201409659/1/A4. Datum uitspraak: 15 juli 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de gemeente Assen en het college van burgemeester en wethouders van Assen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 oktober 2014 in zaak nr. 13/781 in het geding tussen: de gemeente en het college, en het dagelijks bestuur van het waterschap Reest en Wieden. Procesverloop Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft het algemeen bestuur van het waterschap Reest en Wieden een gewijzigde legger vastgesteld. Bij uitspraak van 24 oktober 2014 heeft de rechtbank het door de gemeente en het college daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben de gemeente en het college hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. De gemeente en het college hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2015, waar de gemeente en het college, vertegenwoordigd door E. Lanooy, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door O.A.C. Hoes, werkzaam bij Nelen & Schuurmans, en mr. C.M.M. van Mil, advocaat te Enschede, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. N. de Lange-Liemburg en ing. G. Verstoep, beiden werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen. Overwegingen 1. Bij het besluit van 27 augustus 2013 is de legger van het waterschap Reest en Wieden gewijzigd vastgesteld. Hierbij is rekening gehouden met het nieuwe schouwbeleid van het waterschap, hetgeen ertoe heeft geleid dat in de wijk Kloosterveen te Assen één sloot als schouwsloot op de legger is geplaatst. Voor sloten die als schouwsloot op de legger zijn geplaatst, geldt op grond van de Keur van het waterschap een onderhoudsplicht voor de eigenaren van de aangrenzende percelen. Via de zogenoemde schouw wordt gecontroleerd of aan deze onderhoudsplicht wordt voldaan. Indien dit niet het geval is, kan het dagelijks bestuur daartegen handhavend optreden. 2. De gemeente en het college betogen dat de rechtbank hun beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Zij stellen zich op het standpunt dat de gemeente als eigenaar van een aantal sloten in Kloosterveen en het college vanwege zijn zorgplicht op grond van de Waterwet, erbij gebaat zijn dat de sloten in Kloosterveen als schouwsloot worden aangewezen, zodat het onderhoud is verzekerd via de Keur. 2.1. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat procesbelang ontbreekt. Bovendien kunnen de gemeente en het college niet worden aangemerkt als belanghebbenden bij het besluit van 27 augustus 2013, zodat het bij de rechtbank ingestelde beroep ook om die reden niet-ontvankelijk was, aldus het dagelijks bestuur. 2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het tweede lid worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. 2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 oktober 2009 in zaak nr. 200902638/1/H3), is de bestuursrechter alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen geroepen als dat van betekenis is voor het geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Daarbij geldt dat het doel dat appellant voor ogen staat, met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn. 2.4. Niet in geschil is dat de gemeente eigenaar is van een aantal sloten in Kloosterveen ten aanzien waarvan bij het besluit van 27 augustus 2013 is beslist over plaatsing op de legger al dan niet als schouwsloot. De gemeente heeft als eigenaar van deze sloten een belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken, zodat zij belanghebbende is. De gemeente beoogt met het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2013 te bereiken dat sloten in Kloosterveen alsnog als schouwsloot op de legger worden geplaatst. Dit doel kan met het ingestelde beroep worden bereikt en is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, feitelijk van betekenis voor de gemeente als eigenaar van een aantal sloten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de sloten van de gemeente voor de aan- en afvoer van water afhankelijk zijn van andere sloten in Kloosterveen. Indien de doorstroming in die sloten wordt belemmerd door nalatig onderhoud, kan dit gevolgen hebben voor de doorstroming in de sloten van de gemeente. De gemeente is er om die reden bij gebaat dat sloten in Kloosterveen als schouwsloot worden aangewezen, zodat een onderhoudsplicht op grond van de Keur geldt bij overtreding waarvan het dagelijks bestuur, al dan niet naar aanleiding van een verzoek daartoe van de gemeente, bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen kan treffen. 2.5. Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Waterwet dragen de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. 2.6. Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, gelezen in verbinding met het eerste lid en met artikel 8:1 van de Awb, kan een bestuursorgaan uitsluitend beroep instellen tegen een besluit, indien een aan hem toevertrouwd belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit van een ander bestuursorgaan. Een belang is aan een bestuursorgaan toevertrouwd als een wettelijk voorschrift aan dit bestuursorgaan een bevoegdheid tot behartiging van dit belang toekent. Dit laat onverlet dat uit een bijzondere wet kan voortvloeien dat een bestuursorgaan geen beroep kan instellen. Gelet op artikel 3.5, eerste lid, van de Waterwet is aan het college de zorg voor een goede opvang en afvoer van hemelwater toevertrouwd. Niet uitgesloten is dat de beslissing om sloten in Kloosterveen al dan niet als schouwsloot aan te wijzen - waardoor het onderhoudsregime van de Keur al dan niet van toepassing is - gevolgen kan hebben voor deze op het college rustende zorgplicht. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Er bestaat voorts, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat het college met het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2013 geen resultaat kan bereiken dat voor hem ook feitelijk van betekenis is. Niet uitgesloten is dat, zoals het college heeft gesteld, het alsnog onder het onderhoudsregime van de Keur brengen van sloten in Kloosterveen door plaatsing op de legger als schouwsloot, ertoe leidt dat de op grond van de Waterwet op hem rustende zorgplicht minder intensief aan de orde zal zijn. 2.7. Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank het beroep van de gemeente en het college tegen het besluit van 27 augustus 2013 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog slaagt. 3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen, zal de Afdeling alsnog de bij de rechtbank door de gemeente en het college aangevoerde beroepsgronden beoordelen. 4. De gemeente en het college betogen dat het algemeen bestuur het nieuwe schouwbeleid niet in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan het besluit van 27 augustus 2013. Zij betwisten het nut en de noodzaak van dit beleid. Verder voeren zij aan dat niet duidelijk is op welke manier wordt berekend of een sloot voldoet aan het op grond van het schouwbeleid gehanteerde aan- en afvoercriterium. Het hanteren van dat criterium kan er volgens hen bovendien toe leiden dat schouwsloten aansluiten op sloten die niet als zodanig zijn aangewezen, waardoor de waterdoorstroom in de schouwsloten onvoldoende is gewaarborgd. Dit is in strijd met de taak van het waterschap om het watersysteembelang te behartigen, aldus de gemeente en het college. Zij voeren ten slotte aan dat het schouwbeleid ten onrechte onderscheid maakt tussen sloten in landelijk en stedelijk gebied, nu alleen voor sloten in landelijk gebied geldt dat deze worden aangewezen als schouwsloot indien zij zorgen voor ont- en afwatering nabij bebouwing. 4.1. Op grond van het nieuwe schouwbeleid wordt een waterloop aangewezen als schouwsloot indien deze voldoet aan één van de volgende criteria: - meer dan 10 l/s afvoer of meer dan 3 l/s aanvoer (gedurende gemiddeld 1-2 dagen/jaar); of, - ont- en afwatering nabij bebouwing in het landelijk gebied (buiten de bebouwde kom); of, - specifieke watersysteemdoelen. Hieronder vallen sloten met een specifieke functie, gewenst grond- en oppervlaktewaterregime, waterkwaliteit, waterberging (NBW-opgave). 4.2. In bijlage 1 bij het ontwerpbesluit is vermeld dat met een GIS-analyse wordt berekend of wordt voldaan aan het aan- en afvoercriterium. De afvoerhoeveelheid (l/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.