondersteunende voorzieningen een beperkend beleid te hebben toegepast in gebieden met kwetsbare natuur en landschapswaarden. Op zes percelen in het buitengebied zijn teeltondersteunende voorzieningen mogelijk gemaakt. 38.
- Het Groene Hart heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het toestaan van teeltondersteunende voorzieningen op de desbetreffende percelen leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de visuele kwaliteit van het buitengebied. Nu Het Groene Hart voor haar stelling geen nadere onderbouwing heeft gegeven, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt. Bebouwingsconcentraties
- Voorts wijst Het Groene Hart er op dat de Visie op de bebouwingsconcentraties niet in de bijlagen bij het plan is opgenomen. Volgens Het Groene Hart volgt uit de plantoelichting dat in de bebouwingsconcentraties ruimere bebouwingsoppervlakten worden toegestaan voor niet-agrarische ontwikkelingen dan daarbuiten, hetgeen de bebouwingsdruk in stand houdt. 39.
- Het betoog dat de Gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties Sint-Oedenrode niet in de bijlagen van het plan is opgenomen, slaagt niet. De Gebiedsvisie is een beleidsnotitie waarin de gemeentelijke uitwerking van provinciaal beleid is opgenomen. De Gebiedsvisie is een algemene beleidsnotitie, niet een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling van het ontwerpplan, als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. De Gebiedsvisie behoefde derhalve niet met het ontwerpplan ter inzage gelegd te worden. 39.
- In de plantoelichting staat op pagina 74 en 75: "In bebouwingsconcentraties (kernrandzone, lint of cluster) is hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor niet-agrarische functies alsmede voor (beperkte) toevoeging van nieuw bouwvolume mogelijk. Randvoorwaarde is dat de verruimde mogelijkheden een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin moeten bewerkstelligen". Het Groene Hart heeft geen specifieke situaties genoemd waarbij volgens haar te ruime maatvoeringen zijn toegestaan. In hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toegestane bebouwingsoppervlakten in de bebouwingsconcentraties in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. 39.
- Uit het vorenstaande volgt dat Het Groene Hart terecht heeft aangevoerd dat het Vresselse Bos in het plan ten onrechte niet als "aardkundig waardevol" is aangeduid en dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom het gebied ten oosten van Boskant niet als "aardkundig waardevol" is aangeduid. Voorts slaagt het beroep voor zover het Vresselse Bos en de Schijndelse Heide niet als "cultuurhistorisch waardevol gebied" zijn aangeduid. Het beroep slaagt ook voor zover is verwezen naar het beroep van [appellant sub 8] en anderen. Voor het overige faalt het beroep. Het beroep van [appellante sub 24]
- [appellante sub 24] kan zich niet verenigen met de voor haar perceel Eversestraat 23 vastgestelde planregeling, in het bijzonder niet wat betreft de toegelaten bedrijfsactiviteiten en uitbreidingsmogelijkheden. Hiertoe betoogt [appellante sub 24] dat voor het continueren van haar bedrijfsactiviteiten noodzakelijk is dat zij de op het perceel opgeslagen afvalstoffen kan bewerken en verwerken. Zij betoogt dat op een naastgelegen perceel eveneens afvalstoffen worden bewerkt en verwerkt, zodat er geen ruimtelijke argumenten zijn om deze activiteiten niet tevens op haar perceel toe te staan. 40.
- De raad heeft gesteld dat het college van burgemeester en wethouders in zijn vergadering van 23 april 2013 heeft besloten medewerking te verlenen aan een herziening van het bestemmingsplan en toe te staan 4 maal per jaar puin te breken en 3 maal per jaar snoeiafval te shredderen op het perceel. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan het voor de raad niet mogelijk was de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de door [appellante sub 24] bedoelde bedrijfsactiviteiten reeds bij de voorbereiding van het plan te onderzoeken. Nu de raad heeft toegelicht dat het college van burgemeester en wethouders inmiddels heeft besloten dat het de raad zal voorstellen bedoelde bedrijfsactiviteiten op het perceel toe te staan en de raad dit voorstel zal overnemen, is het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond.
