201307446/1/R
- Datum uitspraak: 20 mei 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellant sub 1], wonend te Valkenswaard,
- het dagelijks bestuur van het waterschap de Dommel,
- het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
- [appellant sub 4], wonend te Valkenswaard,
- de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: BMF), gevestigd te Tilburg,
- [appellant sub 6], wonend te Valkenswaard,
- [appellant sub 7], wonend te Valkenswaard,
- [appellant sub 8] en anderen, allen wonend te Valkenswaard,
- [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), wonend te [woonplaats],
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oostappen Groep B.V., gevestigd te Asten,
- [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]), wonend te Valkenswaard,
- [appellant sub 12], wonend te Valkenswaard,
- [appellant sub 13A] en [appellante sub 13B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]), wonend te Valkenswaard,
- [appellant sub 14A]en [appellante sub 14B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 14]), wonend te Valkenswaard,
- [appellant sub 15A], [appellant sub 15B] en [appellant sub 15C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 15]), wonend te Valkenswaard en [woonplaats],
- [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], beiden wonend te Valkenswaard,
- de stichtingen Stichting Vaders Huis Is Moeders Toevlucht (hierna: stichting VHIMT) en Stichting Moeder Van Het Leven in liquidatie (hierna: stichting MVHL), beide gevestigd te Valkenswaard,
- [appellant sub 18], wonend te Valkenswaard,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bel-Have B.V., gevestigd te Valkenswaard,
- [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 21A] en [appellante sub 21B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 21]), wonend te Valkenswaard,
- [appellant sub 22], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 23A], [appellant sub 23B] en [appellante sub 23C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 23]), wonend te Valkenswaard,
- [appellant sub 24], wonend te Valkenswaard, en de raad van de gemeente Valkenswaard, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hierover heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht. Een aantal appellanten en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 en 16 december 2014, waar het merendeel van de appellanten, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn verscheidene belanghebbenden gehoord die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot het geding zijn toegelaten. Overwegingen Het beroep van [appellant sub 1]
- [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte bij de gewijzigde vaststelling van het plan heeft voorzien in de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden = 2" op het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Molenstraat 203 te Valkenswaard. Hij voert daartoe aan dat deze extra woning binnen de geurcontouren van de bedrijven aan de Molenstraat 204 en 207 komt te staan en de bedrijfsvoering van deze bedrijven zal belemmeren. 1.
- De Afdeling stelt vast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) bij besluit van 6 augustus 2013 een reactieve aanwijzing als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) heeft gegeven met betrekking tot de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden = 2" op het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de Molenstraat 203 te Valkenswaard. Het besluit tot vaststelling van het plan en de reactieve aanwijzing zijn bekend gemaakt en als gevolg daarvan is het door [appellant sub 1] bestreden planonderdeel niet in werking getreden en kon daartegen geen ontvankelijk beroep worden ingesteld. Overigens is het beroep van de raad tegen het aanwijzingsbesluit bij uitspraak van heden, in zaak nr. 201309061/1/R3, ongegrond verklaard en is de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden = 2", gelet op artikel 3.8, zesde lid, van de Wro komen te vervallen. 1.
- Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk. De beroepen van het waterschap en het college
- Het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel (hierna: het waterschap) en het college betogen dat de raad ten onrechte bij amendement het plan gewijzigd heeft vastgesteld, voor zover het betreft het vervallen van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" voor de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie H, nrs. 58, 59, 66, 67, 98, 136, 138 en 152 en het perceel kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie D, nr.
- Zij voeren aan dat dit in strijd is met de artikelen 5.1, 5.2 en 5.13 van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012), nu de raad gehouden is het regionale waterbergingsgebied op een juiste wijze te vertalen in het plan. Niet is gebleken van een tijdig verzoek van het college van burgemeester en wethouders tot wijziging van de begrenzing van het regionale waterbergingsgebied dat voor de vaststelling van het plan is ingewilligd. Het waterschap wijst er op dat het gestuurde waterbergingsgebied noodzakelijk is om overstromingen van stedelijke gebieden te voorkomen. Door de gronden niet voor waterberging te bestemmen is het niet toegestaan om deze gronden gestuurd te inunderen, hetgeen leidt tot vermindering van de waterbergingscapaciteit en noopt tot het treffen van dure maatregelen. Het waterschap voert aan dat het besluit van de raad niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat door het aannemen van het amendement het waterschap er voor zal moeten zorgen dat bedoelde gronden gevrijwaard blijven van gestuurde inundatie, terwijl de omliggende gronden wel zijn aangewezen voor waterberging. 2.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het laten vervallen van de dubbelbestemming voor deze percelen een gevolg is van een belangenafweging op perceelsniveau en dat de raad een groter belang heeft toegekend aan de belangen van de betrokken ondernemer dan aan het belang van het waterschap en het college bij de realisering van de gestuurde waterberging ter plaatse. Daarbij heeft de raad van belang geacht dat het beroep van de betrokken ondernemer reeds in een eerdere procedure bij de Afdeling gegrond is verklaard. Voor zover de Verordening 2012 aan de handelwijze van de raad in de weg zou staan dient het bestreden besluit te worden beschouwd als een verzoek als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, van de Verordening
- 2.
- Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), wordt een plan elektronisch vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt. Ingevolge het tweede lid is, indien de inhoud van een elektronisch document als bedoeld in het eerste lid tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie, het eerstgenoemde document doorslaggevend. 2.
- De Afdeling stelt vast dat op de analoge papieren versie van de verbeelding van het vastgestelde plan de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aan het perceel kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie D, nr. 647, is toegekend. Op de doorslaggevende elektronisch vastgestelde verbeelding is deze dubbelbestemming echter niet aan het perceel toegekend, terwijl blijkens het vaststellingsbesluit en het daarbij behorende amendement het wel de bedoeling van de raad was om deze dubbelbestemming aan dit perceel toe te kennen. Gelet hierop zijn het plan en de verbeelding in onderlinge samenhang in zoverre in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid vastgesteld. Het betoog slaagt. 2.
- Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet wordt onder bergingsgebied verstaan: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktelichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen. Ingevolge artikel 5.26 zijn rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken, gelegen in of deel uitmakend van een oppervlaktewaterlichaam of bergingsgebied, gehouden wateroverlast en overstromingen ten gevolge van de afvoer of tijdelijk berging van oppervlaktewater te dulden. 2.
- De voormelde gronden zijn in de Verordening 2012 aangewezen als een regionaal waterbergingsgebied. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening 2012 zijn als regionaal waterbergingsgebied aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 25 meter zijn vastgelegd. Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een regionaal waterbergingsgebied mede tot het behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Ingevolge artikel 5.13, eerste lid, kan het college van burgemeester en wethouders het college verzoeken om de begrenzing van de in de artikelen 5.1 aangewezen gebieden te wijzigen onder voorwaarde dat de waterbeheerder hiermee instemt. Ingevolge het zesde lid wordt een bestemmingsplan ten behoeve waarvan de gemeente een verzoek om wijziging van de begrenzing heeft gedaan, vastgesteld nadat het college van gedeputeerde staten heeft besloten tot wijziging van de bestemming. 2.
- In het gewijzigd vastgestelde plan hebben de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie H, nrs. 58, 59, 66, 67, 98, 136, 138 en 152 de bestemming "Agrarisch met waarden" gekregen en, anders dan in het ontwerpplan, niet de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied". Ingevolge artikel 35, lid 35.1, van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van het waterbergend vermogen. 2.
- Ten tijde van het bestreden besluit gold de Verordening
- Deze bevat provinciale algemene regels die de raad, gelet op artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wro, bij de vaststelling van het plan in acht moet nemen. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 10 juli 2013, in zaak nr. 201110578/1/R3, waar vergelijkbare algemene regels uit de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 aan de orde waren, is de Afdeling van oordeel dat er voor de raad dan ook geen mogelijkheid bestond om voor deze gronden geen regeling in het plan op te nemen die ter plaatse regionale waterberging maakt. De door de raad vastgestelde afwijking van de Verordening 2012 betreft immers meer dan de in artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening 2012 bedoelde marge van 25 m. Voorts is niet gebleken van een aan de vaststelling van het plan voorafgaand verzoek als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, van de Verordening 2012, waarmee de waterbeheerder heeft ingestemd en dat het college heeft ingewilligd. Slechts indien voor de vaststelling van het plan een dergelijk verzoek zou zijn ingewilligd en de begrenzing van de gebieden in de Verordening 2012 zou zijn aangepast was er voor de raad, na afweging van de betrokken belangen, ruimte geweest om niet te voorzien in een regeling voor regionale waterberging ter plaatse. Overigens wijst de Afdeling er op dat ook in dat geval in het kader van de belangenafweging die aan een planologische keuze ten grondslag ligt, deugdelijk gemotiveerd moet worden welk gewicht aan de belangen van zowel de betrokken ondernemer als de provincie en het waterschap is toegekend en dat aan de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2013, in zaak nr. 201005344/1/R3, niet de betekenis toekomt die de raad er aan toekent. Dat het beroep van de betrokken ondernemer in die uitspraak door de Afdeling gedeeltelijk gegrond is verklaard wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb betekent immers niet dat door de raad zonder meer zou moeten worden voorzien in een bestemmingsregeling die ter plaatse waterberging uitsluit. Gelet op het voorgaande bestond er voor de raad in dit geval in zoverre geen vrijheid om voor deze gronden te besluiten om ter plaatse geen regionale waterberging mogelijk te maken. Het betoog slaagt. 2.
- In hetgeen het waterschap en het college hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor het perceel kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie D, nr. 647, voor zover niet is voorzien in de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied", is genomen in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid en wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie H, nrs. 58, 59, 66, 67, 98, 136, 138 en 152, voor zover niet is voorzien in de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied", is genomen in strijd met artikel 5.2, eerste lid, van de Verordening
- De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, die inhoudt dat tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe plan voor het perceel kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie D, nr. 647, en de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie H, nrs. 58, 59, 66, 67, 98, 136, 138 en 152, de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" geldt. Het beroep van [appellant sub 4]
- [appellant sub 4], die een melkveehouderij en een boerderijwinkel met ijssalon exploiteert, betoogt dat de raad ten onrechte bij de vaststelling van het plan aan het perceel kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie D, nr. 647 de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" heeft toegekend, terwijl uit het daartoe strekkende amendement volgt dat deze dubbelbestemming voor alle percelen van [appellant sub 4] zou komen te vervallen. Hij wijst er op dat de dubbelbestemming wel voorkomt op de analoge versie van het bestemmingsplan, maar niet op de elektronisch vastgestelde versie. Voorts betoogt hij dat een gestuurde waterberging ter plaatse zal leiden tot bodemverontreiniging, dierziekten en schade omdat de melk van het vee niet meer bruikbaar zal zijn voor consumptie. De regionale waterberging zoals aangewezen in de Verordening 2012 ontbeert een deugdelijke motivering en de belangen van [appellant sub 4] zijn hierbij niet betrokken, aldus [appellant sub 4]. 3.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het amendement geen betrekking heeft op het door [appellant sub 4] bedoelde perceel. Voorts bestaat er tussen de analoge versie van het vastgestelde plan en het elektronische vastgestelde plan volgens de raad geen verschil. Verder berust het plan op een deugdelijk motivering, waarbij de Verordening 2012 is betrokken, en zullen er geen onaanvaardbare nadelige gevolgen voor het bedrijf optreden. 3.
- Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, van het Bro wordt een plan elektronisch vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt. Ingevolge het tweede lid is, indien de inhoud van een elektronisch document als bedoeld in het eerste lid tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie, het eerstgenoemde document doorslaggevend. 3.
- Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen stelt de Afdeling vast dat op de analoge papieren versie van de verbeelding van het vastgestelde plan de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aan het perceel is toegekend. Op de doorslaggevende elektronisch vastgestelde verbeelding is deze dubbelbestemming echter niet aan het perceel toegekend, terwijl blijkens het vaststellingsbesluit en het daarbij behorende amendement het wel de bedoeling van de raad was om deze dubbelbestemming aan dit perceel toe te kennen. Gelet hierop zijn het plan en de verbeelding in onderlinge samenhang in zoverre in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid vastgesteld. Het betoog slaagt. 3.
- Over het betoog dat de regionale waterberging in de Verordening 2012 geen deugdelijk motivering heeft, overweegt de Afdeling dat in de Verordening 2012 algemene regels zijn opgenomen met betrekking tot bestemmingsplannen die zijn gelegen in een regionaal waterbergingsgebied. Deze regels zijn algemene verbindende voorschriften, waartegen ingevolge artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb geen beroep kan worden ingesteld en die de Afdeling slechts exceptief kan toetsen. Deze toetsing houdt in dat aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten. Uit de toelichting bij de Verordening 2012 volgt dat de aanwijzing van regionale waterbergingsgebieden voortvloeit uit de structuurvisie "Provinciaal Waterplan 2010-2015" en is uitgewerkt in de Verordening
- Voor de planologische regeling van de regionale waterbergingsgebieden en de begrenzing is aangesloten bij de reconstructieplannen en in het kader van het "Provinciaal Waterplan 2010-2015" is de begrenzing van de gebieden op enkele onderdelen gewijzigd. Uit de stukken volgt dat de begrenzing van de regionale waterbergingsgebieden in overleg met onder meer de waterschappen, gemeenten en provincies tot stand is gekomen en dat deze gebieden noodzakelijk zijn om de waterveiligheid te vergroten en wateroverlast te verminderen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de begrenzing van de regionale waterberging, zoals neergelegd in artikel 5.1 en 5.2 van de Verordening 2012 en de daarbij behorende kaart, niet in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of op ondeugdelijke wijze is gemotiveerd. Het betoog faalt. 3.
- Over het betoog dat de regionale waterberging onaanvaardbare gevolgen voor het bedrijf van [appellant sub 4] met zich zal brengen overweegt de Afdeling dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" ingevolge artikel 35, eerste lid, van de planregels met zich brengt dat de gronden mede zijn bestemd voor het behoud en de ontwikkeling van het waterbergend vermogen. Deze dubbelbestemming is toegekend om ter plaatse een zogenoemde gestuurde waterberging mogelijk te maken, hetgeen inhoudt dat het waterschap deze gronden gestuurd zal inunderen indien hoge waterstanden dat noodzakelijk maken. Voor dit gebied is gekozen omdat er reeds sprake is van een natuurlijk overstromingsgebied. Naar de gevolgen van de aanwijzing als regionaal waterbergingsgebied is in opdracht van het waterschap onderzoek gedaan door Deltares en uit dit onderzoek volgt dat voor de bodemkwaliteit met name de overstromingsduur en de frequentie van belang zijn en dat de effecten van inundatie in gebieden die niet eerder zijn overstroomd groter zijn dan in gebieden waar dit wel is gebeurd. Uit het deskundigenbericht volgt dat een gestuurde waterberging ter plaatse naar verwachting eens in de 25 jaar zal plaatsvinden. Voorts heeft het waterschap aangegeven dat in dat geval sprake zal zijn van permanente doorstroming, zodat er minder sedimentatie zal optreden. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ernstige bodemverontreiniging als gevolg van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" zich niet zal voordoen en dat het perceel in beginsel bruikbaar zal blijven als weidegrond voor vee. Voorts heeft [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie van het RIVM dat consumptie van lokale producten, zoals ambachtelijke zuivelproducten, uit het gebied dat tevens is bestemd voor waterberging geen risico’s met zich brengt voor de volksgezondheid onjuist is en dat de raad zich daarom hier op niet heeft mogen baseren. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de gestuurde waterberging het risico op dierziekten onaanvaardbaar toeneemt ten opzicht van de huidige situatie. Het betoog faalt. 3.
- Voor zover [appellant sub 4] ernstige schade vreest als gevolg van het gestuurd laten overstromen van zijn gronden en stelt dat aan zijn belangen onvoldoende gewicht is toegekend overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 31 oktober 2012, in zaak nr. 201107147/1/R3, dat de artikelen 7.14 en 7.16 van de Waterwet regels bevatten voor de vergoeding van schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid van het waterschap. Voorts kan schade ten gevolge van de planologische aanwijzing van het bergingsgebied in het bestemmingsplan, zoals waardevermindering van agrarische percelen op grond van artikel 6.1 van de Wro voor vergoeding in aanmerking komen. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voorzien in toereikende regelingen voor vergoeding van mogelijke schade. Het betoog faalt. 3.
- In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden", voor zover het betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie D, nr. 647 en niet is voorzien in de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" is genomen in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd, zoals reeds in 2.8 overwogen. Het beroep van BMF
- Ter zitting heeft BMF de beroepsgronden over de strijdigheid van de planregeling voor intensieve veehouderijen met artikel 9.2, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012 en de duurzaamheidscriteria die van toepassing zouden zijn indien door middel van een separaat plan medewerking wordt verleend aan de uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij ingetrokken. Ontvankelijkheid 4.
- Het beroep, voor zover gericht tegen artikel 1.56, artikel 3, lid 3.1.2, onder c, artikel 4, lid 4.1.2, onder b, artikel 5, lid 5.1.2, onder n, en artikel 6, lid 6.1.2, onder c, van de planregels, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Deze planregels hebben betrekking op kleinschalig kamperen op gronden met een agrarische bestemming. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door BMF gestelde omstandigheid dat het vastgestelde plan is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. In het ontwerpplan was kleinschalig kamperen binnen het gehele bestemmingsvlak op gronden met de bestemming "Agrarisch", "Agrarisch - Paardenhouderij", "Agrarisch met waarden" en "Agrarisch met waarden - Paardenhouderij" reeds toegestaan, terwijl in het vastgestelde plan juist is opgenomen dat de afstand van kampeermiddelen tot de grens van het bouwvlak niet meer dan 150 m mag bedragen. Nu het vastgestelde plan daarmee voorziet in een beperking van de mogelijkheden voor kleinschalig kamperen ten opzichte van het ontwerpplan, is BMF daardoor niet in een nadeliger positie komen te verkeren. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. Natura 2000-gebieden 4.
- BMF betoogt dat de raad, gezien het milieueffectrapport voor plannen (hierna: plan-MER), de aanvulling op het plan-MER en de passende beoordeling, ten onrechte artikel 3, lid 3.1.1, onder a, en lid 3.6.1, en artikel 5, lid 5.1.1, onder c, en lid 5.7.1, van de planregels heeft vastgesteld. De raad heeft ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijk kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden in Nederland en België en heeft in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) gehandeld. De ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden van grondgebonden veehouderijen zijn onderschat en onvoldoende onderzocht. In het zogenoemde worst case scenario is alleen uitgegaan van uitbreiding van alle bestaande veehouderijen, maar is geen rekening gehouden met omschakeling van grondgebonden akkerbouwbedrijven naar grondgebonden veehouderijen. Voorts is in het plan-MER en de passende beoordeling opgenomen dat in het worst case scenario een aanzienlijke toename van stikstofdepositie zal plaatsvinden en het plan tot aantasting van de natuurlijk kenmerken van de Natura 2000-gebieden zal leiden. De stelling van de raad dat de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 (hierna: de stikstofverordening) voorziet in saldering via de depositiebank en een aantal veehouderijen binnen de planperiode zal stoppen is onvoldoende om vast te stellen dat er geen aantasting van de natuurlijk kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden zal optreden. Hierbij verwijst BMF naar de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012, in zaak nr. 201107891/1/R3 en de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013, in zaak nrs. 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R
- Bovendien is dit niet relevant voor de Natura 2000-gebieden die in België liggen. 4.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het plan kon worden vastgesteld omdat dit de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Hierbij verwijst hij naar de door het onderzoeksbureau Tauw opgestelde rapporten "Plan-MER bestemmingsplan buitengebied Valkenswaard" van 9 januari 2013 en "Aanvulling op het plan-MER bestemmingsplan buitengebied Valkenswaard" van 1 mei 2013 die tevens dienen als passende beoordeling. Bij het plan-MER is onderzoek gedaan naar de kenmerken die bepalend zijn voor de groei van de landbouwsector in de planperiode. Uit de passende beoordeling volgt dat in het realistische scenario geen toename van stikstofdepositie wordt verwacht, zodat de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden van grondgebonden veehouderijen niet tot aantasting van de omliggende Natura 2000-gebieden zullen leiden. Hierbij is betrokken dat het systeem van de provinciale depositiebank, ook bij omschakeling, verzekert dat deze aantasting zich niet kan voordoen. Voor zover BMF naar voormelde uitspraken van de Afdeling van 24 oktober 2012 en 13 november 2013 verwijst, stelt de raad dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen aanwijzing bestond dat geen rekening met deze depositiebank mocht worden gehouden. Voorts stelt de raad dat ten tijde van de vaststelling van het plan van een onjuiste interpretatie van artikel 19kd van de Nbw 1998 is uitgegaan. Nu wel een passende beoordeling is gemaakt en daaruit volgt dat het plan niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden leidt, is bij de vaststelling van het plan aan artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g van de Nbw 1998 voldaan. 4.
- Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Ingevolge het derde lid wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 19g en 19h. Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. 4.
- Ingevolge artikel 1.43 van de planregels wordt onder grondgebonden agrarische bedrijven verstaan: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: grondgebonden veehouderij, akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven. Ingevolge lid 3.6.1 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ten behoeve van het vergroten van een agrarisch bouwvlak, met inachtneming van het volgende: a. het bestaande bouwvlak kan met maximaal 15% vergroot worden; b. het bouwvlak is, na wijziging niet groter dan 1,5 ha; c. het niet betreft een intensieve veehouderij; (…). In artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder c, en lid 5.7.1, aanhef en onder a, b en c, van de planregels is een vergelijkbare planregeling opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden". 4.
