(2)", voor het perceel [locatie 1], voor zover daarin de op 29 mei 2013 verleende omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een restaurant en de aanleg van een uitrit/inrit niet is opgenomen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 2]
- [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor haar perceel [locatie 4] te De Cocksdorp. Zij voert hiertoe aan dat de bestaande situatie, te weten de huisvesting van het seizoenspersoneel van het door haar geëxploiteerde [strandpaviljoen] in stacaravans op het perceel, ten onrechte niet positief is bestemd, terwijl deze oplossing past binnen het gemeentelijke beleid en landschappelijk goed inpasbaar is. 4.
- Het noordelijke deel van het perceel aan de [locatie 4] heeft de bestemming "Bedrijf - Opslag" met onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak = 600 m²". Ingevolge artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Opslag" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van opslag. Ingevolge lid 17.3.1 wordt het gebruik van de gronden en bouwwerken voor bewoning als strijdig gebruik aangemerkt. Ingevolge lid 17.4 kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 17.3.1 in die zin dat inpandige verblijven gerealiseerd worden voor huisvesting van personeel van het ter plaatse gevestigde bedrijf. 4.1.
- Ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wro wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van tien jaar telkens opnieuw vastgesteld. Uit deze bepaling volgt dat de wetgever een planperiode van tien jaar voor ogen staat, onverminderd de verlengingsmogelijkheid voor de raad die is neergelegd in artikel 3.1, derde lid, van de Wro. Het is in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan bestemmingen op te nemen die niet binnen de planperiode van 10 jaar zullen worden verwezenlijkt. 4.1.
- De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2] in haar zienswijze van 22 februari 2013 op het ontwerpbestemmingsplan uitdrukkelijk heeft verzocht de bestaande feitelijke situatie, waarbij seizoenspersoneel van het door [appellant sub 2] geëxploiteerde [strandpaviljoen] in tien stacaravans wordt gehuisvest op het perceel [locatie 4], conform het gemeentelijke beleid zoals neergelegd in de "Notitie bedrijfswoningen en personeelsverblijven" van 19 december 2006, positief te bestemmen. [appellant sub 2] heeft daarbij aangegeven dat zij wenst dat de bestaande opstal positief wordt bestemd ten behoeve van het huidige gebruik, te weten hoofdzakelijk opslag ten behoeve van bedrijfsmaterialen behorende bij het [strandpaviljoen]. Zij heeft voorts te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een nieuw gebouw voor opslag en personeelshuisvesting. Daarnaast is ter zitting van de zijde van de raad desgevraagd toegelicht dat recentelijk overleg heeft plaatsgevonden met [appellant sub 2], waarbij zij eveneens heeft aangegeven dat zij de tien stacaravans positief bestemd wenst te zien en dat zij bereid is de op 10 mei 2010 verleende bouwvergunning voor het realiseren van een loods met inpandige personeelsverblijven op het perceel [locatie 4] in te trekken indien het gemeentebestuur aan haar wensen tegemoet komt. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Opslag" voor het perceel [locatie 4] te De Cocksdorp, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 4.
- De overige beroepsgronden die zijn gericht tegen het toekennen van de bestemming "Bedrijf - Opslag" aan het perceel [locatie 4] te De Cocksdorp behoeven gezien het vorenstaande geen bespreking meer. 4.
- Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] dat haar bestaande woning niet geheel binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak valt, wordt overwogen dat [appellant sub 2] deze stelling niet heeft gestaafd, zodat de beroepsgrond reeds om die reden niet slaagt. Voor zover [appellant sub 2] heeft beoogd te betogen dat de verbeelding op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl niet is voorzien van een correcte ondergrond, wordt overwogen dat de ondergrond geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan, zodat het betoog niet kan leiden tot vernietiging van het plan. 4.
- Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Het beroep van [rechtsopvolger]
- [rechtsopvolger] richt zich tegen het toekennen van de bestemming "Bedrijf - Opslag" aan het perceel [locatie 4] te De Cocksdorp. Hij voert hiertoe aan dat uit de door de eigenaar van het perceel, [appellant sub 2], ingediende zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan kan worden afgeleid dat door haar ter plaatse geen nieuw opslag- en logiesgebouw zal worden gerealiseerd, zodat de raad ten onrechte de bestemming "Bedrijf - Opslag" aan een deel van het perceel heeft toegekend. 5.
- De Afdeling overweegt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.1.
- is overwogen dat het betoog slaagt. Het beroep is in zoverre gegrond. 5.
- De overige beroepsgronden die zijn gericht tegen het toekennen van de bestemming "Bedrijf - Opslag" aan het perceel [locatie 4] te De Cocksdorp behoeven gezien het voorgaande geen bespreking meer. 5.
