201307836/1/R
- Datum uitspraak: 4 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellante sub 1], gevestigd te Stevensbeek, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Wanroij, handelend onder de naam [bedrijf], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),
- de vereniging Milieuvereniging Land van Cuijk (hierna: de Milieuvereniging), gevestigd te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert,
- [appellant sub 5], wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 6], wonend te Stevensbeek, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 7], wonend te Oploo, gemeente Sint Anthonis,
- [appellante sub 8A] en [appellant sub 8B] (hierna: [appellant sub 8]), gevestigd te Oploo, gemeente Sint Anthonis,
- [appellante sub 9], gevestigd te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 10], wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,
- [appellante sub 11], gevestigd te Sint Anthonis,
- [appellant sub 12], wonend te Sint Anthonis,
- [appellante sub 13], gevestigd te Landhorst, gemeente Sint Anthonis,
- [appellante sub 14], gevestigd te Landhorst, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 15], wonend te Sint Anthonis,
- [appellante sub 16], gevestigd te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 17], wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 18A] en [appellante sub 18B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 18]), beiden wonend te Oploo, gemeente Sint Anthonis,
- het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap),
- [appellante sub 20], gevestigd te Sint Anthonis,
- [appellant sub 21], wonend te Stevensbeek, gemeente Sint Anthonis,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grinie B.V., gevestigd te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 23], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Ledeacker, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 24], wonend te Stevensbeek, gemeente Sint Anthonis,
- [appellante sub 25], gevestigd te Landhorst, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 26], wonend te Stevensbeek, gemeente Sint Anthonis,
- [appellante sub 27], gevestigd te Sint Anthonis, thans [appellant sub 26], wonend te Stevensbeek, gemeente Sint Anthonis,
- [appellante sub 28], gevestigd te Sint Anthonis, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Sint Anthonis,
- [appellant sub 29] en anderen, allen wonend te Oploo, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 30, wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 31], wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,
- [appellant sub 32], wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,
- [appellante sub 33], gevestigd te Oploo, gemeente Sint Anthonis, appellanten, en de raad van de gemeente Sint Anthonis, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 17 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20, 21 en 22 oktober 2014, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B] en [belanghebbende C], vertegenwoordigd door M.J. Rongen, als partijen gehoord. Buiten bezwaren van partijen heeft de raad ter zitting nadere stukken overgelegd. Overwegingen
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
- Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Sint Anthonis. Bestemming "Agrarisch - Grondgebonden"
- Een aantal appellanten richt zich tegen de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden", voor zover die is toegekend aan verscheidene agrarische percelen, omdat het betreffende agrarische bedrijf in zijn geheel of in hoofdzaak een intensieve veehouderij is. 3.
- Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt in deze regels verstaan onder: - 1.11 agrarisch bedrijf: bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren; nader te onderscheiden in: - grondgebonden bedrijf; - niet-grondgebonden bedrijf; - glastuinbouwbedrijf; - intensieve veehouderij. - 1.82 grondgebonden bedrijf: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt, zoals akkerbouw, fruitteelt, houtteelt, vollegrondstuinbouw, boomteelt, schapenhouderij (niet zijnde melkschapen), grondgebonden melkrundveehouderij en paardenfokkerij. - 1.83 grondgebonden melkrundveehouderij: een grondgebonden bedrijf in de vorm van een melkrundveehouderij die op de huiskavel en de directe omgeving voldoende areaal grond ter beschikking heeft voor ruwvoerproductie en/of weidegang. - 1.84 grondgebonden veehouderij: een grondgebonden bedrijf in de vorm van een veehouderij, niet zijnde een melkrundveehouderij binnen maximaal 1,5 ha bouwvlak met voldoende grond om te voorzien in de ruwvoerproductie en/of weidegang, zoals een schapenhouderij, niet zijnde melkschapen. - 1.94 intensieve veehouderij: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of melkschapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij. - 1.128 niet-grondgebonden bedrijf: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf of intensieve veehouderij, zoals wormenkwekerijen, viskwekerijen, champignonkwekerijen, witlofkwekerijen en melkrundveehouderijen, niet zijnde grondgebonden melkrundveehouderijen. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een overwegend grondgebonden bedrijf; (…); c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", tevens een intensieve veehouderijtak; d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden veehouderij", tevens een overige grondgebonden veehouderij; (…); f. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "paardenfokkerij", tevens een paardenfokkerij, al dan niet met als ondergeschikte nevenactiviteit een gebruiksgerichte paardenhouderij; (…); j. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 6", tevens een grondgebonden melkrundveehouderij; (…). Ingevolge lid 5.2, onder 5.2.1, mogen op de voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden uitsluitend ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming worden gebouwd: a. gebouwen; b. een bedrijfswoning; c. bijbehorende bouwwerken; d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge het bepaalde onder 5.2.2 gelden voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" de volgende regels: (…); c. bedrijfsgebouwen voor dierenverblijven ten behoeve van een intensieve veehouderijtak mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij"; (…); e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals waterbassins, teeltondersteunende voorzieningen, sleuf- en mestsilo’s, verhardingen en parkeervoorzieningen mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden gerealiseerd, met inachtneming van het bepaalde onder 5.2.5 en lid 5.3; (…); g. indien op de verbeelding het bouwvlak gelijk is aan het bestemmingsvlak gelden de regels onder a tot en met d voor het gehele bestemmingsvlak, tevens bouwvlak zijnde. Ingevolge lid 5.3, onder a, zijn ten behoeve van grondgebonden bedrijven die tevens een intensieve veehouderijtak hebben, dan wel ten behoeve van grondgebonden bedrijven waarbij sprake is van een grondgebonden (melkrund)veehouderij, de hierna genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan binnen het bouwvlak: - kunstmest- en voedersilo’s; - mestsilo’s; - sleufsilo’s; - vergistingssilo’s; - luchtwassers en luchtkanalen; - mestbassins inclusief mestzakken. Ingevolge het bepaalde onder b zijn in afwijking van het bepaalde onder a bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een intensieve veehouderijtak toegestaan binnen het gehele bestemmingsvlak, met dien verstande dat:
- binnen het bouwvlak de aanduiding "intensieve veehouderij" of de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1" is opgenomen;
- in afwijking van het bepaalde onder 1 geldt dat ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" bebouwing voor een intensieve veehouderijtak ten hoogste een zodanige omvang heeft dat deze overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke: - op 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was; - gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning; - gebaseerd is op een vóór 1 oktober 2010 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan per 1 oktober
- Ingevolge artikel 37, lid 37.1, onder a, is in dit plan in alle artikelen het bouwvlak gelijk aan het bestemmingsvlak, tenzij op de verbeelding binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is ingetekend dat kleiner is dan het bestemmingsvlak. 3.
- Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" wordt in deze voorschriften verstaan onder: - agrarisch bedrijf, grondgebonden: een agrarisch bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond; - agrarisch bedrijf, niet-grondgebonden: een agrarisch bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend plaatsvindt in gebouwen. - intensieve veehouderij: de agrarische bedrijfstak in de dierlijke sector, waarbij de bedrijfsuitoefening in hoofdzaak niet functioneel aan de grond gebonden is, omvattende in ieder geval het houden van mestvarkens, mestkalveren, nertsen, slachtkuikens, leghennen of overig (slacht)pluimvee. Ingevolge artikel 19, eerste lid, zijn de op de detailplankaarten aangewezen gronden voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden" bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf: a. grondgebonden -G-; b. niet-grondgebonden -NG-; c. glastuinbouw -Gt-. 3.
- De raad heeft beoogd om op basis van de bestaande en legale situatie een grotendeels consoliderend bestemmingsplan vast te stellen. De agrarische bedrijven die in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2000" waren bestemd als "Agrarische bedrijfsdoeleinden, grondgebonden", zijn in het voorliggende plan daarom wederom bestemd als "Agrarisch - Grondgebonden", waarbij de bestaande bouwvlakken als uitgangspunt zijn genomen. Voor zover deze grondgebonden agrarische bedrijven tevens een intensieve veehouderijtak hebben ontwikkeld, is aan de vergunde dierenverblijven ten behoeve van de intensieve veehouderijtak de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend, ter plaatse waarvan op grond van artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder c, van de planregels tevens een intensieve veehouderijtak is toegestaan. Bij het toekennen van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" overeenkomstig het vorige plan heeft de raad niet van belang geacht of het gemengd agrarisch bedrijf een overwegend grondgebonden agrarisch bedrijf is. Gelet op het consoliderende karakter van het bestemmingsplan en de toegekende aanduiding "intensieve veehouderij" ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onredelijk is. Dat uit artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels volgt dat ter plaatse van de bestemming "Agrarisch - grondgebonden" een overwegend grondgebonden bedrijf is toegestaan, doet er immers niet aan af dat ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" binnen die bestemming tevens een intensieve veehouderij in de vorm van een intensieve veehouderijtak is toegestaan. Het standpunt van de raad dat andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de intensieve veehouderijtak buiten de aanduiding "intensieve veehouderij" maar binnen de rest van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" en, voor zover hier van belang, de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" en "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" zijn toegestaan is, gelet op artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder b, van de planregels, juist. In de plantoelichting staat dat de uitbreiding van een intensieve veehouderijtak wordt opgevat als omschakeling van een grondgebonden bedrijf naar een intensief veehouderijbedrijf. Dat de raad uitbreiding van de intensieve veehouderijtak bij gemengde agrarische bedrijven vanwege de eventuele negatieve gevolgen die met die ontwikkelingsmogelijkheden gepaard gaan alleen bij afzonderlijke procedure, indien onder meer sprake is van een duurzame locatie, heeft willen toestaan, acht de Afdeling in beginsel niet onredelijk, daargelaten het antwoord op de vraag of het vorige bestemmingsplan omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf bij recht toestond. De raad kan ongeacht het consoliderende karakter van een bestemmingsplan immers op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan en nu is beoogd de bestaande en legale situatie vast te leggen, heeft de raad er voorts voor gekozen om geen wijzigingsbevoegdheden voor vormverandering of uitbreiding ten behoeve van agrarische bedrijven en omschakeling naar een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf of intensief veehouderijbedrijf op te nemen, hetgeen de Afdeling in beginsel evenmin onredelijk acht. 3.
