← Nederland

ECLI:NL:RVS:2015:1159

201309926/1/R

  1. Datum uitspraak: 15 april 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel,
  3. [appellant sub 2], wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel,
  4. wijlen [appellant sub 3], voorheen wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel, thans haar [rechtsopvolger], wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel,
  5. [appellante sub 4], gevestigd te De Cocksdorp, gemeente Texel,
  6. [appellante sub 5], gevestigd te Den Burg, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Den Burg,
  7. de vereniging Vereniging van Eigenaren de Luwe Hoek, gevestigd te Den Burg, gemeente Texel,
  8. [appellant sub 7], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel,
  9. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], wonend te Den Burg, gemeente Texel,
  10. [appellante sub 9] en anderen, wonend onderscheidenlijk gevestigd te De Koog, Den Hoorn, De Cocksdorp en Den Burg, gemeente Texel,
  11. [appellante sub 10] en anderen, wonend onderscheidenlijk gevestigd te Oosterend, gemeente Texel,
  12. [appellant sub 11] en anderen, allen wonend te Den Hoorn, gemeente Texel,
  13. [appellant sub 12], wonend te De Waal, gemeente Texel,
  14. [appellant sub 13A] en [appellante sub 13B], wonend te De Waal, gemeente Texel (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 13]),
  15. [appellant sub 14], wonend te Oosterend, gemeente Texel,
  16. [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B], wonend te De Koog, gemeente Texel,
  17. de naamloze vennootschap Exploitatiemaatschappij de Krim N.V., gevestigd te De Cocksdorp, gemeente Texel,
  18. [appellant sub 17], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel,
  19. [appellante sub 18], gevestigd te De Waal, gemeente Texel, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beide wonend te De Waal, en anderen,
  20. [appellant sub 19], wonend te Oosterend, gemeente Texel,
  21. [appellante sub 20], gevestigd te De Koog, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te De Koog, en anderen,
  22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Villapark de Ruyterplaats B.V., gevestigd te Den Burg, gemeente Texel, en [appellant sub 21A], wonend te Den Burg, gemeente Texel,
  23. [appellant sub 22A] en [appellante sub 22B], wonend te De Waal, gemeente Texel (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 22]),
  24. de vereniging 10 voor Texel en de vereniging Landschapszorg Texel, beide gevestigd te Texel,
  25. [appellante sub 24], wonend te [woonplaats], thans de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Waddengarnaal Texel B.V., gevestigd te Oudeschild, gemeente Texel,
  26. [appellant sub 25], wonend te Dronten,
  27. [appellant sub 26A] en [appellante sub 26B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 26]), beiden wonend te Den Burg, gemeente Texel,
  28. [appellant sub 27], wonend te De Koog, gemeente Texel,
  29. [appellant sub 28A] en [appellant sub 28B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 28]), beiden wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel,
  30. [appellant sub 29], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel,
  31. [appellant sub 30], wonend te Amstelveen,
  32. [appellant sub 31A] en [appellant sub 31B], wonend te [woonplaatsen],
  33. [appellant sub 32], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel,
  34. [appellante sub 33], gevestigd te Oosterend, gemeente Texel, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Oosterend, gemeente Texel,
  35. [appellant sub 34], wonend te Den Burg, gemeente Texel, en de raad van de gemeente Texel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben alle appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal appellanten heeft nadere stukken ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal appellanten en derde-belanghebbenden hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de hoger beroepen in zaak nrs. 201309891/1/A1 en 201309906/1/A1 ter zitting behandeld op 3 en 4 december 2014, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Een aantal derde-belanghebbenden is ter zitting als partij gehoord. Overwegingen
  36. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
  37. Het plan voorziet in een actualisering van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Texel 1986" (hierna: het voorgaande plan). Het plangebied omvat het gehele Texelse grondgebied uitgezonderd de kernen Den Burg, De Waal, Den Hoorn, Oudeschild, Oosterend, De Koog, De Cocksdorp, ’t Horntje, Oost-, Midden- en Zuid-Eierland. Ook het zeegebied behoort niet tot het plangebied. Het beroep van [appellant sub 1]
  38. [appellant sub 1] kan zich er niet mee verenigen dat aan zijn perceel [locatie 1] te Den Hoorn de bestemming "Wonen" met een bouwvlak is toegekend en dat het ingevolge artikel 50, lid 50.2, onder 50.2.2, sub m, van de planregels niet mogelijk is de twee aangebouwde recreatieve opstallen om te zetten naar twee vrijstaande recreatieve opstallen elders op het perceel. [appellant sub 1] voert aan dat hij reeds jaren bezig is om uitplaatsing van de recreatieve opstallen te realiseren. In dit verband wijst hij op een brief van 1 november 2010 waarin het college van burgemeester en wethouders zich positief heeft uitgelaten over de uitplaatsing. [appellant sub 1] wijst er voorts op dat hij op 15 december 2010 een op uitplaatsing gericht verzoek heeft ingediend en dat het college van burgemeester en wethouders in antwoord hierop heeft aangegeven dat met een projectafwijkingsprocedure een omgevingsvergunning kan worden afgegeven. Op 6 februari 2012 is een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van twee recreatieve opstallen op het perceel. Op deze aanvraag is thans nog niet beslist. Volgens [appellant sub 1] hadden zijn concrete bouwplannen moeten worden meegenomen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. 3.
  39. Ingevolge artikel 50, lid 50.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van permanente bewoning. Ingevolge lid 50.1, aanhef en onder f, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie indien in de maatvoering "maximum aantal recreatieve opstallen" op de verbeelding is opgenomen dat één of meer opstallen aanwezig mogen zijn. Ingevolge lid 50.2 onder 50.2.2, sub m, geldt voor het bouwen van gebouwen en overkappingen dat bestaande recreatieve opstallen, die zich inpandig in, of aangebouwd aan, een gebouw bevinden, niet als losstaand bouwwerk mogen worden herbouwd. 3.1.
  40. Aan het perceel [locatie 1] te Den Hoorn is de bestemming "Wonen" toegekend. Het bouwvlak op het perceel bevat op de verbeelding onder meer de maatvoeringsaanduiding "maximum aantal recreatieve opstallen". Hierbij is het getal 2 opgenomen. 3.1.
  41. De Afdeling stelt het volgende vast. [appellant sub 1] heeft het gemeentebestuur bij brief van 12 juli 2010 verzocht de mogelijkheden voor het perceel [locatie 1] uiteen te zetten. Bij brief van 1 november 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders informatie verstrekt omtrent de bouwmogelijkheden voor het desbetreffende perceel. Hierbij is de nota van uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied van Texel als uitgangspunt genomen. Ten aanzien van bestaande, inpandige recreatieve opstallen is vermeld dat deze bij de woning kunnen worden getrokken of worden omgezet naar bijgebouw. Er moet dan wel worden voldaan aan de bebouwingseisen voor wonen of bijgebouw. Het college van burgemeester en wethouders heeft er voorts op gewezen dat voor het vooruitlopen op het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied Texel" een omgevingsvergunning nodig is met ontheffing van het bestemmingsplan. Bij brief van 7 september 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders geconcludeerd dat om een omgevingsvergunning te kunnen verlenen een projectafwijkingsprocedure noodzakelijk is. [appellant sub 1] heeft op 6 februari 2012 een aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning ingediend. Op 14 augustus 2012 heeft de raad een voornemen tot weigering van de omgevingsvergunning verzonden. Hiertegen is geen zienswijze ingediend. Er is vervolgens geen formeel weigeringsbesluit genomen. 3.1.
  42. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten in het onderhavige bestemmingsplan voor het perceel [locatie 1] niet te voorzien in uitplaatsing van de twee inpandige recreatieve opstallen. Hierbij heeft de raad van belang kunnen achten dat verstening van het landschap en aantasting van de openheid van het landschap moeten worden voorkomen en dat de zichtlijn naar het achtergelegen agrarische land moet worden gevrijwaard van bebouwingsmogelijkheden. Dat, zoals [appellant sub 1] stelt, langs de [appellant sub 12]weg begroeiing aanwezig is, maakt dit niet anders, nu niet zeker is of de thans aanwezige begroeiing behouden blijft. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn concrete bouwvoornemens, wordt overwogen dat een bestemmingsplan in het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De raad heeft in dit geval de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bouwvoornemens van [appellant sub 1] uitdrukkelijk bezien en geconcludeerd dat deze strijdig zijn met de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Hierbij heeft de raad van belang geacht dat de recreatieve opstallen buiten het in het bestemmingsplan voorziene bouwvlak zijn gelegen en voor de voorgevel van de bestaande woning zijn gesitueerd. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouwvoornemens niet in het bestemmingsplan behoefden te worden opgenomen wegens de ruimtelijke onaanvaardbaarheid daarvan. Het betoog faalt. 3.
  43. [appellant sub 1] voert voorts aan dat de door de raad gewenste kwaliteitsverbetering niet kan worden gerealiseerd indien de twee inpandige recreatieve opstallen niet kunnen worden omgezet naar vrijstaande recreatieve opstallen elders op zijn gronden. Het verkleinen van de bouwmogelijkheden is volgens [appellant sub 1] in strijd met het gemeentelijke beleid inzake kwaliteitsverbetering. 3.2.
  44. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van strijd met het gemeentelijke beleid met betrekking tot kwaliteitsverbetering. In dit verband heeft de raad toegelicht dat kwaliteitsverbetering volgens het gemeentelijke beleid een voorwaarde is bij het toekennen van extra slaapplaatsen voor recreatieve bedrijven of in het geval er drie of meer recreatieve opstallen op een perceel aanwezig zijn. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat kwaliteitsverbetering niet afhankelijk is van het eventueel uitplaatsen van recreatieve opstallen. Het betoog faalt. 3.
  45. Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 2] in Den Hoorn, voor welk perceel medewerking is verleend aan de vergroting van het bouwvlak en een toename van de bouwmogelijkheden, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat aan dit perceel de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" is toegekend, waarbinnen aparte regels gelden voor mogelijkheden tot uitbreiding. Hiervoor is in 2009 reeds een projectafwijkingsprocedure gestart. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Voor zover [appellant sub 1] zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 13 december 2013 toepassing heeft gegeven aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid zoals opgenomen in artikel 7 van het bestemmingsplan "Partiële herziening" voor het verplaatsen van een "recreatief opstal" ter plaatse van het perceel [locatie 3] te Den Burg en het college van burgemeester en wethouders de aanvragen van [appellant sub 1] voor het uitplaatsen van de twee recreatieve opstallen evenzeer had kunnen vergunnen door toepassing te geven aan voormelde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, overweegt de Afdeling als volgt. Reeds omdat thans de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" door de raad voorligt en niet de toepassing door het college van burgemeester en wethouders van artikel 7 van het bestemmingsplan "Partiële herziening", kan dit betoog niet slagen. 3.
  46. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat op 29 mei 2013 een door hem op 10 januari 2013 ingediende aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een restaurant op zijn perceel is ingewilligd. De locatie van het vergunde restaurant is volgens [appellant sub 1] echter buiten het in het plan opgenomen bouwvlak gelegen. 3.4.
  47. De raad heeft toegelicht dat op 10 januari 2013 een aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning is ingediend voor het realiseren van een restaurant en de aanleg van een inrit/uitrit op het perceel [locatie 1]. Bij besluit van 29 mei 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders hiervoor een omgevingsvergunning verleend. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat, in navolging van de verleende omgevingsvergunning, ter plaatse opnieuw een horecabestemming kan worden toegekend, indien [appellant sub 1] zijn oorspronkelijke bouwmogelijkheden wenst te behouden. 3.4.
  48. Met betrekking tot de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van het restaurant en de inrit/uitrit op het perceel [locatie 1] staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden als een dienovereenkomstige bestemmingsregeling op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe regeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat in navolging van de verleende omgevingsvergunning een horecabestemming aan het perceel kan worden toegekend. 3.4.
  49. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" met onder meer de maatvoeringsaanduiding "maximum aantal recreatieve opstallen

(2)", voor het perceel [locatie 1], voor zover daarin de op 29 mei 2013 verleende omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een restaurant en de aanleg van een uitrit/inrit niet is opgenomen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 2]
  1. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor haar perceel [locatie 4] te De Cocksdorp. Zij voert hiertoe aan dat de bestaande situatie, te weten de huisvesting van het seizoenspersoneel van het door haar geëxploiteerde [strandpaviljoen] in stacaravans op het perceel, ten onrechte niet positief is bestemd, terwijl deze oplossing past binnen het gemeentelijke beleid en landschappelijk goed inpasbaar is. 4.
  2. Het noordelijke deel van het perceel aan de [locatie 4] heeft de bestemming "Bedrijf - Opslag" met onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak = 600 m²". Ingevolge artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Opslag" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van opslag. Ingevolge lid 17.3.1 wordt het gebruik van de gronden en bouwwerken voor bewoning als strijdig gebruik aangemerkt. Ingevolge lid 17.4 kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 17.3.1 in die zin dat inpandige verblijven gerealiseerd worden voor huisvesting van personeel van het ter plaatse gevestigde bedrijf. 4.1.