- De Afdeling ziet zich geplaatst voor de vraag of de raad de bestreden planonderdelen heeft mogen vaststellen op basis van de passende beoordeling waaruit volgt dat de in deze planonderdelen voorziene ontwikkelingen niet zullen leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden, aangezien met de provinciale depositiebank is verzekerd dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats per saldo niet kan toenemen. In de passende beoordeling is in het zogenoemde worst case scenario uitgegaan van het uitbreiden van bouwvlakken van grondgebonden veehouderijen tot 1,5 ha, waarbij rekening is gehouden met het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. Volgens de passende beoordeling leidt het plan in dit scenario, zonder gebruik te maken van een salderingsregeling of het treffen van stalmaatregelen, tot een aanzienlijke toename van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. In dat geval is niet uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van die gebieden zullen worden aangetast. In de passende beoordeling staat echter dat het vanwege de stikstofverordening en een realistische aanname wat betreft de groei van de landbouwsector in de planperiode niet mogelijk is dat de stikstofdepositie overeenkomstig het worst case scenario toeneemt. Gelet daarop is een aantal realistische scenario's in de passende beoordeling onderzocht, waarbij ervan is uitgegaan dat ongeveer 5% van de agrarische bedrijven zal stoppen en ongeveer 20% van de agrarische bedrijven zal uitbreiden. In de passende beoordeling is geconcludeerd dat benutting van de voorziene planologische ruimte voor grondgebonden veehouderijen mogelijk is vanwege de toepassing van de stikstofverordening, die emissiereducerende eisen aan nieuw te bouwen stallen stelt en voorziet in de mogelijkheid van saldering van stikstofdepositie. Gelet op de artikelen 3 en 5 van de planregels biedt het plan mogelijkheden voor uitbreiding van een bouwvlak ten behoeve van grondgebonden veehouderijen tot 1,5 ha. Voorts is het mogelijk om van een grondgebonden akkerbouwbedrijf om te schakelen naar een grondgebonden veehouderij. De planregels bieden daarmee meer mogelijkheden dan een uitbreiding van de bouwvlakken van bestaande grondgebonden veehouderijen tot 1,5 ha, waarvan in de passende beoordeling bij het daarin opgenomen worst case scenario is uitgegaan. Hieruit volgt dat bij de beoordeling van de effecten van het plan op de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het plan. De raad heeft dit miskend, zodat de raad zich ten onrechte bij de vaststelling van het plan op de passende beoordeling heeft gebaseerd. Gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013, in zaak nrs. 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2 heeft de raad er niet van uit mogen gaan dat de provinciale depositiebank aan een toename van stikstofdepositie bij een effectuering van de in het plan opgenomen mogelijkheden in de weg zou staan. In die uitspraak is overwogen dat de voorwaarden die in de stikstofverordening en het Protocol Depositiebank van het college van gedeputeerde staten worden gesteld aan de opname van saldo van een ingetrokken milieuvergunning, onvoldoende waarborgen dat een directe samenhang aanwezig is tussen de in de depositiebank opgenomen saldi van ingetrokken milieuvergunningen en de onttrekkingen van saldi ten behoeve van een Nbw-vergunning voor de oprichting of uitbreiding van een agrarisch bedrijf, zodat de betreffende salderingsbesluiten in de aan de orde zijnde gevallen niet bij de vergunningverlening op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 konden worden betrokken. Overigens wijst de Afdeling er nog op dat reeds voor die uitspraak de Afdeling in haar uitspraak van 24 oktober 2012, in zaak nr. 201107891/1/R3, heeft geoordeeld dat de enkele verwachting dat saldering geregeld kan worden niet voldoende is om zeker te stellen dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plan niet kan leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden. De raad heeft derhalve bij de vaststelling van het plan artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g van de Nbw 1998 niet in acht genomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat ten tijde van het opstellen van de passende beoordeling voormelde uitspraak van de Afdeling niet bekend was. Die onbekendheid doet echter niet af aan de hiervoor vastgestelde strijdigheid van het plan met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g van de Nbw
- De raad heeft verder ter zitting benadrukt dat destijds is gekozen voor een scenario waarbij gebruik zou worden gemaakt van externe saldering door middel van de depositiebank. De Afdeling stelt echter vast dat in de passende beoordeling ook een scenario is beschreven dat niet ziet op het gebruikmaken van externe saldering, maar waarbij als gevolg van het treffen van maatregelen aan bestaande stallen geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 200-gebieden kan optreden. De Afdeling stelt vast dat dit scenario echter niet in het plan is opgenomen, overigens nog daargelaten de vraag of dat gelet op de aard van de daartoe in de passende beoordeling beschreven maatregelen mogelijk is. Het betoog slaagt. Maastrichterweg 144 4.
- BMF betoogt dat de uitbreiding van de intensieve veehouderij aan de Maastrichterweg 144 te Valkenswaard in strijd is met 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening
- Dat bij besluit van 29 mei 2012 door het college een ontheffing is verleend doet hier volgens haar niet aan af, nu die is verleend op grond van de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening 2011) en ten tijde van de vaststelling van het plan de Verordening 2012 gold. In de Verordening 2012 is deze mogelijkheid tot ontheffing niet opgenomen en voorts is geen overgangsrecht hiervoor opgenomen. Gelet hierop kan de ontheffing van 29 mei 2012 volgens BMF niet worden gebruikt. 4.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het feit dat ten tijde van het bestreden besluit de Verordening 2012 gold niet betekent dat geen gebruik meer kan worden gemaakt van de op 29 mei 2012 verleende ontheffing. 4.
- Aan het perceel Maastrichterweg 144 is de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Het bouwvlak van de intensieve veehouderij is in dit plan vergroot naar ongeveer 2,5 ha. 4.
- Ten behoeve van de vaststelling van een plan dat voorziet in een vergroting van het bouwvlak tot maximaal 2,5 ha is op 29 mei 2012 door het college op grond van artikel 9.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2011 een ontheffing van artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2011 verleend. 4.
- De Afdeling heeft onder meer in de uitspraak van 13 maart 2013, in zaak nr. 201203440/1/R3, overwogen dat in het geval een weigering van het college om een ontheffing voor een lopende zaak op grond van de Verordening 2011 wordt vernietigd, betrokkenen niet de dupe behoren te worden van het feit dat inmiddels de Verordening 2012 in werking is getreden. De Afdeling ziet geen aanleiding om anders te oordelen in het geval de raad bij de vaststelling van het plan gebruik heeft gemaakt van een verleende ontheffing van de Verordening 2011, terwijl ten tijde van de vaststelling van het plan de Verordening 2012 gold die niet langer in een ontheffingsmogelijkheid ter zake voorziet. Een ander oordeel zou immers tot gevolg hebben dat de betrokken intensieve veehouder wel de dupe zou worden van de inwerkingtreding van de Verordening
- Het betoog faalt. 4.
- BMF betoogt verder dat in strijd met artikel 19j van de Nbw 1998 niet is onderzocht of de uitbreiding van de intensieve veehouderij aan de Maastrichterweg 144 tot aantasting van Natura 2000-gebieden zal leiden, nu in de passende beoordeling ervan uit is gegaan dat intensieve veehouderijen niet kunnen uitbreiden. Voorts is er geen vergunning op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 aan dit bedrijf verleend en is onduidelijk of deze vergunning verleend kan worden. 4.
- Ingevolge artikel 1, onder 1.15, onder a, van de planregels wordt onder bestaand bouwwerk verstaan: een bouwwerk, dat:
- ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaat of in uitvoering is;
- na het in lid 1 genoemde tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1., aanhef en onder c, aanhef en sub 1, zijn voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan. Ingevolge lid 5.2.2, aanhef en onder c, geldt voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de bedrijfsvoering dat ter plaatse van de "intensieve veehouderij" het maximale oppervlak aan gebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij niet meer mag bedragen dan de bestaande bebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij. 4.
- De Afdeling stelt vast dat het voor intensieve veehouderij aangeduide bouwvlak weliswaar is vergroot, maar dat artikel 5.2.2, aanhef en onder c, van de planregels met zich brengt dat de bebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij niet mag worden uitgebreid. Dat de raad dit niet heeft beoogd maakt dit niet anders. Het betoog dat de uitbreiding van het bouwvlak van de intensieve veehouderij aan de Maastrichterweg 144 tot 2,5 ha zal leiden tot een aantasting van de omliggende Natura 2000-gebieden mist derhalve feitelijk grondslag. Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) en attentiegebieden EHS 4.
- BMF betoogt dat de EHS ten onrechte niet als zodanig op de verbeelding is weergegeven, hetgeen in strijd is met artikel 4.1 van de Verordening
- Het voorgaande klemt temeer nu artikel 15, lid 15.6, van de planregels het mogelijk maakt om de bestemming "Natuur" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden" en derhalve niet duidelijk is wat is bedoeld met de gemaakte uitzondering voor gronden in de EHS. Het plan biedt daarnaast onvoldoende bescherming voor de EHS, hetgeen in strijd is met artikel 4.2 van de Verordening
- Volgens de BMF zijn de als EHS aangemerkte gronden met name niet beschermd in het geval de EHS ter plaatse nog niet is gerealiseerd en daaraan de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend. Volgens BMF is in artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels ten onrechte niet het scheuren van grasland aangemerkt als verboden werkzaamheid en sluit lid 5.6.2 te veel werken en werkzaamheden uit van de vergunningplicht. BMF betoogt verder dat de bestemming "Waarde - Hydrologie" minder bescherming biedt voor de attentiegebieden EHS dan de Verordening 2012 vereist. Daarbij wijst BMF er op dat artikel 34, lid 34.3.2, aanhef en onder b, en lid 34.3.3 van de planregels niet overeenstemmen met artikel 4.4, eerste en vierde lid, van de Verordening
- 4.
- Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 10, van de Verordening 2012 wordt onder attentiegebied EHS verstaan: gebied gelegen rondom en binnen de ecologische hoofdstructuur waar fysieke ingrepen een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 26, wordt onder EHS verstaan: samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Ingevolge het tweede lid bepaalt een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid, zolang de EHS niet is gerealiseerd, dat de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten. Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, wijst een bestemmingsplan dat is gelegen in een attentiegebied EHS geen bestemmingen aan of stelt geen regels vast die fysieke ingrepen mogelijk maken met een negatief effect op de waterhuishouding van de hierbinnen gelegen ecologische hoofdstructuur. Ingevolge het tweede lid stelt een bestemmingsplan regels ten aanzien van de daarin opgenomen werken en werkzaamheden. Ingevolge het vierde lid bepaalt een bestemmingsplan dat de regels bedoeld in het tweede lid niet van toepassing zijn op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud. 4.
- Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor: a. het behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden; b. agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen; c. grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan; (…). Ingevolge lid 5.6.1 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden buiten het bouwvlak uit te voeren: a. aanleggen en/of verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. afgraven, ophogen of egaliseren, dan wel ontginnen van gronden; c. kappen en rooien van houtwallen en/of -singels of bosjes; d. door nieuwe aanplant realiseren van houtwallen en/of -singels of bosjes; e. winnen, infiltreren of stuwen van water en andere werken of werkzaamheden die een wezenlijke wijziging van de grondwaterstand of de waterhuishouding beogen of ten gevolge hebben, anders dan ten behoeve van natuurontwikkeling; f. aanleggen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- en/of communicatieleidingen. Ingevolge lid 5.6.2 is het in lid 5.6.1 vervatte verbod niet van toepassing op: a. werken en werkzaamheden welke het normale onderhoud betreffen; b. werken en werkzaamheden welke noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond; c. werken en werkzaamheden welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; (…). Ingevolge lid 5.6.3 kan de in lid 5.6.1 vermelde omgevingsvergunning slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische en/of landschappelijke, cultuurhistorische en waterhuishoudkundige waarden van de gronden. Ingevolge artikel 15, lid 15.1.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische en waterhuishoudkundige waarden. Ingevolge lid 15.6 kan het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan wijzigen met dien verstande dat de bestemming "Natuur" gewijzigd kan worden in de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden" met dien verstande dat: a. onderzoek heeft aangetoond dat er ter plaatse geen sprake (meer) is van beschermenswaardige natuurwaarden; (…); c. de gronden niet zijn gelegen binnen Natura-2000 of de EHS; (…). Ingevolge artikel 34, lid 34.1, zijn de voor "Waarde - Hydrologie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van bestaande watersystemen. Ingevolge lid 34.3.1 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de daarin opgenomen werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren. Ingevolge lid 34.3.2, is het in lid 34.3.1 vervatte verbod niet van toepassing op: a. werken en werkzaamheden welke het normale onderhoud betreffen; b. werken en werkzaamheden welke noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond. Ingevolge lid 34.3.3 kan de in lid 34.3.1 vermelde omgevingsvergunning slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het waterbergend vermogen. Ingevolge artikel 41, lid 41.3, kan het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan wijzigen met dien verstande dat bestemmingen gewijzigd kunnen worden in de bestemming "Natuur" onder voorwaarde dat: a. de eventueel aanwezige agrarische bedrijvigheid is of zal worden beëindigd; b. er geen onevenredige beperkingen optreden voor omliggende, bestaande agrarische bedrijven (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); c. natuurontwikkeling zal plaatsvinden of heeft plaatsgevonden; d. dat het wijzigingsplan economisch uitvoerbaar is; e. verhaal van gemeentelijke (plan-)kosten is zeker gesteld. 4.