- [rechtsopvolger] voert voorts aan dat de gezamenlijke oppervlakte van de woonbestemming en de tuinbestemming aanzienlijk groter is dan de in het gemeentelijke beleid opgenomen maximale oppervlakte van 5.000 m² die geldt ten aanzien van de bestemming "Wonen" met tuinen en erven ten behoeve van een burgerwoning in het buitengebied. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat een groot gebied niet alleen kan worden gebruikt als tuin en erf, maar bovendien kan worden ingericht met allerlei vergunningvrije bouwwerken. 5.3.
- Ingevolge artikel 45, lid 45.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor: a. tuinen en voorzieningen behorende bij de op hetzelfde perceel gelegen (bedrijfs)woning; en daarbij behorende: b. wegen en paden; c. water; d. overige bouwwerken. Ingevolge lid 45.2 is het bouwen van gebouwen en overkappingen verboden. 5.3.
- In de plantoelichting is bij het intekenen van de bestemmingsvlakken "Wonen" als uitgangspunt gehanteerd dat een bestemmingsvlak een oppervlakte heeft van maximaal 5.000 m². De Afdeling stelt vast dat de bestemming "Wonen" die is toegekend aan de gronden van de [locatie 4] een oppervlakte van ongeveer 4.575 m² beslaat, zodat aan dit uitgangspunt is voldaan. De Afdeling stelt voorts vast dat de bestemming "Tuin", die is verdeeld over twee bestemmingsvlakken, in totaal een oppervlakte beslaat van ongeveer 8.900 m². Desgevraagd is ter zitting van de zijde van de raad toegelicht dat uitgangspunt is dat een bestemmingsvlak voor "Wonen" een maximale oppervlakte heeft van 5.000 m² en dat het gemeentelijke beleid niet inhoudt dat de gezamenlijke oppervlakte van de bestemmingsvlakken "Wonen" en "Tuin" niet meer dan 5.000 m² mag beslaan. Voorts heeft de raad onweersproken toegelicht dat sprake is van continuering van de sinds 1998 bestaande situatie, waarin het perceel [locatie 4] grotendeels als tuin/erf wordt gebruikt. Het betoog faalt. 5.
- Het beroep van [rechtsopvolger] is gegrond. Het beroep van [appellante sub 4]
- [appellante sub 4] richt zich tegen de bestemmingsregeling voor de [locatie 5] tot en met [locatie 6] te De Cocksdorp. Volgens [appellante sub 4] zijn haar bestaande rechten en belangen niet gerespecteerd. Zij wijst er in dit verband op dat van rechtswege vergunning is verleend voor het bouwen van drie nieuwe recreatiewoningen aan de westelijke zijde van het perceel [locatie 5]-[locatie 6], buiten het op de verbeelding opgenomen bouwvlak. 6.
- Aan het noordelijk deel van het perceel, [locatie 6], is de bestemming "Recreatie - Recreatief opstal" toegekend en een bouwvlak met een oppervlakte van 210 m
- Aan het zuidelijk deel van het perceel, [locatie 5]-[locatie 7], is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" toegekend en een bouwvlak met een oppervlakte van 2.660 m
- Aan het bouwvlak zijn de maatvoeringen "wonen = 3", "maximum bebouwd oppervlak (m2)= 950" en "maximum aantal recreatieve slaapplaatsen = 45" toegekend. 6.1.
- De raad heeft toegelicht dat [appellante sub 4] op 14 mei 2013 een aanvraag heeft ingediend voor het uitplaatsen van drie recreatie-eenheden aan de [locatie 5]-[locatie 6] te De Cocksdorp. Volgens de raad is hiervoor op 29 oktober 2013 van rechtswege vergunning verleend, zodat de drie recreatie-eenheden kunnen worden gerealiseerd. Hierdoor ontstaan nieuwe bouwmogelijkheden op het perceel buiten het thans aanwezige bouwvlak. Deze situatie zal bij de herziening van het onderhavige bestemmingsplan worden meegenomen, aldus de raad. Ter zitting is voorts van de zijde van de raad meegedeeld dat ter plaatse van de te realiseren recreatie-eenheden de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" dan moet worden vervangen door de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen". 6.1.
- De Afdeling overweegt als volgt. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Ter zitting is desgevraagd van de zijde van de raad meegedeeld dat de aanvraag van 14 mei 2013 voldoende was onderbouwd en dat deze had moeten worden betrokken bij de vaststelling van het plan. Gezien het vorenstaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan voor het uitplaatsen van drie recreatie-eenheden aan de [locatie 5]-[locatie 6] te De Cocksdorp ten tijde van de vaststelling van het plan niet kon worden beoordeeld. 6.1.
- In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" voor de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6] te De Cocksdorp voor zover daaraan geen bouwvlak ten behoeve van drie recreatie-eenheden is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 6.
- [appellante sub 4] wijst er voorts op dat zij met het gemeentebestuur is overeengekomen dat de recreatieve opstal die aanwezig was op de [locatie 8] te De Cocksdorp mag worden herbouwd op de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6]. Het bouwvlak op de verbeelding voorziet ten onrechte niet in die mogelijkheid. Volgens [appellante sub 4] heeft de raad de verplaatste opstal van de [locatie 8] ten onrechte in de vorm van toekenning van 5 extra slaapplaatsen in de verblijfsrecreatieve gebouwen geïntegreerd. 6.2.