  3. Ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wro wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van tien jaar telkens opnieuw vastgesteld. Uit deze bepaling volgt dat de wetgever een planperiode van tien jaar voor ogen staat, onverminderd de verlengingsmogelijkheid voor de raad die is neergelegd in artikel 3.1, derde lid, van de Wro. Het is in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan bestemmingen op te nemen die niet binnen de planperiode van 10 jaar zullen worden verwezenlijkt. 4.1.
  4. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2] in haar zienswijze van 22 februari 2013 op het ontwerpbestemmingsplan uitdrukkelijk heeft verzocht de bestaande feitelijke situatie, waarbij seizoenspersoneel van het door [appellant sub 2] geëxploiteerde [strandpaviljoen] in tien stacaravans wordt gehuisvest op het perceel [locatie 4], conform het gemeentelijke beleid zoals neergelegd in de "Notitie bedrijfswoningen en personeelsverblijven" van 19 december 2006, positief te bestemmen. [appellant sub 2] heeft daarbij aangegeven dat zij wenst dat de bestaande opstal positief wordt bestemd ten behoeve van het huidige gebruik, te weten hoofdzakelijk opslag ten behoeve van bedrijfsmaterialen behorende bij het [strandpaviljoen]. Zij heeft voorts te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een nieuw gebouw voor opslag en personeelshuisvesting. Daarnaast is ter zitting van de zijde van de raad desgevraagd toegelicht dat recentelijk overleg heeft plaatsgevonden met [appellant sub 2], waarbij zij eveneens heeft aangegeven dat zij de tien stacaravans positief bestemd wenst te zien en dat zij bereid is de op 10 mei 2010 verleende bouwvergunning voor het realiseren van een loods met inpandige personeelsverblijven op het perceel [locatie 4] in te trekken indien het gemeentebestuur aan haar wensen tegemoet komt. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Opslag" voor het perceel [locatie 4] te De Cocksdorp, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 4.
  5. De overige beroepsgronden die zijn gericht tegen het toekennen van de bestemming "Bedrijf - Opslag" aan het perceel [locatie 4] te De Cocksdorp behoeven gezien het vorenstaande geen bespreking meer. 4.
  6. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] dat haar bestaande woning niet geheel binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak valt, wordt overwogen dat [appellant sub 2] deze stelling niet heeft gestaafd, zodat de beroepsgrond reeds om die reden niet slaagt. Voor zover [appellant sub 2] heeft beoogd te betogen dat de verbeelding op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl niet is voorzien van een correcte ondergrond, wordt overwogen dat de ondergrond geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan, zodat het betoog niet kan leiden tot vernietiging van het plan. 4.
  7. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Het beroep van [rechtsopvolger]
  8. [rechtsopvolger] richt zich tegen het toekennen van de bestemming "Bedrijf - Opslag" aan het perceel [locatie 4] te De Cocksdorp. Hij voert hiertoe aan dat uit de door de eigenaar van het perceel, [appellant sub 2], ingediende zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan kan worden afgeleid dat door haar ter plaatse geen nieuw opslag- en logiesgebouw zal worden gerealiseerd, zodat de raad ten onrechte de bestemming "Bedrijf - Opslag" aan een deel van het perceel heeft toegekend. 5.
  9. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.1.
  10. is overwogen dat het betoog slaagt. Het beroep is in zoverre gegrond. 5.
  11. De overige beroepsgronden die zijn gericht tegen het toekennen van de bestemming "Bedrijf - Opslag" aan het perceel [locatie 4] te De Cocksdorp behoeven gezien het voorgaande geen bespreking meer. 5.
  12. [rechtsopvolger] voert voorts aan dat de gezamenlijke oppervlakte van de woonbestemming en de tuinbestemming aanzienlijk groter is dan de in het gemeentelijke beleid opgenomen maximale oppervlakte van 5.000 m² die geldt ten aanzien van de bestemming "Wonen" met tuinen en erven ten behoeve van een burgerwoning in het buitengebied. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat een groot gebied niet alleen kan worden gebruikt als tuin en erf, maar bovendien kan worden ingericht met allerlei vergunningvrije bouwwerken. 5.3.
  13. Ingevolge artikel 45, lid 45.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor: a. tuinen en voorzieningen behorende bij de op hetzelfde perceel gelegen (bedrijfs)woning; en daarbij behorende: b. wegen en paden; c. water; d. overige bouwwerken. Ingevolge lid 45.2 is het bouwen van gebouwen en overkappingen verboden. 5.3.
  14. In de plantoelichting is bij het intekenen van de bestemmingsvlakken "Wonen" als uitgangspunt gehanteerd dat een bestemmingsvlak een oppervlakte heeft van maximaal 5.000 m². De Afdeling stelt vast dat de bestemming "Wonen" die is toegekend aan de gronden van de [locatie 4] een oppervlakte van ongeveer 4.575 m² beslaat, zodat aan dit uitgangspunt is voldaan. De Afdeling stelt voorts vast dat de bestemming "Tuin", die is verdeeld over twee bestemmingsvlakken, in totaal een oppervlakte beslaat van ongeveer 8.900 m². Desgevraagd is ter zitting van de zijde van de raad toegelicht dat uitgangspunt is dat een bestemmingsvlak voor "Wonen" een maximale oppervlakte heeft van 5.000 m² en dat het gemeentelijke beleid niet inhoudt dat de gezamenlijke oppervlakte van de bestemmingsvlakken "Wonen" en "Tuin" niet meer dan 5.000 m² mag beslaan. Voorts heeft de raad onweersproken toegelicht dat sprake is van continuering van de sinds 1998 bestaande situatie, waarin het perceel [locatie 4] grotendeels als tuin/erf wordt gebruikt. Het betoog faalt. 5.
  15. Het beroep van [rechtsopvolger] is gegrond. Het beroep van [appellante sub 4]
  16. [appellante sub 4] richt zich tegen de bestemmingsregeling voor de [locatie 5] tot en met [locatie 6] te De Cocksdorp. Volgens [appellante sub 4] zijn haar bestaande rechten en belangen niet gerespecteerd. Zij wijst er in dit verband op dat van rechtswege vergunning is verleend voor het bouwen van drie nieuwe recreatiewoningen aan de westelijke zijde van het perceel [locatie 5]-[locatie 6], buiten het op de verbeelding opgenomen bouwvlak. 6.
  17. Aan het noordelijk deel van het perceel, [locatie 6], is de bestemming "Recreatie - Recreatief opstal" toegekend en een bouwvlak met een oppervlakte van 210 m
  18. Aan het zuidelijk deel van het perceel, [locatie 5]-[locatie 7], is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" toegekend en een bouwvlak met een oppervlakte van 2.660 m
  19. Aan het bouwvlak zijn de maatvoeringen "wonen = 3", "maximum bebouwd oppervlak (m2)= 950" en "maximum aantal recreatieve slaapplaatsen = 45" toegekend. 6.1.
  20. De raad heeft toegelicht dat [appellante sub 4] op 14 mei 2013 een aanvraag heeft ingediend voor het uitplaatsen van drie recreatie-eenheden aan de [locatie 5]-[locatie 6] te De Cocksdorp. Volgens de raad is hiervoor op 29 oktober 2013 van rechtswege vergunning verleend, zodat de drie recreatie-eenheden kunnen worden gerealiseerd. Hierdoor ontstaan nieuwe bouwmogelijkheden op het perceel buiten het thans aanwezige bouwvlak. Deze situatie zal bij de herziening van het onderhavige bestemmingsplan worden meegenomen, aldus de raad. Ter zitting is voorts van de zijde van de raad meegedeeld dat ter plaatse van de te realiseren recreatie-eenheden de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" dan moet worden vervangen door de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen". 6.1.
  21. De Afdeling overweegt als volgt. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Ter zitting is desgevraagd van de zijde van de raad meegedeeld dat de aanvraag van 14 mei 2013 voldoende was onderbouwd en dat deze had moeten worden betrokken bij de vaststelling van het plan. Gezien het vorenstaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan voor het uitplaatsen van drie recreatie-eenheden aan de [locatie 5]-[locatie 6] te De Cocksdorp ten tijde van de vaststelling van het plan niet kon worden beoordeeld. 6.1.
  22. In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" voor de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6] te De Cocksdorp voor zover daaraan geen bouwvlak ten behoeve van drie recreatie-eenheden is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 6.
  23. [appellante sub 4] wijst er voorts op dat zij met het gemeentebestuur is overeengekomen dat de recreatieve opstal die aanwezig was op de [locatie 8] te De Cocksdorp mag worden herbouwd op de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6]. Het bouwvlak op de verbeelding voorziet ten onrechte niet in die mogelijkheid. Volgens [appellante sub 4] heeft de raad de verplaatste opstal van de [locatie 8] ten onrechte in de vorm van toekenning van 5 extra slaapplaatsen in de verblijfsrecreatieve gebouwen geïntegreerd. 6.2.
  24. De raad heeft uiteengezet dat bij brief van 2 september 2010 medewerking is verleend aan het verplaatsen van 5 slaapplaatsen vanaf het perceel [locatie 8] te De Cocksdorp. Deze slaapplaatsen zijn opgenomen in de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen". Volgens de raad zijn bij de telling van de slaapplaatsen in de verblijfsrecreatieve gebouwen 5 slaapplaatsen opgenomen die afkomstig zijn van het perceel [locatie 8] te De Cocksdorp. Dat de oorspronkelijke slaapplaatsen in de vorm van een "recreatief opstal" aanwezig waren op het perceel [locatie 8], geeft volgens de raad geen recht op een nieuw, vrijstaand "recreatief opstal" op de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6]. Volgens de raad worden de slaapplaatsen verplaatst en niet de recreatieve opstal. [appellante sub 4] heeft volgens de raad recht op een extra recreatieve eenheid, inpandig of aangebouwd aan de bestaande bebouwing. 6.2.
  25. Bij brief van 2 september 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van het verzoek van [appellante sub 4] tot verplaatsing van een "recreatief opstal" aan de [locatie 8] in De Cocksdorp naar de [locatie 5]-[locatie 6] in De Cocksdorp aan [appellante sub 4] meegedeeld dat het perceel [locatie 8] valt onder het bestemmingsplan "De Cocksdorp" en dat verplaatsing naar de nieuwe locatie valt onder het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" waarin geen mogelijkheden tot verplaatsing zijn opgenomen. Om medewerking te kunnen verlenen aan het verzoek is volgens voormelde brief een projectbesluit noodzakelijk waarvoor een ruimtelijke onderbouwing is vereist, waarin zowel moet worden ingegaan op de verwijdering van de recreatieve opstal op de oude locatie aan de [locatie 8] als de nieuwbouw van de recreatieve opstal op de nieuwe locatie aan de [locatie 5]-[locatie 6]. Op 3 augustus 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten medewerking te verlenen aan het starten van een projectprocedure. 6.2.
  26. De Afdeling stelt vast dat uit voormelde brief van 2 september 2010 kan worden afgeleid dat door het gemeentebestuur is beoogd de recreatieve opstal als zodanig te verplaatsen en niet uitsluitend de 5 slaapplaatsen. Voorts wordt van belang geacht dat [appellante sub 4] op 14 mei 2013 een aanvraag heeft ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van een recreatieve opstal en nieuwbouw van een zomerhuis aan de Vuurtorenweg in De Cocksdorp. Gelet op voorgaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval kan worden volstaan met het toekennen van 5 extra slaapplaatsen aan de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6] ter vervanging van de recreatieve opstal aan de [locatie 8]. 6.
  27. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel voor de gronden aan de [locatie 5]-[locatie 6] te De Cocksdorp, voor zover daaraan geen bouwvlak voor een extra recreatief opstal ter vervanging van de recreatieve opstal aan de [locatie 8] te De Cocksdorp is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 6.
  28. [appellante sub 4] kan zich er voorts niet mee verenigen dat het oorspronkelijke bestemmingsvlak van het perceel [locatie 5]-[locatie 6] is gesplitst in een perceel met de bestemming "Recreatie - Recreatief opstal" en een perceel "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen". Voorts richt [appellante sub 4] zich tegen de verkleining van de bouwvlakken tot ongeveer de helft van het bestemmingsvlak, waardoor doelmatig gebruik en inrichting van het perceel onevenredig worden belemmerd. Recreatieve opstallen kunnen ten onrechte niet meer losstaand op haar perceel worden gebouwd. De raad heeft zich in dit verband volgens [appellante sub 4] ten onrechte op het standpunt gesteld dat haar perceel in een open landschap ligt en dat vergroting van het bouwvlak om die reden een aantasting en verdere verstening van dit landschap zou betekenen. Hiertoe voert [appellante sub 4] aan dat het perceel niet in een open landschap ligt, maar is omsloten door bos. Vergroting van het bouwvlak noch de uitplaatsing van recreatieve eenheden leidt volgens [appellante sub 4] tot meer verstening, zolang de oppervlakte van de te realiseren bebouwing beperkt blijft tot maximaal 950 m2 met de thans aanwezige recreatieve opstal op [locatie 6] en de nog te realiseren opstal in verband met de verplaatsing van de recreatieve opstal van [locatie 8] naar de [locatie 5]-[locatie 6]. 6.4.
  29. Ingevolge artikel 35, lid 35.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Recreatie - Recreatief opstal" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van recreatief verblijf, in de vorm van één recreatief opstal. Ingevolge artikel 36, lid 36.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van verblijfsrecreatie in de vorm van hotels, groepsverblijven en complexen van recreatieappartementen. 6.4.