- In het navolgende zal de Afdeling met inachtneming van het hiervoor overwogene de beroepen die zijn gericht tegen de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" per appellant op perceelsniveau beoordelen. Aanduidingen ten behoeve van erfverharding en/of sleufsilo’s
- Een aantal appellanten richt zich tegen de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" en/of "specifieke vorm van agrarisch - 16", voor zover die is of zijn toegekend aan verscheidene agrarische percelen. 4.
- De raad heeft aangegeven dat, gelet op artikel 8.3, eerste lid, onder d en artikel 8.4, eerste lid, onder e, van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012) permanente voorzieningen zoals erfverhardingen en sleufsilo’s binnen de agrarische bestemmingsvlakken zijn gebracht waardoor de bestemmingsvlakken ten opzichte van de agrarische bouwvlakken in het vorige plan zijn vergroot. Om te voorkomen dat hierbij ook andere agrarische ontwikkelingsmogelijkheden ontstaan, is opgenomen dat ter plaatse van de erfverhardingen en sleufsilo’s geen bedrijfsgebouwen en andere voorzieningen mogen worden gebouwd. 4.
- Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, onder d, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok. Ingevolge het achtste lid kan een bestemmingsplan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder d, bepalen dat aansluitend op het bouwblok van een grondgebonden veehouderij voerplaten, sleufsilo's of andere voorzieningen - niet zijnde gebouwen - kunnen worden opgericht tot ten hoogste 0,5 ha voor de opslag van ruwvoer indien dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, aanhef en onder e, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok. 4.
- Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder n, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 16" uitsluitend bestemd voor sleufsilo's. Ingevolge het bepaalde onder af zijn de voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" uitsluitend bestemd voor erfverharding. Ingevolge lid 5.2, onder 5.2.2, aanhef en sub f, onder 1, mag het bouwvlak geheel worden bebouwd, met dien verstande dat geen bebouwing is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding", behoudens een weegbrug. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder v, zijn de voor "Agrarisch - Intensieve veehouderij" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" uitsluitend bestemd voor erfverharding. Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.2, aanhef en sub e, onder 1, mag het bouwvlak geheel worden bebouwd, met dien verstande dat geen bebouwing is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding", behoudens een weegbrug. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, onder s, zijn de voor "Agrarisch - Niet grondgebonden" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" uitsluitend bestemd voor erfverharding. Ingevolge lid 7.2, onder 7.2.2, aanhef en sub e, onder 1, mag het bouwvlak geheel worden bebouwd, met dien verstande dat geen bebouwing is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding", behoudens een weegbrug. Ingevolge artikel 37, lid 37.1, onder a, is in dit plan in alle artikelen het bouwvlak gelijk aan het bestemmingsvlak, tenzij op de verbeelding binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is ingetekend dat kleiner is dan het bestemmingsvlak. 4.
- Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, behoudens het achtste lid, en artikel 8.4, aanhef en onder e, van de Verordening 2012 dienen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven en overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven te worden geconcentreerd in een bouwblok. Hieronder vallen onder meer sleufsilo’s en erfverhardingen. Permanente voorzieningen bij intensieve veehouderijen heeft de raad ook binnen de agrarische bestemmingsvlakken gebracht. Om deze reden heeft de raad in voorkomende gevallen de bestemmingsvlakken ten behoeve van de agrarische bedrijven vergroot. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat andere agrarische bebouwing en andere voorzieningen ten behoeve van het agrarische bedrijf ter plaatse dient te worden tegengegaan, omdat dit in voorkomende gevallen kan leiden tot een uitbreiding van de bestemmingsvlakken ten behoeve van agrarische bedrijven die de raad gelet op de eventuele nadelige ruimtelijke gevolgen daarvan niet mogelijk heeft willen maken, niet onredelijk. 4.
- In het navolgende zal de Afdeling met inachtneming van het hiervoor overwogene de beroepen die zijn gericht tegen de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" en/of "specifieke vorm van agrarisch - 16" per appellant op perceelsniveau beoordelen. Het beroep van [appellante sub 1] Ontvankelijkheid
- De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellante sub 1], omdat het beroepschrift mogelijk niet tijdig is ingediend. Bij de raad is slechts het per post op 23 september 2013 bij de Afdeling ingekomen beroepschrift bekend. 5.
- Uit de publicatie volgt dat het vastgestelde plan ter inzage is gelegd vanaf 8 augustus
- De beroepstermijn is derhalve aangevangen op 9 augustus 2013 en liep tot en met 19 september
- Het beroepschrift van [appellante sub 1] is op 17 september 2013 per faxbericht en derhalve tijdig bij de Afdeling ingekomen. Mitsdien bestaat geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van [appellante sub 1] wegens overschrijding van de termijn voor het instellen daarvan. 5.
- De raad heeft voorts naar voren gebracht dat het beroep van [appellante sub 1] voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 11, lid 11.1, onder a, sub 1, wat betreft het woord "uitsluitend", en lid 11.1, onder a, sub 2, wat betreft de aanduiding van de locatie van het waterbassin, niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze en in zoverre derhalve niet-ontvankelijk is. 5.
- Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Bij de vaststelling van het plan zijn wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp. Tegen de gewijzigde planvaststelling kan - zonder het tijdig indienen van zienswijzen - uitsluitend worden opgekomen voor zover de bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen voor betrokkenen een ongunstiger positie bewerkstelligen. Niet vast is komen te staan dat de hier aan de orde zijnde wijzigingen van artikel 11, lid 11.1, voor [appellante sub 1] geen nadeliger positie opleveren. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het beroep van [appellant sub 24] in zoverre niet-ontvankelijk is. Inhoudelijk
- [appellante sub 1], die een agrarisch-technisch hulpbedrijf exploiteert op het perceel [locatie 1] te Stevensbeek, betoogt dat in de definitie van agrarisch-technische hulpbedrijven in artikel 1, lid 1.17, van de planregels ten onrechte mestbewerking, waaronder het scheiden, mengen en hygiëniseren van mest, is uitgesloten. Zij voert daartoe aan dat deze werkzaamheden al jaren plaatsvinden in het bedrijf en dat deze ook uitdrukkelijk zijn toegestaan in de verschillende milieuvergunningen waarover het bedrijf beschikt. Mestbewerking is volgens haar noodzakelijk voor het kunnen verhandelen en exporteren van mest. [appellante sub 1] betoogt dat zij aan het voorgaande en aan het ontbreken van handhavend optreden door het gemeentebestuur in redelijkheid het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat mestbewerking in haar bedrijf is toegestaan. Zij betoogt voorts dat de raad op dit punt ten onrechte zonder meer heeft aangesloten bij de Verordening Ruimte 2012, temeer daar (het ontwerp van) de Verordening Ruimte 2014 (hierna: Verordening 2014) wel ruimte laat voor het toestaan van mestbewerking in agrarisch-technische hulpbedrijven. [appellante sub 1] acht artikel 1, lid 1.17, ook overigens te beperkend, nu daarin niet de op- en overslag van bermgras en slootkantveegsel, op- en overslag en zeven van grond en bagger afkomstig van loonwerkactiviteiten, op- en overslag en shredderen van snoeihout en groenafval, op- en overslag van bouwstoffen, op- en overslag en drogen van mais en graanproducten en opslag van zand, grond, champost, schuimaarde en organische meststoffen, zijn opgenomen. Deze activiteiten waren volgens haar onder het voorheen geldende bestemmingsplan wel toegelaten. [appellante sub 1] kan zich voorts niet verenigen met artikel 11, lid 11.4.1, onder e, van de planregels, waarin het gebruik van de gronden voor bedrijven van categorie 3 en 4 als met het plan strijdig gebruik wordt aangemerkt. Dit betekent volgens haar dat ook de activiteiten in haar bedrijf, zijnde een categorie 3.1-bedrijf, strijdig zijn met het plan. Het beroep van [appellant sub 24] is ten slotte gericht tegen artikel 11, lid 11.1, onder a, sub 1, wat betreft het woord "uitsluitend" en lid 11.1, onder a, sub 2, wat betreft de aanduiding van de locatie van het waterbassin. 6.
- Volgens de raad is in het plan als uitgangspunt gehanteerd dat mestbe- en verwerking in beginsel uitsluitend kan worden toegestaan bij mestproducerende agrarische bedrijven zelf. Het plan is volgens de raad op dit punt niet gebaseerd op de Verordening Ruimte van de provincie, maar op terughoudend gemeentelijk beleid ter zake van de omvang van agrarisch-technische hulpbedrijven. Dit beleid steunt volgens de raad op het uitgangspunt dat mestbe- en verwerking een activiteit is die andersoortige ruimtelijke gevolgen heeft voor de omgeving dan werkzaamheden die in agrarisch-technische hulpbedrijven gebruikelijk zijn. Mestbe- en verwerking was volgens de raad onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" ter plaatse evenmin toegestaan. Dat het bedrijf over milieuvergunningen voor mestbe- en verwerking beschikt betekent voorts niet dat ook aanspraak kan worden gemaakt op planologische toestemming ter zake, aldus de raad. De raad heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de begrippen in een bestemmingsplan, zoals in artikel 1, lid 1.17, van de planregels, in algemene zin aangeven wat is toegestaan en dat niet alle activiteiten in het plan specifiek behoeven te worden benoemd om te zijn toegelaten. Ook met betrekking tot de verschillende door haar bestreden onderdelen van artikel 11 van de planregels gaat [appellante sub 1] van een onjuiste lezing uit, aldus de raad. 6.
- Aan het bedrijf zijn in het plan onder meer de bestemming "Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf" met de gebiedsaanduidingen "agrarisch gebied" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 14" toegekend. 6.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.17, van de planregels wordt onder agrarisch-technisch hulpbedrijf verstaan: een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten waarbij gemechaniseerd loonwerk ten behoeve van land-, tuin-, bos-, of natuurbouw wordt verricht, waarbij gebruik wordt gemaakt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, tuin-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Voorbeelden van agrarisch-technische bedrijven zijn: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven. Ingevolge lid 1.119 wordt onder mestbewerking verstaan: behandeling van dierlijke mest zonder noemenswaardige veranderingen aan het product teweeg te brengen. Voorbeelden hiervan zijn mengen, roeren, homogeniseren en verwijderen van vreemde objecten zoals plastic folie en hoeven. Ingevolge lid 1.120 wordt onder mestverwerking verstaan: toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen. Voorbeelden hiervan zijn scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding, met uitzondering van toepassing van mest bij het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting. Ingevolge lid 11.1, onder a, zijn de voor "Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de navolgende aanduidingen uitsluitend de daarbij aangegeven soorten bedrijven zijn toegestaan:
- uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 14', tevens een mestopslagbedrijf;
- ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 28', uitsluitend een waterbassin. Ingevolge artikel 11, lid 11.4.1, onder e, wordt onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor en/of als: bedrijven van categorie 3 en
- 6.