- De raad dient bij het vaststellen van het plan de Verordening 2012 in acht te nemen. Voor zover gebieden binnen de gemeente blijkens de bij de Verordening 2012 behorende kaarten in de EHS zijn gelegen en de Verordening 2012 het stellen van regels ter zake voorschrijft, brengt dit met zich dat de raad zowel de begrenzing van deze gebieden als het voorschrift om ter zake regels te stellen, bij het vaststellen van het plan in acht moet nemen. Dit betekent evenwel niet dat de raad geen vrijheid heeft bij de wijze waarop in het vast te stellen plan de Verordening 2012 ter zake in acht wordt genomen. Zo is de raad niet verplicht de aanduiding EHS op de planverbeelding op te bezigen. 4.
- Over het betoog dat onduidelijk is op welke gronden wordt gedoeld in de uitzondering op de wijzigingsbevoegdheid in artikel 15, lid 15.6, aanhef en onder c, van de planregels overweegt de Afdeling dat met dit artikel mogelijk wordt gemaakt om de bestemming "Natuur" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden", mits de betrokken gronden niet in de EHS liggen. De Afdeling acht het voldoende duidelijk dat hiermee op de gronden wordt gedoeld die in de Verordening 2012 als EHS zijn aangewezen en dit derhalve ook gronden betreft waar de EHS nog niet is gerealiseerd. Het betoog faalt. 4.
- Vast staat dat aan de bestaande bos- en natuurgebieden die bij de Verordening 2012 zijn aangemerkt als EHS de bestemming "Natuur" is toegekend. Deze bestemming is blijkens de bestemmingsomschrijving van artikel 15, lid 15.1.1, aanhef en onder a, van de planregels gericht op de instandhouding en het beheer van de natuurwaarden. Activiteiten die deze natuurwaarden verstoren of aantasten zijn hier niet toegestaan. Aan de EHS die nog niet is gerealiseerd, is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. Overeenkomstig artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening 2012 voorziet de regeling van deze bestemming in artikel 5 van de planregels in de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteiten op gronden met deze bestemming. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" ook bestemd voor het behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden. Daarmee strijdige nieuwe ontwikkelingen zijn aldus niet toegestaan. Ook in zoverre heeft de raad artikel 4.2, eerste en tweede lid, van de Verordening 2012 in acht genomen. Het betoog faalt. 4.
- Over het betoog met betrekking tot artikel 5, lid 5.6.1 en lid 5.6.2, aanhef en onder b, van de planregels overweegt de Afdeling dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom het scheuren van grasland niet zou kunnen leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS. Daarbij betrekt de Afdeling dat in artikel 5, lid 5.6.2, aanhef en onder a, is bepaald dat geen aanlegvergunning nodig is voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voor zover het gaat om het normale onderhoud. Voor zover het scheuren van grasland in het kader van dat normale onderhoud plaatsvindt, geldt daarvoor geen vergunningplicht. Aldus levert het opnemen van een vergunningplicht voor het incidenteel scheuren van grasland geen onevenredige beperking op voor de agrarische bedrijfsvoering. Voorts volgt de Afdeling BMF in haar betoog dat de raad ten onrechte in lid 5.6.2, aanhef en onder b, van de planregels werken en werkzaamheden welke noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond heeft uitgezonderd van de vergunningplicht. Hiermee heeft de raad niet uitsluitend werken en werkzaamheden behorend tot het normale beheer van de gronden uitgezonderd, maar alle werken en werkzaamheden die behoren tot het beheer in het kader van de bestemming. Niet is uitgesloten dat hiermee een dusdanig ruime uitzondering op de vergunningplicht is opgenomen dat daardoor aan het vergunningenstelsel geen betekenis meer toekomt. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De betogen slagen. 4.
- Met de in artikel 5, lid 5.6.2, aanhef en onder c, uitgezonderde werken en werkzaamheden worden, anders dan BMF betoogt, niet alle werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het moment van inwerkingtreding van het plan als zodanig toegestaan, maar is een uitzondering opgenomen voor de werken en werkzaamheden die in lid 5.6.1 vergunningplichtig zijn gesteld, maar reeds voor de inwerkingtreding zijn aangevangen. Daarmee heeft de raad willen voorkomen dat werken en werkzaamheden die onder het voorheen geldende plan niet vergunningplichtig waren en op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren alsnog vergunningplichtig zouden worden. De Afdeling komt dat niet onredelijk voor. Het betoog faalt. 4.
- Anders dan BMF stelt, is in artikel 41, lid 41.3, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee mogelijk is gemaakt dat de bestemming "Agrarisch met waarden" wordt gewijzigd naar de bestemming "Natuur" indien natuurontwikkeling zal plaatsvinden of heeft plaatsgevonden, zodat dit betoog feitelijke grondslag mist. 4.
- Het attentiegebied EHS is gericht op de bescherming van de waterhuishouding en deze gebieden zijn op de verbeelding opgenomen met de dubbelbestemming "Waarde - Hydrologie". In artikel 34, lid 34.3.1, van de planregels is voor een aantal werken en werkzaamheden op gronden met deze bestemming overeenkomstig artikel 4.4, tweede lid, van de Verordening 2012 een vergunningplicht opgenomen. In artikel 4.4, vierde lid, van de Verordening 2012 is opgenomen dat de regels uit het tweede lid niet van toepassing zijn op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud. Overeenkomstig deze bepaling is in artikel 34, lid 34.3.2, aanhef en onder a, van de planregels een uitzondering op de vergunningplichtig gestelde werken en werkzaamheden opgenomen. In lid 34.3.2, aanhef en onder b, van de planregels heeft de raad echter ook werken en werkzaamheden die noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond uitgezonderd van de vergunningplicht. Hiermee heeft de raad niet uitsluitend het normale beheer van de gronden uitgezonderd, maar al het beheer in het kader van de bestemming. Niet is uitgesloten dat hiermee een dusdanig ruime uitzondering op de vergunningplicht is opgenomen dat daardoor aan het vergunningenstelsel geen betekenis meer toekomt. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Over het betoog dat ten onrechte in artikel 34, lid 34.3.3, van de planregels is opgenomen dat een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 34.3.1 slechts mag wordt verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het waterbergend vermogen, omdat het begrip waterbergend vermogen beperkter is dan het begrip waterhuishouding, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bedoeld was om in artikel 34, lid 34.3.3, op te nemen dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan het bestaande watersysteem, overeenkomstig de bestemmingsomschrijving in artikel 34, lid 34.1, van de planregels. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De betogen slagen. Ecologische verbindingszones 4.
- BMF betoogt dat de als zoekgebied voor ecologische verbindingszone aangeduide gebieden ten onrechte niet als zodanig op de verbeelding zijn weergegeven, hetgeen in strijd is met artikel 4.3 van de Verordening
- Het betreft de zoekgebieden voor ecologische verbindingszones ten zuiden van de Bergeijksedijk, dwars op de Maastrichterweg en ter plaatse van de Heijerdijk. De bestemming "Agrarisch met waarden" biedt onvoldoende bescherming omdat agrarisch gebruik mogelijk wordt gemaakt dat niet tot verwezenlijking, behoud en beheer van de zoekgebieden voor ecologische verbindingszones strekt. 4.
- Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 27, van de Verordening 2012 wordt onder ecologische verbindingszone verstaan: bij bestemmingsplan aangeduid langgerekt gebied waarbinnen verbindende landschapselementen zijn of worden gerealiseerd. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 92, wordt onder zoekgebied voor ecologische verbindingszone verstaan: gebied waarbinnen een ecologische verbindingszone is of wordt gerealiseerd. Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een zoekgebied voor ecologische verbindingszone tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone waarbij dat zoekgebied een breedte heeft van: a. ten minste 50 m in bestaand stedelijk gebied en zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, en b. ten minste 25 m in alle overige gebieden. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, stelt een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid beperkingen aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing, voor zover zulks nodig is om te voorkomen dat dit gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone. 4.
- Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor het behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, zijn de voor "Groen - Landschapselement" aangewezen gronden bestemd voor: a. de instandhouding van ter plaatse voorkomende waardevolle beplanting, groenvoorzieningen en natuur- en landschapswaarden; b. water; (…). Ingevolge artikel 21, lid 21.1, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor: a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de waterloop en bijbehorende oevers; (…). 4.
- Een strook grond ten zuiden van de Bergeijksedijk, een strook grond dwars op de Maastrichterweg en een strook grond ter plaatse van de Heijerdijk van ongeveer 50 m breed zijn in de Verordening 2012 aangewezen als zoekgebied voor ecologische verbindingszones. Uit de toelichting op de Verordening 2012 volgt dat een ecologische verbindingszone in de Verordening 2012 is aangeduid met een concreet aangeduid zoekgebied. Inrichting, beheer en bescherming dient op perceelniveau in een bestemmingsplan nader te worden uitgewerkt. De raad moet voor de gebieden die als zoekgebied voor ecologische verbindingszones zijn aangewezen artikel 4.3 van de Verordening 2012 in acht nemen. Om hieraan te voldoen heeft de raad aan een gedeelte van het zoekgebied voor ecologische verbindingszone ter plaatse van de Heijerdijk met een breedte van 3 m de bestemming "Water" toegekend. Aan het andere gedeelte van dit zoekgebied voor ecologische verbindingszone, evenals aan de zoekgebieden voor ecologische verbindingszones ten zuiden van de Bergeijksedijk en dwars op de Maastrichterweg is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. In de plantoelichting is opgenomen dat een aantal ecologische verbindingszones reeds gedeeltelijk of geheel is gerealiseerd en een deel daarvan nog moet worden aangelegd. Gelet daarop is in artikel 41, lid 41.3, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om agrarische bestemmingen te wijzigingen naar de bestemming "Natuur". Voorts volgt uit de plantoelichting dat de ecologische verbindingszones als zodanig kunnen functioneren op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" en dat de zoekgebieden voor ecologische verbindingszones niet als zodanig op de verbeelding zijn weergegeven. Anders dan de BMF betoogt, is met voorgaande planregeling artikel 4.3, eerste en tweede lid, van de Verordening 2012 in acht genomen, nu met de opgenomen bestemmingsregelingen voorkomen kan worden dat de gebieden minder geschikt worden voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone en ecologische verbindingszones kunnen worden gerealiseerd. Het betoog faalt. Groenblauwe mantel 4.
