← Nederland

ECLI:NL:RVS:2015:2416

201405528/1/R

  1. Datum uitspraak: 29 juli 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1], wonend te Callantsoog, gemeente Schagen,
  3. de stichting Stichting Landschap Noord-Holland, gevestigd te Heiloo,
  4. [appellant sub 3], wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,
  5. [appellant sub 4], wonend te Sint Maartensbrug, gemeente Schagen,
  6. [appellant sub 5], wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,
  7. [appellante sub 6], wonend te Sint Maartensbrug, gemeente Schagen,
  8. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],
  9. [appellant sub 8], wonend te ’t Zand( Nh), gemeente Schagen,
  10. [appellant sub 9], wonend te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen,
  11. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],
  12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V., gevestigd te Groningen,
  13. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],
  14. [appellante sub 13], gevestigd te Burgerbrug, gemeente Schagen,
  15. Staatsbosbeheer, gevestigd te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,
  16. [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 15]), beiden wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,
  17. [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], beiden wonend te Burgerbrug, gemeente Schagen,
  18. [appellante sub 17], wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,
  19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bolle "N" Oord B.V. (hierna: BolleNoord), gevestigd te 't Zand (Nh), gemeente Schagen,
  20. [appellante sub 19], gevestigd te Schagerbrug, gemeente Schagen, waarvan de vennoten zijn [vennoot] en anderen, en de raad van de gemeente Schagen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 22 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zijpe" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A], [belanghebbende B], [belanghebbende C] en [belanghebbende D] een nadere uiteenzetting gegeven. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 en 4 juni 2015, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden, waaronder het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, als partij gehoord. Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht. De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van de vereniging Het Zijper Landschap afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. c. Overwegingen Toetsingskader
  21. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het plan
  22. Het plan biedt een juridisch planologisch kader voor het buitengebied van de voormalige gemeente Zijpe. Het bestemmingsplan vervangt de beheersverordening "Buitengebied Zijpe" die is vastgesteld door de raad op 25 juni
  23. Daarvoor golden voor het plangebied diverse bestemmingsplannen, waaronder het bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening", vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Zijpe bij besluit van 25 maart
  24. Op grond van de beheersverordening behielden de daarvóór geldende bestemmingsplannen voor het plangebied materieel bezien hun werking, met uitzondering van de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheden, uitwerkingsregels en overgangsbepalingen. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7]
  25. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] zijn gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf" wat betreft het perceel kadastraal bekend voormalig gemeente Callantsoog, sectie B, nr. 1045 (hierna: het perceel [locatie 1]).
  26. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 7], omdat deze volgens de raad niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het door hem bestreden plandeel. 4.
  27. Het perceel van [appellant sub 7] ligt op een afstand van ongeveer 65 m van het door hem bestreden plandeel. Ter zitting heeft [appellant sub 7] toegelicht dat hij vanuit zijn woning zicht heeft op het bestreden plandeel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 7] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt, is naar het oordeel van de Afdeling op voorhand niet uitgesloten dat [appellant sub 7] gevolgen kan ondervinden vanwege de op het perceel [locatie 1] voorziene ontwikkeling. De conclusie is dat [appellant sub 7] belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, beroep kan instellen. Het verweer van de raad faalt.
  28. Op het perceel [locatie 1] wordt met de bestemming "Bedrijf" voorzien in de uitbreiding van een bestaand autobedrijf op het perceel [locatie 2]. [appellant sub 1] en [appellant sub 7] vrezen hierdoor een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat op de percelen onderscheidenlijk [locatie 3] en [locatie 4]. Hiertoe voeren zij aan dat milieutechnische aspecten, zoals onder meer verkeer, water, bodem, geluid en licht niet dan wel onvoldoende zijn onderzocht. Weliswaar heeft [belanghebbende A] toegezegd het perceel zodanig in te richten dat de overlast voor omwonenden beperkt blijft, maar deze toezeggingen zijn volgens [appellant sub 1] niet in het bestemmingsplan gewaarborgd. [appellant sub 7] betoogt voorts dat in strijd met de provinciale verordening ter plaatse wordt voorzien in de uitbreiding van een bedrijventerrein. 5.
  29. De raad heeft het plan gewijzigd vastgesteld, met dien verstande dat aan het perceel [locatie 1] in plaats van een woonbestemming een bedrijfsbestemming is toegekend. De voorziene bedrijfsbestemming op het perceel [locatie 1] zal volgens de raad niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 3]. 5.
  30. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor de maximale geluidsniveaus op de gevels van woningen geldt dat deze niet meer mogen bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. 5.
  31. Ingevolge artikel 2, onder h, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening van Noord-Holland, vastgesteld door provinciale staten bij besluit van 3 februari 2014 (hierna: PRV) wordt onder een bedrijventerrein verstaan een binnen de provincie Noord-Holland gelegen terrein van minimaal 1 ha bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. Onder de beschrijving vallen daarmee ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk, maar niet overwegend, bestemd en geschikt zijn voor kantoorgebouwen. Ingevolge artikel 12, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in een nieuw bedrijventerrein en kantoorlocatie of een uitbreiding van een bestaand terrein in het landelijk gebied. 5.
  32. Aan het perceel [locatie 2] en het naastgelegen perceel [locatie 1] zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf", "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg" en "maximum bebouwingspercentage 70%" toegekend. Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Wonen" toegekend. Het perceel [locatie 4] ligt buiten het plangebied op een afstand van ongeveer 65 m van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" op het perceel [locatie 1]. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor: a. bedrijven die zijn opgenomen in categorie 1 en 2 van de in Bijlage 1 opgenomen bedrijfsactiviteiten; […] i. een bedrijf gericht op reparatie van auto's en motoren met daaraan ondergeschikt verkoop van auto's, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf"; […] q. een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg"; […] 5.
  33. De raad heeft te kennen gegeven dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de toekenning van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie 1] voor het woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 3] en [locatie 4]. Reeds gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat betreft het perceel [locatie 1] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre dient te worden vernietigd.
  34. De Afdeling ziet aanleiding om met het oog op een finale geschilbeslechting nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in zoverre in stand gelaten kunnen worden. Daartoe wordt het volgende overwogen. De PRV
  35. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 7] met betrekking tot de PRV aldus dat het plan in strijd met artikel 12 van de PRV voorziet in de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein in landelijk gebied. Daargelaten of het perceel [locatie 1] kan worden aangemerkt als landelijk gebied, hebben het [belanghebbende A] en de raad ter zitting onweersproken gesteld dat de percelen [locatie 2] en [locatie 1] tezamen een bedrijventerrein vormen dat aanzienlijk kleiner is dan 1 ha bruto. Gelet hierop ontstaat vanwege toekenning van een bedrijfsbestemming aan het perceel [locatie 1] geen bedrijventerrein als bedoeld in artikel 2, onder h, van de PRV en is het bestemmingsplan in zoverre naar het oordeel van de Afdeling reeds daarom niet in strijd met artikel 12 van de PRV vastgesteld. Het betoog van [appellant sub 7] faalt. Milieutechnische aspecten
  36. Uit de nota "Callantsoog, [locatie 5]/[locatie 1] Autowasboxen bij [belanghebbende A]" van 22 mei 2014, die in opdracht van het gemeentebestuur is opgesteld door de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (hierna: de adviesnota) volgt dat ten aanzien van de woning op het perceel [locatie 3] aan de richtafstand van 30 m uit de VNG-brochure zou kunnen worden voldaan, maar dat het verrichten van een akoestisch onderzoek wordt aanbevolen. Verder volgt uit de adviesnota dat de autoboxen naar verwachting - mede vanwege de woning op het perceel [locatie 5] in verband met het aspect geluid - moeilijk inpasbaar zijn en dat de overige milieuaspecten zoals water, bodem, licht, lucht niet zijn beoordeeld. 8.
  37. De richtafstand uit de VNG-brochure voor een autowasserij (SBI-2008 code 45205) bedraagt 30 m. Vaststaat dat ten aanzien van de woning op het perceel [locatie 4] aan de aanbevolen richtafstand van 30 m wordt voldaan. Vaststaat dat de afstand tussen de bedrijfsbestemming op het perceel [locatie 1] en het perceel [locatie 3] ongeveer 17 m bedraagt. De woning op het perceel [locatie 3] ligt op een afstand van ongeveer 28 m van de bedrijfsbestemming op het perceel [locatie 1]. Gelet hierop wordt uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel [locatie 1] - in tegenstelling tot hetgeen de raad stelt - ten aanzien van de woning van [appellant sub 1] niet voldaan aan de richtafstand uit de VNG-brochure voor een autowasserij. De Afdeling overweegt dat de richtafstanden in de VNG-brochure indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening en afwijking mogelijk is, mits deze zorgvuldig wordt gemotiveerd. 8.
  38. Voor zover het verweer van de raad aldus moet worden begrepen dat uit de ruimtelijke onderbouwing "Ruimtelijke onderbouwing Bouw Autowasboxen [belanghebbende A]." - die na de vaststelling van het bestemmingsplan in opdracht van het [belanghebbende A] door Studie Van der Leden - is opgesteld, volgt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 3] is gewaarborgd, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat een akoestisch onderzoek is verricht waarbij bij de woning van [appellant sub 1] een langtijdgemiddelde geluidniveau is berekend van 42 dB(A) en een maximaal geluidniveau van 50 dB(A). In dat akoestisch onderzoek is er van uitgegaan dat de voorziene autowasboxen op ongeveer 40 m afstand van de woning van [appellant sub 1] worden opgericht en dat tussen de voorziene wasboxen en de woning van [appellant sub 1] een gebouw staat. Voorts volgt uit de situatietekening bij de ruimtelijke onderbouwing dat in het akoestisch onderzoek ervan is uitgegaan dat de in- en uitrit aan de kant van de Callantsogervaart wordt geprojecteerd. [appellant sub 1] en [appellant sub 7] stellen terecht dat deze uitgangspunten niet in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Het bestemmingsplan laat immers ook de bouw van de autowasboxen op 28 m afstand van de woning van [appellant sub 1] toe. Ook is de ligging van een gebouw tussen de woning van [appellant sub 1] en de wasboxen niet in het bestemmingsplan verplicht gesteld. Tevens maakt het bestemmingsplan een in- en uitrit aan de kant van de Langevliet mogelijk. Daarnaast betoogt [appellant sub 7] terecht dat uit het akoestisch onderzoek niet volgt of rekening is gehouden met de cumulatie van geluid afkomstig van de bestaande activiteiten van [belanghebbende A] op het perceel [locatie 2]. Reeds gezien het voorgaande is in het akoestisch onderzoek niet uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat het perceel [locatie 1] betreft. Aan het akoestische onderzoek "Akoestisch onderzoek V1.0 naar de geluidemissie van de toekomstige Autowasboxen op het perceel [locatie 1]" van 11 februari 2015 dat in opdracht van [belanghebbende A] door het Geluidburo is opgesteld, liggen dezelfde uitgangspunten ten grondslag. Gezien het vorenstaande is niet uitgesloten dat de geluidbelasting als gevolg van de toekenning van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie 1] bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] is onderschat. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening sprake zal zijn van een aanvaardbare geluidsituatie bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7]. De betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] slagen in zoverre.
  39. Reeds gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat het perceel [locatie 1] betreft met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in zoverre in stand te laten. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] geen bespreking meer. Het beroep van Landschap Noord-Holland
  40. Landschap Noord-Holland betoogt dat aan het gebied "Zandpolder fase 3" en de gronden die in gebruik zijn als waterberging van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ten onrechte geen natuurbestemming is toegekend. Ook de voormalige agrarische gronden nabij ‘t Zand, die thans in gebruik zijn voor natuurbeheer, zijn ten onrechte niet als zodanig bestemd. 10.
  41. Volgens de raad was de zienswijze van Landschap Noord-Holland niet gericht tegen de planregeling voor het gebied "Zandpolder fase 3", de waterbergingen van het Hoogheemraadschap en de desbetreffende gronden nabij ’t Zand. 10.