  30. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het apart bestemmen van de recreatieve opstal geen gevolgen heeft voor de gebruiksmogelijkheden van het perceel. De recreatieve opstal kan als vrijstaande eenheid op deze locatie blijven staan en kan worden vernieuwd binnen het bouwvlak. Voor zover [appellante sub 4] zich niet kan verenigen met de grootte van de bouwvlakken, wordt overwogen dat de raad bij de bepaling van de grootte ervan heeft kunnen betrekken dat het perceel in een open landschap ligt en dat vergroting van de bouwvlakken een aantasting van dit landschap inhoudt en in strijd is met het beleidsuitgangspunt om bebouwing te concentreren. Voorts heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen de mogelijkheid om recreatieve eenheden vrijstaand op het erf te plaatsen, niet langer toe te staan. Hierbij heeft de raad kunnen betrekken dat het uitplaatsen van recreatieve eenheden leidt tot aantasting en verdere verstening van het open landschap. Voorts heeft de raad hierbij van belang kunnen achten dat het buitengebied van Texel in zijn algemeenheid een open karakter heeft en dat het behoud daarvan een kernwaarde voor Texel is. Het betoog faalt. 6.
  31. [appellante sub 4] stelt zich voorts op het standpunt dat haar wens om een groot bebouwingsvlak met 50 slaapplaatsen te verkrijgen ten onrechte en in strijd met paragraaf 4.
  32. van de plantoelichting is gepasseerd. [appellante sub 4] wijst erop dat in de plantoelichting staat dat de vorm waarin slaapplaatsen worden aangeboden zoveel mogelijk wordt vrijgelaten. De plantoelichting suggereert volgens [appellante sub 4] ten onrechte dat sprake zou zijn van een versoepeling ten gunste van recreatie-ondernemers. 6.5.
  33. De raad heeft toegelicht dat uitsluitend de kleinschalige recreatieterreinen die reeds bestonden uit vrijstaande recreatieve eenheden in het nieuwe bestemmingsplan zijn voorzien van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen", omdat hier geen verdere verstening ontstaat door het plaatsen van nieuwe vrijstaande recreatieve eenheden. 6.5.
  34. De Afdeling stelt vast dat in artikel 36, lid 36.1, aanhef en onder a, van de planregels is opgenomen dat de toegekende slaapplaatsen mogen worden gerealiseerd in de vorm van een hotel, recreatieappartementen of groepsverblijven. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hieruit volgt dat het plan de recreatie-ondernemer flexibiliteit en keuzemogelijkheden biedt ten aanzien van de verschijningsvorm van de recreatieve activiteiten. Er bestaan immers uitwisselingsmogelijkheden binnen de recreatievormen. Van strijd met de uitgangspunten van het bestemmingsplan is gelet hierop naar het oordeel van de Afdeling geen sprake. Het betoog faalt. 6.
  35. Het beroep van [appellante sub 4] is gegrond. Het beroep van [appellante sub 5]
  36. Volgens [appellante sub 5] is onrechte een bouwvlak met een oppervlakte van 0,16 ha in plaats van 1 ha toegekend aan haar perceel [locatie 9] te Den Burg. Volgens [appellante sub 5] is hiermee op onjuiste wijze uitvoering gegeven aan het tijdens de raadsvergadering van 12 juni 2013 aangenomen amendement dat ertoe strekt dat aan het perceel een zelfstandig agrarisch bouwvlak van 1 ha moet worden toegekend zoals door [appellante sub 5] is verzocht. [appellante sub 5] wijst erop dat in het amendement geen afwijkende omvang voor het bouwvlak is opgenomen. Bovendien is 1 ha de standaard afmeting voor een agrarisch bouwvlak op Texel, hetgeen blijkt uit de "Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied", het bestemmingsplan, waaronder de verbeelding waarop agrarische bouwvlakken standaard een oppervlakte hebben van 1 ha, en de notulen van de raadsvergadering van 12 juni
  37. Volgens [appellante sub 5] is een bouwvlak van 1 ha noodzakelijk om de agrarische activiteiten zowel nu als in de toekomst optimaal te kunnen uitvoeren. Subsidiair stelt [appellante sub 5] zich op het standpunt dat zij zich kan verenigen met het toekennen van bouwvlak van ongeveer 0,87 ha aan het perceel [locatie 9], mits dit op de verbeelding wordt weergegeven overeenkomstig een door haar overgelegde tekening. [appellante sub 5] wijst er in dit verband op dat inmiddels een koopovereenkomst met [persoon] is gesloten over de aankoop van aangrenzende percelen met een omvang van 57 are en 6 centiare. Met de aankoop van die gronden is naast het in het voorgaande bestemmingsplan opgenomen bouwvlak voor het perceel [locatie 10] een bouwvlak haaks op de Nieuwlanderweg mogelijk met een omvang van 0,87 ha. 7.
  38. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het amendement is uitgewerkt in de verbeelding. Bij de tekensystematiek is een agrarisch bouwvlak van maximaal 1 ha het uitgangspunt, mits dit past bij de situatie. In dit geval moet volgens de raad rekening worden gehouden met de afstand tot aan de as van de Nieuwlanderweg. Hierbij is het uitgangspunt 40 m. Er is aansluiting gezocht bij het naastgelegen perceel en het bouwvlak is op een afstand van ongeveer 35 m van de weg gesitueerd. Daarnaast is gekeken naar de kadastrale eigendomssituatie. Het perceel is een langs de weg uitgestrekt perceel dat in eigendom is van de maten. Het vormen van lintbebouwing op een langgerekt agrarisch bouwblok zou volgens de raad een aantasting zijn van het open landschap en daarmee een aantasting van de Texelse kernwaarden. Gelet hierop heeft de raad geen aanleiding gezien om een bouwvlak van 1 ha op de verbeelding in te tekenen. 7.1.
  39. Ingevolge artikel 3, lid 3.7, aanhef en onder a, van de planregels kan het plan in die zin worden gewijzigd dat een bouwvlak wordt vergroot tot maximaal 1,5 ha. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
  40. de vergroting is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering waarbij deze noodzaak blijkt uit een bij de aanvraag in te leveren bedrijfsplan;
  41. uit het in te dienen erfinrichtingsplan blijkt dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing van erf, beplanting en bebouwing conform het Beeldkwaliteitplan;
  42. de vergroting doet geen onevenredige afbreuk aan de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven, de milieusituatie, de woonsituatie, de natuurwaarden en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden;
  43. deze wijzigingsbevoegdheid is, gedurende de planperiode en over het gehele plangebied gezien, minder dan 47 keer toegepast. 7.1.
  44. De Afdeling stelt vast dat in de tekst van het amendement is vermeld dat op de [locatie 9] een volwaardig zelfstandig agrarisch bedrijf is gevestigd, dat los dient te worden gezien van de agrarische activiteiten op de [locatie 10]. Voor de ontwikkeling is het volgens het amendement noodzakelijk dat het bedrijf op de [locatie 9] een eigen bouwvlak heeft. Het is niet wenselijk dat twee bedrijven hun activiteiten op één bouwvlak uitoefenen. Bij het kopje "besluit" bij het amendement staat vervolgens: Het perceel Nieuwlanderweg in twee blokken splitsen en op beide een bedrijfswoning toestaan. Uit het verslag van de vergadering van de gemeenteraad van 12 juni 2013 blijkt dat tijdens de vergadering is gesproken over het toekennen van A-blokken op voormelde percelen. Voorts stelt de Afdeling vast dat in paragraaf 2.
  45. van de "Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied" onder meer staat dat in het gebied Binnenduinrand, waar het perceel [locatie 9] is gelegen, bouwvlakken van 1 ha worden ingetekend. Uitgangspunt is gelet hierop het toekennen van een bouwvlak van 1 ha. Het aan het perceel [locatie 9] toegekende bouwvlak met een oppervlakte 0,16 ha wijkt hiervan aanzienlijk af. De Afdeling stelt vast dat in het amendement niet uitdrukkelijk tot uitdrukking is gebracht dat het bouwvlak voor het perceel [locatie 9] van zeer beperkte omvang dient te zijn. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de uitvoering van het amendement in het bestemmingsplan bij het toekennen van het agrarisch bouwvlak voor het perceel [locatie 9] ten onrechte groot gewicht heeft toegekend aan de eigendomsverhoudingen. De raad heeft ten onrechte geen andere uitvoeringsmogelijkheden van het amendement bezien en is ten onrechte niet in overleg getreden met [appellante sub 5] omtrent mogelijke alternatieven ten aanzien van de ligging van het bouwvlak. De Afdeling acht bovendien van belang dat de raad er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat [appellante sub 5] gebruik zou kunnen maken van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.7, van de planregels, om het bouwvlak te vergroten. Voorts is ter zitting van de zijde van de raad bevestigd dat de door [appellante sub 5] bij brief van 15 mei 2014 ingediende tekening met een alternatieve situering van een bouwvlak van 0,87 ha zou zijn gehonoreerd, indien de daarvoor benodigde eigendomsoverdracht van de gronden van aangrenzende percelen zou hebben plaatsgevonden. 7.
  46. Uit het vorenstaande volgt dat de planregeling voor zover het de toekenning van het bouwvlak op het plandeel voor de [locatie 9] te Den Burg betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van De Luwe Hoek
  47. De Luwe Hoek heeft de beroepsgrond dat tijdens de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan ten onrechte nog aanpassingen zijn doorgevoerd, ter zitting ingetrokken. 8.
  48. De Luwe Hoek richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - Tweede woning" voor het perceel aan de Monnikenweg 5 te Den Burg. De Luwe Hoek betoogt dat de voorziene woningbouw op het voorheen uitsluitend als recreatief bestemde perceel, in strijd is met de artikelen 13 en 14 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS) en de daarin opgenomen expliciete verboden op verstedelijking. De Luwe Hoek wijst er in dit verband op dat geen ontheffing is verleend door het college van gedeputeerde staten. 8.1.
  49. Ingevolge artikel 51, lid 51.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen - Tweede woning" aangewezen gronden bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van permanente of recreatieve bewoning. Ingevolge lid 51.2.2, onder d, heeft een woonhuis binnen deze bestemming een maximale oppervlakte van 150 m². Ingevolge lid 51.2.2, onder g, mogen per woning maximaal twee bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, exclusief de onder sub k bedoelde opstallen. Ingevolge lid 51.2.2, onder h, mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een woning maximaal 100 m² bedragen, exclusief de oppervlakte zoals genoemd onder sub k van dit artikel. Ingevolge lid 51.2.2, onder k, dienen de recreatieve opstallen te voldoen aan de bouwregels van het artikel "Recreatie - Recreatief opstal". Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a en b, van de PRVS wordt als Bestaand Bebouwd Gebied (hierna: BBG) aangewezen: a. het gebied, als zodanig aangegeven op kaart 2 en op de digitale verbeelding ervan en b. de bestaande of de bij een - op het moment van inwerkingtreden van de PRVS - geldend bestemmingsplan toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing en kassen, waaronder mede begrepen de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van openbare voorzieningen, verkeersinfrastructuur alsmede stedelijk water en stedelijk groen van een stad, dorp of kern. Ingevolge artikel 1, onder 23, moet onder landelijk gebied worden verstaan het gebied, niet zijnde BBG. Ingevolge artikel 13, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe woningbouw in het landelijk gebied. Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw indien: a. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de provinciale woonvisie 2010-2020 en de door het college van gedeputeerde staten en de regiogemeenten vastgestelde regionale actieprogramma’s; b. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de door het college van gedeputeerde staten vastgestelde provinciale woningbouwmonitor en provinciale woningbouwprognose; c. nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen BBG en; d. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen. Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1 van de PRVS, in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van de PRVS. Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13, indien: a. de noodzaak van verstedelijking als bedoeld in het eerste lid is aangetoond; b. is aangetoond dat de beoogde verstedelijking niet door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen BBG kan worden gerealiseerd en; c. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen. Ingevolge artikel 1, onder 5, moet onder bebouwing worden verstaan één of meerdere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Ingevolge artikel 1, onder 38, moet onder verstedelijking worden verstaan alle functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover deze het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken. 8.1.
  50. Op grond van het voorgaande plan mocht de oppervlakte van een zomerhuis op het perceel Monnikenweg 5 maximaal 70 m² bedragen. Er mochten geen vrijstaande gebouwen worden opgericht. In het onderhavige plan wordt uitbreiding van de oppervlakte van de reeds bestaande woning met 80 m² tot maximaal 150 m² mogelijk gemaakt. Voorts mogen per woning maximaal twee bijbehorende bouwwerken worden gebouwd exclusief de onder artikel 51, lid 51.2.2, aanhef en onder k, van de planregels bedoelde opstallen. De Afdeling stelt vast dat de gronden ter plaatse van de voorziene uitbreiding van het woonoppervlak en de voorziene bijbehorende bouwwerken aan de Monnikenweg 5 buiten het BBG als bedoeld in artikel 9 van de PRVS liggen. De bebouwingsmogelijkheden betreffen planologisch nieuwe ontwikkelingen in landelijk gebied, omdat het voorgaande plan ter plaatse niet voorzag in deze bouwmogelijkheden. De Afdeling overweegt dat uit artikel 1, onder 38, van de PRVS volgt dat artikel 14 van de PRVS onder meer ziet op alle functies die verband houden met wonen. Naar het oordeel van de Afdeling vallen de desbetreffende bebouwingsmogelijkheden in de vorm van uitbreiding van de bestaande woning en de voorziene bijbehorende bouwwerken onder de toepassing van die bepaling. Nu de bebouwingsmogelijkheden zijn voorzien in het landelijk gebied, heeft de raad het plan in zoverre derhalve vastgesteld in strijd met artikel 14, eerste lid, van de PRVS. Het betoog van De Luwe Hoek slaagt. 8.
