201401886/1/A3. Datum uitspraak: 14 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Rotterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2014 in zaak nr. 12/4890 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Procesverloop Bij besluit van 18 april 2012 heeft het college aan [appellant] een boete opgelegd ter hoogte van € 4.000,00 wegens het in gebruik geven van een woning met een huurprijs onder de huurprijsgrens aan een huishouden dat niet over een huisvestingsvergunning beschikt. Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 oktober 2012 vernietigd, het besluit van 18 april 2012 herroepen, de boete op € 2.000,00 vastgesteld en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2012 waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, zijn verschenen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 5, eerste volzin, van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend. Ingevolge artikel 7, tweede lid, is het verboden een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning. Ingevolge artikel 85a, eerste lid, kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 7, tweede lid. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kan de bestuurlijke boete niet hoger zijn dan € 18.500,00 voor overtreding van artikel 7, tweede lid. Ingevolge het derde lid, stelt de gemeenteraad bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd. 1.1. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam (hierna: de huisvestingsverordening) is de huisvestingsverordening van toepassing in de gebieden die door de Minister krachtens artikel 5, eerste lid, van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek zijn aangewezen. Ingevolge het tweede lid is de wijk Hillesluis één van de in het vorige lid aangewezen gebieden. Ingevolge artikel 2.2, tweede lid, is het verboden een te huur aangeboden zelfstandige of onzelfstandige woonruimte met een huurprijs onder de huurprijsgrens, voor bewoning in gebruik te geven aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning voor deze woonruimte. Ingevolge artikel 4.8, eerste lid, kan het college een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van artikel 7 van de Huisvestingswet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met tabel 1 in bijlage 1 bij de Huisvestingsverordening bedraagt de in het eerste lid bedoelde boete voor een eerste overtreding van artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet € 2.000,00 voor het in gebruik geven van een woning zonder huisvestingsvergunning en € 4.000,00 voor het in gebruik geven van een woning zonder huisvestingsvergunning vanuit een bedrijfsmatige exploitatie. 2. In het besluit van 2 oktober 2012 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] de woning aan de [locatie], gelegen in de wijk Hillesluis, te Rotterdam (hierna: de woning) in strijd met het ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet, gelezen in samenhang met artikel 2.2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening, geldende verbod (hierna: het verbod) aan een huishouden in gebruik heeft gegeven. Daaraan heeft het college een op 18 januari 2012 op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de op deze datum in de woning aangetroffen huurder, [huurder A], (hierna: het proces-verbaal) ten grondslag gelegd. Voorts heeft het zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellant] de woning bedrijfsmatig exploiteert. 3. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] het verbod heeft overtreden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] de woning bedrijfsmatig exploiteert en heeft de boete tot € 2.000,00 gematigd. 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij als overtreder van het verbod kan worden aangemerkt. [appellant] voert daartoe aan dat hij als eigenaar van de woning geen bemoeienis heeft met de verhuur ervan, welke verhuur hij aan een broer van hem heeft overgelaten. 4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juli 2014 in zaak nr. 201309666/1/A3), is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijk voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. 4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] als eigenaar in beginsel verantwoordelijk is voor het rechtmatig gebruik van de woning, ook als hij het beheer daarvan uit handen geeft. Nu [appellant] geen omstandigheden aanvoert op grond waarvan hij niet voor het in gebruik geven van de woning verantwoordelijk kan worden gehouden, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de overtreding van het verbod aan [appellant] is toe te rekenen. Het betoog faalt. 5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van de in het proces-verbaal weergegeven verklaring van [huurder A] over de hoogte van de huur voor de woning. In de eerste plaats voert [appellant] daartoe aan dat de verbalisanten de in het proces-verbaal weergegeven verklaringen van [huurder A] op onrechtmatige wijze hebben verkregen, omdat nergens uit blijkt dat deze verbalisanten het doel van het huisbezoek aan [huurder A] hebben medegedeeld. In de tweede plaats voert hij aan dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de huur voor de woning hoger is dan in het proces-verbaal is vermeld en bovendien boven de huurprijsgrens ligt. Hierbij verwijst hij naar een door hem overgelegd huurcontract van 1 januari 2012, naar door de verhuurder opgestelde kwitanties van de huur en naar andere dan in het proces-verbaal weergegeven verklaringen van [huurder A]. In de derde plaats voert [appellant] aan dat de gemeente hem en zijn belangen wil beschadigen en dat het college aan een eerder aan hem opgelegde soortgelijke boete, gezien de uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2013 in zaak nr. 12/3023, een inhoudelijk onjuist proces-verbaal ten grondslag heeft gelegd. 5.1. Het proces-verbaal vermeldt dat de bewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.