- In het voordien geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" waren aan de betreffende locatie de aanduidingen "agrarisch hulpbedrijf" en "gezamenlijke mestopslag en bedrijfsruimte/agrarisch hulpbedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 1, lid 10, van de voorschriften van dat plan werd onder agrarisch hulpbedrijf verstaan: een (loon)werkbedrijf, dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (meer dan 80%) werkzaamheden verricht, met gebruikmaking van landbouwwerktuigen, ten behoeve van de bedrijfsexploitatie van agrarische bedrijven. Ter zitting heeft de raad verklaard dat in het vorige plan met de voor het overige toegestane werkzaamheden werd gedoeld op het opslaan van mest en dat in het ruimtelijk spoor derhalve slechts daarvoor toestemming bestond en niet voor de be- en verwerking van mest. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan op dit punt niet afwijkt van het vorige planologische regime. De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat [appellante sub 1] aan de aan haar verleende milieuvergunningen het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat mestbe- en verwerking ook in het bestemmingsplan zou worden toegestaan. Het ruimtelijke en het milieuhygiënische spoor zijn in beginsel gescheiden beslissingstrajecten met een eigen afwegingskader. De raad dient de milieuvergunningen evenwel in de bij de vaststelling van een bestemmingsplan te verrichten belangenafweging te betrekken. In dat verband heeft de raad naar voren gebracht dat hij onlangs heeft besloten om mee te werken aan de uitbreiding van de activiteiten van het bedrijf, maar dat in ambtelijk overleg over de daartoe aangevraagde omgevingsvergunning van de zijde van de provincie is verklaard dat verdere uitbreiding van de activiteiten van het bedrijf in ernstige mate in strijd zou komen met het provinciale beleid. De raad heeft naar eigen zeggen bij de vaststelling van het plan niet op een besluit van het college van gedeputeerde staten ter zake willen vooruitlopen. De Afdeling acht dit niet onredelijk en ziet, mede gelet hierop, geen grond voor het oordeel dat de raad de milieuvergunningen van het bedrijf bij de vaststelling van het plan in onvoldoende mate heeft betrokken. Uit het achterwege blijven van handhavingsacties wegens met het plan strijdige gebruik heeft [appellante sub 1] niet in redelijkheid kunnen afleiden dat mestbe- en verwerking volgens het toenmalige plan was toegestaan en/of in het voorliggende plan zou worden opgenomen. Gebruik in strijd met de geldende bestemming doet in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan. Er bestaat geen aanleiding om in dit geval een uitzondering te maken op dit uitgangspunt. [appellante sub 1] heeft zich voorts ter zake tevergeefs beroepen op de Verordening Ruimte
- Deze Verordening is op 19 maart 2014, na de vaststelling van het plan in werking getreden, zodat de raad met de bepalingen van die verordening reeds daarom geen rekening heeft hoeven houden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de activiteiten van het bedrijf uit te breiden met mestbe- en verwerking. Het betoog faalt. Met betrekking tot de reikwijdte van artikel 1, lid 1.17, van de planregels heeft de raad ter zitting verklaard dat deze bepaling niet limitatief bedoeld is en dat daarmee niet is beoogd om de werkzaamheden te beperken ten opzichte van hetgeen onder het vorige plan was toegestaan, maar uitsluitend om niet-loonwerkgerelateerde werkzaamheden als puinbreken uit te sluiten. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat uit het artikellid onvoldoende duidelijk is welke werkzaamheden zijn toegestaan en dat de raad de toegestane werkzaamheden kortheidshalve niet in redelijkheid heeft kunnen aanduiden als hij heeft gedaan. Het betoog faalt. 6.
- Met betrekking tot artikel 11, lid 11.4.1, onder e, van de planregels heeft de raad ter zitting verklaard dat het bedrijf moet worden aangemerkt als een categorie 3.1-bedrijf en dat met de bedoelde bepaling uitsluitend is beoogd om gebruik van de gronden en bouwwerken voor een andersoortig bedrijf in categorie 3 te voorkomen. Naar de raad terecht heeft opgemerkt zijn de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 1] rechtstreeks toegelaten in het plan en kunnen deze derhalve niet in strijd komen met genoemd artikel. Ook dit betoog faalt derhalve. 6.
- Artikel 11, lid 11.1, onder a, sub 1, dient - naar de raad heeft verklaard - zo te worden gelezen dat aan de gronden van het bedrijf als geheel de bestemming "Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf" is toegekend en dat ter plaatse van de daarop betrekking hebbende aanduiding tévens een mestopslag is toegestaan. Met artikel 11, lid 11.1, onder a, sub 2, is volgens de raad uitsluitend beoogd de locatie van het waterbassin vast te leggen, met uitsluiting van andere bouwwerken. Het betreft hier volgens de raad een uitbreiding van het bouwvlak naar aanleiding van vergunningverlening na het ontwerpplan. [appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt op welke wijze zij van lid 11.1, onder a, sub 2, nadeel denkt te zullen ondervinden. Het betoog kan niet slagen. 6.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 1] ongegrond. 6.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellante sub 1] geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 2]
- [appellant sub 2] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 2] te Wanroij ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat zijn recreatiewoning ter plaatse, waarvan het gebruik reeds in 1968 door het college van burgemeester en wethouders is toegestaan, ten onrechte niet als zodanig is bestemd. 7.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming overeenkomt met het vorige plan. Het als zodanig bestemmen van de recreatiewoning zou volgens de raad een beperking opleveren voor het naastgelegen agrarische bedrijf en is derhalve niet mogelijk. 7.
- De gronden ter plaatse van de boerderij [locatie 2] hebben de bestemming "Agrarisch". Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels mogen op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden geen gebouwen worden gebouwd, behoudens kleinschalige voorzieningen ten behoeve van beheer of extensief recreatief medegebruik, waarvan de goot- en bouwhoogte maximaal respectievelijk 3 en 5 meter en de oppervlakte maximaal 30 m² mag bedragen. 7.
- In het voorheen geldende plan hadden de gronden ter plaatse de bestemming "Agrarisch gebied" zonder bouwvlak. 7.
- Bij brief van 26 september 1968, met als onderwerp "woonvergunning", heeft het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Wanroij aan [belanghebbende D] medegedeeld dat hem toestemming wordt verleend om de boerderij [locatie 2] in weekenden en vakanties te gaan bewonen. In de brief staat ook dat bij een eventuele verbouwing van voormeld boerderijtje een bouwvergunning dient te worden aangevraagd. 7.
- Ter zitting is gebleken dat de boerderij al geruime tijd, mogelijk vanaf 1762, ter plaatse aanwezig is en in ieder geval vanaf 1968 door de familie van [appellant sub 2] als recreatiewoning wordt gebruikt, overeenkomstig de toestemming in de voornoemde brief. De Afdeling overweegt dat het gelet op dit tijdsverloop, zoals de raad ook ter zitting heeft erkend, aannemelijk is dat de boerderij en het bestaande gebruik als recreatiewoning onder het overgangsrecht zijn komen te vallen. De raad heeft verder ter zitting erkend dat het niet zijn intentie is dat de boerderij verdwijnt. Nu gelet daarop niet aannemelijk is dat de boerderij en het bestaande gebruik daarvan binnen de planperiode zullen verdwijnen, heeft de raad niet in redelijkheid kunnen kiezen voor het achterwege laten van enige planregeling en het voor de tweede maal onder het overgangsrecht brengen hiervan. Dit betekent evenwel niet dat zonder meer een bestemming als recreatiewoning dient te worden opgenomen. Daarbij is van belang dat gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen doet ontstaan dat een daartoe strekkende bestemming wordt toegekend. Dat geldt ook voor de brief van het college van burgemeester en wethouders, nu die brief niet maakt dat het gebruik van de boerderij als recreatiewoning planologisch is toegestaan. Nu het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - grondgebonden" aan Peelkant 7 op slechts 5 m afstand ligt en een recreatiewoning een geurgevoelig object is, kan de raad in zijn standpunt worden gevolgd dat aannemelijk is dat een bestemming als recreatiewoning een beperking oplevert voor dit agrarisch bedrijf. Dat, zoals [appellant sub 2] stelt, dit niet te verwachten is, omdat hij en de agrariër tot op heden geen hinder van elkaar hebben ondervonden, leidt niet tot een ander oordeel. Die omstandigheid doet immers niet af aan de mogelijke juridische consequenties van een geurgevoelig object op zodanig korte afstand van het agrarisch bedrijf. Het had gelet het voorgaande in dit geval op de weg van de raad gelegen om te onderzoeken of voor de boerderij, als een gebouw van agrarisch origine, een bouwvlak kan worden opgenomen en of daarbij voor het bestaande gebruik als recreatiewoning persoonsgebonden overgangsrecht dan wel een uitsterfregeling mogelijk is. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat de boerderij weliswaar als agrarisch gebouw wordt bestemd, maar dat in afwijking van het gebruiksverbod, het bestaande gebruik als recreatiewoning in de huidige omvang wordt toegestaan, met dien verstande dat bij beëindiging hiervan, dit gebruik niet langer is toegestaan. Nu daarvan niet is gebleken, heeft de raad het plan onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt. 7.
- In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de bestaande boerderij op het perceel [locatie 2] te Wanroij, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 7.
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] niet gebleken. Het beroep van [appellant sub 3]
- [appellant sub 3] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf" aan de [locatie 3] te Wanroij ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat bij de gewijzigde vaststelling van het plandeel ten onrechte geen aanduiding met een maximaal bebouwd oppervlak aan bedrijfsbebouwing is opgenomen, als bedoeld in artikel 11, lid 11.2.3, onder b, van de planregels. Ook is op de verbeelding ten onrechte alleen een stippellijn en geen bouwvlak opgenomen, terwijl dit op grond van lid 11.2.2 wel nodig is. Het plan is daardoor in strijd met de rechtszekerheid. 8.