- De raad heeft uiteengezet dat bij brief van 2 september 2010 medewerking is verleend aan het verplaatsen van 5 slaapplaatsen vanaf het perceel [locatie 8] te De Cocksdorp. Deze slaapplaatsen zijn opgenomen in de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen". Volgens de raad zijn bij de telling van de slaapplaatsen in de verblijfsrecreatieve gebouwen 5 slaapplaatsen opgenomen die afkomstig zijn van het perceel [locatie 8] te De Cocksdorp. Dat de oorspronkelijke slaapplaatsen in de vorm van een "recreatief opstal" aanwezig waren op het perceel [locatie 8], geeft volgens de raad geen recht op een nieuw, vrijstaand "recreatief opstal" op de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6]. Volgens de raad worden de slaapplaatsen verplaatst en niet de recreatieve opstal. [appellante sub 4] heeft volgens de raad recht op een extra recreatieve eenheid, inpandig of aangebouwd aan de bestaande bebouwing. 6.2.
- Bij brief van 2 september 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van het verzoek van [appellante sub 4] tot verplaatsing van een "recreatief opstal" aan de [locatie 8] in De Cocksdorp naar de [locatie 5]-[locatie 6] in De Cocksdorp aan [appellante sub 4] meegedeeld dat het perceel [locatie 8] valt onder het bestemmingsplan "De Cocksdorp" en dat verplaatsing naar de nieuwe locatie valt onder het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" waarin geen mogelijkheden tot verplaatsing zijn opgenomen. Om medewerking te kunnen verlenen aan het verzoek is volgens voormelde brief een projectbesluit noodzakelijk waarvoor een ruimtelijke onderbouwing is vereist, waarin zowel moet worden ingegaan op de verwijdering van de recreatieve opstal op de oude locatie aan de [locatie 8] als de nieuwbouw van de recreatieve opstal op de nieuwe locatie aan de [locatie 5]-[locatie 6]. Op 3 augustus 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten medewerking te verlenen aan het starten van een projectprocedure. 6.2.
- De Afdeling stelt vast dat uit voormelde brief van 2 september 2010 kan worden afgeleid dat door het gemeentebestuur is beoogd de recreatieve opstal als zodanig te verplaatsen en niet uitsluitend de 5 slaapplaatsen. Voorts wordt van belang geacht dat [appellante sub 4] op 14 mei 2013 een aanvraag heeft ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van een recreatieve opstal en nieuwbouw van een zomerhuis aan de Vuurtorenweg in De Cocksdorp. Gelet op voorgaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval kan worden volstaan met het toekennen van 5 extra slaapplaatsen aan de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6] ter vervanging van de recreatieve opstal aan de [locatie 8]. 6.
- De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel voor de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6] te De Cocksdorp, voor zover daaraan geen bouwvlak voor een extra recreatief opstal ter vervanging van de recreatieve opstal aan de [locatie 8] te De Cocksdorp is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 6.
- [appellante sub 4] kan zich er voorts niet mee verenigen dat het oorspronkelijke bestemmingsvlak van het perceel [locatie 5]-[locatie 6] is gesplitst in een perceel met de bestemming "Recreatie - Recreatief opstal" en een perceel "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen". Voorts richt [appellante sub 4] zich tegen de verkleining van de bouwvlakken tot ongeveer de helft van het bestemmingsvlak, waardoor doelmatig gebruik en inrichting van het perceel onevenredig worden belemmerd. Recreatieve opstallen kunnen ten onrechte niet meer losstaand op haar perceel worden gebouwd. De raad heeft zich in dit verband volgens [appellante sub 4] ten onrechte op het standpunt gesteld dat haar perceel in een open landschap ligt en dat vergroting van het bouwvlak om die reden een aantasting en verdere verstening van dit landschap zou betekenen. Hiertoe voert [appellante sub 4] aan dat het perceel niet in een open landschap ligt, maar is omsloten door bos. Vergroting van het bouwvlak noch de uitplaatsing van recreatieve eenheden leidt volgens [appellante sub 4] tot meer verstening, zolang de oppervlakte van de te realiseren bebouwing beperkt blijft tot maximaal 950 m2 met de thans aanwezige recreatieve opstal op [locatie 6] en de nog te realiseren opstal in verband met de verplaatsing van de recreatieve opstal van [locatie 8] naar de [locatie 5]-[locatie 6]. 6.4.
- Ingevolge artikel 35, lid 35.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Recreatie - Recreatief opstal" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van recreatief verblijf, in de vorm van één recreatief opstal. Ingevolge artikel 36, lid 36.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van verblijfsrecreatie in de vorm van hotels, groepsverblijven en complexen van recreatieappartementen. 6.4.