  51. Gelet op het voorgaande behoeft de beroepsgrond dat de voorziene uitbreiding van de woonoppervlakte en de voorziene bijbehorende bouwwerken aan de Monnikenweg 5 eveneens in strijd zijn met artikel 13 van de PRVS, geen bespreking meer. De beroepsgrond dat met het toekennen van de bestemming "Wonen - Tweede woning" aan het perceel aan de Monnikenweg 5 ten onrechte is voorzien in de mogelijkheid het perceel te gebruiken voor zowel permanente als recreatieve bewoning en dat het perceel ten onrechte is vermeld op de lijst van tweede woningen bij de Huisvestingsverordening 1997, behoeft gezien het vorenstaande evenmin bespreking. Dit geldt ook voor de beroepsgrond dat de in het plan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling voor het perceel Monnikenweg 5 in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), niet is verantwoord in de plantoelichting. 8.
  52. De Luwe Hoek voert voorts aan dat de in artikel 37, lid 37.2.8, aanhef en onder c, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting in strijd is met het stelsel van de Wro. 8.3.
  53. Ingevolge artikel 37, lid 37.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen" aangewezen gronden bestemd voor recreatief verblijf in de vorm van een terrein voor campers, stacaravans, caravans, blokhutten, tenten, zomerhuizen, familiehuizen en wonen ten behoeve van de recreatieve bestemming. Ingevolge lid 37.2.8, aanhef en onder c, geldt voor de inrichting van het terrein dat aan de buitenkant van het terrein een afschermende boomsingel moet worden geplant en in stand gehouden, met een minimale breedte van 7 m. 8.3.
  54. Aan de percelen Monnikenweg 7 tot en met 19 te Den Burg is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve terreinen" toegekend. 8.3.
  55. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 37, lid 37.2.8, aanhef en onder c, van de planregels te stellig is geformuleerd. Volgens de raad had de zinsnede "indien noodzakelijk" moeten worden toegevoegd. Het is volgens de raad gemeentelijk beleid dat indien sprake is van ligging in een bosrijke omgeving of in de duinen de afschermende windsingel niet nodig is. Dit is volgens de raad ook het geval in De Luwe Hoek. 8.
  56. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, terwijl niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 37, lid 37.2.8, aanhef en onder c, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Overigens is de Afdeling van oordeel dat toevoeging van de zinsnede de "indien noodzakelijk" niet leidt tot een deugdelijke voorwaardelijke verplichting, aangezien hierdoor rechtsonzekerheid optreedt. 8.
  57. In hetgeen De Luwe Hoek heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - Tweede woning" voor het perceel aan de Monnikenweg 5 te Den Burg is vastgesteld in strijd met artikel 14, eerste lid, van de PRVS en wat betreft artikel 37, lid 37.2.8, aanhef en onder c, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van De Luwe Hoek is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 7]
  58. [appellant sub 7] kan zich er niet mee verenigen dat in het plan voor haar bollenbedrijf op haar perceel [locatie 11] te Den Hoorn geen agrarisch bouwvlak is opgenomen, waardoor vergroting van het bedrijf en wijziging van de bedrijfsvoering niet mogelijk zijn. Volgens [appellant sub 7] heeft de raad niet voldaan aan het uitgangspunt dat wordt bestemd overeenkomstig de feitelijke situatie. [appellant sub 7] wijst er voorts op dat het college van burgemeester en wethouders bij brief van 25 juni 2002 heeft meegedeeld dat medewerking zal worden verleend aan haar verzoek om een nieuw agrarisch bebouwingsvlak van de klasse b te realiseren. 9.
  59. Aan het perceel [locatie 11] is de bestemming "Agrarisch - Binnenduinrand" en de bestemming "Waarde - Archeologie 4" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" toegekend. Aan het perceel is geen bouwvlak toegekend. 9.1.
  60. Ingevolge artikel 1, lid 1.130, van de planregels wordt onder veldschuur verstaan een solitaire schuur op agrarische gronden voor een agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en x, zijn de voor "Agrarisch - Binnenduinrand" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik alsmede een veldschuur ter plaatse van de aanduiding "Specifieke vorm van agrarisch - veldschuur". Ingevolge lid 3.2.2, aanhef en onder a, mogen gebouwen en overkappingen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, uitgezonderd schapenboet en veldschuur. Ingevolge lid 3.2.2, aanhef en onder c, mag een veldschuur uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "Specifieke vorm van agrarisch - veldschuur". 9.1.
  61. De gronden van de [locatie 11] behoorden voorheen bij het op het perceel [locatie 12] gevestigde bedrijf. De gronden [locatie 11] zijn in 1985 en 1994 verkocht aan de partner van [appellant sub 7]. De eigenaar van het perceel [locatie 12] is de voormalige agrarische bedrijfswoning blijven bewonen. Aan het op het perceel [locatie 12] gevestigde bedrijf was in het voorgaande plan de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 3, klasse a" toegekend. Voorts was een agrarisch bouwvlak toegekend dat deels de gronden [locatie 12] en deels de gronden [locatie 11] besloeg. Op het bouwvlak waren bedrijfsgebouwen, dienstwoningen en bijgebouwen toegelaten. Op grond van artikel 3, vijfde lid, onder d, was op het bebouwingsvlak niet meer dan één dienstwoning toegestaan. Dit betrof de woning op het perceel [locatie 12]. 9.1.
  62. De Afdeling stelt vast dat aan het perceel [locatie 11] in het onderhavige bestemmingsplan geen agrarisch bouwvlak is toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels is het bouwen van gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Nu geen bouwvlak is toegekend, is het bouwen van gebouwen en overkappingen ter plaatse niet toegestaan. Gelet hierop is uitbreiding van de bedrijfsgebouwen niet mogelijk. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten ter plaatse van de gronden aan de [locatie 11] geen nieuw agrarisch bouwvlak op te nemen. De raad heeft in dit verband ter zitting toegelicht dat [appellant sub 7] voorheen slechts over een vijfde deel van het agrarisch bouwvlak kon beschikken. Het overige deel van het agrarisch bouwvlak, met daarop een bedrijfswoning, behoorde toe aan de eigenaar van de gronden van de [locatie 12]. De raad heeft uiteengezet dat het in beginsel mogelijk is om een bestaand agrarisch bouwvlak in zijn geheel over te nemen van een agrariër die zijn werkzaamheden heeft beëindigd. In dit geval is de eigenaar van het perceel [locatie 12] echter in de bedrijfswoning op het perceel blijven wonen en is de vrijgekomen agrarische bebouwing niet gesaneerd. Het is niet mogelijk om slechts een gedeelte van het bouwvlak over te nemen. De Afdeling acht dit beleidsuitgangspunt niet onredelijk. Voorts heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling van belang kunnen achten dat uitgangspunt is dat geen nieuwe agrarische bouwvlakken worden toegestaan in het plangebied. Het perceel [locatie 11] is bovendien gelegen in een kwetsbaar gebied met open zicht op het naastgelegen duingebied, zodat de raad het ook om die reden niet wenselijk heeft kunnen achten om ter plaatse in een nieuw agrarisch bouwvlak te voorzien. Voor zover [appellant sub 7] aanvoert dat het college van burgemeester en wethouders haar bij brief van 25 juni 2002 heeft meegedeeld dat medewerking zal worden verleend aan haar verzoek om een nieuw agrarisch bebouwingsvlak te realiseren, wordt overwogen dat ter zitting door [appellant sub 7] is bevestigd dat zij aan de uitspraak op het principeverzoek geen gevolg heeft gegeven door een aanvraag in te dienen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gelet op het tijdsverloop niet aannemelijk was dat [appellant sub 7] nog gevolg zou geven aan de uitspraak op het principeverzoek. Het betoog faalt. 9.
  63. [appellant sub 7] wijst er voorts op dat op 2 juli 2010 vrijstelling is verleend voor het realiseren van personeelsverblijven in de veldschuur gelegen op het perceel [locatie 11] op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Deze vrijstelling is volgens [appellant sub 7] ten onrechte niet verwerkt in het plan. 9.2.
  64. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.4, aanhef en onder e, van de planregels wordt tot een strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van bedrijfsgebouwen of vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning. Ingevolge lid 3.5, onder e, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4.4, onder e, in die zin dat inpandige verblijven gerealiseerd worden voor huisvesting van tijdelijk personeel van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf. Ingevolge artikel 64, lid 64.4, aanhef en onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. 9.2.
  65. Bij besluit van 2 juli 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verleend van het voorgaande plan voor het realiseren van personeelsverblijven in de schuur, gelegen aan de [locatie 11] te Den Hoorn. De huisvesting in personeelsverblijven in de schuur is nog niet gerealiseerd. In het onderhavige plan is voormelde vrijstelling niet als zodanig opgenomen. Het gebruik van de schuur voor bewoning is ingevolge artikel 3, lid 3.4.4, aanhef en onder e, van de planregels niet toegestaan. Nu de huisvesting nog niet is gerealiseerd en de schuur derhalve nog niet wordt gebruikt als personeelsverblijf, is evenmin sprake van gebruik dat valt onder het overgangsrecht. Gezien het vorenstaande is de inpandige huisvesting van tijdelijk personeel van het bedrijf van [appellant sub 7] in de op het perceel [locatie 11] aanwezige veldschuur niet toegestaan. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het bedrijf van [appellant sub 7] is vooruitgelopen op de regeling als bedoeld in artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels en dat [appellant sub 7] wordt geacht over de benodigde vrijstelling te beschikken. Anders dan de raad betoogt, kan de op 2 juli 2010 verleende vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO niet worden beschouwd als een omgevingsvergunning op grond waarvan geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels meer is vereist teneinde te voorzien in de mogelijkheid van huisvesting van tijdelijk personeel van het bollenbedrijf in de veldschuur. Nu de raad uitdrukkelijk heeft beoogd toe te staan dat het seizoenspersoneel van het bollenbedrijf van [appellant sub 7] in de veldschuur op het perceel [locatie 11] wordt gehuisvest, moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, aangezien de inpandige huisvesting van seizoenspersoneel in de veldschuur op grond van het plan niet is toegestaan. Het betoog slaagt. 9.
  66. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Binnenduinrand" en de bestemming "Waarde - Archeologie 4" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" voor het perceel [locatie 11], zover daarin de op 2 juli 2010 verleende vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO voor het realiseren van personeelsverblijven in de veldschuur niet is opgenomen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellanten sub 8]
  67. [appellanten sub 8] wijzen erop dat de raad heeft besloten tot aanwijzing van 2 woningen in het op hun perceel [locatie 13] te Den Burg aanwezige woonhuis, opdat daar 2 keer 6 bedden voor logies en ontbijt kunnen worden aangeboden. Volgens [appellanten sub 8] is op de verbeelding echter ten onrechte de maatvoering "maximum aantal wooneenheden" vermeld in plaats van de maatvoering "maximum aantal woningen". 10.
  68. Aan het perceel [locatie 13] te Den Burg is de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum aantal wooneenheden
(2)" toegekend. 10.1.
  1. Ingevolge artikel 1, lid 1.147, van de planregels wordt onder woning verstaan een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van een afzonderlijk huishouden. Ingevolge artikel 1, lid 1.148, wordt onder wooneenheid verstaan een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van een afzonderlijk huishouden. Ingevolge artikel 1, lid 1.149, wordt onder woonhuis verstaan een gebouw dat een woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden. Ingevolge artikel 50, lid 50.4.4, aanhef en onder b, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend het gebruik van een woonhuis voor meer dan één wooneenheid, tenzij anders op de verbeelding is weergegeven in de maatvoering "maximum aantal wooneenheden". 10.1.
  2. De Afdeling stelt vast dat op het perceel [locatie 13] te Den Burg één woonhuis is toegestaan met daarin maximaal 2 wooneenheden. Blijkens de definitiebepalingen van artikel 1, lid 1.147 en lid 1.148, van de planregels komt de definitie van wooneenheid en woning geheel overeen. Nu met het begrip "woning" hetzelfde wordt bedoeld als met het begrip "wooneenheid" kunnen [appellanten sub 8] naar het oordeel van de Afdeling niet worden gevolgd in hun betoog dat de raad het besluit tot aanwijzing van 2 woningen in het woonhuis op hun perceel niet correct op de verbeelding heeft aangegeven. Het betoog faalt. 10.