- Ter zitting heeft de raad, anders dan in het verweerschrift, gesteld dat hoewel geen bouwvlak op de verbeelding is opgenomen, de bebouwing op het perceel van [appellant sub 3] als zodanig is bestemd. In de planregels is namelijk bepaald dat bij het ontbreken van een bouwvlak het bestemmingsvlak als zodanig wordt beschouwd. Volgens de raad staat het plan derhalve binnen de bestemming "Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf", met uitzondering van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarsich - erfverharding", bebouwing toe, zoals door [appellant sub 3] gewenst. De planregeling is niet rechtsonzeker. 8.
- Het perceel van [appellant sub 3] heeft de bestemming "Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf". Een deel van de gronden heeft de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding". Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch technische hulpbedrijven (…) met daaraan ondergeschikt: (…) g. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding", uitsluitend erfverharding. Ingevolge lid 11.2.2, gelden voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" de volgende regels: a. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijf toegestaan (…); b. gebouwen, de bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd; c. bouwwerken, geen gebouw zijnde zoals waterbassins, verhardingen en parkeervoorzieningen mogen binnen het bestemmingsvlak worden gerealiseerd; d. indien op de verbeelding het bouwvlak gelijk is aan het bestemmingsvlak gelden de regels onder a tot en met c voor het gehele bestemmingsvlak, tevens bouwvlak zijnde. Ingevolge lid 11.2.3, onder b, bedraagt de oppervlakte van bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken inclusief mestsilo's maximaal de ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak" aangeduide bebouwde oppervlakte, dan wel maximaal het ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" aangeduide bebouwingspercentage, met dien verstande dat:
- (…)
- daar waar die aanduidingen niet aanwezig zijn, het bouwvlak geheel mag worden bebouwd. Ingevolge artikel 37, lid 37.1, onder a, is in dit plan in alle artikelen het bouwvlak gelijk aan het bestemmingsvlak, tenzij op de verbeelding binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is ingetekend dat kleiner is dan het bestemmingsvlak. 8.
- De Afdeling stelt vast dat gelet op artikel 37, lid 37.1, en artikel 11, lid 11.2.2, onder d, van de planregels het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf - Agrarisch technisch hulpbedrijf" op het perceel van [appellant sub 3] bij gebrek aan een bouwvlak voor de toepassing van de bouwregels in artikel 11 wordt aangemerkt als het bouwvlak. Dat op de plankaart geen bouwvlak is aangegeven heeft derhalve, anders dan [appellant sub 3] vreest, niet tot gevolg dat geen bebouwing is toegestaan. Wat betreft het ontbreken van een percentage of een maximaal bebouwd oppervlak, is van belang dat in artikel 11, lid 11.2.3, onder b, sub 2, van de planregels is bepaald dat indien geen percentage of maximumoppervlak is opgenomen het hele bouwvlak, in dit geval het bestemmingsvlak, mag worden bebouwd. Het ontbreken van deze aanduiding leidt derhalve evenmin tot beperkingen in de bouwmogelijkheden. De stippellijn in het bestemmingsvlak, waar [appellant sub 3] op heeft gewezen en waar volgens hem het bouwvlak zou moeten komen, is de grens van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding", welke gronden uitsluitend voor erfverharding mogen worden gebruikt. Deze aanduiding komt derhalve overeen met de door [appellant sub 3] gewenste bouwgrens. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan rechtsonzeker is en evenmin voor het oordeel dat [appellant sub 3] ten onrechte wordt beperkt in de door hem gewenste bouwmogelijkheden. Het betoog faalt. 8.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond. 8.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] geen aanleiding. Het beroep van de milieuvereniging Ontvankelijkheid
- De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van de milieuvereniging niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift een dag te laat is ingediend. 9.
- Zoals is overwogen in 5 liep de beroepstermijn tot en met 19 september
- De Afdeling wijst er daarbij op dat ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd. Het beroepschrift van de milieuvereniging is per faxbericht op 19 september 2013 binnengekomen bij de Raad van State. Mitsdien bestaat geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van de milieuvereniging wegens overschrijding van de termijn voor het instellen daarvan. Structuurvisie
- De milieuvereniging betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld zonder dat de structuurvisie voor het buitengebied was vastgesteld. 10.
- Ten tijde van de vaststelling van het plan was geen structuurvisie met betrekking tot het buitengebied vastgesteld. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wro, noch enige andere rechtsregel volgt dat de raad is gehouden voorafgaand aan een bestemmingsplan een structuurvisie vast te stellen. Het niet hebben van deze structuurvisie doet niet af aan de bevoegdheid van de raad een plan vast te stellen. Voor zover de milieuvereniging er op wijst dat in de plantoelichting, onder meer in de inleiding van hoofdstuk 2, wordt verwezen naar een structuurvisie voor het buitengebied, wordt overwogen dat de plantoelichting geen juridisch bindend deel is van het bestemmingsplan. Reeds hierom kan dit betoog niet leiden tot vernietiging van het plan in zoverre. Het betoog faalt. Bestemmingsvlakken veehouderijen
- De milieuvereniging betoogt dat de raad het plan, voor zover het betreft de bestemmingsvlakken voor veehouderijen, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de raad ten onrechte stelt dat het plan conserverend is, omdat nog ruimte aanwezig is binnen de bouwvlakken en de bouwvlakken kunnen worden uitgebreid. De milieuvereniging voert aan dat de raad had moeten kiezen voor bouwvlakken op de muur. Uitbreiding zou dan slechts moeten worden toegestaan als dat bijdraagt aan de transitie naar duurzame veehouderij, aldus de milieuvereniging. 11.
- De raad stelt zich op het standpunt dat bij het toekennen van de bouwvlakken de bestaande veehouderijen in het plangebied zijn gerespecteerd, maar dat de ontwikkelingsruimte ten opzichte van het voorheen geldende plan aanzienlijk is beperkt. De raad wijst er op dat geen wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen voor een vergroting van het bouwvlak en dat een omschakeling naar een intensievere vorm van veehouderij niet mogelijk is. 11.
- De veehouderijen in het plangebied zijn met de volgende bestemmingen en aanduidingen mogelijk gemaakt. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een overwegend grondgebonden bedrijf; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", tevens een intensieve veehouderijtak; d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "grondgebonden veehouderij", tevens een overige grondgebonden veehouderij; j. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 6", tevens een grondgebonden melkrundveehouderij. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Agrarisch - Intensieve veehouderij" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een intensieve veehouderij, al dan niet met als ondergeschikte nevenactiviteit een grondgebonden bedrijfstak, niet zijnde een grondgebonden (melkrund)veehouderij; b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1", tevens een geiten- en/of schapenhouderij; e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 6", tevens een grondgebonden melkrundveehouderij. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Agrarisch - Niet grondgebonden" aangewezen gronden bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik in de vorm van een overig niet-grondgebonden bedrijf, al dan niet met als ondergeschikte nevenactiviteit een grondgebonden bedrijfstak, niet zijnde een grondgebonden (melkrund)veehouderij; b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", tevens een intensieve veehouderijtak; d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 7", een niet-grondgebonden melkrundveehouderij, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel" uitsluitend bestaande niet-grondgebonden melkrundveehouderijen zijn toegestaan. 11.
- In paragraaf 4.4 van de plantoelichting staat dat bij het toekennen van de agrarische bouwvlakken is uitgegaan van de bouwvlakken uit het vorige plan, in combinatie met de feitelijke situatie. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het aantal intensieve veehouderijen in het plangebied daardoor is verminderd, onder meer vanwege de toepassing van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (hierna: RBV-regeling) in de voorgaande planperiode. Ondergeschikte niet-grondgebonden bedrijfstakken zijn volgens de plantoelichting op de verbeelding expliciet aangeduid, zodat uitbreiding niet mogelijk is. Nieuwvestiging is niet toegestaan en omschakeling alleen indien daarbij sprake is van een vermindering van de milieuhygiënische en ruimtelijke impact, aldus de toelichting. Uit de planregels volgt dat geen omschakeling van een grondgebonden bedrijf naar een veehouderij mogelijk is en evenmin een omschakeling van een grondgebonden naar een intensieve veehouderij. Anders dan de milieuvereniging stelt, bevat het plan geen wijzigings- of afwijkingsbevoegdheden waarmee de bouwvlakken of bestemmingsvlakken voor veehouderijen kunnen worden uitgebreid of van vorm veranderd. De Afdeling acht het voornoemde uitgangspunt van de raad bij de toekenning van bouwvlakken niet onredelijk. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan hiermee een conserverend karakter heeft. Mede vanwege het ontbreken van uitbreidings- en omschakelingsmogelijkheden, heeft de raad in redelijkheid een groot gewicht kunnen toekennen aan de belangen van agrariërs bij de bestaande bouwvlakken. Daarbij wordt ook betrokken dat de raad ter zitting heeft gesteld dat ook in het vorige plan reeds in omvang beperkte bouwvlakken waren toegekend en dat ook andere voorzieningen dan stallen op gronden in het bouwvlak moeten worden gerealiseerd. Nu geen wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding zijn opgenomen heeft de raad daaraan ook niet de door de milieuvereniging gewenste voorwaarden kunnen verbinden. Het betoog faalt. Provinciaal beleid
- De milieuvereniging betoogt dat het plan, gelet op de geboden uitbreidingsmogelijkheden aan veehouderijen, in strijd is met de zorgplicht uit artikel 2.1 van de Verordening
- Ook heeft de raad ten onrechte niet aangesloten bij het provinciale beleid dat er van uitgaat dat uitbreidingsruimte moet worden verdiend. 12.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het plan aansluit bij de Verordening
- Het plan maakt geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk, als bedoeld in artikel 2.1 van de Verordening
- De raad is nog niet vooruitgelopen op de Verordening 2014 en het daarin opgenomen beleid, nu deze verordening nog niet gold ten tijde van de vaststelling van het plan. 12.