- De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het apart bestemmen van de recreatieve opstal geen gevolgen heeft voor de gebruiksmogelijkheden van het perceel. De recreatieve opstal kan als vrijstaande eenheid op deze locatie blijven staan en kan worden vernieuwd binnen het bouwvlak. Voor zover [appellante sub 4] zich niet kan verenigen met de grootte van de bouwvlakken, wordt overwogen dat de raad bij de bepaling van de grootte ervan heeft kunnen betrekken dat het perceel in een open landschap ligt en dat vergroting van de bouwvlakken een aantasting van dit landschap inhoudt en in strijd is met het beleidsuitgangspunt om bebouwing te concentreren. Voorts heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen de mogelijkheid om recreatieve eenheden vrijstaand op het erf te plaatsen, niet langer toe te staan. Hierbij heeft de raad kunnen betrekken dat het uitplaatsen van recreatieve eenheden leidt tot aantasting en verdere verstening van het open landschap. Voorts heeft de raad hierbij van belang kunnen achten dat het buitengebied van Texel in zijn algemeenheid een open karakter heeft en dat het behoud daarvan een kernwaarde voor Texel is. Het betoog faalt. 6.
- [appellante sub 4] stelt zich voorts op het standpunt dat haar wens om een groot bebouwingsvlak met 50 slaapplaatsen te verkrijgen ten onrechte en in strijd met paragraaf 4.
- van de plantoelichting is gepasseerd. [appellante sub 4] wijst erop dat in de plantoelichting staat dat de vorm waarin slaapplaatsen worden aangeboden zoveel mogelijk wordt vrijgelaten. De plantoelichting suggereert volgens [appellante sub 4] ten onrechte dat sprake zou zijn van een versoepeling ten gunste van recreatie-ondernemers. 6.5.
- De raad heeft toegelicht dat uitsluitend de kleinschalige recreatieterreinen die reeds bestonden uit vrijstaande recreatieve eenheden in het nieuwe bestemmingsplan zijn voorzien van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen", omdat hier geen verdere verstening ontstaat door het plaatsen van nieuwe vrijstaande recreatieve eenheden. 6.5.
- De Afdeling stelt vast dat in artikel 36, lid 36.1, aanhef en onder a, van de planregels is opgenomen dat de toegekende slaapplaatsen mogen worden gerealiseerd in de vorm van een hotel, recreatieappartementen of groepsverblijven. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hieruit volgt dat het plan de recreatie-ondernemer flexibiliteit en keuzemogelijkheden biedt ten aanzien van de verschijningsvorm van de recreatieve activiteiten. Er bestaan immers uitwisselingsmogelijkheden binnen de recreatievormen. Van strijd met de uitgangspunten van het bestemmingsplan is gelet hierop naar het oordeel van de Afdeling geen sprake. Het betoog faalt. 6.
- Het beroep van [appellante sub 4] is gegrond. Het beroep van [appellante sub 5]
- Volgens [appellante sub 5] is onrechte een bouwvlak met een oppervlakte van 0,16 ha in plaats van 1 ha toegekend aan haar perceel [locatie 9] te Den Burg. Volgens [appellante sub 5] is hiermee op onjuiste wijze uitvoering gegeven aan het tijdens de raadsvergadering van 12 juni 2013 aangenomen amendement dat ertoe strekt dat aan het perceel een zelfstandig agrarisch bouwvlak van 1 ha moet worden toegekend zoals door [appellante sub 5] is verzocht. [appellante sub 5] wijst erop dat in het amendement geen afwijkende omvang voor het bouwvlak is opgenomen. Bovendien is 1 ha de standaard afmeting voor een agrarisch bouwvlak op Texel, hetgeen blijkt uit de "Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied", het bestemmingsplan, waaronder de verbeelding waarop agrarische bouwvlakken standaard een oppervlakte hebben van 1 ha, en de notulen van de raadsvergadering van 12 juni
- Volgens [appellante sub 5] is een bouwvlak van 1 ha noodzakelijk om de agrarische activiteiten zowel nu als in de toekomst optimaal te kunnen uitvoeren. Subsidiair stelt [appellante sub 5] zich op het standpunt dat zij zich kan verenigen met het toekennen van bouwvlak van ongeveer 0,87 ha aan het perceel [locatie 9], mits dit op de verbeelding wordt weergegeven overeenkomstig een door haar overgelegde tekening. [appellante sub 5] wijst er in dit verband op dat inmiddels een koopovereenkomst met [persoon] is gesloten over de aankoop van aangrenzende percelen met een omvang van 57 are en 6 centiare. Met de aankoop van die gronden is naast het in het voorgaande bestemmingsplan opgenomen bouwvlak voor het perceel [locatie 10] een bouwvlak haaks op de Nieuwlanderweg mogelijk met een omvang van 0,87 ha. 7.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het amendement is uitgewerkt in de verbeelding. Bij de tekensystematiek is een agrarisch bouwvlak van maximaal 1 ha het uitgangspunt, mits dit past bij de situatie. In dit geval moet volgens de raad rekening worden gehouden met de afstand tot aan de as van de Nieuwlanderweg. Hierbij is het uitgangspunt 40 m. Er is aansluiting gezocht bij het naastgelegen perceel en het bouwvlak is op een afstand van ongeveer 35 m van de weg gesitueerd. Daarnaast is gekeken naar de kadastrale eigendomssituatie. Het perceel is een langs de weg uitgestrekt perceel dat in eigendom is van de maten. Het vormen van lintbebouwing op een langgerekt agrarisch bouwblok zou volgens de raad een aantasting zijn van het open landschap en daarmee een aantasting van de Texelse kernwaarden. Gelet hierop heeft de raad geen aanleiding gezien om een bouwvlak van 1 ha op de verbeelding in te tekenen. 7.1.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.7, aanhef en onder a, van de planregels kan het plan in die zin worden gewijzigd dat een bouwvlak wordt vergroot tot maximaal 1,5 ha. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
- de vergroting is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering waarbij deze noodzaak blijkt uit een bij de aanvraag in te leveren bedrijfsplan;
- uit het in te dienen erfinrichtingsplan blijkt dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing van erf, beplanting en bebouwing conform het Beeldkwaliteitplan;
- de vergroting doet geen onevenredige afbreuk aan de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven, de milieusituatie, de woonsituatie, de natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden;
- deze wijzigingsbevoegdheid is, gedurende de planperiode en over het gehele plangebied gezien, minder dan 47 keer toegepast. 7.1.