  42. Het beroep van Landschap Noord-Holland voor zover gericht tegen de plandelen voor het gebied "Zandpolder fase 3", de waterbergingen van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de gronden nabij ’t Zand, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van Landschap Noord-Holland is in zoverre niet-ontvankelijk.
  43. Landschap Noord-Holland betoogt dat de raad aan een deel van de gronden die zijn aangewezen als EHS ten onrechte niet de bestemming "Natuur" heeft toegekend. Het betreft de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" nabij de eendenkooi te Oudesluis en het gebied "Zandpolder fase 2", zoals nader aangeduid op de door Landschap Noord-Holland overgelegde kaarten. Deze gronden zijn in eigendom dan wel in beheer van Landschap Noord-Holland en zijn feitelijk in gebruik voor natuurdoeleinden. 11.
  44. Volgens de raad is de planregeling voor de gronden nabij de eendenkooi te Oudesluis getroffen door de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten. Dit geldt ook voor het gebied "Zandpolder fase 2". Het beroep van Landschap Noord-Holland is, voor zover gericht tegen genoemde plandelen, prematuur en derhalve niet-ontvankelijk, aldus de raad. 11.
  45. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, eerste volzin, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan het college van gedeputeerde staten, indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de gemeenteraad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Ingevolge de vijfde volzin wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan alsdan met uitsluiting van dat onderdeel, samen met het aanwijzingsbesluit en op gelijke wijze door het college van burgemeester en wethouders bekendgemaakt. 11.
  46. Bij besluit van 2 juni 2014 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan de raad een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro gegeven met betrekking tot een aantal onderdelen van het bestemmingsplan die zijn aangegeven op de bij het aanwijzingsbesluit behorende kaart. Uit deze kaart blijkt dat de aanwijzing onder meer betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de gronden nabij de eendenkooi te Oudesluis. De aanwijzing ziet verder op de gronden van Landschap Noord-Holland met de bestemming "Agrarisch" voor het gebied "Zandpolder fase 2". 11.
  47. Een reactieve aanwijzing die op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wro wordt gegeven met betrekking tot een onderdeel van het bestemmingsplan heeft tot gevolg dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Dit betekent dat het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan niet kan worden bekendgemaakt en dat de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift met betrekking tot dat onderdeel van het bestemmingsplan geen aanvang neemt. In artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de behandeling van het bezwaar of beroep in dat geval worden aangehouden tot het begin van die termijn. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is de Afdeling van oordeel dat deze uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat de bekendmaking van het besluit nog niet heeft plaatsgevonden, maar zeker is dat de bekendmaking op afzienbare termijn zal plaatsvinden, waarmee de termijn voor het instellen van het beroep een aanvang zal nemen (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 129). De bepaling kan derhalve in dit geval geen toepassing vinden, nu onzeker is of, en zo ja wanneer het bestreden onderdeel van het plan bekend zal worden gemaakt en dientengevolge tevens of, en zo ja op welk moment de termijn voor het instellen van beroep een aanvang zal nemen. 11.
  48. Gelet op het voorgaande is het beroep van Landschap Noord-Holland, voor zover gericht tegen de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de gronden nabij de eendenkooi te Oudesluis en de bestemming "Agrarisch" voor het gebied "Zandpolder fase 2" niet-ontvankelijk.
  49. Landschap Noord-Holland betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in bevoegdheden voor het wijzigen van de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" van de gronden die zijn aangewezen als EHS naar de bestemming "Natuur". Artikel 19 van de PRV verplicht tot het opnemen van een dergelijke wijzigingsbevoegdheid voor gronden binnen de EHS waarop nog geen natuurfunctie is gerealiseerd, aldus Landschap Noord-Holland. 12.
  50. Volgens de raad is artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV in strijd met artikel 3.6 van de Wro en derhalve onverbindend. Niet alle gronden die zijn aangewezen als EHS worden gebruikt voor natuurdoeleinden. Een deel van de gronden is in particulier eigendom en wordt gebruikt voor agrarische doeleinden. Het staat niet vast dat deze gronden binnen de planperiode verworven zullen worden ten behoeve van natuurontwikkeling. Het is derhalve onzeker of voor deze gronden de wijzigingsbevoegdheid waartoe artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV verplicht, kan worden toegepast. De raad stelt verder dat de verplichting uit de PRV in strijd is met het uitgangspunt dat het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt geacht. Verder zijn in artikel 19, eerste lid, van de PRV geen voorwaarden voor toepassing vastgelegd die overgenomen dienen te worden in het bestemmingsplan. De verplichting strekt derhalve tot het opnemen van een ongeclausuleerde wijzigingsbevoegdheid, aldus de raad. 12.
  51. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de PRV geldt voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan, als EHS en als Ecologische Verbindingszone, dat: a. een bestemmingsplan de gronden als "natuur" bestemt, indien de natuurfunctie reeds is gerealiseerd; b. een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat die bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders een bestemming wijzigt in een natuurbestemming vanaf het moment dat: 1º de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie; 2º een overeenkomst voor functieverandering door middel van particulier natuurbeheer is gesloten; of 3º het college van gedeputeerde staten besluit dat het provinciale staten zal verzoeken om het besluit tot het verzoek tot onteigening aan de Kroon, als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet, te nemen en dat ter voorbereiding van dit besluit van provinciale staten, het college van gedeputeerde staten een kopie van hun besluit hiertoe aan het college van burgemeester en wethouders zenden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan. […]. 12.
  52. In de toelichting bij artikel 19 van de PRV staat dat dit artikel als doel heeft het behoud en de ontwikkeling van de EHS en de ecologische verbindingszones. In de Structuurvisie 2040 is opgenomen dat de provincie Noord-Holland de gebieden met een hoge biodiversiteit beschermt en deze uitbouwt tot een robuust samenhangend netwerk. Het eerste lid regelt de planologische bescherming van de EHS in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het opnemen van de natuurfunctie in het bestemmingsplan dient pas te geschieden wanneer de natuurfunctie daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Wel dienen bestemmingsplannen een wijzigingsbevoegdheid te bevatten, waarmee de bestemmingswijziging naar "Natuur" gerealiseerd kan worden. Dit gebeurt na verwerving of ontpachting van de desbetreffende percelen of na het afsluiten van een overeenkomst voor particulier natuurbeheer. Ook dient de wijzigingsbevoegdheid te worden gebruikt als het college van gedeputeerde staten aan provinciale staten zal verzoeken een besluit tot verzoek voor onteigening aan de Kroon te doen, aldus de toelichting. 12.
  53. De Afdeling begrijpt de beroepsgrond van Landschap Noord-Holland aldus dat zij uitsluitend ziet op de gronden met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" die zijn aangewezen als EHS, voor zover deze plandelen niet zijn getroffen door de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 2 juni
  54. De plandelen die wel zijn getroffen door de reactieve aanwijzing zijn immers niet in werking getreden. 12.
  55. Artikel 19 van de PRV verplicht tot het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid voor gronden binnen de EHS, waarop de natuurfunctie (nog) niet is gerealiseerd. Het is aannemelijk dat binnen de planperiode van tien jaar een deel van deze agrarische gronden zal worden verworven ten behoeve van natuurontwikkeling ter plaatse en dat derhalve toepassing gegeven zal kunnen worden aan de wijzigingsbevoegdheid. De raad heeft dit ook niet bestreden. De omstandigheid dat bij voorbaat kan worden uitgesloten dat binnen de planperiode op het gehele EHS-areaal dat thans in gebruik is voor agrarische doeleinden natuurontwikkeling zal plaatsvinden, betekent niet dat de wijzigingsbevoegdheid als zodanig niet-uitvoerbaar is. Voor concrete locaties zou aanleiding kunnen bestaan artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV buiten toepassing te laten. Daartoe dient aannemelijk te worden gemaakt dat het bestaande (agrarische) gebruik van gronden niet beëindigd zal worden binnen de planperiode. De raad heeft evenwel niet toegelicht dat voor concrete locaties toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is uitgesloten. Wat betreft de vraag naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid waartoe artikel 19 van de PRV verplicht, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201307530/1/R1, dat bij algemene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op een specifieke locatie in beginsel kan worden volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. In dit geval, waarin de aanvaardbaarheid van een natuurbestemming voor gronden die zijn aangewezen als EHS aan de orde is, moet ervan worden uitgegaan dat deze algemene beoordeling reeds heeft plaatsgevonden bij de aanwijzing van gebieden als EHS door provinciale staten. De verplichting van artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV hangt immers samen met de wens natuurwaarden te ontwikkelen op de agrarische gronden die zijn aangewezen als EHS. Ook in dit kader heeft de raad niet toegelicht voor welke concrete locaties de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar is, zodat geen aanleiding bestaat voor concrete gevallen artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV wegens strijd met de Wro buiten toepassing te laten. De Afdeling is verder van oordeel dat duidelijk is waartoe de voorgeschreven wijzigingsbevoegdheid strekt, namelijk de wijziging van de (agrarische) bestemming naar de bestemming "Natuur". Een dergelijke wijziging is pas aan de orde als de gronden worden verworven met het oog op de natuurontwikkeling. De Afdeling ziet in hetgeen de raad heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV in strijd is met artikel 3.6 van de Wro, of anderszins in strijd is met de wet. Dit betekent dat de raad door niet te voorzien in een bevoegdheid voor het wijzigen van de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" voor de gronden die zijn aangewezen als EHS en voor zover het betreft de plandelen die niet zijn getroffen door de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 2 juni 2014, gehandeld heeft in strijd met artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV. Het betoog slaagt.
  56. Gelet op het voorgaande is het beroep van Landschap Noord-Holland, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft het niet voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor het wijzigingen van de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" in de bestemming "Natuur", voor de gronden die zijn aangewezen als EHS, voor zover het plandelen betreft die niet zijn getroffen door de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 2 juni
  57. Het beroep van [appellant sub 3]
  58. Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen de planbegrenzing. Hij betoogt dat het perceel [locatie 6] bij de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte buiten het plangebied is gelaten. Hiertoe voert hij aan dat in zoverre geen ruimtelijke overwegingen ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit. [appellant sub 3] stelt - onder verwijzing naar een taxatierapport van 5 maart 1982 - dat ten behoeve van het perceel bouwvergunningen zijn verleend voor de bouw van vijf recreatiewoningen en dat de raad deze als zodanig had moeten bestemmen. Voorts betoogt [appellant sub 3] dat de raad de permanente bewoning van één van de recreatiewoningen als zodanig had moeten bestemmen. De aanwezigheid van agrarische bedrijven in de omgeving, maakt dat volgens [appellant sub 3] niet anders. 14.
  59. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Niet gebleken is van een zodanige ruimtelijke samenhang met de omliggende percelen dat het perceel [locatie 6] om die reden in het plan opgenomen hadden moeten worden. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat thans een handhavingsprocedure loopt tegen illegaal gebruik en illegale bouwwerken op het perceel [locatie 6]. Zo heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat onder meer een gebouw op het perceel in strijd met de beheersverordening wordt gebruikt voor de huisvesting van seizoenarbeiders. Alvorens in het kader van een goede ruimtelijke ordening over te gaan tot de toekenning van een passende bestemming voor het perceel [locatie 6], heeft de raad ter zitting te kennen gegeven de uitkomsten van de handhavingsprocedure te willen afwachten. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel van de Afdeling dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Dat hierdoor de beheersverordening blijft gelden voor het perceel [locatie 6], terwijl de raad volgens [appellant sub 3] met de vaststelling van de beheersverordening slechts een overbrugging van de periode tot aan de vaststelling van het thans voorliggende bestemmingsplan heeft beoogd, doet daar, wat daar ook van zij, gelet op artikel 3.38, tweede lid, van de Wro naar het oordeel van de Afdeling niet aan af. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling verder geen aanleiding om de beheersverordening in zoverre buiten toepassing te laten. Het betoog faalt. 14.
