(2011), worden de natuurlijke kenmerken van het habitattype niet aangetast en wordt het bereiken van een goede staat van instandhouding niet belemmerd. Een significant negatief effect wordt daarom uitgesloten, aldus het rapport. Ten slotte is in het rapport vermeld dat het gebied dichtbij de zee en het strand ligt, waar een buffermechanisme door verstuiving van kalkrijk zand aanwezig is. In de nota van zienswijzen wordt geconcludeerd dat de bijdrage van 0,06 mol N/ha/jaar in geen verhouding staat tot de bufferende werking van het systeem en de autonome daling van de achtergrondwaarde, zodat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. 14.
- In zijn arrest van 7 september 2004, C-127/02, Kokkelvisserij, ECLI:EU:C:2000:600, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overwogen dat in een passende beoordeling op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Dit betekent dat alle mogelijke effecten van het plan in een passende beoordeling moeten worden bezien teneinde te kunnen beoordelen of is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000 gebied niet worden aangetast door die activiteit. Uit de nota van zienswijzen, het raadsbesluit en het verweerschrift volgt dat de raad zich op het standpunt stelt dat de passende beoordeling moet worden aangevuld dan wel een aanscherping behoeft, en dat de passende beoordeling in gewijzigde vorm zal worden gebruikt voor de aanvraag van de Nbw-vergunning. De passende beoordeling die aan het plan ten grondslag is gelegd, is daartoe echter niet aangepast. Dit leidt er onder andere toe dat de mogelijke effecten van verstoring van het habitattype "witte duinen" waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen, door de effecten van het plan in het rapport niet zijn onderzocht. Ook is niet inzichtelijk gemaakt dat de toename van de depositie niet leidt tot negatieve effecten voor het habitattype "grijze duinen", dat zich reeds in een overspannen situatie bevindt. Nu de effecten van de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de exploitatie van de jachthaven in relatie tot het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de voormelde habitattypen soort niet inzichtelijk zijn gemaakt, is voorts niet duidelijk in hoeverre het plan het behalen van deze instandhoudingsdoelstellingen zal vertragen of aan het behalen daarvan in de weg zal staan. Nu in zoverre niet, zoals vereist in artikel 19j van de Nbw, voor de vaststelling van het plan door het betrokken bestuursorgaan aan de hand van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan in zoverre niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden, is het plan vastgesteld in strijd met de genoemde bepaling. Het betoog slaagt. 14.
- In hetgeen de VvE en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 19j, eerste lid, van de Nbw
- Het beroep is gegrond. Conclusie
- Gelet op het overwogene onder 12.2 en 14.7 geeft het aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zijn geheel dient te worden vernietigd. In stand laten rechtsgevolgen
- De Afdeling ziet aanleiding om nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, dat gelet op het vorenstaande dient te worden vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand dienen te worden gelaten en overweegt hiertoe het volgende. 16.
- Na het nemen van het bestreden besluit is nader onderzoek verricht naar de effecten van het project voor het Natura 2000-gebied "Zwin & Kievittepolder". De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het op 27 oktober 2014 uitgebrachte rapport "Jachthaven Cadzand-Bad en effecten op Natura 2000-gebieden: Aanvullende analyse in het kader van de beroepsprocedure" dat in opdracht van het waterschap is verricht door Antea Group (hierna: het nadere rapport). 16.
- In het nadere rapport wordt geconcludeerd dat op alle locaties waar het habittattype "witte duinen" voorkomt, zich niet langer een overbelaste situatie voordoet, nu de achtergronddepositie inclusief de zogenoemde duinenbijtelling 1.259 mol/ha/jaar bedraagt en daarmee de kritische depositiewaarde van 1.429 nergens wordt overschreden. Ook de toename van stikstofdepositie vanwege de aanleg van de jachthaven van 9,3 mol/ha/jaar en de exploitatie van de jachthaven van 0,2 mol/ha/jaar leiden niet tot een overschrijding van de kritische depositiewaard voor witte duinen. Het behoud van de oppervlakte en de uitbreiding van de kwaliteit is daarmee gegarandeerd zodat de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar komt, aldus het nadere rapport. Onder de voormelde omstandigheden heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de toename van de stikstofdepositie als gevolg van het plan niet leidt tot negatieve effecten op dit habitattype en de mogelijkheden om de instandhoudingsdoelstellingen van dit habitattype te bereiken. 16.