- De Afdeling stelt vast dat in de tekst van het amendement is vermeld dat op de [locatie 9] een volwaardig zelfstandig agrarisch bedrijf is gevestigd, dat los dient te worden gezien van de agrarische activiteiten op de [locatie 10]. Voor de ontwikkeling is het volgens het amendement noodzakelijk dat het bedrijf op de [locatie 9] een eigen bouwvlak heeft. Het is niet wenselijk dat twee bedrijven hun activiteiten op één bouwvlak uitoefenen. Bij het kopje "besluit" bij het amendement staat vervolgens: Het perceel Nieuwlanderweg in twee blokken splitsen en op beide een bedrijfswoning toestaan. Uit het verslag van de vergadering van de gemeenteraad van 12 juni 2013 blijkt dat tijdens de vergadering is gesproken over het toekennen van A-blokken op voormelde percelen. Voorts stelt de Afdeling vast dat in paragraaf 2.
- van de "Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied" onder meer staat dat in het gebied Binnenduinrand, waar het perceel [locatie 9] is gelegen, bouwvlakken van 1 ha worden ingetekend. Uitgangspunt is gelet hierop het toekennen van een bouwvlak van 1 ha. Het aan het perceel [locatie 9] toegekende bouwvlak met een oppervlakte 0,16 ha wijkt hiervan aanzienlijk af. De Afdeling stelt vast dat in het amendement niet uitdrukkelijk tot uitdrukking is gebracht dat het bouwvlak voor het perceel [locatie 9] van zeer beperkte omvang dient te zijn. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de uitvoering van het amendement in het bestemmingsplan bij het toekennen van het agrarisch bouwvlak voor het perceel [locatie 9] ten onrechte groot gewicht heeft toegekend aan de eigendomsverhoudingen. De raad heeft ten onrechte geen andere uitvoeringsmogelijkheden van het amendement bezien en is ten onrechte niet in overleg getreden met [appellante sub 5] omtrent mogelijke alternatieven ten aanzien van de ligging van het bouwvlak. De Afdeling acht bovendien van belang dat de raad er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat [appellante sub 5] gebruik zou kunnen maken van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.7, van de planregels, om het bouwvlak te vergroten. Voorts is ter zitting van de zijde van de raad bevestigd dat de door [appellante sub 5] bij brief van 15 mei 2014 ingediende tekening met een alternatieve situering van een bouwvlak van 0,87 ha zou zijn gehonoreerd, indien de daarvoor benodigde eigendomsoverdracht van de gronden van aangrenzende percelen zou hebben plaatsgevonden. 7.
- Uit het vorenstaande volgt dat de planregeling voor zover het de toekenning van het bouwvlak op het plandeel voor de [locatie 9] te Den Burg betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van De Luwe Hoek
- De Luwe Hoek heeft de beroepsgrond dat tijdens de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan ten onrechte nog aanpassingen zijn doorgevoerd, ter zitting ingetrokken. 8.
- De Luwe Hoek richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - Tweede woning" voor het perceel aan de Monnikenweg 5 te Den Burg. De Luwe Hoek betoogt dat de voorziene woningbouw op het voorheen uitsluitend als recreatief bestemde perceel, in strijd is met de artikelen 13 en 14 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS) en de daarin opgenomen expliciete verboden op verstedelijking. De Luwe Hoek wijst er in dit verband op dat geen ontheffing is verleend door het college van gedeputeerde staten. 8.1.