  60. Gezien het voorgaande bestaat geen aanleiding voor een bespreking van de beroepsgrond van [appellant sub 3] dat ten onrechte geen woonbestemming en/of recreatiebestemming is toegekend aan het perceel [locatie 6]. 14.
  61. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 4]
  62. Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat haar gronden aan de [locatie 7] betreft. Zij exploiteert ter plaatse een paardenfokkerij en betoogt dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel niet is voorzien in een bouwvlak van 1 ha. Hierdoor is haar paardenbak ten onrechte buiten het bouwvlak gelaten. Voorts is een bouwvlak van tenminste 0,5 ha ter plaatse volgens haar noodzakelijk voor de continuering van haar paardenfokkerij. 15.
  63. De raad betoogt dat het bestemmingsplan een overwegend conserverend karakter heeft en dat alleen concrete initiatieven zijn meegenomen waarvan de ruimtelijke aanvaardbaarheid ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan was aangetoond. 15.
  64. Aan de gronden aan de [locatie 7] zijn de bestemming "Agrarisch" en gedeeltelijk een bouwvlak toegekend. Aan het bouwvlak is de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend. Ingevolge artikel 1, lid 1.75, van de planregels wordt onder "paardenbak" verstaan: een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony’s en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat: […] c. productiegerichte paardenhouderijen; […] Ingevolge lid 3.2 in samenhang bezien met lid 3.2.1 mogen op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat voor het bouwen de volgende algemene bouwregels gelden: a. de bebouwing mag alleen binnen het aangegeven bouwvlak worden opgericht; […] Ingevolge lid 3.2.7 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde de volgende regels: a. het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de situering van een paardenbak is toegestaan, onder voorwaarde dat:
  65. de paardenbak binnen het bouwvlak wordt opgericht; […] Ingevolge lid 3.4, in samenhang bezien met lid 3.4.1, onder f, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.7 ten behoeve van het bouwen van voorzieningen ten behoeve van een paardenbak buiten het bouwvlak, onder de voorwaarden dat:
  66. op het bouwvlak geen of onvoldoende ruimte aanwezig is;
  67. de paardenbak landschappelijk wordt ingepast, inclusief de ligging van de paardenbak ten opzichte van de eigen erfbebouwing; 3.voor een paardenbak die aan de weg is gelegen streekeigen beplanting tussen de paardenbak en de weg wordt aangebracht;
  68. de afstand tot woningen van derden minimaal 30 m bedraagt. 15.
  69. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Indien en voor zover een initiatief voldoende concreet en onderbouwd is en tijdig bekend is gemaakt bij het gemeentebestuur, vergt de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb dat het gemeentebestuur beziet of hieraan medewerking kan worden verleend. Door [appellant sub 4] zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een concreet plan bestond voor de uitbreiding van haar paardenfokkerij op het perceel [locatie 7] noch is anderszins aannemelijk gemaakt dat [appellant sub 4] ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan een zodanig concreet voornemen had dat dit zonder meer in het voorliggende plan kon worden opgenomen. Met het verzoek van [appellant sub 4] hoefde de raad bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden. Over de door [appellant sub 4] gemaakte vergelijking met het perceel Korte Belkmerweg 48 overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het voorgaande planologische regime voor het perceel Korte Belkmerweg 48 - anders dan bij het perceel [locatie 7] - reeds voorzag in een bouwblok van 1 ha. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 4] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Voor het overige heeft [appellant sub 4] naar het oordeel van de Afdeling geen concrete voorbeelden genoemd van situaties die gelijksoortig zijn aan haar situatie. Het betoog faalt in zoverre. 15.
  70. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat aan de bestaande paardenbak ten onrechte geen bouwvlak is toegekend, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat geen bouwvlak is toegekend aan de paardenbak op het perceel [locatie 7], omdat dit vanwege de gekozen plansystematiek niet noodzakelijk zou zijn. Voorts zou de toekenning van een bouwvlak aan de paardenbak volgens de raad een aanzienlijke uitbreiding van de bouwmogelijkheden op het perceel met zich brengen, hetgeen de raad gezien de ligging van het perceel in het buitengebied niet wenselijk acht. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat hij de toekenning van een bouwvlak aan de paardenbak niet wenselijk acht vanwege de ligging van het perceel in het buitengebied, niet onredelijk. De Afdeling begrijpt het betoog van de raad voor het overige, mede gelet op de toelichting ter zitting, aldus dat de paardenbak op het perceel [locatie 7] als zodanig is bestemd, omdat op grond van de planregels alleen in de toekomst op te richten paardenbakken binnen een bouwvlak moeten worden gesitueerd. Dit betoog van de raad is naar het oordeel van de Afdeling onjuist, omdat artikel 3, lid 3.2.7, aanhef en onder a, van de planregels vereist dat paardenbakken binnen het bouwvlak moeten worden opgericht. Deze regel geldt niet alleen voor nog op te richten paardenbakken, maar ook voor bestaande paardenbakken, hetgeen de raad heeft miskend. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog van [appellant sub 4] slaagt in zoverre. Conclusie 15.
  71. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 7], wat de gronden ter plaatse van de paardenbak betreft, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 5]
  72. [appellant sub 5] betoogt dat aan haar perceel [locatie 8] - [locatie 9] in Schagerbrug een te klein bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" is toegekend. Als gevolg hiervan is het bestaande gebruik op een gedeelte van haar perceel voor woondoeleinden niet als zodanig bestemd, aldus [appellant sub 5]. 16.
  73. Volgens de raad had het perceel van [appellant sub 5] in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied, 1989, tweede herziening" een agrarische bestemming. Het gehele voormalige agrarische bouwvlak is thans bestemd voor "Wonen". Een gedeelte ten westen daarvan is bestemd als "Tuin". Het bestaande gebruik van de gronden voor woondoeleinden is als zodanig bestemd. Vanuit ruimtelijk oogpunt is het ongewenst de woonbestemming verder uit te breiden, aldus de raad. 16.
  74. Aan een deel van de gronden van [appellant sub 5] is de bestemming "Wonen" toegekend. De strook direct ten westen van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" is bestemd als "Tuin". Voor het overige hebben de gronden van [appellant sub 5] de bestemming "Agrarisch". 16.
  75. [appellant sub 5] heeft niet nader toegelicht welk gebruik van haar gronden niet als zodanig is bestemd, afgezien van de hierna afzonderlijk te bespreken beroepsgrond over het niet als zodanig bestemmen van de tweede woning op het perceel [locatie 8] - [locatie 9]. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestaande gebruik van de gronden van [appellant sub 5] voor woondoeleinden in zoverre niet als zodanig heeft bestemd. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verdere vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" leidt tot een aantasting van het open karakter van het landelijk gebied en daarom ongewenst is. Het betoog faalt.
  76. [appellant sub 5] betoogt dat de tweede woning op haar perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Het betreft de woning met nummer
  77. Aan het perceel dient de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden: 2" te worden toegekend, aldus [appellant sub 5]. 17.
  78. Volgens de raad maakt de bebouwing op het perceel [locatie 8] - [locatie 9] deel uit van één woning. In het verleden was er weliswaar sprake van twee woningen op het perceel, maar de gebouwen worden sinds de jaren 80 van de vorige eeuw gebruikt door één huishouden. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was volgens de raad ter plaatse één woning toegelaten. Deze woning is ook thans als zodanig bestemd. Een tweede - derhalve een nieuwe - woning op het perceel is in strijd met de PRV. Ten tijde van het vaststellen van het plan was een gedeelte van de woning (nr. [locatie 8]) in gebruik ten behoeve van een bed en breakfast. Het plan laat een dergelijk medegebruik toe, aldus de raad. 17.
  79. Ingevolge artikel 30, lid 30.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis; b. bed & breakfast, met dien verstande dat […]; met de daarbij behorende: h. gebouwen; i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; […]. Ingevolge lid 30.2.1 gelden voor het bouwen van woningen de volgende regels: a. woningen zijn uitsluitend binnen het bestemmingsvlak toegestaan; b. het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan één, dan wel het ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" aangegeven aantal; […]. 17.
  80. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" waren de gronden van [appellant sub 5] bestemd voor "Agrarische bebouwingsvakken Ab". Door middel van een verbindingslijn was op de plankaart een relatie aangegeven met het perceel [locatie 18]a, aan de andere zijde van de weg. Voorheen was op de twee percelen een agrarisch bedrijf gevestigd. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften waren deze gronden bestemd voor de bedrijfsvoering van niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met de voor de agrarische bedrijfsvoering nodige bebouwing, waaronder bedrijfswoningen. Ingevolge het tweede lid, onder b, mocht binnen per op de kaart aangegeven bebouwingsvak maximaal één bedrijfswoning worden gebouwd. 17.
  81. Niet in geschil is dat de bestaande gebouwen op het perceel van [appellant sub 5] als zodanig zijn bestemd. Het beroep van [appellant sub 5] heeft in zoverre alleen betrekking op het gebruik van de bebouwing door twee zelfstandige huishoudens. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was op het perceel van [appellant sub 5] één (bedrijfs)woning toegelaten. [appellant sub 5] heeft ter zitting toegelicht dat ten tijde van het vaststellen van het plan de gebouwen op haar perceel feitelijk in gebruik waren als twee zelfstandige woningen. Zij heeft in dit verband gesteld dat de woning nr. [locatie 8] wordt verhuurd aan derden, althans dat deze woning met regelmaat wordt bewoond door anderen dan haar eigen huishouden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 5] hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de gebouwen op het perceel [locatie 8] - [locatie 9] ten tijde van het vaststellen van het plan in gebruik waren als twee zelfstandige woningen. De Afdeling wijst in dit verband op de omstandigheid dat de raad, onder verwijzing naar een advertentie op internet, heeft toegelicht dat een gedeelte van de bebouwing wordt gebruikt ten behoeve van een bed en breakfast en dat [appellant sub 5] ter zitting heeft gesteld dat zij reeds een geruime tijd toeristenbelasting betaalt. Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat artikel 13 van de PRV zich in beginsel verzet tegen nieuwe woningen in het landelijk gebied is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen volstaan met het als zodanig bestemmen van de bestaande woning op het perceel van [appellant sub 5]. Het betoog faalt.
  82. [appellant sub 5] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid op haar agrarische gronden een kleine schuilgelegenheid voor dieren op te richten. Een schuilgelegenheid dient het belang van het dierenwelzijn, aldus [appellant sub 5]. 18.
  83. De raad heeft onder verwijzing naar de brief van het college van gedeputeerde staten van 28 mei 2014 toegelicht dat slechts in geringe mate behoefte bestaat aan schuilgelegenheden voor hobbymatig gehouden dieren, buiten het bouwperceel. Vanuit ruimtelijk oogpunt zijn dergelijke schuilgelegenheden ongewenst. Het toestaan van schuilgelegenheden brengt volgens de raad het risico mee dat percelen worden opgedeeld in kleinere eenheden, met meer bouwwerken en hekken in het open landschap, hetgeen leidt tot verrommeling van het buitengebied. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de nadelige gevolgen van schuilgelegenheden voor hobbymatig gehouden dieren buiten het bouwperceel dan aan het belang van [appellant sub 5] bij het toelaten van een dergelijke voorziening op haar agrarische gronden. Het betoog faalt.
  84. [appellant sub 5] betoogt dat de situering van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf op het perceel Belkmerweg 119 leidt tot een ernstige aantasting van haar woon- en leefgenot. Volgens haar leidt de situering van het bouwvlak tot een aantasting van haar uitzicht. De raad heeft ten onrechte de situering van het bouwvlak op dit perceel gehandhaafd. Het bouwvlak dient te worden verplaatst, zodat haar uitzicht niet, althans in mindere mate wordt belemmerd, aldus [appellant sub 5]. 19.
  85. Aan het perceel Belkmerweg 119 is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Niet in geschil dat de omvang en situering van het bouwvlak niet is gewijzigd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening". 19.