- Ingevolge artikel 1.2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 wordt, waar in deze verordening gesproken wordt over een bestaande bebouwing, een bestaande planologische gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, daaronder verstaan datgene wat het geldende bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, per 1 maart 2011 toestaat (…). Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De toelichting bij dat plan bevat daaromtrent een verantwoording. Ingevolge het tweede lid houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bedoeld in het eerste lid in ieder geval in dat: a. ingeval van vestiging van een ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; b. uitbreiding van het op grond van het per 1 maart 2011 geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Ingevolge het derde lid bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit een verantwoording waaruit blijkt dat: a. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden alsmede de op grond van deze verordening toegelaten ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden; b. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, in het bijzonder wat betreft de omvang van de beoogde bebouwing, past in de omgeving; (…). 12.
- Zoals hiervoor in 11.3 overwogen sluiten de bouwvlakken van veehouderijen in het plangebied aan bij de bouwvlakken die in het voorheen geldende plan waren toegekend. Gelet daarop en nu geen wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van uitbreiding of vormverandering van de bouwvlakken zijn opgenomen, kan de binnen het bouwvlak mogelijk gemaakte bebouwing op grond van artikel 1.2, derde lid, van de Verordening 2012 worden aangemerkt als bestaande bebouwing. Het plan maakt derhalve in zoverre geen nieuw ruimtebeslag mogelijk, als bedoeld in artikel 2.1 van de Verordening
- Nu in de plantoelichting verder is ingegaan op de in het derde lid genoemde aspecten, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 2.1 van de Verordening
- De Afdeling vat het betoog van de milieuvereniging over de beleidslijn van de provincie over het verdienen van uitbreidingsruimte zo op dat zij hiermee doelt op de Verordening
- De Afdeling overweegt dat de Verordening 2014 nog niet gold ten tijde van de vaststelling van het plan. De raad heeft in redelijkheid niet op deze verordening vooruit hoeven lopen. Het betoog faalt. Geur
- De milieuvereniging betoogt dat de raad ten onrechte geen evaluatie van de Verordening geurhinder en veehouderij 2007 (hierna: de geurverordening) heeft gemaakt en betrokken bij de vaststelling van het plan. Het plan draagt volgens de milieuvereniging ten onrechte niet bij aan een vermindering van de geurbelasting. 13.
- De raad stelt zich op het standpunt dat geen verplichting bestaat een evaluatie van de geurverordening te maken ten behoeve van het plan. Gelet op de beperkingen aan veehouderijen ten opzichte van het vorige plan, zijn geen negatieve gevolgen op het gebied van geur te verwachten, aldus de raad. 13.
- De raad heeft op 20 november 2007 de geurverordening vastgesteld. De geurverordening en de normen die daarin zijn opgenomen voor geurgevoelige objecten zijn opgenomen in paragraaf 4.6.4 van de plantoelichting. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van het plan in redelijkheid uit heeft kunnen gaan van deze geurverordening. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan gehouden was een evaluatie van de geurverordening te maken. Wat betreft de door de milieuvereniging gewenste beperkingen heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het behouden van de mogelijkheden voor veehouderijen binnen de bestaande bouwvlakken dan aan het belang bij de vermindering van de geurbelasting die mogelijk kan worden bereikt met verdergaande beperkingen. Het betoog faalt. Geitenhouderijen
- Wat betreft geitenhouderijen voert de milieuvereniging aan dat de raad deze vanwege de gezondheidsrisico's geen uitbreidingsmogelijkheden zou moeten bieden. Ook heeft de raad omschakeling naar en hervestiging van geitenhouderijen ten onrechte slechts tot 1 juni 2014 verboden in de planregels. 14.
- De raad stelt zich op het standpunt dat alleen bestaande geitenhouderijen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1". Nieuwvestiging en omschakelig zijn derhalve niet mogelijk. Voor het overige sluit het plan aan bij de Verordening
- 14.
- Ingevolge artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder p, van de planregels wordt onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor en/of als hervestiging van of omschakeling naar een geiten- of schapenhouderij, met dien verstande dat deze regel geldt tot 1 juni
- 14.
- De Afdeling stelt vast dat geitenhouderijen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1". Verder maakt het plan, zoals voor alle agrarische bedrijfsbestemmingen, geen uitbreiding van het bestemmingsvlak mogelijk en bevat het plan geen wijzigingsbevoegdheid voor nieuwe geitenhouderijen door toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1". Gelet daarop zijn alleen bestaande geitenhouderijen toegestaan. Vanwege de Verordening 2012 is verder opgenomen dat hervestiging en nieuwvestiging tot 1 juni 2014 verboden zijn. Overigens merkt de Afdeling op dat hoewel het gebruiksverbod in artikel 6, lid 6.4.1, onder p, van de planregels geldt tot 1 juni 2014, ook daarna op grond van de planregels geen uitbreiding van bestemmingsvlakken voor geitenhouderijen, dan wel nieuwvestiging van geitenhouderijen mogelijk is. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad nadere beperkingen aan de bestaande geitenhouderijen had dienen te verbinden. De milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarmee een onaanvaardbare gezondheidssituatie ontstaat. Het betoog faalt. Mestbe- en verwerking
- De milieuvereniging betoogt dat de raad ten onrechte mestverwerking heeft toegestaan. Ook heeft de raad artikel 5, lid 5.5.7, artikel 6, lid 6.4.4 en artikel 7, lid 7.4.3, van de planregels met betrekking tot de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 10" ten onrechte vastgesteld. Zij voert aan dat hiermee ten onrechte biomassavergisting tot 50.000 ton is toegestaan. Dat is een industriële activiteit die niet passend is in het buitengebied. 15.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.30, van de planregels wordt onder bedrijfsgebonden mestbe- en verwerking verstaan mestbe- en verwerking, uitsluitend ten behoeve van en ondergeschikt aan het eigen agrarisch bedrijf, met bijbehorende voorzieningen. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder l en z, artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder f en n, en artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder e en k, zijn de voor onderscheidenlijk "Agrarisch - Grondgebonden", "Agrarisch - Niet grondgebonden" en "Agrarisch - Intensieve veehouderij" aangewezen gronden bestemd voor: - uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 10", tevens een biomassavergistingsinstallatie; - bedrijfsgebonden mestbe- en verwerking. Ingevolge artikel 5, lid 5.5.7, artikel 6, lid 6.4.4 en artikel 7, lid 7.4.3, van de planregels gelden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 10" de volgende regels: a. biomassavergisting is uitsluitend toegestaan als nevenfunctie bij een bestaand agrarisch bedrijf; b. maximaal 25.000 ton mest en/of co-producten per jaar mag worden vergist, tenzij in de bestaande situatie reeds sprake is van een grotere verwerkingscapaciteit; c. het dient te gaan om een bedrijfseigen activiteit, waarbij:
- het digistaat (de vergiste mest) geheel kan worden afgezet op eigen grond;
- of de mest die gebruikt wordt voor het vergisten voor 95% procent afkomstig is van het eigen bedrijf. De co-producten mogen wel afkomstig zijn van andere bedrijven; d. onder 'eigen bedrijf', zoals genoemd onder c. wordt mede verstaan, bedrijven die via een besloten vennootschap of vennootschap onder firma aan elkaar gekoppeld zijn en/of bedrijven die via gekoppelde bestemmingsvlakken aan elkaar verbonden zijn; e. onder 'eigen grond' wordt verstaan alle gronden in eigendom, erfpacht of reguliere pacht. 15.
- Mestbe- en verwerking zijn op grond van de planregels slechts als bedrijfsgebonden activiteit toegestaan. Uit de definitiebepaling volgt dat het daarbij gaat om bewerking en verwerking ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit een gebruikelijk onderdeel is van de agrarische bedrijfsvoering. Niet is aannemelijk gemaakt dat dit, in verhouding tot de agrarische bedrijfsactiviteiten zelf, een zodanig negatieve invloed op de omgeving en het milieu zal hebben dat de raad dit niet in redelijkheid heeft kunnen toestaan. Het betoog faalt. 15.
- Voor de mogelijkheden van mestvergisting in het plan is van belang dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij besluit van 23 juli 2013 ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro een reactieve aanwijzing heeft gegeven. Het aanwijzingsbesluit strekt er onder meer toe dat in de planregels voor de bestemmingen "Agrarisch - Grondgebonden", "Agrarisch - Intensieve veehouderij" en "Agrarisch - Niet grondgebonden" de bepaling dat het digistaat (de vergiste mest) geheel kan worden afgezet op eigen grond, niet langer deel uitmaakt van het plan. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201308780/1/R3 is de aanwijzing, voor zover hier van belang, in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent dat de planregels in zoverre zijn komen te vervallen. Voor de beoordeling van het beroep gaat de Afdeling derhalve uit van de hiervoor genoemde artikelonderdelen 5.5.7, 6.4.4 en 7.4.3, met uitzondering van het bepaalde onder c, onder
- Het plan staat biomassavergisting toe bij agrarische bedrijven die de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 10" hebben. In het plangebied is deze aanduiding aan twee agrarische bestemmingsvlakken met de aanduiding "Agrarisch - Intensieve veehouderij" en aan een bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Niet grondgebonden" toegekend. De raad heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat de aanduidingen aan bestaande legale biomassavergistingsinstallaties zijn toegekend. Het plan bevat verder geen mogelijkheden om deze aanduiding aan andere agrarische bestemmingsvlakken toe te kennen, zodat geen nieuwe biomassavergistingsinstallaties mogelijk zijn gemaakt. Artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder l, en lid 5.5.4, van de planregels heeft derhalve geen rechtsgevolg. Ook is als gevolg van de reactieve aanwijzing alleen biomassavergisting mogelijk indien 95% van de daarvoor gebruikte mest afkomstig is van het eigen bedrijf. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarmee een verband met de agrarische bedrijfsvoering aanwezig is. De Afdeling overweegt verder dat het bepaalde onder b dient te worden gelezen als dat in totaal 25.000 ton mag worden vergist, zodat het betoog dat het gebruik is toegestaan tot 50.000 ton faalt. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze bestaande legale biomassavergistingsinstallaties, zoals hiervoor omschreven, niet in redelijkheid mogelijk heeft kunnen maken. Het betoog faalt. Gezondheid
- De milieuvereniging voert aan dat het aspect gezondheid ten onrechte geen rol heeft gespeeld bij de vaststelling van het plan. Uit een aantal onderzoeken, onder meer van de GGD en het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit Utrecht, volgt volgens haar dat een verband bestaat tussen veehouderijen en gezondheidsklachten. De raad heeft ten onrechte geen gezondheidseffectscreening (hierna: GES) gemaakt en geen aanbevelingen gevraagd van de GGD of de gezondheidsraad. Het plan is in zoverre in strijd met de Wet publieke gezondheid, artikel 174, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (thans: artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)) en de artikelen 2 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aldus de milieuvereniging. 16.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de Gezondheidsraad in haar rapport "Gezondheidsrisico's van veehouderijen" uit 2012 stelt dat er onvoldoende wetenschappelijke kennis is over de gezondheidsrisico's van veehouderijen, waardoor er nog geen gefundeerde keuzes kunnen worden gemaakt over algemene afstandscriteria en ook geen andere normen kunnen worden gesteld. Gelet hierop en omdat het plan geen uitbreidingsmogelijkheden voor bouwvlakken biedt, bestaat geen aanleiding om nadere beperkingen op te leggen, aldus de raad. 16.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3), vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair in andere wetgeving en kunnen daarnaast aan een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. De mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven is niettemin een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan als hier aan de orde. De raad dient in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te onderzoeken of een plan niet zodanige risico's voor de volksgezondheid meebrengt dat, gelet daarop, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onvoldoende is gewaarborgd. Daarbij bestaat geen plicht tot het maken van een GES. De raad heeft de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen in het plan beperkt doordat de huidige bouwvlakken zijn opgenomen zonder wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van uitbreiding en doordat omschakeling naar intensievere vormen van veehouderij niet mogelijk is. Voor zover de milieuvereniging wijst op rapporten waarin staat dat tussen veehouderijen en woningen bepaalde afstanden moeten worden aangehouden, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat deze rapporten en de daarin genoemde maatregelen of afstanden geen wettelijke status hebben. Niet is gebleken dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van de volksgezondheid bij de vaststelling van dit plan. Het betoog faalt. 16.
- Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het EVRM wordt het recht van een ieder op leven beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, behoudens door de tenuitvoerlegging van een gerechtelijk vonnis wegens een misdrijf waarvoor de wet in de doodstraf voorziet. Ingevolge artikel 8, eerste lid, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 16.
- De milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan een zodanig negatieve invloed zal hebben op de leefbaarheid in en rond het plangebied dat van een inmenging in de zin van artikel 8 van het EVRM kan worden gesproken. Voorts geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad te kort is geschoten in een op hem rustende positieve verplichting om redelijke en gepaste maatregelen te nemen ter bescherming van de in artikel 8, eerste lid, van het EVRM neergelegde rechten. Voor zover toch sprake zou zijn van een inmenging vindt deze haar grondslag in de Wro en het op grond van die wet door de raad vastgestelde bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro. Het vaststellen van het plan is noodzakelijk in het belang van één of meer van de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM genoemde doelen. De milieuvereniging heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat door de vaststelling van het plan artikel 2 van het EVRM is geschonden. Het betoog faalt. 16.
- Voor zover de milieuvereniging wijst op de Wet publieke gezondheid, wordt overwogen dat deze wet geen bepaling kent die in acht dient te worden genomen bij het vaststellen van een bestemmingsplan door de raad. De milieuvereniging heeft haar betoog dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 191, tweede lid, van het VWEU niet nader onderbouwd, zodat het betoog faalt. Milieueffectrapport en passende beoordeling
- De milieuvereniging voert aan dat de raad ten onrechte geen milieueffectrapport voor plannen (hierna: plan-MER), waarin de gevolgen van de mogelijkheden voor veehouderijen in het plan voor de leefomgeving en het milieu zijn onderzocht, en geen passende beoordeling heeft gemaakt. Daartoe voert zij aan dat de kritische depositiewaarde voor ammoniak in de omgeving reeds ruim wordt overschreden. De afstand tot de Natura 2000-gebieden in de omgeving is niet zodanig dat negatieve effecten uitgesloten zijn. 17.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheden voor veehouderijen ten opzichte van het voorheen geldende plan aanzienlijk zijn beperkt en er slechts een paar intensieve veehouderijen zijn met beperkte uitbreidingsruimte binnen hun bouwvlak. Gelet daarop voorziet het plan volgens de raad niet in ontwikkelingen die tot het maken van een plan-MER verplichten. De raad stelt zich verder op het standpunt dat is uitgesloten dat het plan significante negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden ten opzichte van het voorheen geldende plan, waarin meer mogelijkheden waren opgenomen. Verder wijst de raad erop dat de Natura 2000-gebieden ook op bedrijfsniveau worden beschermd. Uitbreiding van een bedrijf kan alleen plaatsvinden indien de depositie van ammoniak ten opzichte van het Natura 2000-gebied niet toeneemt. 17.
- Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000 gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Nbw
- 17.
- Niet is in geschil dat binnen sommige agrarische bestemmingsvlakken voor veehouderijen en intensieve veehouderijen nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden aanwezig zijn, waardoor een feitelijke uitbreiding van deze veehouderijen en een uitbreiding van het aantal dieren ter plaatse mogelijk is. De Afdeling stelt vast dat dit niet voor intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied geldt, omdat daar op grond van artikel 6, lid 6.2.3, van de planregels de bebouwing niet mag worden vergroot. De raad heeft verder gesteld dat de stallen van intensieve veehouderijtakken bij grondgebonden of overige niet-grondgebonden veehouderijen expliciet en op maat zijn aangeduid met de aanduiding "intensieve veehouderij". De milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze aanduiding nog uitbreidingsmogelijkheden biedt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 200906702/1/R3) dient de raad de aanvaardbaarheid van een bestemmingsplan bij het vaststellen (opnieuw) te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving. Dat de bouwvlakken voor veehouderijen overeenkomen met of kleiner zijn dan de bouwvlakken in het voorheen geldende plan, zoals de raad stelt, leidt derhalve niet reeds tot het oordeel dat het plan op dit punt in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw 1998 en dat daarvoor geen passende beoordeling nodig is. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat een groot aantal uitbreidingsmogelijkheden, met name wijzigingsbevoegdheden, is verwijderd ten opzichte van het voorheen geldende plan, nu dat niet afdoet aan de bouwmogelijkheden voor veehouderijen die resteren binnen de in het plan toegekende bouwvlakken. Weliswaar heeft de raad gesteld dat slechts een beperkt aantal veehouderijen feitelijk kan uitbreiden, maar niet is gebleken dat de raad dit heeft onderzocht. Daarbij is van belang dat niet duidelijk is hoeveel veehouderijen nog ruimte hebben, wat dat aan feitelijke bouwmogelijkheden biedt en wat dat betekent voor een mogelijke uitbreiding van het aantal dieren. Evenmin is inzichtelijk gemaakt wat het plan in zoverre op het gebied van ammoniakemissie voor gevolgen kan hebben. In de omgeving van het plangebied liggen vier Natura 2000-gebieden, op een afstand van onderscheidenlijk 5,9, 6,7 en 6,9 km afstand. Naar het oordeel van de Afdeling is deze afstand niet zodanig dat zonder meer kan worden aangenomen dat geen gevolgen voor de ammoniakdepositie zullen optreden. Gelet daarop heeft de raad zich zonder nader onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat is uitgesloten dat het plan in zoverre kan leiden tot significante negatieve effecten in Natura 2000-gebieden. Daarbij merkt de Afdeling op dat een geringe toename van de ammoniakdepositie bij habitats in een Natura 2000-gebied, waarvan de kritische depositiewaarde reeds is overschreden, significante negatieve effecten met zich kan brengen. Voor zover de raad stelt dat het plan in de praktijk niet tot onaanvaardbare situaties leidt, nu individuele initiatieven bij het verlenen van de omgevingsvergunning dienen te worden getoetst aan de Nbw 1998, wordt overwogen dat dit de raad niet ontslaat van de verplichting om bij de vaststelling van het plan te beoordelen of het plan in beginsel in overeenstemming is met artikel 19j van de Nbw, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201109053/1/R2). Het betoog slaagt. Nu niet inzichtelijk is gemaakt of een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 had moeten worden gemaakt, is evenmin inzichtelijk gemaakt of op grond van artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer een plan-MER had moeten worden gemaakt. Het betoog slaagt. Teelten en teeltondersteunende voorzieningen
- De milieuvereniging betoogt dat de mogelijkheden voor intensieve teelten en teeltondersteunende voorzieningen in het plan moeten worden ingeperkt aan de hand van een afgewogen locatiebeleid op basis van gebiedswaarden. 18.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het plan aansluit bij de Verordening 2012 en dat gebiedswaarden met aanduidingen zijn aangegeven en in de planregels zijn beschermd. 18.
- Op de verbeelding zijn verschillende aanduidingen opgenomen in verband met landschappelijke en natuurwaarden. In artikel 39 van de planregels zijn aan het gebruik van gronden met deze aanduidingen beperkingen verbonden, zoals een omgevingsvergunningplicht met voorwaarden voor een aantal nader bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. Het gaat dan onder meer om het verzetten of vergraven van grond en het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of bemaling. Voor teeltondersteunende voorzieningen is verder in artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels bepaald dat buiten bouwvlakken slechts tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogelijk zijn gemaakt, mits een omgevingsvergunning voor afwijken wordt verleend, waaraan voorwaarden zijn verbonden. De milieuvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze plansystematiek onvoldoende bescherming biedt aan de in het gebied aanwezige natuur- en landschapswaarden. Het betoog faalt. Luchtwassers
- Wat betreft het betoog van de milieuvereniging over artikel 6, lid 6.4, onder a, van de planregels overweegt de Afdeling dat dit artikel in het ontwerpplan een afwijkingsbevoegdheid bevatte voor luchtwassers en combiwassers buiten het bouwvlak. In het vastgestelde plan is dit artikel echter niet meer opgenomen. Uit de nota van zienswijzen volgt dat dit artikel naar aanleiding van de zienswijze van het college van gedeputeerde staten is verwijderd. Het betoog van de milieuvereniging mist gelet daarop feitelijke grondslag. Conclusie
- In hetgeen de Milieuvereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de vaststelling van: - de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor zover deze tevens de aanduiding "grondgebonden veehouderij" of de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 6" hebben; - de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij", met uitzondering van de plandelen die tevens de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" hebben; - de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Niet Grondgebonden", voor zover deze tevens de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 7" hebben.