- Ingevolge artikel 51, lid 51.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen - Tweede woning" aangewezen gronden bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van permanente of recreatieve bewoning. Ingevolge lid 51.2.2, onder d, heeft een woonhuis binnen deze bestemming een maximale oppervlakte van 150 m². Ingevolge lid 51.2.2, onder g, mogen per woning maximaal twee bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, exclusief de onder sub k bedoelde opstallen. Ingevolge lid 51.2.2, onder h, mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een woning maximaal 100 m² bedragen, exclusief de oppervlakte zoals genoemd onder sub k van dit artikel. Ingevolge lid 51.2.2, onder k, dienen de recreatieve opstallen te voldoen aan de bouwregels van het artikel "Recreatie - Recreatief opstal". Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a en b, van de PRVS wordt als Bestaand Bebouwd Gebied (hierna: BBG) aangewezen: a. het gebied, als zodanig aangegeven op kaart 2 en op de digitale verbeelding ervan en b. de bestaande of de bij een - op het moment van inwerkingtreden van de PRVS - geldend bestemmingsplan toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing en kassen, waaronder mede begrepen de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van openbare voorzieningen, verkeersinfrastructuur alsmede stedelijk water en stedelijk groen van een stad, dorp of kern. Ingevolge artikel 1, onder 23, moet onder landelijk gebied worden verstaan het gebied, niet zijnde BBG. Ingevolge artikel 13, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe woningbouw in het landelijk gebied. Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw indien: a. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de provinciale woonvisie 2010-2020 en de door het college van gedeputeerde staten en de regiogemeenten vastgestelde regionale actieprogramma’s; b. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de door het college van gedeputeerde staten vastgestelde provinciale woningbouwmonitor en provinciale woningbouwprognose; c. nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen BBG en; d. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen. Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1 van de PRVS, in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van de PRVS. Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13, indien: a. de noodzaak van verstedelijking als bedoeld in het eerste lid is aangetoond; b. is aangetoond dat de beoogde verstedelijking niet door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen BBG kan worden gerealiseerd en; c. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen. Ingevolge artikel 1, onder 5, moet onder bebouwing worden verstaan één of meerdere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Ingevolge artikel 1, onder 38, moet onder verstedelijking worden verstaan alle functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover deze het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken. 8.1.
- Op grond van het voorgaande plan mocht de oppervlakte van een zomerhuis op het perceel Monnikenweg 5 maximaal 70 m² bedragen. Er mochten geen vrijstaande gebouwen worden opgericht. In het onderhavige plan wordt uitbreiding van de oppervlakte van de reeds bestaande woning met 80 m² tot maximaal 150 m² mogelijk gemaakt. Voorts mogen per woning maximaal twee bijbehorende bouwwerken worden gebouwd exclusief de onder artikel 51, lid 51.2.2, aanhef en onder k, van de planregels bedoelde opstallen. De Afdeling stelt vast dat de gronden ter plaatse van de voorziene uitbreiding van het woonoppervlak en de voorziene bijbehorende bouwwerken aan de Monnikenweg 5 buiten het BBG als bedoeld in artikel 9 van de PRVS liggen. De bebouwingsmogelijkheden betreffen planologisch nieuwe ontwikkelingen in landelijk gebied, omdat het voorgaande plan ter plaatse niet voorzag in deze bouwmogelijkheden. De Afdeling overweegt dat uit artikel 1, onder 38, van de PRVS volgt dat artikel 14 van de PRVS onder meer ziet op alle functies die verband houden met wonen. Naar het oordeel van de Afdeling vallen de desbetreffende bebouwingsmogelijkheden in de vorm van uitbreiding van de bestaande woning en de voorziene bijbehorende bouwwerken onder de toepassing van die bepaling. Nu de bebouwingsmogelijkheden zijn voorzien in het landelijk gebied, heeft de raad het plan in zoverre derhalve vastgesteld in strijd met artikel 14, eerste lid, van de PRVS. Het betoog van De Luwe Hoek slaagt. 8.
- Gelet op het voorgaande behoeft de beroepsgrond dat de voorziene uitbreiding van de woonoppervlakte en de voorziene bijbehorende bouwwerken aan de Monnikenweg 5 eveneens in strijd zijn met artikel 13 van de PRVS, geen bespreking meer. De beroepsgrond dat met het toekennen van de bestemming "Wonen - Tweede woning" aan het perceel aan de Monnikenweg 5 ten onrechte is voorzien in de mogelijkheid het perceel te gebruiken voor zowel permanente als recreatieve bewoning en dat het perceel ten onrechte is vermeld op de lijst van tweede woningen bij de Huisvestingsverordening 1997, behoeft gezien het vorenstaande evenmin bespreking. Dit geldt ook voor de beroepsgrond dat de in het plan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling voor het perceel Monnikenweg 5 in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), niet is verantwoord in de plantoelichting. 8.
- De Luwe Hoek voert voorts aan dat de in artikel 37, lid 37.2.8, aanhef en onder c, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting in strijd is met het stelsel van de Wro. 8.3.