  86. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situering van het bouwvlak op het perceel Belkmerweg 119 geen ernstige gevolgen zal hebben voor het uitzicht van [appellant sub 5]. Bij dit oordeel neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand tussen het perceel van [appellant sub 5] en het bouwvlak op het perceel Belkmerweg 119 ongeveer 36 m bedraagt en dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Het betoog faalt.
  87. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] ongegrond. Het beroep van [appellante sub 6]
  88. Het beroep van [appellante sub 6] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" wat het perceel [locatie 10] betreft. [appellante sub 6] betoogt dat haar voormalige bedrijfswoning op dat perceel ten onrechte niet als burgerwoning is bestemd. Hiertoe voert zij onder meer aan dat haar woning thans niet meer dient als bedrijfswoning. Daarnaast betoogt zij dat de voormalige bedrijfswoning op het recreatiepark "Boerenslag" aan de Zeeweg 4 ook is omgezet in een burgerwoning, terwijl daarbij evenmin werd voldaan aan de richtafstand van 50 m tot de omliggende recreatiewoningen. 21.
  89. Aan het perceel [locatie 10] is de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie 1" toegekend. 21.
  90. De raad erkent dat aan het perceel [locatie 10] zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog van [appellante sub 6] slaagt.
  91. In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" voor het perceel [locatie 10] zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 8]
  92. [appellant sub 8] betoogt dat de omvang van de eendenkooi ten noorden van de [locatie 11] onjuist is vastgelegd in het plan. Volgens hem is niet aan de gehele eendenkooi de bestemming "Natuur" toegekend. [appellant sub 8] betoogt verder dat voor de agrarische gronden tussen de eendenkooi en het perceel [locatie 11] ten onrechte niet is voorzien in een planregeling die bescherming biedt aan de ter plaatse aanwezige natuurwaarden. 23.
  93. Uit de door [appellant sub 8] overgelegde luchtfoto volgt dat de feitelijke ligging en omvang van de eendenkooi overeenstemt met het bestemmingsvlak met de bestemming "Natuur" als vastgelegd op de verbeelding. [appellant sub 8] heeft niet nader toegelicht welke gronden die feitelijk deel uitmaken van de eendenkooi niet zijn bestemd voor "Natuur". Het betoog faalt. 23.
  94. De raad heeft toegelicht dat de gronden rondom de eendenkooi omgezet zijn in bollengrond. Deze gronden zijn door de provincie aangewezen als bollenconcentratiegebied en worden feitelijk gebruikt ten behoeve van de bollenteelt. Het valt niet te verwachten dat deze gronden binnen afzienbare tijd zullen worden omgezet naar grasland. De gronden zijn bestemd overeenkomstig het bestaande gebruik. Ter plaatse komen geen (natuur)waarden voor die beschermd zouden moeten worden. [appellant sub 8] heeft dit standpunt van de raad niet inhoudelijk bestreden. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid het bestaande gebruik van de gronden nabij de eendenkooi als zodanig heeft kunnen bestemmen en dat hij in zoverre niet heeft hoeven te voorzien in een beschermingsregeling voor natuurwaarden. Het betoog faalt.
  95. [appellant sub 8] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid op zijn agrarische gronden een kleine schuilgelegenheid voor hobbymatig gehouden dieren op te richten. Een schuilgelegenheid dient het belang van het dierenwelzijn, aldus [appellant sub 8]. 24.
  96. Dit betoog faalt. Voor een motivering van dit oordeel wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in 18.
  97. [appellant sub 8] betoogt dat de planregeling voor zijn perceel [locatie 12], wat betreft de mogelijkheid ter plaatse bijgebouwen op te richten, onnodig restrictief is, hetgeen leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn gronden. [appellant sub 8] voert hiertoe aan dat hij ruim 2 ha agrarische gronden en water in beheer heeft en dat hij meer ruimte nodig heeft voor het stallen van machines die gebruikt worden voor het onderhoud van deze gronden. Ook houdt [appellant sub 8] hobbymatig ongeveer vijftien schapen en twee paarden. Voor de huisvesting van deze hobbymatig gehouden dieren is de beschikbare planologische ruimte niet voldoende, aldus [appellant sub 8]. 25.
  98. Volgens de raad is op het perceel van [appellant sub 8] een schuur gesitueerd met een oppervlakte van ongeveer 140 m². Deze schuur is als zodanig bestemd. De toegelaten oppervlakte voor bijgebouwen is daarmee groter dan hetgeen gebruikelijk is op percelen met een woonbestemming. De planologische mogelijkheden zijn verruimd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Een verdere uitbreiding leidt tot verstedelijking van het buitengebied, hetgeen in strijd is met het provinciaal beleid, aldus de raad. 25.
  99. Aan het perceel van [appellant sub 8] is de bestemming "Wonen" toegekend. De oppervlakte van het bestemmingsvlak bedraagt ongeveer 4.000 m². De gronden direct ten zuidoosten daarvan zijn bestemd als "Tuin". De oppervlakte van deze gronden bedraag ongeveer 5.000 m². 25.
  100. [appellant sub 8] beschikt op zijn perceel over een schuur met een oppervlakte van 140 m². Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke oppervlakte zo gering is dat die leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel, gelet ook op de omstandigheid dat het plan voor percelen met een woonbestemming in beginsel voorziet in een minder ruime regeling. De hoofdregel is immers dat de gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing, met inbegrip van het hoofdgebouw, 300 m² bedraagt. Voor zover [appellant sub 8] klaagt over de omstandigheid dat de beschikbare ruimte onvoldoende is voor het stallen van (agrarische) machines, overweegt de Afdeling dat nu het perceel van [appellant sub 8] een woonbestemming heeft, de eventuele opslag van machines en apparaten anders dan gerelateerd aan het gebruik voor woondoeleinden ter plaatse niet noodzakelijk is. De raad behoefde aan deze behoefte van [appellant sub 8], wat daar verder ook van zijn, geen zwaarwegend belang toe te kennen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de toegelaten oppervlakte voor bijgebouwen op het perceel van [appellant sub 8] leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn gronden en dat de raad daarom in redelijkheid had dienen te voorzien in een grotere oppervlakte. Het betoog faalt.
  101. [appellant sub 8] betoogt dat aan het zuidoostelijke deel van zijn gronden ten onrechte de bestemming "Tuin" is toegekend. Deze gronden worden volgens [appellant sub 8] onder meer gebruikt voor het houden van schapen en paarden en de opslag van goederen. Dit gebruik is ten onrechte niet als zodanig bestemd. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was aan het gehele perceel de bestemming "Wonen met tuinen en erven toegekend". [appellant sub 8] wenst ook voor het zuidoostelijke deel van zijn perceel de bestemming "Wonen". Hij wijst in dit verband op de planregeling voor het nabijgelegen perceel Korte Belkmerweg 46a. Dit perceel, dat in het voorheen geldende bestemmingsplan eveneens was bestemd voor "Wonen met tuinen en erven", is thans volledig bestemd voor "Wonen", aldus [appellant sub 8]. 26.
  102. Volgens de raad is het bestaande gebruik van de gronden van [appellant sub 8] als zodanig bestemd. Het perceel van [appellant sub 8] was in het voorheen geldende bestemmingsplan bestemd voor "Wonen met tuinen en erven". Binnen deze bestemming werd onderscheid gemaakt tussen gronden die aangewezen waren voor erven en gronden waarop enkel tuinen waren toegelaten. Gebouwen waren niet toegelaten op de voor tuinen aangewezen gronden. De bestemming "Wonen" rust thans mede op gronden die voorheen waren bestemd voor tuinen. Ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan zijn de planologische mogelijkheden derhalve verruimd, aldus de raad. 26.
  103. Ingevolge artikel 24, lid 24.1 zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor: a. tuinen; b. groenvoorzieningen; c. water; met de daarbij behorende: d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 26.
  104. Het perceel van [appellant sub 8] was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening", bestemd voor "Woningen met tuinen en erven (W)". Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften waren deze gronden bestemd voor woningen met bij de woonfunctie behorende bouwwerken en tuinen en erven. Ingevolge het tweede lid, onder b, onder 1, mochten op de gronden, op de kaart aangeduid met "erven" woningen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Ingevolge het tweede lid, onder b, onder 2, mochten op gronden, op de kaart aangeduid met "tuinen" alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 26.
  105. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied, tweede herziening" was alleen voor het gedeelte van het perceel [locatie 12] ter plaatse en nabij de woning voorzien in de aanduiding "erven". Op het overgrote deel van het perceel van [appellant sub 8] rustte de aanduiding "tuinen". 26.
  106. Het standpunt van de raad dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" vergroot is ten opzichte van het bestemmingsvlak met de bestemming "Woningen met tuinen en erven (W)", met de aanduiding "tuinen" is naar het oordeel van de Afdeling juist. Het plan voorziet in zoverre in een verruiming van de planologische mogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. De Afdeling is verder van oordeel dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden met de bestemming "Tuin" niet of nauwelijks verschillen van hetgeen was toegelaten op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "tuinen". [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bestaande legale gebruik van de gronden thans niet langer is toegelaten. Voor zover [appellant sub 8] in dit verband wijst op de omstandigheid dat hij op de gronden met de bestemming "Tuin" hobbymatig paarden en schapen houdt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen het hobbymatig houden van dieren ter plaatse. 26.
  107. Over de door [appellant sub 8] gemaakte vergelijking met het perceel Korte Belkmerweg 46a overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. De raad heeft toegelicht dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 8] het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" is uitgebreid, in die zin dat de diepte van het bestemmingsvlak, gemeten vanaf de weg, ongeveer 105 m bedraagt. Dit is gelijk aan de diepte van het perceel Korte Belkmerweg 46a. Indien het gehele perceel van [appellant sub 8] wordt bestemd voor "Wonen" zal de diepte van het bestemmingsvlak ongeveer 250 m bedragen. Een dergelijke uitbreiding leidt tot een aantasting van het open karakter van het landschap. In het geval van de Korte Belkmerweg 46a was een aantasting volgens de raad niet aan de orde, omdat dat perceel een totale diepte heeft van 105 m. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 8] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. 26.
  108. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid had dienen te voorzien in de bestemming "Wonen" voor het gehele perceel van [appellant sub 8]. Het betoog faalt.
  109. [appellant sub 8] betoogt dat het agrarische bouwvlak voor het perceel [locatie 11] ten onrechte is gehandhaafd. De gebruiker van deze gronden heeft zijn agrarische bedrijfsvoering meer dan dertig jaar geleden gestaakt. Het perceel wordt gebruikt voor reguliere bewoning. Volgens [appellant sub 8] hadden de gronden daarom bestemd dienen te worden voor "Wonen". Subsidiair betoogt [appellant sub 8] dat indien de agrarische bestemming wordt gehandhaafd, alleen de bestaande bebouwing als zodanig bestemd dient te worden, zodat geen nieuwe bedrijfsbebouwing kan worden opgericht. 27.
  110. Volgens de raad zijn voor het perceel [locatie 11] de planologische mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan gehandhaafd. 27.
  111. Aan het perceel [locatie 11] is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Ingevolge artikel 1, lid 1.9, van de planregels wordt onder "agrarisch bedrijf" verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Ingevolge artikel 3, lid 3.1 zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat:
  112. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', uitsluitend bestaande veehouderijbedrijven zijn toegestaan; […]
  113. uitbreiding of nieuwbouw van dierverblijven, dan wel het realiseren van nieuwe dierplaatsen in bestaande dierverblijven niet is toegestaan; […]. 27.