- BMF betoogt dat de bestemming "Agrarisch met waarden" onvoldoende bescherming biedt voor de gebieden die in de Verordening 2012 als groenblauwe mantel zijn aangeduid. Deze bestemming strekt niet tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en voorts zijn geen regels opgenomen ter bescherming van de hydrologische waarden, zodat deze bestemming in strijd is met artikel 6.3 van de Verordening
- 4.
- Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 35, van de Verordening 2012 wordt onder groenblauwe mantel verstaan: gebieden die overwegend grenzen aan de EHS, de ecologische verbindingszone of het zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen, en deze verbinden, zijnde gebieden met overwegend grondgebonden agrarisch gebruik en belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, onder a, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden Ingevolge het eerste lid, onder b, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. 4.
- Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor water, waterhuishoudkundige en nutsvoorzieningen. Ingevolge lid 5.6.1, aanhef en onder e, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: winnen, infiltreren of stuwen van water en andere werken of werkzaamheden die een wezenlijke wijziging van de grondwaterstand of de waterhuishouding beogen of ten gevolge hebben, anders dan ten behoeve van natuurontwikkeling. Ingevolge lid 5.6.3 kan de in lid 5.6.1 vermelde omgevingsvergunning slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische en/of landschappelijke, cultuurhistorische en waterhuishoudkundige waarden van de gronden. 4.
- Wat betreft de bescherming van de gronden die als groenblauwe mantel zijn aangewezen, overweegt de Afdeling dat de groenblauwe mantel, gelet op artikel 1.1, aanhef en onder 35, van de Verordening 2012, gebieden betreft met overwegend grondgebonden agrarisch gebruik en belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. De raad heeft derhalve in redelijkheid de bestemming "Agrarisch met waarden" aan deze gronden kunnen toekennen. De Afdeling is voorts van oordeel dat overeenkomstig artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2012 regels zijn gesteld ter bescherming van de hydrologische waarden, omdat in artikel 5, lid 5.6.1 en 5.6.3, van de planregels is opgenomen dat werken en werkzaamheden die een wezenlijke wijziging van de waterhuishouding met zich brengen verboden zijn en dat hiervoor slechts een omgevingsvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van onder meer de waterhuishoudkundige waarden. Het betoog faalt. Teeltondersteunende voorzieningen 4.
- BMF betoogt dat artikel 5, lid 5.3.3, van de planregels het ten onrechte mogelijk maakt om in de groenblauwe mantel als bedoeld in de Verordening 2012 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak op te richten en dat daarbij ten onrechte geen beperking in oppervlakte is opgenomen. Dit leidt tot een onaanvaardbare aantasting van een agrarisch gebied met landschappelijke waarden en van de groenblauwe mantel. Voorts is in artikel 1.88 van de planregels een tijdelijke teeltondersteunende voorziening ten onrechte gedefinieerd als een teeltondersteunende voorziening die maximaal acht maanden per jaar is toegestaan, omdat dit volgens BMF niet meer als tijdelijk kan worden beschouwd. Daarbij verwijst zij naar de toelichting op de Verordening
- 4.
- De raad stelt zich op het standpunt dat alleen tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak zijn toegestaan en een beperking in tijd is opgenomen. Voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen op gronden met de bestemming "Agrarisch" en gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden", voor zover daaraan niet de aanduiding "openheid" is toegekend, is het volgens de raad niet noodzakelijk om een maximale oppervlaktemaat op te nemen. 4.
- Ingevolge artikel 1.88 van de planregels wordt onder teeltondersteunende voorziening verstaan: ondersteunende voorzieningen, die een onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een vollegronds tuinbouwbedrijf of boomkwekerij, die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren. Hierdoor vindt de productie onder gecontroleerde omstandigheden plaats, zodat gezorgd kan worden voor een verbetering van de productkwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of -verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik; te onderscheiden zijn de volgende categorieën: a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist, met een maximum van acht maanden, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolies en acryldoek, vlakveldsfolie, vraatnetten, tunnels, wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten; b. permanente teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die voor onbepaalde tijd worden gebruikt, bijvoorbeeld containervelden, bakken op stellingen, regenkappen; c. overige teeltondersteunende voorzieningen: boomteelthekken. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor het behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden. Ingevolge lid 5.2.6, aanhef en onder a, moeten teeltondersteunende voorzieningen op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" binnen het bouwvlak worden gebouwd. Ingevolge het bepaalde onder b zijn teeltondersteunende voorzieningen buiten het agrarische bouwvlak niet toegestaan. Ingevolge lid 5.3.3, kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5, lid 5.2.6, aanhef en onder b, en toestaan dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het agrarisch bouwvlak worden opgericht onder voorwaarden dat: a. de gronden niet mede bestemd zijn voor "openheid' zoals bedoeld in artikel 39, lid 5; b. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 m; c. in afwijking van het bepaalde onder artikel 5, lid 5.3.
- aanhef en onder b, mag de bouwhoogte van hagelnetten maximaal 4,5 m bedragen. 4.
- In de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant en de toelichting op de Verordening 2012 is opgenomen dat de effecten van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen op de omgeving minder zijn dan die van permanente teeltondersteunende voorzieningen, zodat tijdelijke voorzieningen buiten het bouwvlak kunnen worden opgericht. Voorts volgt uit de toelichting op de Verordening 2012 dat, afhankelijk van het gebied, een omgevingsvergunning is vereist, waarbij op gemeentelijk niveau een afweging dient plaats te vinden of de aanwezige waarden niet in het gedrang komen bij een tijdelijke teeltondersteunende voorziening. Gelet hierop is in de Verordening 2012 geen bepaling over tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen opgenomen. 4.
- Uit de plantoelichting volgt dat de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend aan gronden die in de Verordening 2012 als groenblauwe mantel of EHS zijn aangemerkt. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels kunnen binnen deze bestemming agrarische activiteiten worden uitgeoefend, waarbij de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden dienen te worden behouden en/of hersteld. In de plantoelichting is gelet hierop opgenomen dat bij gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" getoetst dient te worden of dit passend is binnen de aanwezige natuur-, landschaps- of cultuurhistorische waarden. 4.
- In artikel 5, lid 5.3.3, van de planregels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak. Dat in deze bepaling alleen naar artikel 5, lid 5.2.6, aanhef en onder b, van de planregels wordt verwezen en niet naar het bepaalde onder a acht de Afdeling een kennelijke verschrijving, die niet afdoet aan de opgenomen afwijkingsbevoegdheid. De Afdeling stelt vast dat de aanduiding "openheid" aan minder dan de helft van de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend. Voor de gronden waaraan deze aanduiding niet is toegekend, is een maximaal toegestane hoogte voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de planregels opgenomen, maar de omvang hiervan is niet beperkt. Gelet daarop is niet uitgesloten dat over een groot gebied aaneengesloten tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen kunnen worden gerealiseerd. De Afdeling overweegt dat het standpunt van de raad dat het niet noodzakelijk is om in artikel 5, lid 5.3.3, een maximale omvang per perceel op te nemen niet in overeenstemming is met de toegekende bestemming. Nu voorts, behoudens wat betreft de waarde "openheid", in afwijking van de plantoelichting in de afwijkingsbevoegdheid geen voorwaarden zijn opgenomen op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden bij de belangenafweging dient te betrekken, heeft de raad onvoldoende onderbouwd dat de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voldoende zijn beschermd en is deze bevoegdheid voorts onvoldoende objectief begrensd. Wat betreft het betoog dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte acht maanden per jaar zijn toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de duur van het teeltseizoen kunnen teeltondersteunende voorzieningen die zijn toegestaan zolang de teelt het vereist, met een maximum van acht maanden, niet als tijdelijk worden aangemerkt. Voor dit oordeel vindt de Afdeling steun in de toelichting op de Verordening 2012, waarin is opgenomen dat onder tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen wordt verstaan een teeltondersteunende voorziening die op dezelfde locatie wordt gebruikt zolang de teelt dat vereist, met een maximum van ongeveer zes maanden. Gelet hierop moeten teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak voor een periode van maximaal acht maanden vanwege de effecten op de omgeving onaanvaardbaar worden geacht. Het betoog slaagt. Lichtmasten 4.
- BMF betoogt dat in de planregels ten onrechte mogelijk is gemaakt om lichtmasten voor paardenbakken op te richten, zonder dat is onderzocht of dit significant negatieve effecten voor de omliggende Natura 2000-gebieden kan hebben of de waarden van de gronden in de EHS zal aantasten. Hierbij wijst zij op het door het onderzoeksbureau Alterra opgestelde rapport "Wegverlichting en natuur IV, Effecten van verlichting op het ruimtelijke gedrag van zoogdieren" van februari 2013, waaruit volgt dat licht een negatief effect op een aantal soorten kan hebben en vanwege cumulatie ook negatieve effecten binnen 100 m van natuurgebieden zijn waar te nemen. Voorts is het ter plaatse van de intensieve veehouderij aan de Maastrichterweg 144 mogelijk om binnen 100 m vanaf gronden met een natuurbestemming lichtmasten op te richten. 4.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheden voor lichtmasten vergaand zijn beperkt ten opzichte van het voorheen geldende plan. Volgens de raad zal bij het maximaal aantal toegestane lichtmasten, de maximaal toegestane hoogte en een afstand van 100 m tot de bestemming "Natuur" geen significant negatieve effecten voor de omliggende Natura 2000-gebieden optreden en zal de EHS niet worden aangetast. Daarbij komt dat de lichtmasten hoogstens een aantal uur per week in gebruik zullen zijn. In het rapport van Alterra is volgens de raad niets over cumulatie opgenomen en voorts is niet aangetoond dat de conclusies uit dit onderzoek ook van toepassing zijn op het voorliggende plan. 4.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.4.2, van de planregels gelden voor paardenbakken op gronden met de bestemming "Agrarisch" de volgende regels: a. paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; (…); e. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 6 m; f. maximaal 4 lichtmasten zijn toegestaan; g. lichtmasten binnen een afstand van 100 m tot gronden met de bestemming "Natuur" zijn niet toegestaan, dit met uitzondering van erfverlichting. In artikel 4, lid 4.3.2, artikel 5, lid 5.4.2 en artikel 6, lid 6.3.2, van de planregels is een vergelijkbare regeling voor de bestemmingen "Agrarisch - paardenhouderij", "Agrarisch met waarden" en "Agrarisch met waarden - paardenhouderij" opgenomen, met de uitzondering dat op de gronden met de bestemmingen "Agrarisch - paardenhouderij" en "Agrarisch met waarden - paardenhouderij" per paardenbak maximaal 6 lichtmasten zijn toegestaan. 4.