- Ingevolge artikel 37, lid 37.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen" aangewezen gronden bestemd voor recreatief verblijf in de vorm van een terrein voor campers, stacaravans, caravans, blokhutten, tenten, zomerhuizen, familiehuizen en wonen ten behoeve van de recreatieve bestemming. Ingevolge lid 37.2.8, aanhef en onder c, geldt voor de inrichting van het terrein dat aan de buitenkant van het terrein een afschermende boomsingel moet worden geplant en in stand gehouden, met een minimale breedte van 7 m. 8.3.
- Aan de percelen Monnikenweg 7 tot en met 19 te Den Burg is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen" toegekend. 8.3.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 37, lid 37.2.8, aanhef en onder c, van de planregels te stellig is geformuleerd. Volgens de raad had de zinsnede "indien noodzakelijk" moeten worden toegevoegd. Het is volgens de raad gemeentelijk beleid dat indien sprake is van ligging in een bosrijke omgeving of in de duinen de afschermende windsingel niet nodig is. Dit is volgens de raad ook het geval in De Luwe Hoek. 8.
- Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, terwijl niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 37, lid 37.2.8, aanhef en onder c, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Overigens is de Afdeling van oordeel dat toevoeging van de zinsnede de "indien noodzakelijk" niet leidt tot een deugdelijke voorwaardelijke verplichting, aangezien hierdoor rechtsonzekerheid optreedt. 8.
- In hetgeen De Luwe Hoek heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - Tweede woning" voor het perceel aan de Monnikenweg 5 te Den Burg is vastgesteld in strijd met artikel 14, eerste lid, van de PRVS en wat betreft artikel 37, lid 37.2.8, aanhef en onder c, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van De Luwe Hoek is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 7]
- [appellant sub 7] kan zich er niet mee verenigen dat in het plan voor haar bollenbedrijf op haar perceel [locatie 11] te Den Hoorn geen agrarisch bouwvlak is opgenomen, waardoor vergroting van het bedrijf en wijziging van de bedrijfsvoering niet mogelijk zijn. Volgens [appellant sub 7] heeft de raad niet voldaan aan het uitgangspunt dat wordt bestemd overeenkomstig de feitelijke situatie. [appellant sub 7] wijst er voorts op dat het college van burgemeester en wethouders bij brief van 25 juni 2002 heeft meegedeeld dat medewerking zal worden verleend aan haar verzoek om een nieuw agrarisch bebouwingsvlak van de klasse b te realiseren. 9.
- Aan het perceel [locatie 11] is de bestemming "Agrarisch - Binnenduinrand" en de bestemming "Waarde - Archeologie 4" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" toegekend. Aan het perceel is geen bouwvlak toegekend. 9.1.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.130, van de planregels wordt onder veldschuur verstaan een solitaire schuur op agrarische gronden voor een agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en x, zijn de voor "Agrarisch - Binnenduinrand" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik alsmede een veldschuur ter plaatse van de aanduiding "Specifieke vorm van agrarisch - veldschuur". Ingevolge lid 3.2.2, aanhef en onder a, mogen gebouwen en overkappingen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, uitgezonderd schapenboet en veldschuur. Ingevolge lid 3.2.2, aanhef en onder c, mag een veldschuur uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "Specifieke vorm van agrarisch - veldschuur". 9.1.
- De gronden van de [locatie 11] behoorden voorheen bij het op het perceel [locatie 12] gevestigde bedrijf. De gronden [locatie 11] zijn in 1985 en 1994 verkocht aan de partner van [appellant sub 7]. De eigenaar van het perceel [locatie 12] is de voormalige agrarische bedrijfswoning blijven bewonen. Aan het op het perceel [locatie 12] gevestigde bedrijf was in het voorgaande plan de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 3, klasse a" toegekend. Voorts was een agrarisch bouwvlak toegekend dat deels de gronden [locatie 12] en deels de gronden [locatie 11] besloeg. Op het bouwvlak waren bedrijfsgebouwen, dienstwoningen en bijgebouwen toegelaten. Op grond van artikel 3, vijfde lid, onder d, was op het bebouwingsvlak niet meer dan één dienstwoning toegestaan. Dit betrof de woning op het perceel [locatie 12]. 9.1.