  114. Niet in geschil is dat de raad voor het perceel [locatie 11] de planologische mogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan heeft gehandhaafd. De omvang van het bouwvlak is niet gewijzigd. De afstand tussen het perceel van [appellant sub 8] tot het bouwvlak op het perceel [locatie 11] bedraagt ongeveer 28 m. De afstand tot de woning van [appellant sub 8] bedraagt ongeveer 58 m. Voor zover [appellant sub 8] vreest voor een aantasting van zijn uitzicht vanwege de eventueel op te richten agrarische bebouwing, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwvlak op het perceel [locatie 11] geen ernstige gevolgen zal hebben voor het uitzicht van [appellant sub 8], gelet op genoemde afstanden en de omstandigheid dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Voor het overige heeft [appellant sub 8] niet nader toegelicht waarom het handhaven van het agrarische bouwvlak zal leiden tot een ernstige aantasting van zijn woon- en leefgenot. Het betoog faalt
  115. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 9]
  116. [appellant sub 9] betoogt dat hij op 29 augustus 2012 de raad heeft verzocht om een vergroting van het agrarische bouwvlak op zijn perceel [locatie 13] in Sint Maartensvlotbrug tot 1,5 ha en dat de raad bij het vaststellen van het plan ten onrechte aan dit verzoek is voorbijgegaan. 29.
  117. Volgens de raad waren ten tijde van het vaststellen van het plan onvoldoende gegevens beschikbaar voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het verzoek van [appellant sub 9]. Ook had [appellant sub 9] niet aangetoond dat een vergroting van het bouwvlak noodzakelijk was voor zijn bedrijfsvoering. In dit verband is van belang dat [appellant sub 9] beschikt over een in 2001 verleende bouwvergunning voor agrarische bedrijfsbebouwing op zijn perceel. Deze vergunning heeft betrekking op gronden die in het plan zijn aangeduid als bouwvlak. [appellant sub 9] heeft tot op heden geen gebruik gemaakt van deze vergunning. [appellant sub 9] is gevraagd zijn verzoek om vergroting van het bouwvlak aan te vullen, hetgeen hij heeft nagelaten, aldus de raad. 29.
  118. Uit de brief van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Zijpe van 18 december 2012 volgt dat [appellant sub 9] op 29 augustus 2012 een zogeheten principeverzoek heeft ingediend voor het vergroten van het bouwvlak op zijn perceel [locatie 13] in Sint Maartensvlotbrug tot 1,5 ha. In reactie daarop is [appellant sub 9] verzocht om een aanvulling van zijn bedrijfsplan, waaruit de noodzaak voor de vergroting diende te blijken. In de brief van 18 december 2012 staat dat onduidelijk is waarom voor een (meer) efficiënte bedrijfsvoering niet kan worden volstaan met enkel een wijziging van de vorm van het bestaande bouwvlak. [appellant sub 9] is tevens verzocht een ruimtelijke onderbouwing te overleggen, waaruit diende te blijken dat zijn initiatief milieuhygiënisch en landschappelijk inpasbaar is. Bij brief van het college van burgemeester en wethouders van 28 mei 2013 is [appellant sub 9], onder verwijzing naar de brief van 18 december 2012, nogmaals verzocht om een aanvulling van zijn verzoek om vergroting van het bouwvlak. In de brief van 13 augustus 2013 van het college van burgemeester en wethouders is [appellant sub 9] medegedeeld dat, indien hij een gemotiveerde zienswijze naar voren brengt op het ontwerpplan, zijn verzoek om vergroting van het bouwvlak zal worden beoordeeld. In zijn zienswijze op het ontwerpplan heeft [appellant sub 9] enkel verwezen naar zijn initiële verzoek van 29 augustus 2012 om vergroting van het bouwvlak tot 1,5 ha - en de daarbij overgelegde stukken - dat door het college van burgemeester en wethouders als onvolledig was aangemerkt. Niet is gebleken dat [appellant sub 9] naar aanleiding van onder meer de brief van het college van burgemeester en wethouders van 28 mei 2013 zijn bedrijfsplan heeft aangevuld en dat hij de gevraagde ruimtelijke onderbouwing heeft overgelegd. 29.
  119. Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat de ambtenaren van de voormalige gemeente Zijpe hebben toegezegd dat zijn verzoek om vergroting van het bouwvlak zou worden gehonoreerd, overweegt de Afdeling als volgt. De brief van het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Zijpe gaat materieel bezien over de mogelijkheid het bouwvlak op het perceel van [appellant sub 9] te vergroten met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van het op dat moment geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening". In deze brief staat dat een vergroting mogelijk is, mits [appellant sub 9] zijn verzoek aanvult overeenkomstig hetgeen hiervoor is besproken in 29.
  120. Onvoorwaardelijke toezeggingen worden in deze brief niet gedaan. Reeds hierom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, door geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 9] om vergroting van zijn bouwvlak tot 1,5 ha. 29.
  121. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid het verzoek van [appellant sub 9] om vergroting van zijn bouwvlak tot 1,5 ha heeft kunnen afwijzen. Het betoog faalt.
  122. [appellant sub 9] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid op zijn perceel een windturbine op te richten. Hij voert hiertoe aan dat hij voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpplan een aanvraag om omgevingsvergunning voor het oprichten van een windturbine heeft ingediend. De raad was aldus tijdig bekend met het initiatief van [appellant sub 9] en had zijn verzoek dienen te beoordelen bij het vaststellen van het plan. 30.
  123. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de PRV voorziet een bestemmingsplan niet in bestemmingen en regels die het bouwen of opschalen van een of meer windturbines mogelijk maken. 30.
  124. Het verzoek van [appellant sub 9] is in strijd in met artikel 32 van de PRV. De raad heeft het verzoek van [appellant sub 9] daarom terecht afgewezen. Het betoog faalt.
  125. [appellant sub 9] betoogt dat ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid op zijn perceel seizoensarbeiders te huisvesten in (sta)caravans. Hij voert hiertoe aan dat op veel locaties in het plangebied seizoensarbeiders in stacaravans worden gehuisvest en dat het gemeentebestuur daartegen niet handhavend optreedt. 31.
  126. Volgens de raad voorziet het plan op bepaalde locaties in de mogelijkheid seizoensarbeiders te huisvesten in bestaande gebouwen. Huisvesting in mobiele kampeermiddelen is in strijd met het gemeentelijk beleid. Tegen dergelijke vormen van huisvesting treedt het gemeentebestuur handhavend op, aldus de raad. 31.
  127. Aan het perceel [locatie 13] is de bestemming "Agrarisch", met de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Voor het perceel is niet voorzien in de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - huisvesting seizoensarbeiders". Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering; […]; h. huisvesting voor agrarische seizoenarbeiders, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - huisvesting seizoensarbeiders", met dien verstande dat het aantal agrarische seizoensarbeiders niet meer bedraagt dan het bestaande aantal en deze huisvesting alleen is toegestaan in bestaande bouwwerken; […]. 31.
  128. In de plantoelichting staat dat in het facetbestemmingsplan "Kleinschalig kamperen en huisvesting van de agrarische seizoenarbeiders" beleid is verwerkt ten aanzien van seizoenshuisvesting. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 27 april 2010 en is ook verwerkt in het plan. Op het agrarische bouwperceel mogen ten hoogste 40 agrarische seizoensarbeiders worden gehuisvest. Als er woonunits voor de huisvesting van agrarische seizoensarbeiders op het agrarische bouwperceel worden geplaatst, dan mag dit voor maximaal 20 van het totaal van 40 agrarische seizoensarbeiders zijn. De huisvesting moet voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Deze voorwaarde is opgenomen omdat het woonruimte betreft en er moet worden voorkomen dat er onvoldoende woonkwaliteit aan de agrarische seizoensarbeider wordt geboden. Op het agrarische bouwperceel moet ruimte worden gemaakt voor een centrale ontspanningsgelegenheid, bijvoorbeeld in de vorm van een recreatieverblijf. Ook moeten er voldoende sanitaire voorzieningen voor de agrarische seizoenarbeiders aanwezig zijn. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de huisvesting van seizoensarbeiders in mobiele kampeermiddelen in strijd is met het gemeentelijk beleid. [appellant sub 9] heeft niet nader gemotiveerd waarom hij ernstig wordt benadeeld door dit beleid. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan het beleid heeft kunnen vasthouden. Uit de gestelde omstandigheid dat het gemeentebestuur niet optreedt tegen de huisvesting van seizoensarbeiders in mobiele kampeermiddelen, wat daar verder ook van zij, volgt niet dat de raad een dergelijk gebruik planologisch dient te faciliteren. Het betoog faalt.
  129. [appellant sub 9] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit op zijn perceel. Volgens [appellant sub 9] is de afwijzing van zijn verzoek in strijd met de notitie "Gebiedsvisie Sint Maartenszee", vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Zijpe op 25 september
  130. Daarin staat dat recreatief medegebruik van zijn gronden mogelijk is. 32.
  131. Volgens de raad is het gemeentelijk beleid ten aanzien van het kleinschalig kamperen als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven vastgelegd in het facetbestemmingsplan "Kleinschalig kamperen en huisvesting van agrarische seizoensarbeiders". Kleinschalige kampeerterreinen zijn niet toegelaten op gronden binnen een straal van 1 km tot reguliere kampeerterreinen. Het perceel van [appellant sub 9] is gesitueerd op minder dan 1 km tot camping "De Lepelaar". De "Gebiedsvisie Sint Maartenszee" verplicht niet tot het toelaten van deze nevenactiviteit op het perceel van [appellant sub 9], aldus de raad. 32.
  132. Voor het perceel [locatie 13] is niet voorzien in de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein". Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder o, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor een kleinschalig kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" met dien verstande dat het aantal niet-permanente standplaatsen niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal niet-permanente standplaatsen". 32.
  133. In de plantoelichting staat dat het beleid ten aanzien van kleinschalig kamperen opgenomen is in het facetbestemmingsplan "Kleinschalig kamperen en huisvesting van agrarische seizoensarbeiders". Het facetbestemmingsplan is verwerkt in de regels van het plan. Voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein wordt uitgegaan van een aantal voorwaarden. Omdat de aanleg van een kleinschalig kampeerterrein kwalitatief hoogwaardig moet zijn, zijn er afstandseisen tussen de kleinschalige kampeerterreinen onderling opgenomen. De afstand moet ten minste 500 m zijn. Ook de afstand tot een regulier kampeerterrein is opgenomen. De afstand tussen het kleinschalig kampeerterrein en het reguliere kampeerterrein moet ten minste 1 km zijn, aldus de plantoelichting. 32.
  134. Niet in geschil is dat het perceel van [appellant sub 9] gesitueerd is binnen een straal van 1 km tot camping "De Lepelaar". De raad heeft ter zitting toegelicht dat de afstandscriteria in het gemeentelijk beleid zijn opgenomen teneinde een zekere ruimtelijke spreiding te waarborgen tussen kleinschalige kampeerterreinen onderling en tussen kleinschalige kampeerterreinen en reguliere kampeerterreinen. Vanuit ruimtelijk oogpunt is concentratie van kampeerterreinen ongewenst. Voorkomen dient te worden dat een aaneengesloten recreatiegebied ontstaat. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Wat betreft het beroep van [appellant sub 9] op hoofdstuk 5 van de "Gebiedsvisie Sint Maartenszee", overweegt de Afdeling dat uit de kaart en de bijbehorende legenda volgt dat het gebied ten zuiden van het perceel van [appellant sub 9] geschikt is voor de ontwikkeling van een recreatief knooppunt. Verder zijn op de kaart gewenste aan te leggen recreatieve routes weergegeven. Deze lopen onder meer nabij/langs het perceel van [appellant sub 9]. Uit de "Gebiedsvisie Sint Maartenszee" volgt niet dat een (kleinschalig) kampeerterrein toegelaten dient te worden op het perceel van [appellant sub 9]. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid het verzoek van [appellant sub 9] om het toelaten van een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij zijn agrarisch bedrijf heeft kunnen afwijzen. Het betoog faalt.
  135. [appellant sub 9] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor zijn gronden waarmee de agrarische bestemming kan worden gewijzigd naar "Recreatie". In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was een dergelijke wijzigingsbevoegdheid wel opgenomen. Volgens [appellant sub 9] staat in de "Gebiedsvisie Sint Maartenszee" dat een uitbreiding van de recreatiefunctie op zijn gronden mogelijk is. 33.