  3. [appellanten sub 8] wijzen er voorts op dat in artikel 1, lid 1.81, van de planregels, logies met ontbijt is gedefinieerd als het bieden van de mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt in de woning en dus niet in een wooneenheid. Weliswaar heeft de raad beoogd geen onderscheid te maken tussen woningen en wooneenheden, maar door deze begrippen afwisselend te gebruiken, leidt het plan volgens [appellanten sub 8] tot onduidelijkheid en strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts is het plan volgens [appellanten sub 8] innerlijk tegenstrijdig, nu artikel 1, lid 1.81, van de planregels, het "begrip logies met ontbijt" wordt gekoppeld aan de woning, terwijl in artikel 50, lid 50.4.4, aanhef en onder d, van de planregels sprake is van verboden gebruik voor zover sprake is van meer dan 6 slaapplaatsen, verdeeld over meer dan 3 slaapkamers per grond en bouwwerk. Hieruit volgt volgens [appellanten sub 8] dat maximaal 6 bedden voor logies met ontbijt per bestemmingsvlak of per woonhuis zijn toegestaan, ongeacht het aantal woningen of wooneenheden in dat woonhuis. Het plan is in zoverre in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. 10.2.
  4. Ingevolge artikel 1, lid 1.81, van de planregels, wordt onder logies met ontbijt verstaan het bieden van de mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt, in de woning, aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben, waarbij dit ondergeschikt is aan de woonfunctie. Ingevolge artikel 50, lid 50.4.4, aanhef en onder d, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan logies met ontbijt ondergeschikt aan de woonfunctie en tot een maximum van 6 slaapplaatsen, verdeeld over maximaal 3 slaapkamers. 10.2.
  5. In hetgeen [appellanten sub 8] hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het afwisselende gebruik van de begrippen "woning" en "wooneenheid" in de planregels leidt tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Hierbij acht de Afdeling van belang dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, met de begrippen hetzelfde wordt bedoeld. Nu de betekenis van de begrippen duidelijk is kan het gebruik van beide begrippen in de planregels niet tot verwarring leiden. Voor zover [appellanten sub 8] aanvoeren dat artikel 1, lid 1.81 en artikel 50, lid 50.4.4, aanhef en onder d, van de planregels innerlijk tegenstrijdig zijn, wordt als volgt overwogen. De Afdeling stelt vast dat in de begripsomschrijving van "logies met ontbijt", in artikel 1, lid 1.81, van de planregels, is aangesloten bij het begrip "woning". In artikel 50, lid 50.4.4, aanhef en onder d, van de planregels is vermeld dat als strijdig gebruik van de gronden waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend, wordt aangemerkt het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan logies met ontbijt ondergeschikt aan de woonfunctie en tot een maximum van 6 slaapplaatsen, verdeeld over maximaal 3 slaapkamers. De Afdeling stelt vast dat in dit artikellid niet is aangesloten bij het begrip "woning" maar bij het begrip "bouwwerk". Naar het oordeel van de Afdeling kunnen [appellanten sub 8] worden gevolgd in hun betoog dat uit artikel 50, lid 50.4.4, aanhef en onder d, van de planregels volgt dat maximaal 6 bedden voor logies en ontbijt per bestemmingsvlak of per woonhuis zijn toegestaan, ongeacht het aantal woningen of wooneenheden in dat woonhuis. Nu in de begripsomschrijving van "logies met ontbijt" echter is aangesloten bij het begrip "woning", is niet duidelijk hoeveel slaapplaatsen verdeeld over hoeveel slaapkamers op het perceel [locatie 13] precies zijn toegestaan, nu aan het perceel één bouwvlak is toegekend met daarin de maatvoeringsaanduiding "maximum aantal wooneenheden
(2)". Het betoog slaagt. 10.2.
  1. In hetgeen [appellanten sub 8] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 50, lid 50.4.4, aanhef en onder d, van de planregels is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voor zover daarin niet is voorzien in een uitzondering voor het geval op de verbeelding een maatvoeringsaanduiding met een maximum aantal wooneenheden van 2 of meer is gegeven. Het beroep van [appellanten sub 8] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. 10.
  2. Voorts voeren [appellanten sub 8] aan dat de in het bestemmingsplan opgenomen beroep aan huis-regeling innerlijk tegenstrijdig is, omdat het begrip "beroep aan huis" in artikel 1, lid 1.26, van de planregels is gekoppeld aan het begrip "woonhuis", terwijl de uitoefening van beroep aan huis in artikel 50, lid 50.4.2, aanhef en onder b en c, van de planregels, wordt gekoppeld aan het begrip "woning". De raad heeft beoogd om beroep aan huis zowel bij woningen als bij wooneenheden toe te staan, maar dat is op grond van de huidige planregeling volgens [appellanten sub 8] niet mogelijk. 10.3.
  3. Ingevolge artikel 1, lid 1.26, van de planregels wordt onder beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis verstaan een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis, dan wel een naar de aard of de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen activiteit, die in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend op een zodanige wijze dat het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van die activiteit met de woonfunctie in overeenstemming is. Ingevolge artikel 50, lid 50.4.2, aanhef en onder b en c, geldt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit dat een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit ondergeschikt moet zijn aan de woonfunctie, de oppervlakte maximaal 80 m² bedraagt en er alleen niet-uitstekende, niet-verlichte reclame-uitingen van beperkte omvang aan het uiterlijk van de betreffende woning mogen worden aangebracht. 10.3.
  4. [appellanten sub 8] kunnen naar het oordeel van de Afdeling niet worden gevolgd in hun betoog dat beroep aan huis bij woningen en wooneenheden niet is toegestaan. Hiertoe wordt als volgt overwogen. In de definitiebepaling zoals opgenomen in artikel 1, lid 1.26, van de planregels, is het begrip "beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis" gekoppeld aan het begrip "woonhuis". Uit artikel 1, lid 1.149, van de planregels volgt dat onder woonhuis een gebouw wordt verstaan dat één woning omvat dan wel twee of meer woningen omvat. Nu het uitoefenen van beroep aan huis ingevolge de planregels is toegestaan in een woonhuis en een woonhuis één of meer woningen omvat, is het uitoefenen van beroep aan huis in zowel woningen als wooneenheden toegestaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat onder het begrip "woning" en "wooneenheid" hetzelfde wordt verstaan. Indien een woonhuis twee of meer woningen of wooneenheden omvat, is per afzonderlijke woning of wooneenheid beroep aan huis toegestaan. Het betoog faalt. 10.
  5. [appellanten sub 8] voeren voorts aan dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, aangezien daarin de mogelijkheid wordt geboden om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan om vier recreatieappartementen met maximaal 20 slaapplaatsen te realiseren in agrarische stolpen en dat bij omzetting naar de bestemming "Wonen - Vab" de recreatieve appartementen niet behoeven te worden gesloopt. Deze afwijkingsbevoegdheid dient volgens [appellanten sub 8] voor alle behoudenswaardige stolpen of boerderijen te gelden, ongeacht de bestemming "Wonen" of "Agrarisch". Het begrip "stolp" in artikel 1, lid 1.118, van de planregels dient om die reden te worden verruimd, zodat voor alle behoudenswaardige stolpen een beroep kan worden gedaan op de afwijkingsbevoegdheid. 10.4.
  6. Ingevolge artikel 1, lid 1.118, van de planregels wordt onder stolp verstaan een voor Noord-Holland karakteristieke boerderij gekenmerkt door een vierkant-constructie van houten balken (gebinten), waarop een piramidevormig dak rust, al dan niet met een voorhuis. 10.4.
  7. De Afdeling stelt vast dat het gemeentelijke beleid erop is gericht dat stolpen met een monumentale status dienen te worden behouden. Ter zitting is van de zijde van de raad toegelicht dat onder monumentale status wordt verstaan een gemeentelijke, provinciale of rijksmonumentale status. Voorts heeft de raad uiteengezet dat voor agrarisch in bedrijf zijnde monumentale stolpen geldt dat dit veelal niet-rendabele gebouwen zijn omdat deze niet zijn te gebruiken als bedrijfsgebouw, terwijl de onderhoudskosten van dergelijke stolpen hoog zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat agrarisch in bedrijf zijnde monumentale stolpen verschillen van niet-agrarisch in bedrijf zijnde stolpen met een woonbestemming, nu stolpen waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend reeds vanwege het gebruik als woning rendabel zijn te achten. Om de agrarisch in bedrijf zijnde stolpen met een monumentale status rendabel te maken en aldus het behoud ervan veilig te stellen, heeft de raad in de planregels de mogelijkheid opgenomen om met een omgevingsvergunning ten hoogste vier recreatieappartementen in een agrarisch gebruikte stolp te realiseren. Het beleid om agrarisch in bedrijf zijnde monumentale stolpen te behouden wordt door de Afdeling, in aanmerking genomen de door de raad gegeven toelichting, niet onredelijk geacht. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het niet redelijk is dat de in agrarisch gebruikte stolpen gerealiseerde recreatieve appartementen niet behoeven te worden gesloopt indien de agrarische bedrijfsactiviteiten worden beëindigd en omzetting naar de bestemming "Wonen - Vab" plaatsvindt. Het betoog faalt. 10.
  8. Voorts merken [appellanten sub 8] op dat het begrip "monumentaal gebouw" uit de planregels is verwijderd, maar dat het begrip "monumentale status" daar nog steeds in voorkomt. Uitsluitend boerderijen met een monumentale status komen in aanmerking voor splitsing in twee woningen. [appellanten sub 8] wijzen erop dat de raad bij de mondelinge behandeling van het plan echter heeft aangegeven dat hij conform de beleidsnota "Natuur en Landschap 2003" beoogt zoveel mogelijk karakteristieke boerderijen te behouden, ongeacht of sprake is van een monument, en dat hij daarom heeft ingestemd met het verwijderen van het begrip "monumentaal gebouw" uit de planregels. Dit besluit is volgens [appellanten sub 8] niet correct overgenomen in het plan. 10.5.
  9. Ingevolge artikel 50, lid 50.5, aanhef en onder a sub 1, van de planregels, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 50, lid 50.4.4, aanhef en onder b, in die zin dat een woonhuis wordt gesplitst in 2 wooneenheden waarbij de voorwaarde geldt dat het een boerderij met een monumentale status betreft. 10.5.
  10. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het begrip "monumentaal gebouw" uit de planregels is verwijderd, omdat dat begrip nergens in de planregels terugkomt. Volgens de raad is bij de vaststelling van het plan gesproken over de wenselijkheid om ook voor karakteristieke dan wel beeldbepalende woonstolpen die een monumentale status ontberen, de mogelijkheid te openen om de woning te splitsen. De raad heeft voorts toegelicht dat daarbij niet de intentie bestond om tot wijziging van de planregels te komen. Het betoog faalt. 10.5.
  11. Voor zover [appellanten sub 8] aanvoeren dat dat de raad inmiddels heeft besloten dat woningen, waarvan de eigenaren kunnen aantonen dat deze voor 1 januari 2012 voor het verstrekken van logies met ontbijt meer dan 6 slaapplaatsen in gebruik hadden en/of in meer dan 3 slaapkamers, een aanduiding krijgen op het betreffende perceel waarbij het maximum aantal toegestane plaatsen op de verbeelding wordt vastgelegd, overweegt de Afdeling het volgende. De desbetreffende regeling dateert van 12 maart 2014 en kan daarom, gelet op het feit dat de toetsing van het bestreden besluit door de Afdeling wordt verricht aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet worden betrokken bij het thans voorliggende geschil. Het betoog faalt. 10.
  12. Het beroep van [appellanten sub 8] is gegrond. Het beroep van [appellante sub 9] en anderen
  13. [appellante sub 9] en anderen kunnen zich er niet mee verenigen dat voor hun onderscheiden percelen, waaraan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend, in het onderhavige plan een maximum aantal slaapplaatsen is vastgelegd. Bovendien is volgens [appellante sub 9] en anderen niet duidelijk hoe de vaststelling van het aantal slaapplaatsen per perceel heeft plaatsgevonden. Voorts voeren [appellante sub 9] en anderen aan dat in het plan ten onrechte bouwmogelijkheden en op basis van die bouwmogelijkheden ook mogelijk nog te realiseren slaapplaatsen zijn wegbestemd. Volgens [appellante sub 9] en anderen hebben zij door een verkleining van het bouwvlak dan wel verlaging van de maximaal te bebouwen oppervlakte in het plan uitbreidingsmogelijkheden verloren. Hierdoor gaan zij er in hun ontwikkelingsmogelijkheden op achteruit. 11.
  14. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat voor elk bedrijf een bouwvlak is opgenomen. De grenzen van deze bouwvlakken zijn afhankelijk van de afstanden tot de weg en afstanden tot de perceelgrenzen, zoals deze van toepassing waren binnen de hotelbestemming. De bouwmogelijkheden zijn voor [appellante sub 9] en anderen volgens de raad niet verkleind, maar verlegd. Daarnaast is een uitbreiding van de bebouwingsoppervlakte voor de percelen van [appellante sub 9] en anderen opgenomen. 11.1.