- [appellante sub 24] betoogt dat aan het perceel L 1200 ten onrechte geen bedrijfsbestemming met een bouwvlak is toegekend. 41.
- De raad stelt dat het geldende bestemmingsplan en verleende vrijstellingen als grondslag zijn genomen bij de toekenning van bestemmingsvlakken en bouwvlakken in het plan. Waar nodig zijn de bestaande bouwvlakken aangepast aan de actuele situatie, aldus de raad. Aangezien [appellante sub 24] geen ruimtelijke onderbouwing heeft aangeleverd op grond waarvan de uitbreiding van het bestemmingsvlak en het bouwvlak kan worden beoordeeld, is de agrarische bestemming van het perceel L 1200 gehandhaafd. 41.
- Blijkens de verbeelding is aan het perceel L 1200 de bestemming "Agrarisch" toegekend. 41.
- [appellante sub 24] heeft haar stelling dat sprake is van een concreet voornemen voor het gebruik van het perceel L 1200 ten behoeve van haar bedrijf niet gestaafd. De enkele wens van [appellante sub 24] om het perceel L 1200 bij haar bedrijf te betrekken is ontoereikend voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van de bestemming niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de bestemming in het voorheen geldende plan.
- Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover het plan niet voorziet in een gebruiksregel op grond waarvan het is toegestaan vier maal per jaar puin te breken en drie maal per jaar snoeiafval te shredderen. Het beroep is voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 13]
- [appellant sub 13] exploiteert aan de [locatie 15] een intensieve veehouderij met vleesvarkens. Binnen het bouwvlak van de intensieve veehouderij staat een bedrijfswoning die sinds 2007 in eigendom is bij [appellant sub 20], aldus [appellant sub 13]. Het gebruik van deze woning als burgerwoning is volgens [appellant sub 13] in het onderhavige plan ten onrechte toegestaan onder persoonsgebonden overgangsrecht, nu het college van burgemeester en wethouders op zijn verzoek handhavend is opgetreden tegen dit gebruik. 43.
- De raad heeft naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 13] de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - persoonsgebonden overgangsrecht" ter plaatse van de [locatie 16]/[locatie 15] van de verbeelding verwijderd en dit adres verwijderd uit de tabel behorende bij artikel 35, lid 35.3 van de planregels, omdat de bewoning onderwerp is van handhaving. 43.
- Aan de gronden op het perceel [locatie 16]-[locatie 15] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij" met een bouwvlak toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.6, onder a, is ter plaatse één bedrijfswoning toegestaan. Het betoog van [appellant sub 13] dat het gebruik van die woning als burgerwoning is toegestaan mist derhalve feitelijke grondslag. Ter zitting heeft [appellant sub 13] naar voren gebracht dat de verbeelding ten tijde van het indienen van beroep nog niet was aangepast aan het voornoemde besluit van de raad om de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - persoonsgebonden overgangsrecht" daarvan te verwijderen. [appellant sub 13] heeft naar het oordeel van de Afdeling met deze enkele stelling niet aannemelijk gemaakt dat de verbeelding ten tijde van de terinzagelegging van het vastgestelde plan niet in overeenstemming was met het besluit van de raad. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 9] Perceel R199
- [appellant sub 9] richt het beroep tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dat ziet op het perceel aan de Ollandseweg ongenummerd, plaatselijk bekend als perceel R
- Zij wenst voor dit perceel de bestemming "Wonen". Volgens [appellant sub 9] wijkt de "Gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties Sint-Oedenrode" van de raad van 27 november 2008 (hierna: Gebiedsvisie 2008) af van de feitelijke situatie; zij wijst hierbij op een document van BRO, advies- en ontwerpbureau in de ruimtelijke ordening, van 29 november 2011, dat zij destijds bij haar zienswijze heeft gevoegd. [appellant sub 9] betoogt dat in de Gebiedsvisie 2008 ten onrechte ter plaatse van haar perceel R199 de aanduiding "te behouden/versterken open verbindingen" is opgenomen, omdat van openheid geen sprake is door een tegenover haar perceel aan de Ollandseweg 177 gerealiseerde woning, andere omringende bebouwing en door boomteelt op haar perceel. Haar perceel ligt bovendien dichtbij de kern van Olland en niet aan de zijde van het [appellante sub 10]. Op het betreffende perceel heeft in het verleden een woning gestaan, aldus [appellant sub 9]. [appellant sub 9] doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel en voert in dat kader aan dat aan het perceel Ollandseweg 177 wel een woonbestemming is toegekend. Ook op andere percelen aan de Ollandseweg zijn volgens [appellant sub 9] bouwmogelijkheden ontstaan door de aanduiding "zoeklocatie voor toevoeging extra bebouwing" in de Gebiedsvisie
- Daarnaast wijst [appellant sub 9] op een vergelijkbare situatie op het perceel Laageind
- [appellant sub 9] heeft ter zitting gesteld dat het perceel R199 als "zoeklocatie voor toevoeging extra bebouwing" op de verbeelding aangeduid had moeten worden. 44.