  136. Het is volgens de raad niet juist dat het voorheen geldende planologische regime voorzag in de door [appellant sub 9] gewenste wijzigingsbevoegdheid. In het bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was weliswaar voorzien in de mogelijkheid de bestemming van de gronden van [appellant sub 9] te wijzigen naar "Recreatie", maar het voorheen geldende planologische regime voor het perceel van [appellant sub 9] betreft de beheersverordening "Buitengebied Zijpe". Daarin was niet voorzien in de door [appellant sub 9] gewenste wijzigingsbevoegdheid. Volgens de raad zijn nieuwe ontwikkelingen die voorzien in uitbreiding van recreatieterreinen in strijd met de PRV en met het gemeentelijk beleid. 33.
  137. Ingevolge artikel 2, onder kk, van de PRV wordt daarin onder "verstedelijking" verstaan: ontwikkeling van functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover de hiervoor genoemde functies het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken. Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 2 van deze verordening, in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van deze verordening. Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13, indien: a. de noodzaak van verstedelijking als bedoeld in het eerste lid is aangetoond; b. is aangetoond dat de beoogde verstedelijking niet door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd en; c. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen. 33.
  138. In de toelichting bij artikel 14 van de PRV staat dat in de artikelen 12 en 13 uitsluitend regels worden gegeven voor de aanleg van bedrijventerreinen en de woningbouw buiten bestaand bebouwd gebied, maar niet voor de overige vormen van verstedelijking buiten bestaand bebouwd gebied. Onder overige verstedelijking wordt bijvoorbeeld verstaan bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, openbare en/of maatschappelijke voorzieningen zoals sportvoorzieningen (stadions) of een ziekenhuis, recreatieterreinen zoals bungalowparken en golfterreinen, waarbij bebouwing mogelijk is. De provincie wil op ontwikkelingen kunnen sturen die de openheid van het landelijk gebied (negatief) kunnen beïnvloeden, aldus de toelichting. 33.
  139. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een wijziging van de agrarische bestemming van de gronden van [appellant sub 9] naar "Recreatie" in strijd is met de PRV. [appellant sub 9] heeft niet toegelicht dat in dit geval voldaan wordt aan de voorwaarden voor het afwijken van het verbod uit het eerste lid, in het bijzonder wat betreft de noodzaak van de wijziging van de bestemming van zijn gronden naar "Recreatie". Wat betreft het beroep [appellant sub 9] op de "Gebiedsvisie Sint Maartenszee" verwijst de Afdeling naar hetgeen hiervoor in 32.4 is heeft overwogen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid niet heeft hoeven te voorzien in een bevoegdheid voor het wijzigen van de bestemming van voor de gronden van [appellant sub 9] naar "Recreatie". Het betoog faalt.
  140. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 10]
  141. Het beroep van [appellant sub 10] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" wat betreft de gronden van het recreatiepark "De Garnekuul". [appellant sub 10] is eigenaar van een recreatiewoning op dit recreatiepark. Formele aspecten
  142. [appellant sub 10] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijze heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. 36.
  143. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt. Gewijzigde plansystematiek
  144. [appellant sub 10] betoogt dat de raad voor het recreatiepark "De Garnekuul" ten onrechte heeft gekozen voor een globale recreatiebestemming. Hij vreest hierdoor een aantasting van zijn woongenot, in het bijzonder door een verlies aan bezonning, privacy en de aantasting van het rustige karakter van het recreatiepark. Hiertoe voert [appellant sub 10] onder meer aan dat vanwege het ontbreken van bouwvlakken op het recreatieterrein - anders dan bij het voorgaande bestemmingsplan - thans onduidelijk is in hoeverre bestaande recreatiewoningen kunnen worden uitgebreid en/of verplaatst. Daarnaast zijn als gevolg van de gekozen plansystematiek de bosschages, de speelplaats, het parkeerterrein, de afmetingen van het trottoir en de rijwegen volgens [appellant sub 10] ten onrechte niet langer in het bestemmingsplan gewaarborgd. 37.
  145. Nu het bestemmingsplan een harmonisering betreft van verschillende oude bestemmingsplannen, heeft de raad gekozen voor een uniforme wijze van bestemmen van recreatieterreinen. De raad heeft daarbij gekozen voor een wijze van bestemmen waarbij meer flexibiliteit wordt geboden voor de inrichting van de recreatieterreinen. 37.
  146. Aan het recreatieterrein "De Garnekuul" is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" en de aanduiding "maximaal aantal recreatiewoningen: 97" toegekend. Ingevolge artikel 1, lid 1.32, van de planregels wordt onder centrale voorzieningen verstaan: gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van een recreatieterrein als geheel, zoals een kampwinkel, kantine, ontvangstkantoor, zwembad, toilet/wasgebouw, sport- en spelvoorzieningen, gebouwen ten behoeve van beheer en onderhoud. Ingevolge artikel 20, lid 20.1, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" aangewezen gronden bestemd voor: a. het recreatief wonen in recreatiewoningen van personen die elders hun hoofdverblijf hebben; […] d. centrale voorzieningen; […] met de daarbij behorende: […] i. tuinen, erven en terreinen; j. groenvoorzieningen; k. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; l. parkeervoorzieningen, uitsluitend ten behoeve van de bestemming; […]. Ingevolge lid 20.2.1 gelden voor het bouwen van recreatiewoningen de volgende regels: a. het aantal recreatiewoningen binnen het bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal recreatiewoningen"; b. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6,5 m dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen; c. de gezamenlijke oppervlakte van recreatiewoningen en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 70 m² dan wel een oppervlakte van niet meer dan 1/3 van het bij de recreatiewoning behorende bouwperceel tot een maximum van 100 m². 37.
  147. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Of een bepaalde bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. Vaststaat dat aan de gronden van het recreatiepark "De Garnekuul", in tegenstelling tot onder het voorgaande planologische regime, geen aparte bouwvlakken meer zijn toegekend. Voorts zijn thans niet langer aparte bestemmingen opgenomen voor bosschages, parkeren en wegen (met inbegrip van de nodige rijwegen, voetpaden en bermen). De raad heeft thans gekozen voor de toekenning van één recreatiebestemming aan het gehele recreatiepark, op grond waarvan naast het gebruik voor recreatief wonen, de gronden ook mogen worden gebruikt voor onder meer groenvoorzieningen, centrale voorzieningen en parkeervoorzieningen ten behoeve van het recreatiepark. De raad heeft hiermee willen voorzien in meer flexibiliteit bij de inrichting van het recreatieterrein "De Garnekuul". [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gekozen plansystematiek leidt tot rechtsonzekerheid. In dit verband acht de Afdeling van belang dat een maximum is gesteld aan het aantal toegestane recreatiewoningen op het terrein en dat een recreatiewoning tezamen met de bijbehorende bouwwerken maximaal 70 m² mag bedragen dan wel een oppervlakte van niet meer dan 1/3 van het bij de recreatiewoning behorende bouwperceel tot een maximum van 100 m². Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd biedt dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gewijzigde plansystematiek rechtsonzeker is. Het betoog faalt in zoverre. 37.3.
  148. Niet uitgesloten is dat de gewijzigde plansystematiek een nadelige invloed kan hebben op het gebruik door [appellant sub 10] van zijn recreatiewoning aan de [locatie 14]. In het algemeen kunnen aan een voorheen geldend bestemmingsplan echter geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft in dit geval gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat door de gekozen plansystematiek flexibiliteit wordt geboden aan de verschillende betrokken eigenaren bij de inrichting van het recreatiepark "De Garnekuul". [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen die hij vanwege de gekozen plansystematiek eventueel zou kunnen ondervinden zodanig zijn dat de raad hierdoor niet in redelijkheid voorkeur heeft kunnen geven aan de gekozen plansystematiek. Dat de ligging van de voetpaden en rijwegen niet langer is vastgelegd op de verbeelding, acht de Afdeling in het onderhavige geval niet onredelijk. Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat het bestaande autovrije karakter van het recreatiepark onvoldoende is gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat het treffen van verkeersmaatregelen een uitvoeringsaspect van het bestemmingsplan betreft. Verkeersmaatregelen kunnen niet in een bestemmingsplan worden opgenomen. Het betoog faalt. Wat de vrees van [appellant sub 10] betreft dat alle percelen op het recreatieterrein worden volgebouwd, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 20, lid 20.2.1, onder a, van de planregels een maximum is gesteld aan het aantal toegestane recreatiewoningen op het terrein. Voorts mag een recreatiewoning ingevolge lid 20.2.1, onder c, tezamen met de bijbehorende bouwwerken in beginsel maximaal 70 m² bedragen dan wel een oppervlakte van niet meer dan 1/3 van het bij de recreatiewoning behorende bouwperceel tot een maximum van 100 m². Het betoog faalt. 37.3.
  149. Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat het behoud van de bestaande speelplaats en het parkeerterrein onvoldoende zijn gewaarborgd, overweegt de Afdeling het volgende. Vaststaat dat het parkeerterrein en de bestaande speelvoorzieningen met de toekenning van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" als zodanig zijn bestemd. De raad heeft toegelicht dat de gronden van het recreatiepark waarop het parkeerterrein en de speelvelden liggen eigendom zijn van de gemeente. Ter zitting heeft de raad ten aanzien van het bestaande parkeerterrein en de bestaande speelvoorzieningen te kennen gegeven dat de gemeente deze gemeenschappelijke voorzieningen niet gaat opheffen. Nu de gemeente het op grond van haar eigendomspositie in haar macht heeft deze toezegging na te komen en niet is gebleken van belemmeringen die zich hiertegen verzetten, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van verplichtingen daartoe in het plan. Het betoog van [appellant sub 10] faalt. 37.3.
  150. Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat - anders dan in het geldende bestemmingsplan - het behoud van de bestaande bosschages ten onrechte niet is gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat in het voorgaande planologische regime het verharden van gronden met de bestemmingen "Groenvoorziening" en "Tuinen en erven" ook niet was uitgesloten. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van de opname van een planregel voor het behoud van de bestaande bosschages op het recreatiepark. Overigens heeft de raad toegelicht dat de gronden waarop deze groenvoorzieningen liggen, eigendom zijn van de gemeente en dat de gemeente geen plannen heeft om de inrichting van het park te wijzigen. Het betoog faalt. Bouwmogelijkheden
  151. [appellant sub 10] betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte voorziet in een verruiming van de bouwmogelijkheden op het recreatiepark "De Garnekuul", in het bijzonder de verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogtes van recreatiewoningen. [appellant sub 10] vreest hierdoor verlies van bezonning en een aantasting van zijn privacy. 38.
  152. Ingevolge artikel 20, lid 20.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; d. de milieusituatie; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Ingevolge lid 20.4 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 20.2.1 voor een hogere bouwhoogte en voor het vergroten van het oppervlak van een recreatiewoning, met dien verstande dat: a. de bouwhoogte niet meer dan 7 m mag bedragen; b. de oppervlakte niet meer dan 120 m² mag bedragen; c. niet meer dan 27,5 % van het bij de recreatiewoning behorend bouwperceel mag worden bebouwd. De genoemde omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: - een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; - de verkeersveiligheid; - de sociale veiligheid; - de milieusituatie; - de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 38.
  153. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Vaststaat dat de beheersverordening op het recreatieterrein "De Garnekuul" voor de meeste recreatiewoningen voorzag in een bouwhoogte van maximaal 3,5 m. De raad heeft ter zitting toegelicht dat in overeenstemming met de nota "Beleidsnota Verblijfsrecreatie, gemeente Zijpe" die is vastgesteld op 28 oktober 2008 door de raad van de voormalige gemeente Zijpe (hierna: de beleidsnota) - die de raad blijkens paragraaf 3.4.7 van de plantoelichting heeft toegepast bij de vaststelling van dit bestemmingsplan - de toegestane bouwhoogte van recreatiewoningen is verhoogd naar maximaal 6,5 m. Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor het recreatiepark "De Garnekuul" had moeten afwijken van de beleidsnota. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad onweersproken heeft gesteld dat voor een aantal recreatiewoningen op het recreatiepark reeds een hogere bouwhoogte dan 3,5 m was vergund. Voorts heeft [appellant sub 10] niet aannemelijk gemaakt dat zijn woongenot of privacy op een dusdanige wijze wordt aangetast dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van de recreatiewoningen op "De Garnekuul". 38.