- De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 5, lid 5.4.2, aanhef en onder g, van de planregels lichtmasten binnen een afstand van 100 m tot gronden met de bestemming "Natuur" niet zijn toegestaan en voorts dat het bouwvlak op het perceel Maastrichterweg 144 op een afstand van ongeveer 165 m tot gronden met de bestemming "Natuur" ligt, zodat het betoog over het perceel Maastrichterweg 144 feitelijke grondslag mist. In het rapport van Alterra is de hinder van wegverlichting voor zoogdieren onderzocht. Hierin komt onder meer naar voren dat bij een aantal soorten een significante toename van aantrekking nabij de verlichting zal plaatsvinden. Voor de soorten waarop verlichting een negatief effect kan hebben, is vastgesteld dat de effectafstand verder reikt dan 100 m. Dit betreft onder meer de bunzing, de hermelijn, de vos en de muskusrat. Uit de passende beoordeling en het plan-MER volgt dat is ingegaan op de vraag of licht tot een aantasting van de omliggende Natura 2000-gebieden kan leiden en is tot de conclusie gekomen dat effecten op deze gebieden zijn uitgesloten. Voorts is door de raad in een nader verweerschrift uitgebreid ingegaan op de effecten van licht op de omliggende EHS en is hij tot de conclusie gekomen dat de waarden van de gronden in de EHS niet zullen worden aangetast. BMF heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusies onjuist zijn. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet is gebleken dat voormelde diersoorten de soorten betreffen waarvoor de bedoelde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Voorts heeft de raad gesteld dat de gebieden voornamelijk als EHS zijn aangewezen vanwege de aanwezige landschappelijke en hydrologische waarden, hetgeen door BMF niet is bestreden, en dat niet is gebleken dat voormelde diersoorten daar voorkomen. Het betoog faalt. Waterberging 4.
- BMF betoogt dat de raad ten onrechte bij amendement het plan gewijzigd heeft vastgesteld, voor zover het betreft het vervallen van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" voor het perceel kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie D, nr. 647, en delen van de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie H, nrs. 58, 59 en
- Zij voert aan dat dit in strijd is met artikel 5.2 van de Verordening 2012, nu de raad gehouden is het regionale waterbergingsgebied op een juiste wijze te vertalen in het bestemmingsplan. Ook in het Waterplan 2010-2015 is dit gebied als regionaal waterbergingsgebied aangewezen. Door de gronden niet voor waterberging aan te wijzen, kan deze functie niet worden vervuld. 4.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het laten vervallen van de dubbelbestemming voor deze percelen een gevolg is van een belangenafweging op perceelniveau en dat de raad een groter belang heeft toegekend aan de belangen van de betrokken ondernemers dan aan het belang van de realisering van de waterberging ter plaatse. Daarbij is van belang geacht dat op gronden met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" alleen kan worden gebouwd ten dienste van die bestemming en derhalve niet ten behoeve van de primaire bestemming kan worden gebouwd, terwijl de waterberging ook met extra maatregelen of elders kan worden gerealiseerd. Voor zover de Verordening 2012 aan de handelwijze van de raad in de weg zou staan dient het bestreden besluit te worden beschouwd als een verzoek als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, van de Verordening
- 4.
- Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, van het Bro wordt een plan elektronisch vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt. Ingevolge het tweede lid is, indien de inhoud van een elektronisch document als bedoeld in het eerste lid tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie, het eerstgenoemde document doorslaggevend. 4.
- Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, stelt de Afdeling vast dat op de analoge papieren versie van de verbeelding van het vastgestelde plan de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aan het perceel kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie D, nr. 647, is toegekend. Op de doorslaggevende elektronisch vastgestelde verbeelding is deze dubbelbestemming echter niet aan het perceel toegekend, terwijl blijkens het vaststellingsbesluit en het daarbij behorende amendement het wel de bedoeling van de raad was om deze dubbelbestemming aan dit perceel toe te kennen. Gelet hierop zijn het plan en de verbeelding in onderlinge samenhang in zoverre in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid vastgesteld. Het betoog slaagt. 4.
- De voormelde gronden zijn in de Verordening 2012 aangewezen als een regionaal waterbergingsgebied. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening 2012 zijn als regionaal waterbergingsgebied aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 25 meter zijn vastgelegd. Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een regionaal waterbergingsgebied mede tot het behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. Ingevolge artikel 5.13, eerste lid, kan het college van burgemeester en wethouders het college van gedeputeerde staten verzoeken om de begrenzing van de in de artikelen 5.1 aangewezen gebieden te wijzigen onder voorwaarde dat de waterbeheerder hiermee instemt. Ingevolge het zesde lid wordt een bestemmingsplan ten behoeve waarvan de gemeente een verzoek om wijziging van de begrenzing heeft gedaan, vastgesteld nadat het college van gedeputeerde staten heeft besloten tot wijziging van de bestemming. 4.
- In het gewijzigd vastgestelde plan hebben de delen van de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie H, nrs. 58, 59 en 138, de bestemming "Agrarisch met waarden" gekregen en, anders dan in het ontwerpplan, niet de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied". Ingevolge artikel 35, lid 35.1, van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van het waterbergend vermogen. 4.
- Ten tijde van het bestreden besluit gold de Verordening
- Deze bevat algemene regels die de raad, gelet op artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wro, bij de vaststelling van het plan in acht moet nemen. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 10 juli 2013, in zaak nr. 201110578/1/R3, waar vergelijkbare algemene regels uit de Verordening 2011 aan de orde waren, is de Afdeling van oordeel dat er voor de raad dan ook geen mogelijkheid bestond om voor deze gronden geen regeling in het plan op te nemen die ter plaatse waterberging mogelijk maakt. De door de raad vastgestelde afwijking van de Verordening 2012 betreft immers meer dan de in artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening 2012 bedoelde marge van 25 m. Voorts is niet gebleken van een aan de vaststelling van het plan voorafgaand verzoek als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, van de Verordening 2012, waarmee de waterbeheerder heeft ingestemd en dat het college heeft ingewilligd. Slechts indien voor de vaststelling van het plan een dergelijk verzoek zou zijn ingewilligd en de begrenzing van de gebieden in de Verordening 2012 zou zijn aangepast was er voor de raad, na afweging van de betrokken belangen, ruimte geweest om niet te voorzien in een regeling voor waterberging ter plaatse. Gelet op het voorgaande bestond er voor de raad in dit geval in zoverre geen vrijheid om voor deze gronden te besluiten om ter plaatse geen regionale waterberging mogelijk te maken. Het betoog slaagt. Bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" 4.
- BMF betoogt dat op gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ten onrechte, in tegenstelling tot het ontwerpplan, geen bouwvlakken zijn opgenomen, maar het bestemmingsvlak als bouwvlak geldt. Bebouwing dient volgens de Verordening 2012 binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Voorts kan dit leiden tot aantasting van de EHS, die op grond van artikel 4.2, vierde lid, van de Verordening 2012 moet worden gecompenseerd, en tot significante negatieve effecten voor de omliggende Natura 2000-gebieden. 4.
- De raad stelt zich op het standpunt dat is aangesloten bij de planregeling van het voorheen geldende bestemmingsplan. Volgens de raad volgt uit de Verordening 2012 niet dat bebouwing voor niet-agrarische ontwikkelingen in een bouwvlak gerealiseerd dient te worden. Voorts leidt deze planregeling niet tot aantasting van de EHS of tot significante negatieve effecten voor de omliggende Natura 2000-gebieden. 4.
- Ingevolge artikel 1.80 van de Verordening 2012 wordt onder VAB-vestiging verstaan: vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² toestaat. Ingevolge artikel 4.2, vierde lid, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de EHS en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS, ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd waarbij wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden is voldaan. 4.
- Voor gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" heeft de raad als uitgangspunt genomen dat een bestemmingsvlak in dit plan tevens als bouwvlak heeft te gelden. De reden hiervoor is dat de raad aan recreatiebedrijven vrijheid heeft willen bieden. De locatie van bedrijfsbebouwing binnen een bestemmingsvlak is daarom niet nader begrensd. In artikel 17, lid 17.2.1, van de planregels is wel een maximale oppervlakte voor bebouwing binnen de bestemmingsvlakken opgenomen. Deze planregeling is niet in strijd met de Verordening
- Uit de Verordening 2012 volgt niet dat bebouwing voor niet-agrarische ontwikkelingen per definitie in een bouwvlak dient te worden gebouwd, nu voor de vestiging van dergelijke ontwikkelingen ingevolge artikel 11.6, eerste lid, in samenhang met artikel 1.80 van de Verordening 2012 gebruik dient te worden gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwvlak waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² toestaat. Bovendien geldt deze voorwaarde niet bij uitbreiding van niet-agrarische ontwikkelingen, hetgeen in dit plan het geval is. In het plan-MER is opgenomen dat vanwege de in het plan mogelijk gemaakte verblijfs- en dagrecreatie de gebiedsemissie van agrarische bedrijvigheid op deze gronden zal afnemen. Dat betekent dat de toename ten gevolge van recreatie, gezien in cumulatie met de afname vanuit de agrarische sector, een afname van de gebiedsemissie tot gevolg heeft. BMF heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de effecten van het plan voor de EHS en de Natura 2000-gebieden en zich gelet op het voorgaande niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de recreatieve mogelijkheden in het plan niet tot aantasting van de ecologische waarden of kenmerken van de EHS of tot significant negatieve effecten voor de omliggende Natura 2000-gebieden zal leiden. Het betoog faalt. Conclusie met betrekking tot het beroep van BMF 4.
- In hetgeen BMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft: a. artikel 3, lid 3.1.1, onder a, en artikel 5, lid 5.1.1, onder c, van de planregels, voor zover omschakeling van een grondgebonden akkerbouwbedrijf naar een grondgebonden veehouderij niet is uitgesloten, artikel 3, lid 3.6.1, en artikel 5, lid 5.7.1, van de planregels is genomen in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998; b. artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels, voor zover daarin scheuren van grasland niet is opgenomen, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb; c. artikel 5, lid 5.6.2, aanhef en onder b, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb; d. artikel 34, lid 34.3.2, aanhef en onder b, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb; e. artikel 34, lid 34.3.3, van de planregels, voor zover niet is bepaald dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan het bestaande watersysteem, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 4.4, eerste lid, van de Verordening 2012; f. artikel 1.88 en artikel 5, lid 5.3.3, van de planregels zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb; g. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor het perceel kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie D, nr. 647, voor zover niet is voorzien in de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied", is genomen in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid, zoals reeds in 2.8 is overwogen; h. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor delen van de percelen kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie H, nrs. 58, 59 en 138, voor zover niet is voorzien in de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied", is genomen in strijd met artikel 5.2, eerste lid, van de Verordening 2012, zoals reeds in 2.8 is overwogen. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende dat tot aan de inwerkingtreding van voormeld nieuw plan: a. de ten tijde van het bestreden besluit bestaande grondgebonden akkerbouwbedrijven niet mogen omschakelen naar een grondgebonden veehouderij; b. voor het scheuren van grasland op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" een omgevingsvergunning verplicht is als bedoeld in artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels; c. de in artikel 34, lid 34.3.1, van de planregels vermelde omgevingsvergunning slechts mag worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bestaande watersysteem. De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] Ontvankelijkheid
- De raad stelt dat de beroepen, voor zover gericht tegen artikel 40, lid 40.1, aanhef en onder a, van de planregels en voor zover wordt betoogd dat in strijd met artikel 9.2 van de Verordening 2012 niet is bepaald dat binnen gebouwen van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, niet op zienswijzen steunen en gelet daarop in zoverre niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. 5.
- Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. De Afdeling stelt vast dat de zienswijzen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] onder meer waren gericht tegen de mogelijkheden om de bebouwing en het gebruik van het perceel aan de Zeelberg 47 te Valkenswaard voor een intensieve veehouderij uit te breiden. Zij hebben in hun beroepschriften nadere argumenten aangevoerd ter onderbouwing van hun beroepsgrond dat het plan ten onrechte in uitbreidingsmogelijkheden voorziet voor de intensieve veehouderij. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de beroepen in zoverre niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Inhoudelijk 5.
- De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak" aan de Zeelberg
- Hiertoe voeren zij aan dat, nu de bestaande intensieve veehouderij onder het overgangsrecht valt, alleen de omvang van de bestaande bebouwing van de intensieve veehouderij als zodanig dient te worden bestemd. Ten onrechte is met de aanduiding "intensieve veehouderij" in strijd met artikel 9.2 van de Verordening 2012 evenwel ook een uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk gemaakt. In dat kader wijzen zij er op dat artikel 40, lid 40.1, aanhef en onder a, en artikel 42, lid 42.1, aanhef onder b, van de planregels mogelijk maken dat de bebouwing voor de intensieve veehouderij met 10% kan worden vergroot. Voorts is ten onrechte in strijd met artikel 9.2 van de Verordening 2012 niet bepaald dat binnen gebouwen van een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, terwijl het plan ter plaatse een bouwhoogte voor bedrijfsbebouwing van 13 m toestaat. Voorts betogen zij dat het bouwvlak naar het noorden is uitgebreid ten opzichte van het bouwvlak in het voorheen geldende bestemmingsplan. Deze vergroting is niet onderbouwd, tast hun woon- en leefklimaat aan omdat de afstand tot hun woningen afneemt en heeft een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide en Plateaux" tot gevolg. [appellant sub 6] en [appellant sub 7] voeren verder aan dat de definitie van grondgebonden veehouderij in artikel 1.44 van de planregels onvoldoende duidelijk is, te ruim is en niet in overeenstemming is met de Verordening
- In de definitie is ten onrechte niet opgenomen dat een grondgebonden veehouderij afhankelijk moet zijn van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Voorts betogen zij dat het plan ten onrechte kuilvoerplaten mogelijk maakt buiten het bouwvlak, nu geen regeling is opgenomen voor kuilvoerplaten en artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels verhardingen buiten het bouwvlak mogelijk maakt. Daarbij betogen zij dat niet duidelijk is of een kuilvoerplaat als een bouwwerk of een verharding moet worden aangemerkt. Het oprichten van kuilvoerplaten buiten een bouwvlak leidt tot een aantasting van de landschappelijke waarden en tot geur- en geluidhinder. Tot slot betoogt [appellant sub 6] dat de waarde van haar woning zal dalen. 5.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de intensieve veehouderij per abuis door het ontbreken van de aanduiding voor intensieve veehouderij niet als zodanig was bestemd en daardoor onder het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan "2e partiële herziening, Buitengebied 1998" is komen te vallen en gelet daarop in dit plan alsnog als zodanig is bestemd. In artikel 5, lid 5.2.2, aanhef en onder c, van de planregels is verzekerd dat de bebouwing van de intensieve veehouderij niet kan worden uitgebreid. Voorts is in artikel 40, lid 40.1, aanhef en onder a, van de planregels een algemene afwijkingsbevoegdheid voor geringe vergrotingen opgenomen en is artikel 42, lid 42.a, aanhef en onder b, van de planregels niet van toepassing. Verder stelt de raad dat in paragraaf 7.3.4 van de plantoelichting is opgenomen dat dubbele bouwlagen niet zijn toegestaan, zodat geen strijd bestaat met de Verordening
- Volgens de raad is het bouwvlak identiek aan het bouwvlak dat in het voorheen geldende plan was opgenomen. Daarbij stelt de raad dat, mocht al sprake zijn van een uitbreiding van het bouwvlak naar het noorden, in artikel 5, lid 5.2.1, onder c, sub 1, van de planregels is opgenomen dat de afstand van gebouwen tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 18 m, zodat het gelet daarop niet mogelijk is om bebouwing ter plaatse van de gestelde vergroting te bouwen. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de definitie in artikel 1.44 van de planregels in overeenstemming is met de definitie in de Verordening
- Dit artikel betreft slechts een aanvulling op artikel 1.43 van de planregels, zodat duidelijk is wat onder een grondgebonden veehouderij dient te worden verstaan. Nu een grondgebonden veehouderij een grondgebonden agrarisch bedrijf is, geldt hiervoor ook de definitiebepaling in artikel 1.43 van de planregels. Tot slot stelt de raad dat kuilvoerplaten als bouwwerken dienen te worden aangemerkt en deze dienen binnen een bouwvlak te worden opgericht. Kuilvoerplaten buiten het bouwvlak zijn niet toegestaan, aldus de raad. 5.
- Het perceel is in de Verordening 2012 aangemerkt als extensiveringsgebied. Ingevolge artikel 1.2, vierde lid, van de Verordening 2012 wordt, waar in deze verordening gesproken wordt over een uitbreiding van een agrarisch bedrijf, daaronder verstaan een vergroting van het bouwblok ten behoeve van dat agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat: a. nieuwvestiging en hervestiging van intensieve veehouderij, omschakeling naar intensieve veehouderij alsmede uitbreiding van bestaande intensieve veehouderij niet zijn toegestaan. b. binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden; c. de bebouwing voor intensieve veehouderij ten hoogste een zodanige omvang heeft dat deze overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke op 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór 1 oktober 2010 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan per 1 oktober
- Ingevolge het derde lid geldt de regel dat tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het eerste lid, aanhef en onder b, in werking is getreden, binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden. Ingevolge het vierde lid geldt de regel dat tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het eerste lid, aanhef en onder c, in werking is getreden, vergroting van de bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij welke vóór 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór 1 oktober 2010 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het per 1 oktober 2010 geldend bestemmingsplan, niet is toegestaan. 5.
- Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden" met de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak" toegekend. Ingevolge artikel 1, onder 1.15, onder a, van de planregels wordt onder bestaand bouwwerk verstaan: een bouwwerk, dat:
- ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaat of in uitvoering is;
- na het in lid 1 genoemde tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend. Ingevolge artikel 1, onder 1.27, wordt onder bouwwerk verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Ingevolge artikel 1, onder 1.43, is een grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: grondgebonden veehouderij, akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Ingevolge artikel 1, onder 1.44, is een grondgebonden veehouderij, een agrarisch bedrijf dat uitsluitend of in overwegende mate is gericht op het houden van vee, waarbij het gebruik van agrarische grond noodzakelijk is voor het functioneren ervan. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder c, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens intensieve veehouderijen zijn toegestaan. Ingevolge lid 5.2.1, onder b, zijn bouwwerken uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan tenzij anders is bepaald. Ingevolge het bepaalde onder c mag het bouwvlak volledig worden bebouwd, met dien verstande dat:
- de afstand van gebouwen tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 18 m; (…). Ingevolge lid 5.2.2, aanhef en onder c, gelden voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de bedrijfsvoering dat ter plaatse van gronden met de aanduiding "intensieve veehouderij" het maximale oppervlak aan gebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij niet meer mag bedragen dan de bestaande bebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij. Ingevolge lid 5.6.1 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden buiten het bouwvlak uit te voeren: a. aanleggen en/of verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; (…). Ingevolge artikel 40, lid 40.1, aanhef en onder a, kan het bevoegd gezag in afwijking van de desbetreffende bepalingen van het plan omgevingsvergunning verlenen voor geringe afwijkingen van de in het plan voorgeschreven maten ten aanzien van afstand tussen woningen, van afstand tot zijdelingse perceelsgrenzen, van bebouwde oppervlakten, alsmede van de goot- en bouwhoogte van gebouwen met ten hoogste 10%. Ingevolge artikel 42, lid 42.1, onder a, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. (…). 5.
- Over de uitbreidingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 42, lid 42.1, van de planregels ziet op bouwwerken die onder het bouwovergangsrecht vallen. Voor dergelijke bouwwerken is in artikel 42, lid 42.1, onder b, een mogelijkheid opgenomen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%. Nu de bebouwing op het perceel als zodanig is bestemd, valt deze bebouwing niet onder het bouwovergangsrecht en is dit artikel in dit geval niet van toepassing. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 1, onder 1.15, onder a, van de planregels betreft de maximaal toegestane bebouwing voor intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied de bebouwing die aanwezig was op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, ofwel de bebouwing die op die datum mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 40, lid 40.1, aanhef en onder a, van de planregels kan evenwel een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte met maximaal 10% worden toegestaan, zodat het plan in zoverre niet in overeenstemming is met artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening
- Over het toegestane aantal bouwlagen dat voor dieren mag worden gebruikt stelt de Afdeling vast dat een planregel die vastlegt dat binnen gebouwen van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren ontbreekt in het plan, zodat dit in zoverre in strijd is met artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening
- Dat in paragraaf 7.3.
- van de plantoelichting is vermeld dat meer dan één bouwlaag niet is toegestaan, maakt dat niet anders, omdat genoemde bepaling uit de Verordening 2012 ertoe strekt dat de betreffende rechtsregel wordt opgenomen in de planregels. Anders dan de raad stelt, betekent het feit dat op grond van artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2012 en het thans geldende artikel 34, vierde lid, van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant de rechtstreeks werkende regel geldt dat binnen gebouwen van intensieve veehouderijen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren voorts niet dat de raad het plan in strijd met algemene regels die van toepassing waren ten tijde van de vaststelling van het plan mocht vaststellen. Het betoog slaagt. 5.
- Wat betreft de door [appellant sub 6] en [appellant sub 7] gestelde vergroting van het bouwvlak, overweegt de Afdeling als volgt. In het voorliggende plan is het bouwvlak aan de oostzijde ongeveer 122 m lang en aan de westzijde ongeveer 100 m. In het voorheen geldende plan "2e partiële herziening, Buitengebied 1998" was het bouwvlak aan de oostzijde ongeveer 110 m lang en aan de westzijde 90 m. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat het bouwvlak aan beide zijden is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende plan. De Afdeling stelt voorts vast dat deze uitbreiding aan de noordzijde van het bouwvlak heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft de raad gesteld dat beoogd was in het plan eenzelfde bouwvlak op te nemen als in het voorheen geldende plan was opgenomen. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Over de stelling van de raad dat evenwel vanwege artikel 5, lid 5.2.1, onder c, sub 1, van de planregels is uitgesloten dat bebouwing in het uitgebreide deel van het bouwvlak kan worden opgericht, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 5, lid 5.2.1, onder c, sub 1, van de planregels is opgenomen dat de afstand van gebouwen tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 18 m. De Afdeling overweegt dat dit artikel geen beperking stelt aan het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in het bouwvlak en dat in artikel 5 van de planregels onder meer een planregeling is opgenomen voor het bouwen van silo's en teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak. Niet is gebleken dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het oprichten van deze bouwwerken in het uitgebreide deel van het bouwvlak is onderzocht, zodat deze stelling van de raad niet tot een ander oordeel leidt. Het betoog slaagt. 5.