  15. Anders dan [appellante sub 9] en anderen betogen, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden geoordeeld dat onduidelijk is hoe de vaststelling van het aantal slaapplaatsen per perceel heeft plaatsgevonden. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat het aantal slaapplaatsen is afgeleid van de laatst verleende bouw- of omgevingsvergunningen. Daarbij zijn voor hotelkamers 2 slaapplaatsen gerekend en voor appartementen 5 slaapplaatsen. Hiermee worden hotels volgens de raad gelijkgeschakeld met de andere vormen van recreatief verblijf waarvoor al eerder het aantal slaapplaatsen in het bestemmingsplan was vastgelegd. Voor zover [appellante sub 9] en anderen zich er niet mee kunnen verenigen dat in het plan een maximum aantal slaapplaatsen per perceel is opgenomen, wordt als volgt overwogen. Uit de plantoelichting volgt dat voor verblijfsrecreatie op Texel sinds lange tijd wordt gewerkt met slaapplaatsentellingen. Het beleid is erop gericht het aantal tegelijk aanwezige toeristen op Texel te maximeren, zodat de drukte niet ten koste gaat van de natuur- en landschapswaarden, de rustbeleving voor de recreanten, de leefbaarheid voor de Texelse bevolking en de Texelse kernwaarden. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten tot het toekennen van een maximum aantal slaapplaatsen per perceel in het plan. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 9] en anderen dat in het plan bouwmogelijkheden zijn wegbestemd en als gevolg daarvan ook mogelijk te realiseren slaapplaatsen, wordt voorts als volgt overwogen. De Afdeling stelt vast dat uit het deskundigenbericht blijkt dat de maximaal te bebouwen oppervlakte voor de percelen van [appellante sub 9] en anderen is toegenomen ten opzichte van het voorgaand plan. Van een beperking in de bouwmogelijkheden is in zoverre derhalve geen sprake. Voor zover [appellante sub 9] en anderen hebben aangevoerd dat de toename van de maximale bebouwingsoppervlakte niet kan worden aangewend voor het realiseren van extra slaapplaatsen, zodat de ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van het plan zijn afgenomen, wordt overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de extra bebouwingsmogelijkheden kunnen worden gebruikt voor verbetering van de centrale voorzieningen of het vergroten van de hotelkamers of appartementen. [appellante sub 9] en anderen kunnen gelet hierop niet worden gevolgd in hun standpunt dat zij er als gevolg van het plan zonder meer in ontwikkelingsmogelijkheden op achteruit gaan. Dat [appellante sub 9] en anderen de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering waarop de raad doelt naar zij stellen reeds zouden hebben gerealiseerd, doet hier niet aan af. Voorts heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling gelet op het hiervoor vermelde beleid met betrekking tot het toekennen van slaapplaatsen in redelijkheid kunnen besluiten dat de toename van de bebouwingsoppervlakte niet kan worden aangewend voor het realiseren van extra slaapplaatsen. De raad heeft zich voorts naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat van het wegbestemmen van slaapplaatsen geen sprake is. Hierbij betrekt de Afdeling dat het ten tijde van het voorgaande plan bestaande aantal slaapplaatsen in het onderhavige plan als zodanig is bestemd. [appellante sub 9] en anderen kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat in het onderhavige plan slaapplaatsen zijn wegbestemd. Het betoog faalt. 11.
  16. [appellante sub 9] en anderen betogen voorts dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, nu de raad bij hotels, gelegen op de percelen [locatie 14] te De Koog en [locatie 15] te De Cocksdorp, is overgegaan tot het toekennen van een groot aantal slaapplaatsen zonder dat daaraan concrete aanvragen ten grondslag lagen. Voorts zijn ten aanzien van het perceel [locatie 14] nog niet gerealiseerde slaapplaatsen wel in het plan opgenomen, terwijl dat ten aanzien van de percelen van [appellante sub 9] en anderen niet is gebeurd. 11.2.
  17. Over de door [appellante sub 9] en anderen gemaakte vergelijking met de percelen [locatie 14] te De Koog en [locatie 15] te De Cocksdorp overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situaties. Ten aanzien van het perceel [locatie 14] heeft de raad toegelicht dat is besloten de bestemming niet te wijzigen en opnieuw de mogelijkheid voor de realisatie van een hotel op te nemen met bijbehorende bouwvlakken en 65 slaapplaatsen. Volgens de raad is geen sprake van een nieuwe ontwikkeling. Met betrekking tot het perceel [locatie 15] heeft de raad toegelicht dat in 2010 positief is besloten op een concreet verzoek om binnenplanse wijziging tot uitbreiding van het bedrijf. De benodigde wijzigingsprocedure is echter nooit gestart en op 2 juli 2013 is een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van het hotel, die vervolgens op 23 december 2013 is verleend. De uitgangspunten van deze uitbreiding zijn volgens de raad in het bestemmingsplan opgenomen wegens eerdere besluitvorming over dit plan. In hetgeen [appellante sub 9] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 9] en anderen genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. Hotel [appellante sub 9] 11.
  18. [appellante sub 9] en anderen wijzen erop dat voor het perceel [locatie 16] te De Koog, waarop Hotel [appellante sub 9] is gelegen, in het plan in extra bouwmogelijkheden is voorzien, aangezien op grond van het plan bebouwing in twee lagen met kap mogelijk is, zonder dat daarbij extra slaapplaatsen zijn toegekend. Het toegekende maximum aantal slaapplaatsen van 104 komt overeen met het werkelijk aantal slaapplaatsen in het hotel van 52 slaapkamers. Volgens [appellante sub 9] en anderen zijn de verruimde bouwmogelijkheden zinledig, nu het aantal bestaande slaapplaatsen niet mag toenemen. Voorts is de raad volgens [appellante sub 9] en anderen bij de vaststelling van het plan ten onrechte voorbijgegaan aan de op 14 mei 2013 ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van 13 nieuwe hotelkamers. 11.3.
  19. Aan het perceel [locatie 16] te De Koog was in het voorgaande plan de bestemming "Horeca, klasse h, categorie I en II" toegekend. 11.3.
  20. Ingevolge artikel 12, derde lid, onder d, van de voorschriften behorende bij de eerste herziening van het voorgaande plan mocht in de klasse "h" de nokhoogte van een hoofdgebouw niet meer dan 10 m bedragen, de goothoogte bij bebouwing in één laag (I) niet meer dan 3,5 m, bij bebouwing in twee lagen (II) niet meer dan 6 m bedragen, tenzij de goothoogte van het bestaande gebouw groter is. 11.3.
  21. Aan het perceel [locatie 16] te De Koog is in het onderhavige plan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" toegekend. 11.3.
  22. Ingevolge artikel 36, lid 36.2.1, aanhef en onder 9, van de planregels geldt dat de goothoogte van een gebouw of een overkapping maximaal 3,5 m bedraagt en de bouwhoogte maximaal 10 m bedraagt tenzij anders is weergegeven op de verbeelding of maximaal de bestaande goot- of bouwhoogte als deze hoger is. Op de verbeelding is een goothoogte van maximaal 6 m opgenomen en een bouwhoogte van maximaal 10 m. Het toegestane aantal recreatieve slaapplaatsen binnen het bouwvlak bedraagt maximaal
  23. 11.3.
  24. Uit het vorenstaande volgt dat op grond van het voorgaande plan een maximale goothoogte was toegestaan van 3,5 m bij bebouwing in één laag (I) en een maximale goothoogte van 6 m bij bebouwing in twee lagen (II). Op grond van het onderhavige plan is aan het gehele bouwvlak een maximaal toegestane goothoogte van 6 m toegekend. Gelet hierop is in zoverre sprake van een verruiming van de bouwmogelijkheden. De Afdeling is van oordeel dat [appellante sub 9] en anderen niet kunnen worden gevolgd in hun standpunt dat de extra bouwmogelijkheden zinledig zijn nu het op grond van het plan niet mogelijk is om extra slaapplaatsen te realiseren. Hierbij wordt betrokken dat de raad er terecht op heeft gewezen dat deze extra bouwmogelijkheden tevens kunnen worden aangewend voor uitbreiding van de hotelfaciliteiten of het vergroten van hotelkamers. Ten aanzien van het standpunt van [appellante sub 9] en anderen dat de op 14 mei 2013 ingediende aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning ten onrechte niet bij de vaststelling van het plan is betrokken, wordt als volgt overwogen. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Onweersproken is dat de aanvraag van 14 mei 2013 niet in behandeling is genomen wegens het ontbreken van voldoende gegevens om de bouwplannen planologisch en technisch goed te kunnen beoordelen. Hotel [appellante sub 9] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de ontbrekende stukken alsnog aan te vullen. De raad heeft gelet hierop naar het oordeel van de Afdeling de plannen van Hotel [appellante sub 9] in redelijkheid niet hoeven betrekken bij de vaststelling van het plan. Het betoog faalt. Appartementenhotel Bos en Duin 11.
  25. [appellante sub 9] en anderen voeren voorts aan dat het bouwvlak op het perceel [locatie 27]6 te Den Hoorn, waarop appartementenhotel Bos en Duin is gevestigd, is vergroot met behoud van de verhoogde maximaal te bebouwen oppervlakte. In het plan is voorts de bestaande situatie van 210 slaapplaatsen in 42 appartementen vastgelegd, zodat de extra bouwmogelijkheden niet kunnen worden gebruikt voor uitbreiding van het aantal slaapplaatsen. Voorts voeren [appellante sub 9] en anderen aan dat de uitbreidingsplannen van Bos en Duin die binnen de planperiode zullen worden gerealiseerd, ten onrechte niet in het onderhavige plan zijn verwerkt. 11.4.
  26. Aan het perceel [locatie 27]6 te Den Hoorn is in het onderhavige plan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" toegekend. Op de verbeelding is een goothoogte van maximaal 6 m opgenomen en een bouwhoogte van maximaal 10 m. Het toegestane aantal recreatieve slaapplaatsen binnen het bouwvlak bedraagt maximaal
  27. De maximaal te bebouwen oppervlakte bedraagt 1.920 m². 11.4.
  28. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen grond voor het oordeel dat de vergroting van de maximaal te bebouwen oppervlakte met 320 m² zonder betekenis is nu het op grond van het plan niet mogelijk is om extra slaapplaatsen te realiseren. Hierbij wordt betrokken dat de raad er terecht op heeft gewezen dat de extra bouwmogelijkheden die voor dit perceel zijn opgenomen in het bestemmingsvlak kunnen worden benut voor kwalitatieve verbetering van het hotel, waaronder centrale voorzieningen. Voor zover [appellante sub 9] en anderen aanvoeren dat ten onrechte uitbreidingsplannen van Bos en Duin niet bij de vaststelling van het plan zijn betrokken, wordt als volgt overwogen. Zoals hiervoor reeds is overwogen dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Nu van concrete uitbreidingsplannen niet is gebleken, heeft de raad hiermee in redelijkheid geen rekening kunnen houden bij de vaststelling van het plan. De raad heeft er in dit verband op gewezen dat Bos en Duin in 2005 de volledige bouwmogelijkheden en capaciteit van het perceel heeft benut. Het betoog faalt. Hotel Pelikaan 11.
  29. Ter zitting hebben [appellante sub 9] en anderen de beroepsgrond dat aan Hotel Pelikaan aan de Pelikaanweg 18 te De Koog ten onrechte 122 in plaats van 124 slaapplaatsen zijn toegekend, ingetrokken. 11.
  30. Volgens [appellante sub 9] en anderen worden Hotel Pelikaan 30 mogelijk te realiseren hotelkamers met 60 slaapplaatsen ontnomen. In het vaststellingsbesluit is de raad er ten onrechte van uitgegaan dat dit fictieve slaapplaatsen zijn. Het betreffen immers positief bestemde maar nog niet gerealiseerde slaapplaatsen. [appellante sub 9] en anderen wijzen erop dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte is voorbijgegaan aan de op 14 mei 2013 ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning voor uitbreiding van het hotel met 30 kamers. 11.6.
  31. Aan het perceel Pelikaanweg 18 te De Koog is in het onderhavige plan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" toegekend. Op de verbeelding is een goothoogte van maximaal 6 m opgenomen en een bouwhoogte van maximaal 10 m. Het toegestane aantal recreatieve slaapplaatsen binnen het zuidelijk gelegen bouwvlak bedraagt maximaal
  32. Het toegestane aantal recreatieve slaapplaatsen binnen het noordelijk gelegen bouwvlak bedraagt maximaal
  33. De maximaal te bebouwen oppervlakte bedraagt 3.900 m². 11.6.
  34. Ten aanzien van het standpunt van [appellante sub 9] en anderen dat de op 14 mei 2013 ingediende aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van de uitbreiding van het hotel met 30 hotelkamers ten onrechte niet bij de vaststelling van het plan is betrokken, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor meermaals is overwogen, dient de raad onder omstandigheden bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen. De raad heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat de aanvraag van Hotel Pelikaan is beoordeeld en dat is geconstateerd dat een planologische beoordeling niet mogelijk was wegens het ontbreken van gegevens omdat geen sprake was van een concrete, volledige aanvraag. Hotel De Pelikaan heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de ontbrekende stukken alsnog aan te vullen. De raad heeft gelet hierop naar het oordeel van de Afdeling de plannen terecht niet betrokken bij de vaststelling van het plan. Het betoog faalt. 11.