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van het beroep van de milieuvereniging niet gebleken. Het beroep van [appellant sub 5]
- [appellant sub 5] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor zijn perceel [locatie 4] te Wanroij ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) van 7 maart 2013 aan dat de bestaande situatie niet is vastgelegd, nu het ter plaatse gevestigde bedrijf in hoofdzaak een intensieve veehouderij is. Bovendien is de varkensstal die in 2009 is gebouwd strak omlijnd met de aanduiding "intensieve veehouderij", zodat geen enkele ruimte is voor aanpassingen aan deze stal. In het vorige plan mocht de intensieve veehouderijtak ter plaatse uitbreiden en was de omschakeling naar een niet-grondgebonden bedrijf bij recht toegestaan. De raad stelt voorts aan bestaande situaties wat betreft intensieve veehouderijen ten onrechte en in een te laat stadium de voorwaarde dat een duurzaamheidstoets, die onder het vorige plan niet gold, wordt uitgevoerd. De bepaling uit de Verordening 2012 inzake de duurzaamheidstoets werkt niet rechtstreeks door. 22.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de procedure tot bestemmingswijziging en uitbreiding van het bouwvlak, ten behoeve waarvan het advies van de AAB is opgesteld, is aangehouden. Hieromtrent heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. 22.
- Het perceel [locatie 4] heeft de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - 6" en "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied". Dit bestemmingsvlak heeft een omvang van ongeveer 1,2 ha. Aan een gedeelte van dit bestemmingsvlak is de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 3.
- 22.
- Het perceel [locatie 4] had in het vorige plan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden, grondgebonden". Gelet hierop en op hetgeen is overwogen onder 3.3 heeft de raad in het voorliggende plan aan dit perceel de bestemming "Agrarisch - grondgebonden" toegekend. Op het perceel wordt een gemengd agrarisch bedrijf met een grondgebonden melkrundveehouderijtak, een akkerbouwtak en een intensieve varkenshouderijtak geëxploiteerd. Ten behoeve van het verzoek van [appellant sub 5] voor de uitbreiding van het bouwvlak tot 1,5 ha voor de grondgebonden melkrundveehouderijtak op het perceel [locatie 4] is voornoemd AAB-advies opgesteld. Niet in geschil is dat voor deze uitbreiding geen toepassing is gegeven aan de in het vorige plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Evenmin in geschil is dat de aanduiding "intensieve veehouderij" ter plaatse van de vergunde en in 2009 gebouwde varkensstal is gelegd, waardoor deze intensieve veehouderijtak als zodanig is bestemd. Dat deze tak niet ondergeschikt is aan de grondgebonden tak - wat daar ook van zij - doet daar gelet op hetgeen is overwogen onder 3.3 niet aan af. Voorts zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een intensieve veehouderijtak, waaronder bijvoorbeeld luchtwassers behorend bij de varkensstal, gelet op artikel 5, lid 5.3, onder b, van de planregels binnen het gehele bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegestaan. Gelet hierop heeft [appellant sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat de bestaande en vergunde situatie op het perceel [locatie 4] niet als zodanig is bestemd en behoeft het betoog dat de raad aan bestaande legale situaties ten onrechte de voorwaarde stelt dat een duurzaamheidstoets dient te worden uitgevoerd geen bespreking. Voor zover het plan volgens [appellant sub 5] ten onrechte niet voorziet in een uitbreiding ten behoeve van de intensieve veehouderijtak, is van belang dat de raad geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk heeft willen maken, maar de bestaande legale situatie heeft beoogd vast te leggen. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Dat de raad in dit geval onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellant sub 5] is niet gebleken, nu de huidige bedrijfsvoering als zodanig is bestemd. Het betoog faalt. 22.
- [appellant sub 5] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 5] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. 22.
- Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond. 22.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 5] geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 6]
- [appellant sub 6] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor zijn perceel [locatie 5] te Stevensbeek ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de bestaande legale situatie niet is vastgelegd, nu het ter plaatse gevestigde bedrijf in hoofdzaak een intensieve veehouderij is. In het vorige plan mocht de intensieve veehouderijtak ter plaatse uitbreiden en was de omschakeling naar een niet-grondgebonden bedrijf bij recht toegestaan. De raad stelt voorts aan bestaande legale situaties wat betreft intensieve veehouderijen ten onrechte en in een te laat stadium de voorwaarde dat een duurzaamheidstoets, die onder het vorige plan niet gold, wordt uitgevoerd. Voorts is de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een vleeskalverenstal van 23 mei 2013 niet in het plan verwerkt. [appellant sub 6] betoogt voorts dat de raad ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheid voor vormverandering en omschakeling heeft opgenomen, waardoor hij wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. Daartoe voert hij aan dat het plan in zoverre niet overeenkomt met het consoliderend karakter van het plan en dat de raad het plan in zoverre vanuit het kostenaspect ten aanzien van de uit te voeren onderzoeken die aan de opname hiervan verbonden zouden zijn niet deugdelijk heeft gemotiveerd. 23.
- Het perceel [locatie 5] heeft de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied". Dit bestemmingsvlak heeft een omvang van ongeveer 1,3 ha. Aan twee afzonderlijke gedeeltes van dit bestemmingsvlak is de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 3.
- 23.
- Ter plaatse van de bij besluit van 23 mei 2013 vergunde vleeskalverenstal op het perceel [locatie 5] had volgens de raad de aanduiding "intensieve veehouderij" moeten worden toegekend. De raad heeft gesteld dat het hier een fout op de verbeelding betreft en dat het beroep van [appellant sub 6] in zoverre in aanmerking komt voor gegrondverklaring. Gelet hierop is het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. 23.
- Het perceel [locatie 5] had in het vorige plan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden, grondgebonden". Gelet hierop en op hetgeen is overwogen onder 3.3 heeft de raad in het voorliggende plan aan dit perceel de bestemming "Agrarisch - grondgebonden" toegekend. Op het perceel wordt een gemengd agrarisch bedrijf met een grondgebonden akkerbouwtak en een intensieve vleeskalverenhouderijtak geëxploiteerd. Niet in geschil is dat de aanduiding "intensieve veehouderij" ter plaatse van de bestaande en vergunde vleeskalverenstallen, behoudens de vleeskalverenstal die bij omgevingsvergunning van 23 mei 2013 is vergund, is gelegd, waardoor deze intensieve veehouderijtak, behoudens het voorgaande onder 23.2, als zodanig is bestemd. Dat deze tak overwegend is - wat daar ook van zij - doet daar gelet op hetgeen is overwogen onder 3.3 niet aan af. Voorts zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een intensieve veehouderijtak, gelet op artikel 5, lid 5.3, onder b, van de planregels binnen het gehele bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegestaan. Gelet hierop heeft [appellant sub 6], behoudens het voorgaande onder 23.2, niet aannemelijk gemaakt dat de bestaande en vergunde situatie op het perceel [locatie 5] niet als zodanig is bestemd en behoeft het betoog dat de raad aan bestaande legale situaties ten onrechte de voorwaarde stelt dat een duurzaamheidstoets dient te worden uitgevoerd geen bespreking. Voor zover het plan volgens [appellant sub 6] ten onrechte niet voorziet in een uitbreiding ten behoeve van de intensieve veehouderijtak, is van belang dat de raad geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk heeft willen maken, maar de bestaande legale situatie heeft beoogd vast te leggen. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Dat de raad in dit geval onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellant sub 6] is niet gebleken, nu de huidige bedrijfsvoering als zodanig is bestemd. Het betoog faalt. 23.
- De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan ongeacht het consoliderende karakter van een bestemmingsplan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat de raad in afwijking van het vorige bestemmingsplan geen wijzigingsbevoegdheid voor vormverandering van het bestemmingsvlak en omschakeling naar een intensief veehouderijbedrijf in het plan heeft opgenomen, acht de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 3.3 niet onredelijk. Daarbij is van belang dat [appellant sub 6] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Het betoog faalt. 23.
- [appellant sub 6] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 6] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. 23.
- In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 5] te Stevensbeek, voor zover ter plaatse van de bij besluit van 23 mei 2013 vergunde vleeskalverenstal niet de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 23.
- De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 6] op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten. Het beroep van [appellant sub 7]
- [appellant sub 7] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor zijn perceel [locatie 6] te Oploo ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de bestaande legale situatie niet is vastgelegd, nu ter plaatse ook een intensieve veehouderij wordt geëxploiteerd. In het vorige plan mocht de intensieve veehouderijtak ter plaatse uitbreiden en was de omschakeling naar een niet-grondgebonden bedrijf bij recht toegestaan. De raad stelt voorts aan bestaande legale situaties wat betreft intensieve veehouderijen ten onrechte de voorwaarde dat een duurzaamheidstoets, die onder het vorige plan niet gold, wordt uitgevoerd. De bepaling uit de Verordening 2012 inzake de duurzaamheidstoets werkt niet rechtstreeks door en is in een landbouwontwikkelingsgebied niet van toepassing. [appellant sub 7] betoogt voorts dat de raad ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheden voor vormverandering en omschakeling in het plan heeft opgenomen, waardoor hij wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. Daartoe voert hij aan dat het plan in zoverre niet overeenkomt met het consoliderend karakter van het plan en dat de raad het plan in zoverre vanuit het kostenaspect ten aanzien van de uit te voeren onderzoeken die aan de opname hiervan verbonden zouden zijn niet deugdelijk heeft gemotiveerd. 24.
- Het perceel [locatie 6] heeft de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - 6" en "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied". Dit bestemmingsvlak heeft een omvang van ongeveer 0,8 ha. Aan een gedeelte van dit bestemmingsvlak is de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 3.
- 24.