- De Afdeling stelt vast dat aan het perceel [locatie 11] in het onderhavige bestemmingsplan geen agrarisch bouwvlak is toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels is het bouwen van gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Nu geen bouwvlak is toegekend, is het bouwen van gebouwen en overkappingen ter plaatse niet toegestaan. Gelet hierop is uitbreiding van de bedrijfsgebouwen niet mogelijk. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten ter plaatse van de gronden aan de [locatie 11] geen nieuw agrarisch bouwvlak op te nemen. De raad heeft in dit verband ter zitting toegelicht dat [appellant sub 7] voorheen slechts over een vijfde deel van het agrarisch bouwvlak kon beschikken. Het overige deel van het agrarisch bouwvlak, met daarop een bedrijfswoning, behoorde toe aan de eigenaar van de gronden van de [locatie 12]. De raad heeft uiteengezet dat het in beginsel mogelijk is om een bestaand agrarisch bouwvlak in zijn geheel over te nemen van een agrariër die zijn werkzaamheden heeft beëindigd. In dit geval is de eigenaar van het perceel [locatie 12] echter in de bedrijfswoning op het perceel blijven wonen en is de vrijgekomen agrarische bebouwing niet gesaneerd. Het is niet mogelijk om slechts een gedeelte van het bouwvlak over te nemen. De Afdeling acht dit beleidsuitgangspunt niet onredelijk. Voorts heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling van belang kunnen achten dat uitgangspunt is dat geen nieuwe agrarische bouwvlakken worden toegestaan in het plangebied. Het perceel [locatie 11] is bovendien gelegen in een kwetsbaar gebied met open zicht op het naastgelegen duingebied, zodat de raad het ook om die reden niet wenselijk heeft kunnen achten om ter plaatse in een nieuw agrarisch bouwvlak te voorzien. Voor zover [appellant sub 7] aanvoert dat het college van burgemeester en wethouders haar bij brief van 25 juni 2002 heeft meegedeeld dat medewerking zal worden verleend aan haar verzoek om een nieuw agrarisch bebouwingsvlak te realiseren, wordt overwogen dat ter zitting door [appellant sub 7] is bevestigd dat zij aan de uitspraak op het principeverzoek geen gevolg heeft gegeven door een aanvraag in te dienen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gelet op het tijdsverloop niet aannemelijk was dat [appellant sub 7] nog gevolg zou geven aan de uitspraak op het principeverzoek. Het betoog faalt. 9.
- [appellant sub 7] wijst er voorts op dat op 2 juli 2010 vrijstelling is verleend voor het realiseren van personeelsverblijven in de veldschuur gelegen op het perceel [locatie 11] op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Deze vrijstelling is volgens [appellant sub 7] ten onrechte niet verwerkt in het plan. 9.2.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.4.4, aanhef en onder e, van de planregels wordt tot een strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van bedrijfsgebouwen of vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning. Ingevolge lid 3.5, onder e, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4.4, onder e, in die zin dat inpandige verblijven gerealiseerd worden voor huisvesting van tijdelijk personeel van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf. Ingevolge artikel 64, lid 64.4, aanhef en onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. 9.2.
- Bij besluit van 2 juli 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verleend van het voorgaande plan voor het realiseren van personeelsverblijven in de schuur, gelegen aan de [locatie 11] te Den Hoorn. De huisvesting in personeelsverblijven in de schuur is nog niet gerealiseerd. In het onderhavige plan is voormelde vrijstelling niet als zodanig opgenomen. Het gebruik van de schuur voor bewoning is ingevolge artikel 3, lid 3.4.4, aanhef en onder e, van de planregels niet toegestaan. Nu de huisvesting nog niet is gerealiseerd en de schuur derhalve nog niet wordt gebruikt als personeelsverblijf, is evenmin sprake van gebruik dat valt onder het overgangsrecht. Gezien het vorenstaande is de inpandige huisvesting van tijdelijk personeel van het bedrijf van [appellant sub 7] in de op het perceel [locatie 11] aanwezige veldschuur niet toegestaan. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het bedrijf van [appellant sub 7] is vooruitgelopen op de regeling als bedoeld in artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels en dat [appellant sub 7] wordt geacht over de benodigde vrijstelling te beschikken. Anders dan de raad betoogt, kan de op 2 juli 2010 verleende vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO niet worden beschouwd als een omgevingsvergunning op grond waarvan geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels meer is vereist teneinde te voorzien in de mogelijkheid van huisvesting van tijdelijk personeel van het bollenbedrijf in de veldschuur. Nu de raad uitdrukkelijk heeft beoogd toe te staan dat het seizoenspersoneel van het bollenbedrijf van [appellant sub 7] in de veldschuur op het perceel [locatie 11] wordt gehuisvest, moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, aangezien de inpandige huisvesting van seizoenspersoneel in de veldschuur op grond van het plan niet is toegestaan. Het betoog slaagt. 9.
- In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Binnenduinrand" en de bestemming "Waarde - Archeologie 4" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" voor het perceel [locatie 11], zover daarin de op 2 juli 2010 verleende vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO voor het realiseren van personeelsverblijven in de veldschuur niet is opgenomen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellanten sub 8]
- [appellanten sub 8] wijzen erop dat de raad heeft besloten tot aanwijzing van 2 woningen in het op hun perceel [locatie 13] te Den Burg aanwezige woonhuis, opdat daar 2 keer 6 bedden voor logies en ontbijt kunnen worden aangeboden. Volgens [appellanten sub 8] is op de verbeelding echter ten onrechte de maatvoering "maximum aantal wooneenheden" vermeld in plaats van de maatvoering "maximum aantal woningen". 10.
- Aan het perceel [locatie 13] te Den Burg is de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum aantal wooneenheden