- Over het stikstofgevoelige habitattype "grijze duinen, subtype kalkrijk" staat in het nadere rapport dat de kritische depositiewaarde hiervan 1.071 mol/ha/jaar bedraagt. Alleen in het noordelijke deel van het natuurgebied bevindt dit habitattype zich in een overspannen situatie, met een achtergrondwaarde van 1.259 mol/ha/jaar. Deze achtergrondwaarde zal in zeven jaar tijd met 50 tot maximaal 80 mol/ha afnemen. Dit komt neer op een autonome afname van tussen de 7 en 11 mol/ha/jaar. De aanleg van de jachthaven, die ongeveer een jaar in beslag zal nemen, veroorzaakt tijdelijk een stikstofdepositie van maximaal 7,4 mol/ha/jaar op de locaties waar het habitattype grijze duinen voorkomt. Deze jaarlijkse afname van de depositie is daarmee ongeveer gelijk aan de maximale tijdelijke en eenmalige toename in 2015 als gevolg van de aanlegwerkzaamheden van de jachthaven. Een dergelijke tijdelijke planbijdrage zal niet leiden tot een significant effect, aldus het nadere rapport. De exploitatie van de jachthaven heeft volgens het nadere rapport een stikstofdepositie van 0,2 mol/ha/jaar tot gevolg. Volgens het nadere rapport veroorzaakt deze bijdrage een vertraging van ongeveer zeven dagen en elf uren op de voormelde daling van de achtergrondwaarde. Dat betekent dat het niveau van de stikstofdepositie in de plansituatie na ongeveer zeven dagen gelijk is aan het niveau van de stikstofdepositie in de autonome situatie. Een dergelijke vertraging valt binnen de natuurlijke schommelingen van het groeiseizoen, aldus het nadere rapport. Voorts zal het natuurlijk bufferend systeem dat in de duinen aanwezig is, voorkomen dat een dergelijke planbijdrage leidt tot een zichtbaar effect. Over dit zogenoemd bufferend effect staat in het nadere rapport verder nog opgenomen dat de duinen van het gebied "Zwin & Kievittepolder" zich in het Renodunaal District bevinden, dat gekenmerkt wordt door kalkhoudend zand. Een versnelde verruiging als gevolg van een hogere stikstofdepositie treedt veel minder op in duingebieden waar dergelijk kalkhoudend- of ijzerhoudend duinzand aanwezig is. De kwaliteit van de grijze duinen kan door het optreden van dit effect dan ook in stand worden gehouden, aldus het nadere rapport. 16.
- Vaststaat dat in het Natura 2000-gebied "Zwin & Kievittepolder" een areaal van een habitattype grijze duinen voorkomt waarvan de kritische depositiewaarde voor stikstof door de achtergrondwaarde, inclusief de zogenoemde duinenbijtelling, al wordt overschreden. De toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project leidt volgens de raad echter niet tot negatieve effecten op dit habitattype en de mogelijkheden om de instandhoudingsdoelstelling van dit habitattype te bereiken. Het project veroorzaakt, zoals beschreven onder 16.3, alleen in 2015 een toename van 7,4 mol N/ha/jaar. In de daarop volgende jaren bedraagt de depositie vanwege het project 0,2 mol N/ha/jaar. Volgens het nadere rapport is de toename van 7,4 mol/N/ha die zich in 2015 voordoet ongeveer gelijk aan de afname van de depositie in datzelfde jaar. De depositie van 0,2 mol N/ha/jaar vanwege de op de aanleg volgende exploitatie van de jachthaven vertraagt het moment waarop de achtergrondwaarde onder de kritische depositiewaarde van het habitattype grijze duinen zal zijn gedaald volgens het nadere rapport verder met zeven dagen en elf uren. Dit valt volgens het nadere rapport binnen de natuurlijke schommelingen van het groeiseizoen die vaak afhankelijk zijn van weersfactoren. Onder de voormelde omstandigheden treedt naar de raad ter zitting heeft toegelicht geen achteruitgang van het habitattype op. Het zogenoemde bufferend effect biedt daarbij volgens de raad een extra waarborg. Dit is ter zitting door een deskundige bevestigd, die voorts heeft toegelicht dat dit bufferend effect, anders dan de VvE en anderen hebben gesteld, niet een eigenschap van het habitattype grijze duinen als zodanig is maar een kenmerk van het Renodunaal District waar het habitattype in dit geval voorkomt. Dit effect doet zich niet voor in het Waddendistrict waar het habitattype grijze duinen eveneens voorkomt, aldus de deskundige. Gelet op het vorenstaande en de behouddoelstelling die voor het habitattype grijze duinen is vastgesteld, acht de raad door de voormelde toename van stikstofdepositie geen significant negatief