  154. Het betoog van [appellant sub 10] dat thans onduidelijk is vanaf welk punt de voorziene bouwhoogtes moeten worden gemeten, volgt de Afdeling niet. Ingevolge artikel 2, lid 2.4, van de planregels wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Ingevolge artikel 1, lid 1.77, van de planregels wordt voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst onder peil verstaan de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang. Ingevolge artikel 1, lid 1.77 wordt voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst onder peil verstaan de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. De Afdeling acht deze wijze van meten niet rechtsonzeker. Het betoog faalt. 38.
  155. Evenmin volgt de Afdeling het betoog van [appellant sub 10] dat de verhouding tussen artikel 20, lid 20.2.1, aanhef en onder b, van de planregels met lid 20.4, aanhef en onder a, onduidelijk is. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de bouwhoogte die ingevolge artikel 20, lid 20.2.1, aanhef en onder b, van de planregels van 6,5 m bij recht is voorzien, maar dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor een recreatiewoning met een bouwhoogte van maximaal 7 m. Deze omgevingsvergunning kan op grond van artikel 20, lid 20.4, van de planregels uitsluitend worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van onder meer de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld. Het betoog faalt. 38.
  156. Voor zover het betoog van [appellant sub 10] voorts aldus moet worden begrepen dat de raad ten onrechte heeft voorzien in kelders bij de recreatiewoningen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 10] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn woongenot daardoor onevenredig wordt aangetast. Gelet hierop biedt hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel van de Afdeling dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in kelders bij de recreatiewoningen. Het betoog faalt. Centrale voorzieningen
  157. [appellant sub 10] betoogt dat op het recreatieterrein ten onrechte is voorzien in centrale voorzieningen en bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken. [appellant sub 10] vreest dat hierdoor het parkeerterrein, de speelvoorzieningen en de bosschages zullen verdwijnen, hetgeen volgens hem leidt tot een aantasting van het bestaande karakter van het recreatiepark. 39.
  158. Ingevolge artikel 20, lid 20.2.3, van de planregels gelden voor het bouwen van centrale voorzieningen de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen mag niet meer dan 5% van het bestemmingsvlak bedragen, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt; b. de goot- en bouwhoogte van gebouwen mogen niet meer dan 5 m respectievelijk 6 m bedragen, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen. Ingevolge lid 20.2.4 geldt het volgende: a. het aantal bedrijfswoningen bedraagt per bedrijf niet meer dan het bestaande aantal; […] Ingevolge lid 20.6.1 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor wat betreft het toestaan van een eerste bedrijfswoning, met dien verstande dat: […] Ingevolge lid 20.6.2 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor wat betreft het toestaan van een tweede bedrijfswoning, met dien verstande dat: […] 39.
  159. Vaststaat dat op het recreatiepark "De Garnekuul" thans geen bedrijfswoning staat, zodat gelet op artikel 20, lid 20.2.4, aanhef en onder a, van de planregels in beginsel geen bedrijfswoning is toegestaan op het recreatiepark. Het betoog van [appellant sub 10] mist in zoverre feitelijke grondslag. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 10] ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bedrijfswoning op het recreatiepark dan ook aldus dat dit betoog is gericht tegen de wijzigingsbevoegdheden van artikel 20, leden 20.6.1 en 20.6.2, van de planregels op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders alsnog kan voorzien in een eerste en een tweede bedrijfswoning op een recreatiepark. De raad heeft toegelicht dat hij met het bestemmingsplan onder meer een harmonisering van de planregels voor de verschillende recreatieparken in het plangebied heeft beoogd. Zoals reeds hiervoor is overwogen heeft de raad met de toekenning van de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie 1" de verschillende recreatieparken in het plangebied flexibiliteit willen bieden bij de inrichting. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201307530/1/R1 (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling dat bij algemene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op een specifieke locatie in beginsel kan worden volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een eventuele toepassing van de wijzigingsbevoegdheden zal leiden tot een onevenredige aantasting van het karakter van het recreatiepark "De Garnekuul". Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in de opname van deze wijzigingsbevoegdheden. Overigens merkt de Afdeling op dat de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid een bevoegdheid betreft en niet een plicht. Het betoog faalt in zoverre. 39.
  160. Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd biedt evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in centrale voorzieningen op het recreatiepark "De Garnekuul". Hiertoe overweegt de Afdeling dat het gezamenlijke oppervlak van de centrale voorzieningen, waaronder overigens sport- en spelvoorzieningen, niet meer dan 5% van het bestemmingsvlak met de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie 1" mag bedragen, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn woongenot daardoor onevenredig wordt aangetast. Het betoog van [appellant sub 10] faalt. Conclusie
  161. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond. Het beroep van Gasunie
  162. Het beroep van Gasunie is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Leiding - Gas" wat betreft de gronden ter plaatse van het gasontvangstation W-043 aan de Anna Paulownaweg. Gasunie betoogt dat de verbeelding in zoverre niet overeenkomt met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Volgens Gasunie moet aan de gronden ter plaatse van het gasontvangstation W-043 de bestemming "Bedrijf - Gasontvangstation" worden toegekend. 41.
  163. Aan het gasontvangstation W-043 was in het ontwerpplan de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" toegekend. Het bestemmingsplan is naar aanleiding van de zienswijze van Gasunie in zoverre gewijzigd vastgesteld dat aan het gasontvangstation W-043 de bestemming "Bedrijf - Gasontvangstation" is toegekend. De raad erkent dat de verbeelding in zoverre niet overeenkomt met het vaststellingsbesluit, omdat aan het gasontvangstation op de verbeelding per abuis de bestemming "Leiding - Gas" is toegekend. De raad erkent daarmee dat hij niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd, zodat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Leiding - Gas" voor de gronden ter plaatse van het gasontvangstation W-043 aan de Anna Paulownaweg naar het oordeel van de Afdeling niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Het betoog van Gasunie slaagt. 41.
  164. In hetgeen Gasunie heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Leiding - Gas" voor de gronden ter plaatse van het gasontvangstation W-043 aan de Anna Paulownaweg is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van Gasunie is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 12]
  165. Het beroep van [appellant sub 12] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" wat betreft het perceel [locatie 15]. [appellant sub 12] betoogt dat het bestemmingsplan in zoverre ten onrechte gewijzigd is vastgesteld, in die zin dat de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" voor het perceel [locatie 15] is vervangen door een woonbestemming en de aanduiding voor een kleinschalig kampeerterrein. Door deze wijziging is een met bouwvergunning opgerichte schuur op het perceel volgens hem ten onrechte niet als zodanig bestemd. Hij acht dit onder meer in strijd met het vertrouwensbeginsel en paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting. Het behoud van de schuur is volgens [appellant sub 12] van belang voor zijn bedrijfsvoering. 42.
  166. De raad erkent dat de schuur met een bouwvergunning is opgericht. De raad voert echter aan dat in 2010 een vrijstelling en een bouwvergunning zijn verleend voor de bouw van een woonhuis en een gebouw voor sanitaire voorzieningen voor het kampeerterrein, nadrukkelijk onder de voorwaarde dat de oude schuur zou worden gesloopt. Op 17 maart 2010 is een sloopvergunning verleend ten behoeve van de oude schuur. 42.
  167. Aan het perceel [locatie 15] zijn de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" en "maximum aantal niet-permanente standplaatsen: 15" toegekend. Ingevolge artikel 30, lid 30.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis; […] e. een kleinschalig kampeerterrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" met dien verstande dat het aantal niet-permanente standplaatsen niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal niet-permanente standplaatsen"; […] Ingevolge lid 30.2.3 gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen de volgende regels: […] b. de gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing, met inbegrip van het hoofdgebouw, mag niet meer bedragen dan 300 m² dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat:
  168. het bebouwingspercentage op een bouwperceel niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen;
  169. de totale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen niet meer mag bedragen dan de oppervlakte van het hoofdgebouw;
  170. voor de berekening van de totale oppervlakte, de oppervlakte van zomerwoningen als genoemd onder 30.2.2 niet meetelt; c. in afwijking van het bepaalde onder b mag bij bouwpercelen met een oppervlakte van meer dan 2.000 m2 de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen maximaal 120 m2 bedragen; d. de afstand van bijgebouwen tot het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 35 m, dan wel de bestaande afstand indien deze meer bedraagt; […] 42.
  171. Niet in geschil is dat de oude schuur op het perceel [locatie 15] met een bouwvergunning is opgericht. Vaststaat dat op 11 maart 2010 een vrijstelling en een bouwvergunning zijn verleend voor de bouw van een woning en een gebouw voor sanitaire voorzieningen ten behoeve van het aanwezige kleinschalige kampeerterrein op het perceel [locatie 15]. In het besluit van 11 maart 2010 staat nadrukkelijk dat de bouwvergunning en de vrijstelling zijn verleend onder voorwaarde dat de op het perceel aanwezige oude schuur nabij het perceel [locatie 16] dient te worden gesloopt binnen drie maanden na het gereedkomen van de woning en schuur. [appellant sub 12] heeft op 12 maart 2010 een aanvraag ingediend voor een sloopvergunning voor deze oude schuur. De sloopvergunning is vervolgens op 17 maart 2010 door het college van burgemeester en wethouders verleend. In een brief van 10 december 2010 wordt namens het college van burgemeester en wethouders aan [appellant sub 12] medegedeeld dat overeenkomstig de beschikking van 11 maart 2010 is gebouwd en dat aan de in de beschikking gestelde aanwijzingen/voorwaarden is voldaan. Vaststaat dat de oude schuur tot op heden niet is gesloopt. 42.
  172. Niet in geschil is dat het totale oppervlak van de oude schuur en het nieuwe gebouw voor sanitaire voorzieningen meer dan 120 m² bedraagt en dat het bouwperceel een oppervlakte heeft van meer dan 2.000 m², zodat gelet op artikel 30, lid 30.2.3, aanhef en onder c, van de planregels niet alle bijgebouwen op het perceel [locatie 15] als zodanig zijn bestemd. De raad heeft ter zitting toegelicht dat dit ook is beoogd en heeft daarbij onweersproken gesteld dat er ten aanzien van het perceel [locatie 15] momenteel een handhavingsprocedure loopt vanwege de oude schuur. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" aan het perceel [locatie 15] heeft kunnen toekennen. 42.
  173. Over het betoog van [appellant sub 12] dat de raad daarmee het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 12] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat aan het perceel [locatie 15] de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" zou worden toegekend. Dat in het ontwerpplan wel de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" aan zijn perceel was toegekend, maakt dat niet anders. De omstandigheid dat [appellant sub 12] in een brief van 10 december 2010 namens het college van burgemeester en wethouders is medegedeeld dat hij overeenkomstig de op 11 maart 2010 verleende beschikking heeft gebouwd biedt evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders lange tijd niet handhavend heeft opgetreden tegen de oude schuur. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust immers niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog van [appellant sub 12] faalt. 42.
  174. Voor zover [appellant sub 12] heeft aangevoerd dat de raad in strijd met het in paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting beschreven uitgangspunt niet de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" heeft toegekend aan zijn perceel, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. In paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting staat dat kleinschalig kamperen bij de boer (minicampings) niet zonder meer is toegestaan en dat daarvoor een afwijkingsprocedure moet worden gevolgd. Blijkens de plantoelichting heeft de raad een uitgangspunt gehanteerd waarbij alleen bestaande minicampings die worden beheerd door burgers (zonder agrarische activiteiten) (mits legaal) positief worden aangeduid. Gelet hierop en nu niet in geschil is dat [appellant sub 12] op het perceel [locatie 15] een minicamping exploiteert, heeft de raad overeenkomstig het uitgangspunt zoals verwoord in paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting aan dat perceel de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" toegekend. Het betoog van [appellant sub 12] faalt. 42.