- De raad stelt dat het plan geen nieuwe woningen mogelijk maakt, maar dat een Ruimte voor Ruimte-woning wel gerealiseerd kan worden in een bebouwingsconcentratie binnen een daarvoor aangewezen zoekgebied. De Gebiedsvisie 2008 biedt voor het perceel R199 geen mogelijkheden voor woningbouw, nu het perceel niet is voorzien van de aanduiding "zoeklocatie voor toevoeging extra bebouwing", aldus de raad. 44.
- De Gebiedsvisie 2008 betreft gemeentelijk beleid dat aan het plan ten grondslag is gelegd en bevat een visie op de bebouwingsconcentratie aan onder meer de Ollandseweg. Deze visie gaat uit van het versterken en behouden van de waardevolle zichtrelaties richting het [appellante sub 10]. Ter plaatse van de waardevolle zichtrelaties is het toevoegen van extra bebouwing niet toegestaan. Verder volgt uit de Gebiedsvisie 2008 dat bij het aanwijzen van locaties voor extra bebouwing rekening is gehouden met de karakteristiek van bebouwingslinten als uitlopers van kernen: het toevoegen van extra bebouwing is met name richting de kernen toegestaan. Volgens de Gebiedsvisie 2008 ligt het perceel R199 binnen de grens van de bebouwingsconcentratie en is daarop de aanduiding "te behouden / versterken open verbindingen" van toepassing. De aanduiding "zoeklocatie voor toevoeging extra bebouwing" is op het perceel niet van toepassing. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de in de Gebiedsvisie 2008 aangewezen "zoeklocaties voor toevoeging extra bebouwing" niet als zodanig zijn bestemd in het bestemmingsplan, omdat per locatie afzonderlijk dient te worden beoordeeld of de gewenste bebouwing ter plaatse mogelijk is. Ook wat betreft het perceel R199 zal volgens de raad nader onderzocht moeten worden wat de mogelijkheden voor bebouwing zijn. De Afdeling acht dit op zich beschouwd niet onredelijk. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van bouwmogelijkheden op het perceel R199 in het plan. Dat de Gebiedsvisie 2008 inmiddels is herzien en het perceel R199 daarin is aangeduid als "zoekgebied voor toevoeging extra bebouwing" leidt, gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld over de gehanteerde systematiek, niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt. 44.
