(3)het in werking hebben van een inrichting. In dit geval is een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting en het in werking hebben daarvan (hierna: veranderingsvergunning). Een veranderingsvergunning kan slechts worden verleend in gevallen waarin voor het in werking zijn van de inrichting al een vergunning geldt. Het gaat bij een veranderingsvergunning immers, zoals ook blijkt uit artikel 2.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, om het vergunnen van een verandering die niet in overeenstemming is met een al voor de inrichting geldende vergunning.
- Om de aan de orde zijnde omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting te verlenen is gelet daarop in ieder geval vereist dat de in 1993 verleende vergunning voor de stortplaats nog gold. Voor zover het college in dit verband heeft opgemerkt dat deze vergunning weliswaar was vervallen, maar dat een aantal voorschriften van die vergunning van kracht is gebleven met toepassing van artikel 8.16 van de Wet milieubeheer (thans: artikel 2.23b van de Wabo), overweegt de Afdeling dat het van kracht zijn van enkele voorschriften niet kan worden gelijkgesteld met een voor een inrichting geldende vergunning.
- Bij verlening van de vergunning in 1993 gold artikel 41, tweede lid, van de Afvalstoffenwet. Daarin was bepaald dat de vergunning slechts voor een daarin aan te geven tijdvak, dat ten hoogste tien jaren omvat, geldt. Veendam en Afvalverwerking hebben erop gewezen dat de Afdeling in haar uitspraak van 16 oktober 2002 in zaak nr. 200105665/1 heeft geoordeeld dat wanneer in strijd met artikel 41, tweede lid, van de Afvalstoffenwet is nagelaten in een vergunning te vermelden binnen welk tijdvak deze geldt, de vergunning voor onbepaalde tijd is verleend. Veendam en Afvalverwerking hebben terecht betoogd dat in de aan de vergunning verbonden voorschriften niet is bepaald dat de vergunning binnen een bepaald tijdvak geldt. Dit betekent in dit geval echter niet dat, zoals in de door hen genoemde uitspraak van 16 oktober 2002 het geval was, in de vergunning in het geheel niet is vermeld binnen welk tijdvak deze geldt. In de aanvraag om vergunning is namelijk expliciet en zonder enig voorbehoud vermeld dat voor de tijdsduur van tien jaren vergunning wordt gevraagd, en bij het verlenen van de vergunning heeft het college expliciet en zonder voorbehoud bepaald dat overeenkomstig deze aanvraag vergunning wordt verleend. Daarmee is de vergunning overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van de Afvalstoffenwet voor een periode van tien jaren verleend. Het college heeft gelet hierop terecht geconcludeerd dat de in 1993 voor de inrichting verleende vergunning bij het verlenen van de thans aan de orde zijnde veranderingsvergunning niet meer gold. Veendam en Afvalverwerking hebben terecht betoogd dat het college hieraan de consequentie had moeten verbinden dat het niet bevoegd was om een veranderingsvergunning te verlenen. Het betoog slaagt.
- Het beroep is gegrond. De besluiten op de bezwaren tegen verlening van de omgevingsvergunning dienen te worden vernietigd. Het college zal moeten beoordelen of de fakkelinstallatie waarvoor vergunning is gevraagd op zichzelf dan wel in verbinding met (delen van) de voormalige stortplaats een (vergunningplichtige) inrichting is waarvoor het college het bevoegd gezag is, en aan de hand daarvan - zo nodig na aanvulling of wijziging van de aanvraag, het herroepen van het primaire besluit dan wel het alsnog doorlopen van de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure - opnieuw moeten besluiten over de gevraagde omgevingsvergunning dan wel de aanvraag aan het college van burgemeester en wethouders moeten doorzenden.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juli 2014 in zaak nr. 13/674; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 23 juli 2013, kenmerk 2013-29.416/29, en van 25 juli 2013, kenmerk 2013-29.402/29; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen tot vergoeding van bij de gemeente Veendam en Afvalverwerking Stainkoeln B.V. in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen aan de gemeente Veendam en Afvalverwerking Stainkoeln B.V. het voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 811,00 (zegge: achthonderdelf euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander. Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier. w.g. Wortmann w.g. Van der Zijpp voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015 262.