  35. Voorts voeren [appellante sub 9] en anderen aan dat Hotel Pelikaan er niet zelf voor heeft kunnen kiezen ten aanzien van welke recreatievorm zij wenst uit te breiden. In het plan is een bebouwingsoppervlakte van 2.000 m² voor de appartementen en een bebouwingsoppervlakte van 1.900 m² voor het hotel mogelijk gemaakt, terwijl in het voorgaande plan een totale bebouwingsoppervlakte van 3.500 m² voor de appartementen en het hotel tezamen gold. Hotel Pelikaan wordt thans de mogelijkheid ontnomen naar eigen inzicht de bestemmingsmogelijkheden optimaal te benutten, terwijl in de plantoelichting juist wordt gesuggereerd dat sprake zou zijn van een versoepeling ten gunste van de recreatie-ondernemers. Voorts had het zuidelijk gelegen bouwvlak voor het hotel in het ontwerpbestemmingsplan een maximaal te bebouwen oppervlakte van 2.000 m², terwijl dit bouwvlak in het plan ten onrechte, zonder nadere motivering daarvoor, een maximaal te bebouwen oppervlakte heeft van 1.900 m². 11.7.
  36. Van de zijde van de raad is ter zitting toegelicht dat aan beide bouwvlakken op het perceel Pelikaanweg 18 te De Koog de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" is toegekend. Er bestaat gelet hierop geen grond voor het oordeel dat Hotel Pelikaan de mogelijkheid wordt ontnomen naar eigen inzicht de bestemmingsmogelijkheden optimaal te benutten, nu artikel 36, lid 36.1, van de planregels met zich brengt dat daar waar thans een hotel is gelegen appartementen mogen worden gerealiseerd en daar waar zich thans de appartementen bevinden desgewenst een hotel mag worden gerealiseerd. De Afdeling is voorts van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten de verdeling van de toegekende bebouwingsoppervlakte over de bestaande appartementen en het bestaande hotel te wijzigen aangezien de oppervlakte van een fietsenstalling was toegerekend aan het hotel, terwijl deze behoorde bij het achtergelegen appartementencomplex. Het betoog faalt. Hotel Tubantia 11.
  37. [appellante sub 9] en anderen kunnen zich er niet mee verenigen dat ten aanzien van het perceel Pontweg 133 te De Koog, waarop Hotel Tubantia is gevestigd, uitsluitend het bestaande aantal van 52 slaapplaatsen is opgenomen en dat geen uitbreiding van het aantal slaapplaatsen mogelijk is. In het vaststellingsbesluit is de raad ten onrechte uitgegaan van fictieve slaapplaatsen. Het betreft immers positief bestemde maar niet gerealiseerde slaapplaatsen. Bij de vaststelling van het plan is de raad ten onrechte voorbijgegaan aan de op 14 mei 2013 ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van 26 hotelkamers. 11.8.
  38. Aan het perceel Pontweg 133 te De Koog is in het onderhavige plan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" toegekend. Op de verbeelding is een goothoogte van maximaal 6 m opgenomen en een bouwhoogte van maximaal 10 m. Het toegestane aantal recreatieve slaapplaatsen binnen het bouwvlak bedraagt maximaal
  39. De maximaal te bebouwen oppervlakte bedraagt 1.080 m². 11.8.
  40. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten tot het toekennen van een maximum aantal slaapplaatsen per perceel in het plan, waarbij hij het aantal slaapplaatsen heeft kunnen afleiden van de laatst verleende bouw- of omgevingsvergunningen. Ten aanzien van het standpunt van [appellante sub 9] en anderen dat de raad de op 14 mei 2013 door Hotel Tubantia ingediende aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van 26 hotelkamers ten onrechte niet bij de vaststelling van het plan heeft betrokken, wordt als volgt overwogen. Onweersproken is dat deze aanvraag is beoordeeld en dat is geconstateerd dat een planologische beoordeling niet mogelijk was wegens het ontbreken van gegevens omdat geen sprake was van een concrete, volledige aanvraag. Hotel Tubantia heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de ontbrekende stukken alsnog aan te vullen. De raad heeft gelet hierop naar het oordeel van de Afdeling de plannen terecht niet betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Het betoog faalt. 11.
  41. Het beroep van [appellante sub 9] en anderen is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 10] en anderen Perceel [locatie 17] te Oosterend
  42. [appellante sub 10] en anderen kunnen zich er niet mee verenigen dat in het plan voor het perceel [locatie 17] te Oosterend geen uitbreidingsmogelijkheden voor bebouwing zijn opgenomen. De desbetreffende gronden worden verhuurd aan SnelStart Software B.V. dat plannen heeft voor uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met 500 m² gedurende de planperiode. Volgens het plan is op het perceel maximaal 1.800 m² aan bebouwing toegestaan. Hiermee is de reeds aanwezige bebouwing positief bestemd. [appellante sub 10] en anderen achten het onzorgvuldig dat door de raad wordt verwezen naar een afwijkingsprocedure om de uitbreidingsplannen te kunnen realiseren. 12.
  43. Aan het perceel [locatie 17] te Oosterend zijn in het onderhavige plan de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "onderwijs" toegekend. De maximaal te bebouwen oppervlakte bedraagt 1.800 m². 12.1.
  44. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a en j, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijven zoals die onder de categorieën 1, 2 en 3 zijn genoemd in Bijlage 3 in de bijlagen bij de regels en naar aard en omvang daarmee vergelijkbare bedrijven, niet zijnde geluidszoneringsplichtige of risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven en mede bestemd voor onderwijs ter plaatse van de aanduiding "onderwijs". 12.1.
  45. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een maximaal te bebouwen oppervlakte van 1.800 m² aan het perceel [locatie 17] te Oosterend kunnen toekennen, nu hiermee de bestaande reeds vergunde situatie als zodanig is bestemd. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen waarmee de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening had dienen te houden, aangezien van concrete uitbreidingsplannen van Snelstart B.V. niet is gebleken. Het betoog faalt. Percelen [locatie 18]-[locatie 19] 12.
  46. [appellante sub 10] en anderen kunnen zich er niet mee verenigen dat aan de gronden aan de [locatie 18]-[locatie 19] uitsluitend de bestemming "Bedrijf - Informatiecentrum" is toegekend. Zij wijzen er in dat verband op dat op hun percelen [locatie 20] en [locatie 21] een dubbel recreatief gezinsverblijf is gelegen. Dit gezinsverblijf is volgens [appellante sub 10] en anderen sinds 1979 in gebruik als vakantieverblijf. Ook in de periode 2000-2003 is het met het voorgaande plan strijdige gebruik ten behoeve van niet permanente bewoning voortgezet, toen de opstallen zijn gebruikt voor de niet-permanente huisvesting van asielzoekers. Volgens [appellante sub 10] en anderen is het recreatieve gebruik van de gronden in het plan ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht gebracht. 12.2.
  47. Aan de percelen [locatie 18]-[locatie 19] was in het voorgaande plan de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen" toegekend. Ter plaatse was 1.200 m² aan bebouwing toegelaten. 12.2.
  48. Aan de percelen [locatie 18]-[locatie 19] te Oosterend is de bestemming "Bedrijf - Informatiecentrum" toegekend. De maximaal te bebouwen oppervlakte op het bouwvlak dat betrekking heeft op [locatie 18], [locatie 22], [locatie 23], [locatie 20] en [locatie 21] bedraagt 500 m². De maximaal te bebouwen oppervlakte op het bouwvlak dat betrekking heeft op [locatie 19] bedraagt 250 m². 12.2.
  49. Ingevolge artikel 31, derde lid, van de planvoorschriften behorende bij het voorgaande plan mag het met het plan strijdige gebruik van gronden en opstallen dat bestaat op het moment van het rechtskracht krijgen van het bestemmingsplan, geheel of gedeeltelijk worden voortgezet, met dien verstande dat de afwijking van het plan niet wordt vergroot. 12.2.
  50. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder a, b, c en g, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Informatiecentrum" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van een informatiecentrum, het wonen ten behoeve van "Bedrijf - Informatiecentrum", congressen en cursussen en verblijfsrecreatie in de vorm van logies met ontbijt. Ingevolge lid 15.3, onder 15.3.1, sub a, van de planregels wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan logies met ontbijt indien wordt voldaan aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 50, lid 4.4 en kamperen op het achtererf in 1 tent of in 1 caravan in de directe nabijheid van de woning. 12.2.
  51. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat de geschakelde woningen op de percelen [locatie 20] en [locatie 21] thans in gebruik zijn als recreatieverblijven voor mindervaliden. Op grond van artikel 15, lid 15.1 en 15.3, van de planregels is het recreatieve gebruik van de bebouwing op de desbetreffende percelen niet toegestaan. De raad heeft toegelicht dat de geschakelde woningen op 14 september 1979 zijn vergund als gezinsverblijf bij de toenmalige aldaar gevestigde zorginstelling voor blinden en slechtzienden. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van recreatief gebruik destijds geen sprake was, aangezien de panden behoorden bij de zorginstelling als verblijfsmogelijkheid voor (familieleden van) bewoners van de zorginstelling en niet werden verhuurd aan anderen. Voormeld gebruik van de desbetreffende panden was passend binnen de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen". Voorts overweegt de Afdeling dat ten tijde van het gebruik van de panden als tijdelijke huisvesting voor asielzoekers in 2000-2003 van recreatief gebruik van de gronden evenmin sprake was. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het recreatieve gebruik van de panden thans ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Het betoog faalt. 12.
  52. [appellante sub 10] en anderen kunnen zich er voorts niet mee verenigen dat de bouwmogelijkheden voor de percelen [locatie 18]-[locatie 24] zijn teruggebracht door de maximaal te bebouwen oppervlakte te verminderen van 1.200 m² tot 500 m². 12.3.
  53. De Afdeling stelt vast dat op het noordelijk gelegen bouwvlak de maximaal te bebouwen oppervlakte 650 m² bedraagt vanwege het bouwvlak van 500 m² en de aldaar toegestane bedrijfswoning van 150 m². Op het zuidelijk gelegen bouwvlak bedraagt de maximaal te bebouwen oppervlakte 250 m². De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing kunnen verkleinen ten opzichte van het voorgaande plan. Hierbij heeft de raad kunnen betrekken dat de maatschappelijke functie die de percelen hadden is komen te vervallen en dat hiervoor een bedrijfsfunctie in de plaats is gekomen. De percelen zijn gelegen in het buitengebied. De raad heeft, gelet op de ligging op een landschappelijk gezien kwetsbare locatie, een verdere ontwikkeling van de bebouwing ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf in redelijkheid niet wenselijk kunnen achten. Het betoog faalt. Het perceel [locatie 25] 12.
  54. [appellante sub 10] en anderen voeren aan dat op hun perceel [locatie 25] te Oosterend een leegstaande bouwvallige woning is gesitueerd. [appellante sub 10] en anderen wijzen erop dat het gemeentebestuur zich in 2006 bereid heeft verklaard het bouwvlak op het perceel te verplaatsen ten behoeve van het oprichten van een nieuwe stolp. Bij brief van 1 februari 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders voorts aangegeven dat het gemeentebestuur bereid is voor het oprichten van een nieuwe stolp buiten het bestemmingsvlak "Wonen" een projectafwijkingsprocedure te voeren. De raad heeft zich volgens [appellante sub 10] en anderen ten onrechte op het standpunt gesteld dat verplaatsing van het bouwvlak naar de door [appellante sub 10] en anderen in de zienswijze voorgestelde locatie niet past in de bebouwingslijn van de Oosterenderweg en dat dit de zichtlijn tussen de percelen [locatie 25] en [locatie 26] aantast. Een verschuiving van het bouwvlak naar een locatie op 50 m afstand van de Oosterenderweg past volgens [appellante sub 10] en anderen wel degelijk in de bebouwingslijn van de Oosterenderweg. Voorts valt volgens [appellante sub 10] en anderen niet in te zien waarom de zichtlijnen tussen de percelen in het gedrang zouden komen, nu een meer dan 50 m brede strook open en onbebouwd blijft tussen de bouwvlakken van de percelen [locatie 25] en [locatie 26]. Het had volgens [appellante sub 10] en anderen op de weg van de raad gelegen te onderzoeken op welke wijze het bouwvlak meer richting de Oosterenderweg zou kunnen worden gesitueerd. 12.4.
  55. Aan het perceel [locatie 25] te Oosterend is de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 50, lid 50.2.2, aanhef en onder b, van de planregels, mogen gebouwen en overkappingen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. 12.4.
  56. De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak ter plaatse van de bestaande woning op het perceel [locatie 25] op een afstand van ongeveer 100 m van de rand van het fietspad langs de Oosterenderweg is gelegen. 12.4.
  57. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten het bouwvlak op het perceel niet te verplaatsen. Ter zitting is gebleken dat [appellante sub 10] en anderen inmiddels in juni 2013 een akte van ruiling betreffende perceelruil hebben ondertekend met de eigenaar van het naastgelegen perceel, waardoor het volgens [appellante sub 10] en anderen voor de hand ligt het bouwvlak op een andere locatie te situeren. [appellante sub 10] en anderen hebben echter aangegeven dat de raad niet van de perceelruil en de in verband daarmee door [appellante sub 10] en anderen gewenste locatie van het bouwvlak op de hoogte is gebracht. Gezien het vorenstaande overweegt de Afdeling dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen sprake was van een voldoende concreet initiatief van [appellante sub 10] en anderen dat tijdig kenbaar is gemaakt en waarvan ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid kon worden beoordeeld. Het betoog faalt. 12.