- Voor zover [appellant sub 9] een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, wordt overwogen dat gelet op de hiervoor beschreven systematiek, in tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 9] stelt, geen directe bouwmogelijkheden zijn ontstaan op de percelen die in de Gebiedsvisie 2008 zijn aangewezen als "zoeklocatie voor toevoeging extra bebouwing". Nog daargelaten of de door [appellant sub 9] genoemde gevallen gelijk te stellen zijn met de situatie op het perceel van [appellant sub 9], kan dit betoog derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Aan de door [appellant sub 9] genoemde percelen Ollandseweg 177 en Laageind 5 zijn weliswaar een woonbestemming en een bouwvlak toegekend, maar deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat voor de realisatie van bebouwing op de percelen Ollandseweg 177 en Laageind 5 reeds vergunning is verleend, hetgeen naar [appellant sub 9] heeft bevestigd in haar geval niet aan de orde is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt derhalve niet. 44.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] ongegrond voor zover het betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dat ziet op het perceel Ollandseweg ongenummerd, perceel R
- Perceel R189
- Het beroep richt zich verder tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dat ziet op een deel van het perceel aan de Ollandseweg
- Dit betreft stroken grond die ten westen, noorden en oosten van de woning zijn gelegen en sinds 1988 als tuin en sinds 1996 deels als paardenbak in gebruik zijn, zoals [appellant sub 9] ter zitting onweersproken heeft toegelicht. Volgens [appellant sub 9] past dit gebruik niet binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", maar wel binnen de bestemming "Wonen". De gronden die als tuin en paardenbak in gebruik zijn zullen niet binnen de planperiode voor agrarische doeleinden worden gebruikt en dit is volgens [appellant sub 9] feitelijk ook niet mogelijk door de geringe omvang en de situering nabij andere woningen. Het verdraagt zich niet met een goede ruimtelijke ordening om de tuin een agrarische bestemming te geven, aldus [appellant sub 9]. 45.
- De raad stelt zich op het standpunt dat vanwege zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik een relatief beperkt bestemmingsvlak "Wonen" is opgenomen bij het perceel aan de Ollandseweg
- Het gebruik van agrarische gronden als tuin is in strijd met de bestemming, zo stelt de raad voorts, maar ingevolge de planregels geldt een uitzondering voor gronden op een afstand van minder dan 25 m rond een bestemmingsvlak "Wonen". De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de paardenbak onder het overgangsrecht valt. 45.
- Aan een deel van het perceel ten westen, noorden en oosten van de woning is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.9, onder a, van de planregels zijn paardenbakken niet toegestaan buiten het bouwvlak. Ingevolge lid 4.4.1, onder j, wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: het gebruiken of laten gebruiken van gronden buiten het bouwvlak ten behoeve van paardenbakken. Ingevolge artikel 30, lid 30.1, onder f, wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: het gebruik van agrarische gronden als tuin, met uitzondering van gronden op een afstand van minder dan 25 m rondom een bestemmingsvlak "Wonen". 45.
- Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat het gebruik van de gronden als tuin en als paardenbak naar verwachting niet binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gelet op de relatief beperkte omvang van de betreffende gronden en de nabijheid van woningen is niet aannemelijk dat gebruik voor agrarische doeleinden een reële mogelijkheid is. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de raad gelegen om inzichtelijk te maken waarom het feitelijke gebruik van deze gronden vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet als zodanig bestemd kan worden. Het argument dat in de regel vanwege zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik een relatief beperkt bestemmingsvlak "Wonen" is opgenomen is daartoe onvoldoende. Dat het gebruik als tuin geen strijdig gebruik is als bedoeld in artikel 30, lid 30.1, onder f, maakt dit niet anders, reeds omdat de strook grond met een agrarische bestemming die ten westen van de woning ligt ongeveer 33 m breed is en de gronden deels niet als tuin maar als paardenbak in gebruik zijn, zodat de uitzondering van lid 30.1, onder f, daarop niet geheel van toepassing is. 45.
- In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dat betrekking heeft op het deel van het perceel Ollandseweg 170 dat is gearceerd op de bij deze uitspraak behorende kaart nr. 3 is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover dit het voornoemde plandeel betreft. Het beroep van [appellant sub 20]
- [appellant sub 20] heeft zijn betoog dat het plan in strijd met de verordening 2011 is vastgesteld ter zitting ingetrokken.
- [appellant sub 20] kan zich niet met het plan verenigen voor zover het voorziet in een uitbreiding van het agrarisch bedrijf van [belanghebbende A] aan de [locatie 17] te Sint-Oedenrode. [appellant sub 20] woont naast dit perceel op het adres [locatie 18]. [appellant sub 20] betoogt dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn perceel niet is gewaarborgd, aangezien de raad slechts de gevolgen van een concreet bouwplan heeft onderzocht en niet de geurbelasting bij de invulling van de maximale planologische mogelijkheden. 47.