effect aanwezig. Hetgeen de VvE en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat door het project de instandhoudingsdoelstelling van het habitattype grijze duinen niet in geding komt. Voorts is gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de toename van stikstofdepositie die ten gevolge van het project optreedt, tezamen met eventuele andere toekomstige plannen of projecten tot een significant effect zou kunnen leiden. Daarbij is van belang dat de stikstofdepositie van gerealiseerde projecten reeds in de bij de beoordeling van toekomstige projecten te hanteren achtergrondwaarden zal zijn verdisconteerd. Onder de voormelde omstandigheden heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de toename van de stikstofdepositie als gevolg van het project niet leidt tot significant negatieve effecten voor het habitattype grijze duinen. 16.
- Voor zover de locaties van het habitattype "grijze duinen" leefgebied van de "nauwe korfslak" vormen, leidt het plan gelet op hetgeen hiervoor onder 16.4 is vermeld niet tot significant negatieve gevolgen. Over de locaties buiten het habitattype "grijze duinen" die het leefgebied van de "nauwe korfslak" vormen, zoals het habitattype "duindoornstruweel" (H2160), is in het nadere rapport vermeld dat zij zich niet in een overbelaste situatie bevinden en dat de aanleg en exploitatie van de jachthaven daartoe ook niet zal leiden. De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort komt gelet hierop evenmin in het geding volgens het nadere rapport. De raad heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat de toename van de stikstofdepositie als gevolg van het plan niet leidt tot significant negatieve effecten voor de habitatsoort "nauwe korfslak". 16.
- Gelet op het voorgaande geeft hetgeen de VvE en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zich op grond van het rapport en het nadere rapport ervan heeft verzekerd dat als gevolg van de aanleg en exploitatie van de jachthaven de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied ""Zwin & Kievittepolder" niet zullen worden aangetast. Hieruit volgt dat hetgeen de VvE en anderen hebben aangevoerd niet in de weg staat aan het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. De Afdeling zal derhalve met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven, behoudens voor zover het de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2" betreft. Relativiteit
- Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan. Opdracht
- De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van de overwegingen 12.1 en 12.2 een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Proceskostenveroordeling
- De raad dient ten aanzien van de VvE en anderen en [appellant sub 2] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van de vereniging Vereniging van Eigenaars Boulevard de Wielingen te Cadzand en anderen en [appellant sub 2] en anderen gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Sluis van 26 september 2013, waarbij het bestemmingsplan "Kustversterking en Jachthaven Cadzand-Bad" is vastgesteld; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II genoemde besluit in stand blijven, behoudens voor zover het de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2" betreft; IV. draagt de raad van de gemeente Sluis op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin in overweging 12.2 en 18 ten aanzien van de "wro-zone - wijzigingsgebied 2" is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; V. veroordeelt de raad van de gemeente Sluis tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging van Eigenaars Boulevard de Wielingen te Cadzand en anderen met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; veroordeelt de raad van de gemeente Sluis tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 298,62 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro en tweeënzestig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; VII. gelast dat de raad van de gemeente Sluis aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van: € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de vereniging Vereniging van Eigenaars Boulevard de Wielingen te Cadzand en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Jager, griffier. w.g. Hagen w.g. De Jager voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015