  58. [appellante sub 10] en anderen voeren voorts aan dat ten opzichte van de percelen [locatie 14] te De Koog en [locatie 15] te De Cocksdorp wel is meegewerkt aan verschuivingen en vergrotingen van bouwvlakken. Ten aanzien van deze percelen was, evenals ten aanzien van het perceel [locatie 25], een principemedewerking toegezegd en de afwijkingsprocedure nog niet gevoerd. Over de door [appellante sub 10] en anderen gemaakte vergelijking met de percelen [locatie 14] te De Koog en [locatie 15] te De Cocksdorp wordt overwogen dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie reeds omdat in die zaken, anders dan in de onderhavige situatie, geen sprake was van onduidelijkheid omtrent de locatie van de bouwvlakken. Ten aanzien van het perceel [locatie 15] heeft de raad voorts toegelicht dat, anders dan in de onderhavige situatie, expliciet bij brief was toegezegd dat medewerking zou worden verleend aan een binnenplanse wijziging. Dat is vervolgens echter ten onrechte niet gebeurd en volgens de raad is dit rechtgezet bij de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan. In hetgeen [appellante sub 10] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 10] en anderen genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. 12.
  59. Het beroep van [appellante sub 10] en anderen is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 11] en anderen
  60. [appellant sub 11] en anderen richten zich tegen het plandeel met onder meer de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" voor het perceel [locatie 2] te Den Hoorn. [appellant sub 11] en anderen kunnen zich er niet mee verenigen dat het plan voorziet in een uitbreiding van de op het perceel toegestane recreatieve bebouwing en in 7 parkeerplaatsen aan de Bakkenweg. Volgens [appellant sub 11] en anderen vallen de parkeerplaatsen niet onder het projectbesluit van 29 november
  61. De in het plan voorziene uitbreiding van het recreatieve bestemmingsvlak en het bouwvlak leidt volgens [appellant sub 11] en anderen tot verstening en deconcentratie van bebouwing. Vergroting van het bouwvlak binnen de voorheen geldende recreatieve bestemming is bovendien in strijd met het door de raad ingenomen standpunt dat het aanzicht van de Anjahoeve moet worden beschermd. Voorts is de raad er volgens [appellant sub 11] en anderen ten onrechte aan voorbijgegaan dat het perceel [locatie 2] kan worden ontsloten via de twee reeds aanwezige in- en uitritten en dat de parkeermogelijkheden ter plaatse van de slaapplaatsen kunnen worden uitgebreid. Het plan is volgens [appellant sub 11] en anderen bovendien in strijd met de artikelen 15 en 25 van de PRVS. 13.
  62. Aan het perceel [locatie 2] te Den Hoorn is onder meer de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" toegekend. Aan het perceel ten noorden van de [locatie 2] is de bestemming "Agrarisch - Oude land" gegeven, met uitzondering van de gronden ter plaatse van het parkeerterrein aan de Bakkenweg waaraan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" is gegeven. 13.1.
  63. Bij besluit van 29 november 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van [persoon B] een projectbesluit genomen en bouwvergunning verleend voor de renovatie van een hoeve, de Anjahoeve, en de bouw van een vakantiewoning met bijbehorende parkeerplaatsen op het perceel [locatie 2] te Den Hoorn. Bij uitspraak van heden (zaak nr. 201309891/1/A1) is het tegen het projectbesluit en de bouwvergunning ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard, waarmee deze besluiten thans in rechte onaantastbaar zijn geworden. 13.1.
  64. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat reeds op 29 november 2012 een projectbesluit is genomen dat voorziet in dezelfde ontwikkelingen als de ontwikkelingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen en sluit zich voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bestemmingsplan voor het perceel [locatie 2] aan bij de door het college van burgemeester en wethouders in die procedure gegeven motivering. 13.1.
  65. De Afdeling stelt vast dat het plan voor het perceel [locatie 2] voorziet in dezelfde ontwikkelingen als de op 29 november 2012 met projectbesluit verleende bouwvergunning. De krachtens de bouwvergunning toegestane bouwactiviteiten zijn inmiddels voltooid. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan waren het projectbesluit en de bouwvergunning nog niet in rechte onaantastbaar. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de vaststelling van het plandeel voor het perceel [locatie 2] in redelijkheid kunnen aansluiten bij de door het college van burgemeester en wethouders gemaakte afweging omtrent de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van het concrete initiatief van de eigenaar van het perceel. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de dienovereenkomstige bestemmingsregeling op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij betrekt de Afdeling dat de bebouwing zo geclusterd mogelijk is gerealiseerd. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de in het plan voorziene ontwikkelingen in strijd zijn met de PRVS. In dit verband acht de Afdeling van belang dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland bij besluit van 19 september 2012 ontheffing van de PRVS heeft verleend ten behoeve van het bouwplan. [appellant sub 11] en anderen kunnen voorts niet worden gevolgd in hun betoog dat de 7 parkeerplaatsen niet onder het projectbesluit vallen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van heden in zaak nr. 201309891/1/A1, waar is geoordeeld dat 5 bestaande parkeerplaatsen, alsmede het realiseren van de 2 nieuwe, integraal en materieel onderdeel uitmaken van de aanvraag en de besluitvorming daarop. Het betoog mist gelet hierop feitelijke grondslag. Voorts heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling kunnen scharen achter het standpunt van het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van de situering van de parkeerplaatsen aan de Bakkenweg. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen aan de Bakkenweg kunnen kiezen, omdat dit verkeersveiliger is dan het realiseren van parkeerplaatsen aan de Westerweg. Hierbij heeft de raad de lagere gemiddelde snelheid en de geringere verkeersintensiteit kunnen betrekken. Voorts heeft de raad zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het situeren van parkeerplaatsen voor meerdere auto’s op het perceel [locatie 2] in de nabijheid van de beeldbepalende stolp Anjahoeve landschappelijk niet wenselijk is. Het betoog faalt. 13.
  66. Voor zover [appellant sub 11] en anderen aanvoeren dat in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting had moeten worden opgenomen ten aanzien van de realisering en/of instandhouding van voorzieningen voor mindervaliden en ten minste 7 parkeerplaatsen direct bij de voorzieningen, wordt overwogen dat het bouwplan onder meer voorzag in een nieuwe vakantiewoning. Deze vakantiewoning is inmiddels gerealiseerd. 13.
  67. Volgens [appellant sub 11] en anderen leiden de in het plan voorziene recreatiewoning en de parkeerplekken voorts tot vermindering van het uitzicht en een onaanvaardbare aantasting van hun leefomgeving vanwege de aantasting van de karakteristieke bebouwing van de voormalige buurtschap. 13.3.
  68. De Afdeling overweegt dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat ter plaatse van de gronden waarop thans de recreatiewoning is gelegen, voorheen een houtwal en een kippenren aanwezig waren, zodat het feitelijk verlies aan uitzicht gering is. Vanaf het perceel [locatie 27] wordt de recreatiewoning vrijwel geheel aan het zicht onttrokken door de bebouwing op de percelen [locatie 28] en [locatie 29] en [locatie 2], zodat vanaf het perceel [locatie 27] niet of nauwelijks sprake is van verlies van uitzicht. Ten aanzien van de parkeerplaatsen wordt overwogen dat op het moment dat op die parkeerplaatsen een of meerdere auto’s zijn geparkeerd, sprake is van enig verlies van uitzicht vanaf de percelen [locatie 27], [locatie 30], [locatie 31] en [locatie 32]. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verlies van uitzicht ten gevolge van de in het bestemmingsplan voorziene recreatiewoning en de parkeerplaatsen beperkt zal zijn. Het betoog faalt. 13.
  69. Het beroep van [appellant sub 11] en anderen is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 12]
  70. Het beroep is gericht tegen de in het plan opgenomen mogelijkheid om met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid binnen de bestemmingen "Agrarisch - Oude land", "Agrarisch - Strandpolders", "Agrarisch - Zeepolders" en "Agrarisch - Binnenduinrand" biovergistingsinstallaties mogelijk te maken. 14.
  71. [appellant sub 12] betoogt dat de raad bij zijn belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de biovergistingsinstallaties op de bedrijfsvoering van zijn agrarisch bedrijf. [appellant sub 12] voert hiertoe aan dat de komst van de biovergistingsinstallaties zal leiden tot extra druk op schaarse landbouwgrond. De biovergistingsinstallaties moeten worden gevuld met co-substraten afkomstig van Texel, als gevolg waarvan een significant deel van de beperkte agrarische productiecapaciteit hiervoor zal worden opgeëist. Als gevolg hiervan zal volgens [appellant sub 12] de prijs van de agrarische landbouwgrond die zijn bedrijf pacht stijgen. Voorts zal de kostprijs van op Texel geteeld ruwvoer en andere restproducten eveneens stijgen, aldus [appellant sub 12]. [appellant sub 12] betoogt voorts dat de biovergistingsinstallaties negatieve gevolgen zullen hebben voor het landschap op Texel. [appellant sub 12] voert hiertoe aan dat vanwege het produceren van de benodigde co-substraten voor de biovergistingsinstallaties het maïsareaal zal toenemen, hetgeen ten koste zal gaan van het graslandareaal. 14.
  72. De raad stelt zich op het standpunt dat in de planregels is opgenomen dat voor de biovergistingsinstallaties alleen reststromen mogen worden gebruikt. Hiermee wordt voorkomen dat landbouwgrond wordt aangewend om speciaal te produceren voor de biovergistingsinstallaties. Volgens de raad zal het grondgebruik door de komst van de biovergistingsinstallaties derhalve niet veranderen. De raad erkent dat de biovergistingsinstallaties gedeeltelijk zijn aangewezen op dezelfde restproducten die ook in agrarische bedrijven kunnen worden gebruikt. Deze restproducten zullen echter deels afkomstig zijn van het bedrijf waaraan de biovergistingsinstallatie is gekoppeld. De raad heeft voorts toegelicht dat de gemeente Texel de ambitie heeft om in 2020 volledig zelfvoorziend en duurzaam te zijn op energiegebied. De beste mogelijkheid hiertoe is door het toepassen van biovergisting. 14.
  73. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder ad, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Binnenduinrand" aangewezen gronden bestemd voor plaatsing en exploitatie van een biovergistingsinstallatie ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - biovergistingsinstallatie", met een capaciteit kleiner dan 100 ton/per dag. Ingevolge lid 3.7, aanhef en onder l, kan het plan worden gewijzigd in die zin dat een aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - biovergistingsinstallatie" wordt opgenomen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
  74. De te vergisten co-substraten zijn afkomstig van Texel. In principe komen hiervoor alle mogelijk te vergisten producten in aanmerking, behalve speciaal daarvoor geproduceerde gewassen. Het digestaat wordt, uiteraard voor zover mogelijk, binnen de vigerende wet- en regelgeving op Texel toegepast;
  75. de exploitatie van biovergisters mag niet leiden tot toename van de aanvoer van mest/co-substraten naar Texel ten opzichte van de situatie bij het van kracht worden van dit bestemmingsplan;
  76. de benodigde installaties voor de opwekking van bio-energie moeten worden geplaatst binnen het bouwblok;
  77. de verlening van de omgevingsvergunning doet geen onevenredige afbreuk aan de verkeerssituatie, de landschappelijke situatie en de natuurwaarden;
  78. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en de opwekking van de bio-energie mag de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende (agrarische) bedrijven en de woonfunctie van de omliggende woningen niet beperken;
  79. het aantal aanduidingen binnen het plangebied mag niet meer bedragen dan drie;
  80. de procedure wordt niet eerder gestart dan nadat de raad daarvoor toestemming heeft gegeven. 14.
  81. Ingevolge artikelen 5, 6 en 7 van de planregels gelden binnen de bestemmingen "Agrarisch - Oude land", "Agrarisch - Strandpolders" en "Agrarisch - Zeepolders" identieke planregels met betrekking tot biovergistingsinstallaties. 14.
  82. In de plantoelichting staat dat Texel een ambitieuze doelstelling heeft op het gebied van duurzaamheid. In 2020 wil Texel op duurzame wijze in de eigen energiebehoefte voorzien. Daartoe zijn in dit bestemmingsplan een aantal zaken opgenomen die dat mede mogelijk moeten maken, waaronder het kunnen plaatsen van biovergistingsinstallaties op agrarische bouwvlakken binnen de agrarische bestemmingen, als specifieke vorm van agrarisch gebruik. 14.
  83. De raad betoogt terecht dat in de planregels voorschriften zijn opgenomen voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden waarmee een biovergistingsinstallatie mogelijk kan worden gemaakt. In deze voorschriften is opgenomen dat de biovergistingsinstallaties gebruik maken van co-substraten die afkomstig zijn van Texel en dat hiervoor geen speciaal geproduceerde gewassen mogen worden gebruikt. Gelet op dit voorschrift bestaat, zoals de raad voorts terecht betoogt, geen aanleiding voor de vrees van [appellant sub 12] dat een deel van de beperkte landbouwgrond op Texel zal worden aangewend om uitsluitend co-substraten voor de biovergistingsinstallaties te produceren. De raad heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor de verwachting dat het grondgebruik door de komst van de biovergistingsinstallaties zal veranderen en als gevolg hiervan de grondprijs zal stijgen en het landschap op Texel zal veranderen. Voorts is niet in geschil dat in de biovergistingsinstallaties gedeeltelijk dezelfde restproducten worden gebruikt die ook in agrarische

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.