- De raad stelt dat onderzoek is gedaan naar de geurbelasting op de woning van [appellant sub 20], waarvan de resultaten zijn opgenomen in de door Agra-Matic BV opgestelde separate ruimtelijke onderbouwing van november
- Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat bij uitbreiding van het bedrijf van [belanghebbende A] ter plaatse van de woning van [appellant sub 20] sprake zal zijn van een lagere voorgrond- en achtergrondbelasting, zodat het plan niet leidt tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat, aldus de raad. 47.
- Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgh) wordt een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht. 47.
- Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat in de nieuwe situatie op het bedrijf van [belanghebbende A] 923 guste / dragende zeugen, 244 kraamzeugen, 448 vleesvarkens, 132 gespeende biggen en 4 dekberen kunnen worden gehouden. Vast staat dat de gemeente Sint-Oedenrode binnen een concentratiegebied ligt. Voorts staat vast dat de woning van [appellant sub 20] buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor vleesvarkens is bij ministeriële regeling een geuremissiefactor vastgesteld. In opdracht van [belanghebbende A] heeft Agra-Matic BV onderzoek gedaan naar de geurbelasting op de omliggende geurgevoelige objecten in de nieuwe situatie. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in de ruimtelijke onderbouwing die is opgesteld voor het perceel [locatie 17] van 30 mei 2011, als gewijzigd in november
- Uit dit onderzoek volgt dat de voorgrondbelasting op de woning van [appellant sub 20] na uitbreiding 3,8 Ou/m3 lucht bedraagt. Daarnaast is ook de achtergrondbelasting berekend met het verspreidingsmodel V-stacks gebied, waarbij alle geur emitterende bronnen in een straal van 2 km zijn meegenomen. Uit deze berekening volgt dat in de uitgangsituatie de achtergrondbelasting 29,5 Ou/m3 lucht bedraagt en na uitbreiding daalt naar 13,7 Ou/m
- 47.
- Gelet op de uitkomsten van het onderzoek blijft ter plaatse van de woning van [appellant sub 20] de geurbelasting onder de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Wgv genoemde waarde. De Afdeling heeft bij uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200807852/1/R2 ten aanzien van de toepassing van de Wgv geoordeeld dat ook indien de voor veehouderijen toepasselijke norm niet wordt overschreden, er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Derhalve dient de raad inzichtelijk te maken in hoeverre ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. De toegestane milieubelasting dient in overeenstemming te zijn met de uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbare inrichting van het gebied. 47.
- Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de achtergrondbelasting na realisatie van de uitbreiding afneemt. Nu de uitbreiding van het bedrijf van [belanghebbende A] zal leiden tot een vermindering van de geurbelasting op de woning van [appellant sub 20], ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 20] een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd bij realisatie van het aan het onderzoek ten grondslag gelegde concrete bouwplan. Het bouwvlak biedt echter meer uitbreidingsmogelijkheden dan het concrete bouwplan dat in de ruimtelijke onderbouwing is onderzocht. De raad heeft niet onderzocht wat de geurhinder ter plaatse van de woning zal zijn indien de maximale planologische mogelijkheden worden benut. Het plan is wat betreft het perceel [locatie 17] in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld. Het betoog slaagt.
- [appellant sub 20] betoogt dat de raad het plan wat betreft het perceel [locatie 17] in strijd met artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 heeft vastgesteld. Het is volgens hem niet uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Gelet daarop heeft de raad volgens hem ten onrechte geen passende beoordeling gemaakt. Ten onrechte zijn volgens [appellant sub 20] mitigerende maatregelen, in de vorm van interne saldering, betrokken bij de vraag of een passende beoordeling dient te worden opgesteld. Als gevolg hiervan maakt een passende beoordeling ten onrechte geen onderdeel uit van het plan-MER, aldus [appellant sub 20]. 48.
- De raad stelt dat in de nieuwe situatie vanwege de toepassing van de Verordening Stikstof en Natura 2000 (hierna: de verordening stikstof) sprake zal zijn van een lagere ammoniakemissie dan in de bestaande situatie, zodat er geen significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied te verwachten zijn. 48.
- Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied. 48.
- Vast staat dat bij de voorbereiding van het plan ten behoeve van de uitbreiding van het agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 17] geen passende beoordeling is gemaakt, hoewel uit pagina 26 van het plan-MER volgt dat toename van de ammoniakdepositie vanuit veehouderijbedrijven uit het plangebied op grond van het nieuwe bestemmingsplan buitengebied aan de orde zou kunnen zijn en dit significant negatieve effecten op de instandhoudingdoelstellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden tot gevolg zou kunnen hebben. Volgens het plan-MER is benutting van de voorziene planologische ruimte voor grondgebonden veehouderijen niettemin mogelijk vanwege de toepassing van de verordening stikstof die emissiereducerende eisen aan nieuw te bouwen stallen stelt en voorziet in de mogelijkheid van saldering van stikstofdepositie door tussenkomst van de zogeheten depositiebank. Daarmee worden volgens het plan-MER significante gevolgen uitgesloten. Uit het voorgaande volgt dat in het plan-MER bij de beoordeling of sprake kan zijn van significante gevolgen de mogelijkheid van saldering is betrokken als mitigerende maatregel. In de ruimtelijke onderbouwing is op pagina 26 vermeld dat door de bouw van de nieuwe stal de ammoniakemissie van het bedrijf zal toenemen, maar dat door aanpassingen aan de bestaande stallen en intern salderen de toename van de ammoniakemissie wordt gecompenseerd en dat er uiteindelijk zelfs sprake is van een afname van de ammoniakemissie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraken van 7 september 2011 in zaak nr. 201003301/1/R2 en 7 mei 2008, zaak nr. 200604924/1, gaat het er bij de beoordeling of sprake kan zijn van significante gevolgen om te bezien of het plan als zodanig niet leidt tot significante gevolgen. Wanneer significante gevolgen niet zijn uitgesloten, dient een passende beoordeling te worden gemaakt, waarbij mitigerende maatregelen kunnen worden betrokken. Uit het plan-MER en de ruimtelijke onderbouwing volgt dat niet uitgesloten kan worden dat significante gevolgen zullen optreden. Nu niet uitgesloten is dat het plan in zoverre significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat een passende beoordeling niet nodig is. Gelet hierop is bij de vaststelling van het plan in zoverre artikel 19j van de Nbw 1998 niet in acht genomen. Het betoog slaagt.
- [appellant sub 20] betoogt dat een kwalitatieve verplichting die op het deel van het perceel rust waarop de uitbreiding is voorzien, aan de uitbreiding in de weg staat. Het betreft volgens hem een evidente privaatrechtelijke belemmering, waarmee de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden. 49.
- Onder verwijzing naar de uitspraak van 31 oktober 2012 in zaak nr. 201103853/1/R2 overweegt de Afdeling dat in het kader van een bestemmingsplanprocedure ter beoordeling staat of een plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en niet in strijd is met het recht. Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling en de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat, is slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. 49.
- De kwalitatieve verbintenis behelst dat op het perceel [locatie 17] een strook met een diepte van 20 meter gehandhaafd dient te worden als weiland en/of akkerland. Het plan staat er niet aan in de weg dat deze gronden als weiland en/of akkerland gehandhaafd blijven. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid op voorhand had moeten inzien dat de kwalitatieve verbintenis aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
- Gelet op hetgeen hiervoor onder 47.5 en 48.3 is overwogen, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "bouwvlak" en "intensieve veehouderij" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 17]. Het beroep van [appellant sub 7]
- [appellant sub 7] betoogt dat de krachtens een bouwvergunning opgerichte sleufsilo ten onrechte niet als zodanig is bestemd. 51.
- De raad stelt dat het niet als zodanig bestemmen van de sleufsilo niet in de zienswijze naar voren is gebracht, zodat het beroep, voor zover het is gericht tegen het ontbreken van een bouwvlak ter plaatse van de sleufsilo, niet-ontvankelijk is. 51.
- Het beroep van [appellant sub 7] voor zover gericht tegen het niet als zodanig bestemmen van de sleufsilo, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij haar
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.