← Nederland

ECLI:NL:RVS:2015:1558

201503130/2/V

  1. Datum uitspraak: 8 mei 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [de vreemdeling], verzoekster, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 maart 2015 in zaak nr. 14/15970 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 11 juni 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 18 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
  2. Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt uitgezet dan wel in vreemdelingenbewaring wordt gesteld gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep.
  3. Dat het besluit van 11 juni 2014 voor uitvoering vatbaar is en de korpschef van het regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland de vreemdeling heeft gevorderd op 11 mei 2015 in persoon te verschijnen bij de vreemdelingenpolitie, bij gebreke waarvan mogelijk een inbewaringstelling volgt, levert geen spoedeisend belang op, bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Daarmee is niet duidelijk dat en, zo ja, op welke termijn uitzetting zal plaatsvinden. Dat in de vordering is vermeld dat de vreemdeling een ticket voor een vlucht naar Armenië dient mee te brengen en de vlucht moet worden geboekt in de week van 18 mei 2015, maakt dit niet anders. Daaruit kan niet worden afgeleid dat en, zo ja, op welke termijn de staatssecretaris tot uitzetting overgaat, indien de vreemdeling aan de vordering niet of niet volledig voldoet. Dat met de mogelijkheid rekening moet worden gehouden dat zij zal worden staandegehouden en mogelijk met het oog op uitzetting in vreemdelingenbewaring zal worden geplaatst, levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Indien de staatssecretaris voornemens is om de uitzetting van de vreemdeling daadwerkelijk te effectueren, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat hij (de gemachtigde van) de vreemdeling hierover tijdig zal informeren.
  4. Het verzoek zal reeds hierom als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
  5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier. w.g. Bijloos w.g. De Groot voorzieningenrechter griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2015 210.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.