  175. Wat het betoog van [appellant sub 12] betreft dat de toekenning van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en dat de raad derhalve had moeten onderzoeken of de toekenning van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" aan de oude schuur mogelijk was, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat hij bij de vaststelling van het bestemmingsplan een uitgangspunt heeft gehanteerd waarbij alleen aan gronden een recreatiebestemming is toegekend indien voorheen ter plaatse ook een recreatiebestemming gold. Vaststaat dat aan het perceel [locatie 15] geen recreatiebestemming was toegekend, zodat de raad overeenkomstig dit uitgangspunt in het thans voorliggende bestemmingsplan niet de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" heeft toegekend aan het perceel. De raad heeft toegelicht dat hij ten behoeve van het perceel [locatie 15] niet heeft willen afwijken van dit uitgangspunt, teneinde verstedelijking van het buitengebied te voorkomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 12] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de toekenning van de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie 2" noodzakelijk is voor zijn bedrijfsvoering. Het betoog van [appellant sub 12] faalt. Conclusie 42.
  176. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 12] ongegrond. Het beroep van [appellante sub 13]
  177. [appellante sub 13] betoogt dat voor haar perceel [locatie 17] in Burgerbrug ten onrechte is voorzien in de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m". Deze aanduiding beperkt de bouwmogelijkheden voor haar gronden, waardoor een toekomstige uitbreiding van de bedrijfsbebouwing niet mogelijk is. De aanduiding is toegekend vanwege de ligging van een monumentale windmolen op het perceel Grote Sloot
  178. Dit perceel ligt op een afstand van ongeveer 170 m ten zuidwesten van het perceel [locatie 17]. Volgens [appellante sub 13] is de getroffen beschermingsregeling, die tot doel heeft de beperking van de windvang tegen te gaan, niet noodzakelijk omdat de heersende windrichting in het gebied zuidwestelijk is. De wind komt vanaf de Noordzee, richting de molen en gaat pas dan over het perceel van [appellante sub 13]. De bebouwing op haar perceel is daarom niet of nauwelijks van invloed op het draaien van de wieken. [appellante sub 13] beroept zich op gegevens van het KNMI waaruit volgens haar de juistheid van haar standpunt over de heersende windrichting blijkt. Zij voert verder aan dat de windmolen slechts op een beperkt aantal dagen van het jaar in gebruik is. Ook gelet daarop is de beperking van de bouwmogelijkheden onevenredig met de daarmee te dienen belangen, aldus [appellante sub 13]. 43.
  179. Volgens de raad schrijft het provinciale beleid als vastgelegd in de "Leidraad Landschap en Cultuurhistorie" vastgesteld door provinciale staten bij besluit van 21 juni 2010 voor dat voor gronden in de nabijheid van (monumentale) windmolens voorzien dient te worden in een beschermingszone, de zogeheten molenbiotoop. Het doel hiervan is het tegengaan van ontwikkelingen die afbreuk doen aan de belevingswaarde en de windvang van de molen. De aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m" is in overeenstemming met het provinciale beleid. Met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid kan worden afgeweken van de regels die gelden ter plaatse van deze aanduiding, zodat een hogere bouwhoogte is toegelaten. Voorwaarde voor toepassing is dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van de windvangzone en/of de belevingswaarde van de molen. De omstandigheid dat de heersende windrichting zuidwestelijk is, maakt niet dat de beschermingsregeling niet noodzakelijk is, aldus de raad. 43.
  180. Aan het perceel [locatie 17] is de bestemming "Agrarisch", met de aanduidingen "bouwvlak" en "vrijwaringszone – molenbiotoop 400 m" toegekend. Ingevolge artikel 46, lid 46.6, onder b, van de planregels mogen binnen de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m" geen hogere gebouwen worden gebouwd dan door middel van onderstaande formule wordt bepaald: H = X/n + c * z waarin: H = de toelaatbare bouwhoogte in meters (gemeten vanaf het peil ter plaatse van de molen). X = de afstand in meters vanaf het gebouw tot de wieken van de molen. n = de ruwheidcoëfficiënt volgens de ruwheidsklassentabel van Wieringa: - 140 voor open gebied; - 75 voor een ruw gebied; - 50 voor een gesloten gebied. c = 0,2 (constante in verband met een windreductie van 5%). z = de askophoogte van de molen. Deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel: [tabel met daarin de askophoogtes van de windmolens binnen het plangebied. De askophoogte van de windmolen op het perceel Grote Sloot 33 bedraagt 22 m]. c. Bestaande bouwwerken waarvan de hoogte afwijkt van hetgeen op grond van sub b zou zijn toegestaan, worden geacht in overeenstemming te zijn met het bepaalde onder b. d. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder b, ten behoeve van het bouwen overeenkomstig het ten aanzien van de bestemmingen bepaalde, mits de windvangzone van de molen en/of de waarde van de molen als landschapsbepalend element daardoor niet onevenredig wordt aangetast. 43.
  181. In paragraaf 5.7 van de "Leidraad Landschap en Cultuurhistorie" staat dat de landschappelijke en cultuurhistorische betekenis van molens groot is. Veel molens zijn als rijksmonument aangewezen. In het ruimtelijke ordeningsbeleid moeten gemeenten zoveel mogelijk rekening houden met de "molenbiotoop". In verband met de windvang en het weren van storende visuele elementen dient buiten bestaand bebouwd gebied de vrije ruimte rond molens gehandhaafd te blijven. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten: - binnen 100 m rond de molen mag geen bebouwing of beplanting hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht; - binnen een afstand van 100 tot 400 m rond de molen moet wat betreft bebouwing en beplantingen het volgende geregeld worden: de hoogte mag niet meer bedragen dan 1/100 van de afstand tussen de bouwwerk/beplanting en molen, gerekend van de onderste punt van de verticaal staande wiek. De historische molen op het perceel Grote Sloot 33 is opgenomen op de kaart op pagina 81 van de "Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". 43.
  182. Tussen partijen is niet in geschil dat de formule als opgenomen in artikel 46, lid 46.6, onder b, van de planregels tot gevolg heeft dat op het perceel van [appellante sub 13] een bouwhoogte van ongeveer 5,5 m zonder meer is toegelaten. De aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m" leidt er derhalve toe dat voor hogere gebouwen een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan nodig is. De raad heeft ter zitting toegelicht dat, anders dan [appellante sub 13] heeft gesteld, de monumentale windmolen niet slechts incidenteel in gebruik is. Hij heeft in dit verband toegelicht dat de windmolen met regelmaat wordt gebruikt voor de bemaling, in geval de capaciteit van het (elektrische) gemaal onvoldoende is of bij onderhoud ervan. De windmolen maakt ongeveer 200 draaiuren per jaar. Uit de door [appellante sub 13] overgelegde gegevens van het KNMI volgt dat de windrichting ter plaatse van haar perceel voornamelijk zuidwestelijk is. Uit de overgelegde grafische visualisatie van de windrichtingverdeling volgt evenwel dat het gebied in niet verwaarloosbare mate te maken heeft met andere windrichtingen, in het bijzonder met noordoostenwind. Gelet hierop en mede in aanmerking nemende dat het provinciaal beleid ten aanzien van molenbiotopen mede strekt tot de bescherming van de belevingswaarde van monumentale windmolens is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een beschermingsregeling voor de windmolen op het perceel Grote Sloot 33 noodzakelijk is. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden aanduiding leidt tot ernstige beperkingen van de gebruiksmogelijkheden van de gronden van [appellante sub 13], nu het voorziene verbod niet absoluut is en gebouwen die hoger zijn dan ongeveer 5,5 m in beginsel mogelijk zijn na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. De Afdeling wijst in dit verband op de omstandigheid dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat het gemeentebestuur het voornemen heeft medewerking te verlenen aan een aanvraag van [appellante sub 13] voor een stal van met een hoogte van ongeveer 11 m. Het betoog faalt.
  183. [appellante sub 13] betoogt dat ten onrechte is voorzien in niet meer dan 15 standplaatsen voor het medegebruik van haar gronden voor een kleinschalig kampeerterrein. Volgens [appellante sub 13] dient bij recht te worden voorzien in maximaal 25 standplaatsen. Een deugdelijke reden waarom dit aantal pas kan worden toegelaten na het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid ontbreekt, aldus [appellante sub 13]. 44.
  184. Volgens de raad heeft [appellante sub 13] geen concreet verzoek gedaan om uitbreiding van haar kleinschalig kampeerterrein. In haar zienswijze op het ontwerpplan heeft zij geklaagd over een beweerdelijke onduidelijkheid in de planregeling, maar zij heeft niet gesteld dat zij het voornemen heeft haar nevenactiviteit uit te breiden en dat daarom bij recht voorzien dient te worden in maximaal 25 standplaatsen op haar perceel. Een vergroting van het aantal standplaatsen is in beginsel mogelijk na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, aldus de raad. 44.
  185. Aan het perceel [locatie 17] zijn tevens de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" en "maximum aantal niet-permanente standplaatsen = 15" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder o, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor een kleinschalig kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" met dien verstande dat het aantal niet-permanente standplaatsen niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal niet-permanente standplaatsen". Ingevolge lid 3.6, aanhef en onder d, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.1 en toestaan dat de gronden worden gebruikt ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein of voor het realiseren van een groter aantal standplaatsen dan op grond van de aanduiding "maximum aantal niet-permanente standplaatsen" is toegestaan, mits is voldaan aan de onderstaande regels: […];
  186. op een kleinschalig kampeerterrein zijn ten hoogste 25 standplaatsen toegestaan; […]. 44.
  187. In haar zienswijze heeft [appellante sub 13] gesteld dat het ontwerpplan rechtsonzeker is, omdat niet valt op te maken of op haar gronden 15 standplaatsen zijn toegestaan en of het plan een uitbreiding van de nevenactiviteit kleinschalig kamperen mogelijk maakt. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet volgt dat [appellante sub 13] het voornemen had haar kleinschalige kampeerterrein uit te breiden naar ten hoogste 25 standplaatsen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid niet bij recht heeft hoeven te voorzien in meer dan 15 standplaatsen voor het kleinschalige kampeerterrein op de gronden van [appellante sub 13]. Het betoog faalt.
  188. [appellante sub 13] betoogt dat een bestaand gebouw op haar perceel ten onrechte niet is bestemd als tweede (bedrijfs)woning. Het betreft een voormalig werkmanshuis dat in de periode na de Tweede Wereldoorlog in gebruik is geweest als woning. Een tweede bedrijfswoning op het perceel is noodzakelijk met het oog op een eventuele bedrijfsovername door de zoon van de vennoten. 45.
  189. Volgens de raad was op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" op het perceel [locatie 17] één woning toegelaten. Het voormalige werkmanshuis was ten tijde van het vaststellen van het plan niet geschikt voor woondoeleinden en ook niet als zodanig in gebruik. Bij het vaststellen van het plan is aangesloten bij de bestaande legale situatie op het perceel. Een tweede woning op het perceel is in strijd met de PRV en het gemeentelijk beleid om geen nieuwe woningen toe te laten in het buitengebied. Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt indien wordt aangetoond dat een tweede bedrijfswoning op het perceel noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse. [appellante sub 13] heeft niet aangetoond dat een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is. Indien de noodzaak alsnog wordt aangetoond, kan gebruik worden gemaakt van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, aldus de raad. 45.
  190. In de plantoelichting staat dat per agrarisch bedrijf één bedrijfswoning wordt toegestaan. In geval er in de bestaande situatie meer legaal gerealiseerde woningen binnen een bedrijf zijn, is dit als maximumaantal opgenomen in het plan. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van een tweede bedrijfswoning. Hiervoor zal eerst de noodzaak moeten worden aangetoond, aldus de plantoelichting. 45.
  191. Het staat vast dat het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" op het perc

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.