- Wat betreft de definitie van grondgebonden veehouderijen in artikel 1, onder 1.44, van de planregels, overweegt de Afdeling dat uit de toelichting van de raad volgt dat is beoogd dat de voorwaarde dat de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf ook geldt voor grondgebonden veehouderijen. De Afdeling is van oordeel dat uit de formulering van de definities in artikel 1, onder 1.43, en artikel 1, onder 1.44, van de planregels evenwel onvoldoende naar voren komt of deze voorwaarde al dan niet is losgelaten voor grondgebonden veehouderijen. Daarbij wijst de Afdeling er op dat een agrarisch bedrijf dat uitsluitend of in overwegende mate is gericht op het houden van vee ingevolge artikel 1, onder 1.44, reeds als een grondgebonden veehouderij kan worden aangemerkt als het gebruik van agrarische grond noodzakelijk is voor het functioneren ervan en uit artikel 1, onder 1.43, volgt dat een grondgebonden veehouderij in ieder geval een grondgebonden agrarisch bedrijf is, zodat hieruit niet volgt dat ook aan de opgenomen voorwaarde in artikel 1, onder 1.43, hoeft te zijn voldaan. Dat, zoals de raad stelt, een grondgebonden veehouderij tevens een grondgebonden agrarisch bedrijf is en daarom de definities in artikel 1, onder 1.43 en 1.44, van de planregels beide van toepassing zijn op een grondgebonden veehouderij, volgt derhalve onvoldoende duidelijk uit de formulering van de definitiebepalingen. Gelet hierop is het plan in zoverre niet in overeenstemming met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt. 5.
- Over kuilvoerplaten buiten het bouwvlak overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 5, lid 5.2.1, onder b, van de planregels is bepaald dat bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan binnen een bouwvlak. Naar het oordeel van de Afdeling staat niet vast dat een kuilvoerplaat in alle gevallen dient te worden aangemerkt als bouwwerk, nu niet is uitgesloten dat een oppervlakteverharding als opslag voor kuilvoer in gebruik kan worden genomen. Een dergelijke kuilvoerplaat kan niet als een constructie en derhalve niet als een bouwwerk in de zin van artikel 1, lid 1.27, van de planregels worden aangemerkt, zodat niet is uitgesloten dat met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 5, lid 5.6.1, aanhef en onder a, een kuilvoerplaat buiten het bouwvlak kan worden opgericht. Nu de raad heeft beoogd kuilvoerplaten alleen binnen een bouwvlak toe te staan, is het plan in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt. 5.
- Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 6] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt. 5.
- In hetgeen [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft: a. artikel 40, lid 40.1, onder a, van de planregels, voor zover uitbreiding van bebouwing van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied niet is uitgesloten, is genomen in strijd met 9.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2012; b. artikel 5 van de planregels, voor zover niet is bepaald dat binnen gebouwen van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, is genomen in strijd met artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2012; c. het agrarisch bouwvlak op het perceel aan de Zeelberg 47, voor zover dit is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende plan "2e partiële herziening, Buitengebied 1998", is genomen in strijd met 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 1.2, vierde lid, van de Verordening 2012 en artikel 3:2 van de Awb; d. artikel 1, lid 1.44, van de planregels is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel; e. artikel 5, lid 5.6.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover niet is bepaald dat voor kuilvoerplaten geen gebruik mag worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende dat tot aan de inwerkingtreding van voormeld nieuw plan: a. voor intensieve veehouderijen geen gebruik mag worden gemaakt van de in artikel 40, lid 40.1, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om een omgevingsvergunning te verlenen voor geringe afwijkingen van de in het plan voorgeschreven maten ten aanzien van bebouwde oppervlakten met ten hoogste 10%; b. geen gebruik mag worden gemaakt van de in artikel 5, lid 5.6.1, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een kuilvoerplaat buiten het bouwvlak. Het beroep van [appellant sub 8] en anderen Ontvankelijkheid
- [appellant sub 8] en anderen wonen aan de [locatie 1] in de kern Dommelen en hebben een agrarisch bedrijf. Deze locatie ligt op een afstand van vele honderden meters dan wel kilometers van het perceel met de bestemming "Natuur" aan de Hoppenbrouwers, het perceel met de bestemming "Wonen" aan de Venbergseweg 20, de percelen met de bestemming "Wonen" aan de Luikerweg (N69) en de plangrens ter hoogte van het Eurocircuit en het Dommelkwartier. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op de door [appellant sub 8] en anderen bestreden planonderdelen mogelijk worden gemaakt zijn deze afstanden naar het oordeel van de Afdeling te groot om in zoverre een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door deze planonderdelen zou worden geraakt. De conclusie is dat [appellant sub 8] en anderen in zoverre geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. Inhoudelijk 6.
- [appellant sub 8] en anderen voeren onder meer een aantal procedurele bezwaren aan, waaronder dat ten onrechte de Wro is toegepast in plaats van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voorts betogen zij dat de raad ten onrechte niet het in het reconstructieplan "Boven Dommel" genoemde waterbeleid heeft opgenomen in het plan. Daartoe voeren zij aan dat hun perceel aan de Keersop nabij hun woning ten onrechte voor waterberging is aangewezen, terwijl voor andere percelen, waarvan één ten zuidwesten van Valkenswaard tussen de Venbergsemolen en de Luikerweg en een ander in het zuiden van het plangebied, het waterbeleid ten onrechte juist niet is geborgd. Verder betogen [appellant sub 8] en anderen dat de naast hun woning gelegen Dommelsch bierbrouwerij niet landschappelijk is ingepast overeenkomstig het bestemmingsplan "Dommelen 1986", nu de strook met de bestemming "Groen" die aan het perceel van de Dommelsch bierbrouwerij grenst, te kort is. 6.
- De raad stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van de door [appellant sub 8] en anderen bestreden plandelen de Verordening 2012 in acht is genomen, waarin onder meer is aangesloten bij het regionale waterbergingsbeleid zoals dat was opgenomen in het reconstructieplan. Ten tijde van de vaststelling van het plan was het door [appellant sub 8] en anderen bedoelde reconstructieplan reeds ingetrokken en was het beleid neergelegd in algemene regels in de Verordening
- Wat betreft de groenstrook grenzend aan de Dommelsch bierbrouwerij stelt de raad dat deze ophoudt waar de bierbrouwerij ophoudt en woningen staan. 6.
- De Afdeling overweegt over de door [appellant sub 8] aangevoerde procedurele bezwaren dat zij hierin geen aanleiding ziet voor vernietiging van het bestreden besluit, nu op deze procedure de op 1 juli 2008 in werking getreden Wro van toepassing is en niet is gebleken dat de in de Wro voorgeschreven procedure op een onjuiste wijze is gevolgd. 6.
- Ingevolge artikel 34, lid 34.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Hydrologie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van bestaande watersystemen. Ingevolge artikel 35, lid 35.1, zijn de voor "Waterstaat - Waterbergingsgebied" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van het waterbergend vermogen 6.
- Uit de toelichting op hoofdstuk 5 (Water) van de Verordening 2012 volgt dat voor de regeling van de regionale waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging en de begrenzing van deze gebieden is aangesloten bij onder andere de reconstructieplannen en de correctieve herziening daarvan. De gebieden die in de reconstructieplannen en de correctieve herziening daarvan zijn aangeduid als "ruimte voor beek- en kreekherstel" zijn in de Verordening 2012 aangeduid als "zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen". De begrenzingen van voornoemde gebieden, zoals vastgelegd in de Verordening 2012, hebben [appellant sub 8] en anderen niet betwist. In de plantoelichting staat dat de gronden, die als regionaal waterbergingsgebied in de Verordening 2012 zijn aangeduid, de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" hebben gekregen. De gronden die in de Verordening 2012 zijn aangeduid als reserveringsgebied waterberging en zoekgebied behoud & herstel watersystemen hebben de dubbelbestemming "Waarde - Hydrologie" gekregen. Beide dubbelbestemmingen zien op de bescherming van de watersystemen en het waterbergend vermogen. 6.
- De Afdeling stelt vast dat de gronden van [appellant sub 8] en anderen nabij hun woning in de Verordening 2012 deels zijn aangeduid als regionaal waterbergingsgebied, reserveringsgebied waterberging en als zoekgebied voor behoud en herstel watersystemen. Gelet hierop heeft de raad terecht de betreffende gronden de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterbergingsgebied" en "Waarde -Hydrologie" toegekend. Wat betreft het perceel tussen de Venbergsemolen en de Luikerweg overweegt de Afdeling dat dit perceel in de Verordening 2012 is aangeduid als reserveringsgebied waterberging, zodat daaraan terecht de dubbelstemming "Waarde-Hydrologie" is toegekend. Het door [appellant sub 8] en anderen bedoelde perceel in het zuiden van het plangebied is in de Verordening 2012 deels aangeduid als zoekgebied voor behoud en herstel watersystemen. Dat met de bestemmingsregeling "Waarde - Hydrologie" de Verordening 2012 niet in acht is genomen hebben [appellant sub 8] en anderen niet nader onderbouwd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Verordening 2012 niet in acht is genomen. Het betoog faalt. 6.
- Verder stelt de Afdeling vast dat langs het perceel van de Dommelsch bierbrouwerij een strook met de bestemming "Groen - Landschapselement " is opgenomen, welke gronden onder andere zijn bestemd voor de instandhouding van ter plaatse voorkomende waardevolle beplanting, groenvoorzieningen en natuur- en landschapswaarden. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit plan voorziet in enige landschappelijk inpassing van de Dommelsch bierbrouwerij. Voor het als "Groen - Landschapselement" bestemmen van een langere strook grond heeft de raad redelijkerwijs geen aanleiding behoeven te zien, aangezien ter plaatse woningen staan die, anders dan de bierbrouwerij, geen landschappelijke inpassing behoeven. Het betoog faalt. 6.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Het beroep van [appellant sub 9]
- [appellant sub 9] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Groen - Landschapselement" en de aanduiding "hulpgebouw 98" aan de [locatie 2] te Valkenswaard heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat door de raad de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012, in zaak nr. 201005344/1/R3, ten onrechte niet in acht is genomen waardoor hij is benadeeld. Hij betoogt dat de bestemming "Agrarisch met waarden" had moeten worden toegekend en dat het landschapsontwikkelingsplan dat als basis heeft gediend voor de bestemming "Groen - Landschapselement" te laat is vastgesteld en niet voor inspraak vatbaar is geweest. Voorts betoogt hij dat de definitie van hulpgebouw in artikel 1, onder 1.51, van de planregels en de aanduiding "hulpgebouw 98" ten onrechte gewijzigd zijn vastgesteld, waardoor het huidige gebruik voor opslag is uitgesloten en deze gebouwen alleen nog maar kunnen worden gebruikt voor het schuilen van hobbydieren en mensen. In dit verband wijst hij erop dat in het ontwerpplan een ruimere definitie van "hulpgebouw" was opgenomen en dat hij hiervan bij het sluiten van de overeenkomst met de gemeente op 15 mei 2013 is uitgegaan. Verder is de aanduiding "hulpgebouw 98" onjuist, nu de bebouwing dateert van voor
- Hij wijst er voorts op dat op een naastgelegen perceel bebouwing van jongere datum wel de aanduiding "hulpgebouw 76" heeft gekregen. Verder betoogt [appellant sub 9] dat de raad ten onrechte
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.