- Het perceel [locatie 6] had in het vorige plan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden, grondgebonden". Gelet hierop en op hetgeen is overwogen onder 3.3 heeft de raad in het voorliggende plan aan dit perceel de bestemming "Agrarisch - grondgebonden" toegekend. Op het perceel wordt een gemengd agrarisch bedrijf met een grondgebonden melkrundveehouderijtak en een intensieve veehouderijtak geëxploiteerd. Daarnaast zijn enkele paarden en schapen aanwezig. Niet in geschil is dat de aanduiding "intensieve veehouderij" ter plaatse van de bestaande en vergunde stal ten behoeve van de intensieve veehouderijtak is gelegd, waardoor deze intensieve veehouderijtak als zodanig is bestemd. Voorts zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een intensieve veehouderijtak, gelet op artikel 5, lid 5.3, onder b, van de planregels binnen het gehele bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegestaan. Gelet hierop heeft [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat de bestaande en vergunde situatie op het perceel niet als zodanig is bestemd en behoeft het betoog dat de raad aan bestaande legale situaties ten onrechte de voorwaarde stelt dat een duurzaamheidstoets wordt uitgevoerd geen bespreking. Voor zover het plan volgens [appellant sub 7] ten onrechte niet voorziet in een uitbreiding ten behoeve van de intensieve veehouderijtak, is van belang dat de raad geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk heeft willen maken, maar de bestaande legale situatie heeft beoogd vast te leggen. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Dat de raad in dit geval onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellant sub 7] is niet gebleken, nu de huidige bedrijfsvoering als zodanig is bestemd. Het betoog faalt. 24.
- De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan ongeacht het consoliderende karakter van een bestemmingsplan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat de raad in afwijking van het vorige bestemmingsplan geen wijzigingsbevoegdheid voor vormverandering van het bestemmingsvlak en omschakeling naar een intensief veehouderijbedrijf in het plan heeft opgenomen, acht de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 3.3 niet onredelijk. Daarbij is van belang dat [appellant sub 7] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Het betoog faalt. 24.
- [appellant sub 7] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 7] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. 24.
- Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond. 24.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 7] geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 8]
- [appellant sub 8] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor haar perceel [locatie 7] te Oploo ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de bestaande legale situatie niet is vastgelegd, nu het ter plaatse gevestigde bedrijf in hoofdzaak een intensieve veehouderij is. 25.
- De raad stelt zich op het standpunt dat aan dit bedrijf op het perceel [locatie 7] reeds in het vorige bestemmingsplan ten onrechte niet de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden, niet-grondgebonden" was toegekend. Volgens de raad had aan het perceel daarom niet de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" maar de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" moeten worden toegekend en komt het beroep van [appellant sub 8] in aanmerking voor gegrondverklaring. Gelet hierop is het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. 25.
- [appellant sub 8] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze en de toelichting hierop. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 8] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. 25.
- In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 7] te Oploo is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 25.
- De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 8] op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten. Het beroep van [appellante sub 9]
- [appellante sub 9] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor haar perceel [locatie 8] te Wanroij ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de bestaande legale situatie niet is vastgelegd, nu het ter plaatse gevestigde bedrijf in hoofdzaak een intensieve veehouderij is, doordat in het verleden een uitbreiding van de intensieve veehouderijtak heeft plaatsgevonden. In het vorige plan mocht de intensieve veehouderijtak ter plaatse uitbreiden en was de omschakeling naar een niet-grondgebonden bedrijf bij recht toegestaan. De raad stelt voorts aan bestaande legale situaties wat betreft intensieve veehouderijen ten onrechte de voorwaarde dat een duurzaamheidstoets, die onder het vorige plan niet gold, wordt uitgevoerd. 26.
- Het perceel [locatie 8] heeft de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" en grotendeels de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 6". Dit bestemmingsvlak heeft een omvang van ongeveer 1,4 ha. Aan een gedeelte van dit bestemmingsvlak is de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 3.
- 26.
- Het perceel [locatie 8] had in het vorige plan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden, grondgebonden". Gelet hierop en op hetgeen is overwogen onder 3.3 heeft de raad in het voorliggende plan aan dit perceel de bestemming "Agrarisch - grondgebonden" toegekend. Op grond van de milieuvergunning mag [appellante sub 9] op het perceel 81 melkkoeien die permanent op stal staan en 33 stuks jongvee houden. De raad heeft onweersproken gesteld dat dit een grondgebonden melkrundveehouderijtak betreft die op de huiskavel en in de directe omgeving voldoende areaal grond ter beschikking heeft voor ruwvoerproductie. Op het perceel wordt tevens een intensieve varkenshouderijtak geëxploiteerd. Niet in geschil is dat de aanduiding "intensieve veehouderij" ter plaatse van de bestaande en vergunde stallen ten behoeve van de intensieve veehouderijtak is gelegd, waardoor deze intensieve veehouderijtak als zodanig is bestemd. Dat deze tak niet ondergeschikt is aan de grondgebonden tak - wat daar ook van zij - doet daar gelet op hetgeen is overwogen onder 3.3 niet aan af. Voorts zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een intensieve veehouderijtak, gelet op artikel 5, lid 5.3, onder b, van de planregels binnen het gehele bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegestaan. Gelet hierop heeft [appellante sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat de bestaande en vergunde situatie op het perceel [locatie 8] niet als zodanig is bestemd en behoeft het betoog dat de raad aan bestaande legale situaties ten onrechte de voorwaarde stelt dat een duurzaamheidstoets dient te worden uitgevoerd geen bespreking. Voor zover het plan volgens [appellante sub 9] ten onrechte niet voorziet in een uitbreiding ten behoeve van de intensieve veehouderijtak, is van belang dat de raad geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk heeft willen maken, maar de bestaande legale situatie heeft beoogd vast te leggen. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Dat de raad in dit geval onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellante sub 9] is niet gebleken, nu de huidige bedrijfsvoering als zodanig is bestemd. Het betoog faalt.
- [appellante sub 9] betoogt dat de raad de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 16" voor het perceel [locatie 8] ten onrechte en zonder motivering gewijzigd heeft vastgesteld, waardoor zij wordt beperkt in de bedrijfsvoering. 27.
- Voor een weergave van het standpunt van de raad wordt verwezen naar 4.
- 27.
- Aan een gedeelte van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 8] is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 16" ter grootte van ongeveer 0,22 ha toegekend. Het plan is in zoverre gewijzigd vastgesteld. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 4.
- 27.
- Ten behoeve van de op het perceel [locatie 8] bestaande en legale sleufsilo’s is het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" vergroot ten opzichte van de omvang van het bouwvlak in het vorige plan. Niet is gebleken dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 16", waar uitsluitend sleufsilo’s zijn toegestaan, ook gebouwen of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde staan. Gelet hierop en op het voorgaande onder 4.4 acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 16" uitsluitend sleufsilo’s heeft willen toestaan. Voorts heeft de raad vanwege het ter plaatse aanwezige waardevolle oude akkercomplex evenmin andere bebouwing willen toestaan, hetgeen tevens is bevestigd in de brief van het college van burgemeester en wethouders van 15 mei
- [appellante sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt beperkt. Het betoog faalt.
- [appellante sub 9] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 9] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
- Het beroep van [appellante sub 9] is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellante sub 9] geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 10]
- [appellant sub 10] betoogt dat de raad de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" voor het perceel [locatie 9] te Wanroij ten onrechte en zonder motivering gewijzigd heeft vastgesteld, waardoor zij wordt beperkt in de eventuele toekomstige ontwikkelingen. 31.
- Aan een gedeelte van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" voor het perceel [locatie 9] is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" ter grootte van in totaal ongeveer 900 m² toegekend. Het plan is in zoverre gewijzigd vastgesteld. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 4.
- 31.
- Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 heeft de raad als uitgangspunt gehanteerd dat permanente voorzieningen zoals erfverhardingen binnen het bestemmingsvlak worden gebracht. Ten behoeve van de op het perceel [locatie 9] bestaande en legale erfverharding is het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" vergroot ten opzichte van de omvang van het bouwvlak in het vorige plan. Niet is gebleken dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" ook gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, staan. Gelet hierop en op hetgeen is overwogen onder 4.4 acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" uitsluitend erfverhardingen en een weegbrug heeft willen toestaan. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Het betoog faalt. 31.
- Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond. 31.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 10] geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 11]
- [appellante sub 11] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor haar perceel [locatie 10] te Sint Anthonis ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de bestaande legale situatie niet is vastgelegd, nu het ter plaatse gevestigde bedrijf onder verwijzing naar het AAB-advies in hoofdzaak een intensieve veehouderij is. Voorts is een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een stal ten behoeve van de intensieve veehouderijtak, waaraan het vorige plan niet in de weg stond, omdat de intensieve veehouderijtak mocht uitbreiden, en was de omschakeling naar een niet-grondgebonden bedrijf bij recht toegestaan. De raad stelt voorts aan bestaande legale situaties wat betreft intensieve veehouderijen ten onrechte de voorwaarde dat een duurzaamheidstoets, die onder het vorige plan niet gold, wordt uitgevoerd. Bovendien is het perceel niet meer aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied, zodat dit geen reden tot afwijzing kan zijn. 32.
- De raad stelt zich op het standpunt dat na de vaststelling van het plan op 10 juli 2014 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een nieuwe varkensstal, die daarom niet in het plan is verwerkt. 32.
- Het perceel [locatie 10] heeft de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied". Dit bestemmingsvlak heeft een omvang van ongeveer 1,2 ha. Aan twee afzonderlijke gedeeltes van dit bestemmingsvlak is de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 3.
- 32.
- Het perceel [locatie 10] had in het vorige plan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden, grondgebonden". Gelet hierop en op hetgeen is overwogen onder 3.3 heeft de raad in het voorliggende plan aan dit perceel de bestemming "Agrarisch - grondgebonden" toegekend. Op het perceel wordt een gemengd agrarisch bedrijf met een grondgebonden akkerbouwtak en een intensieve varkenshouderijtak geëxploiteerd. Niet in geschil is dat de aanduiding "intensieve veehouderij" ter plaatse van de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande en vergunde stallen ten behoeve van de intensieve veehouderijtak is gelegd, waardoor deze intensieve veehouderijtak als zodanig is bestemd. Dat deze tak niet ondergeschikt is aan de grondgebonden tak - wat daar ook van zij - doet daar gelet op het voorgaande onder 3.3 niet aan af. Voorts zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een intensieve veehouderijtak, gelet op artikel 5, lid 5.3, onder b, van de planregels binnen het gehele bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegestaan. Gelet hierop heeft [appellante sub 11] niet aannemelijk gemaakt dat de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande en vergunde situatie op het perceel niet als zodanig is bestemd en behoeft het betoog dat de raad aan bestaande legale situaties ten onrechte de voorwaarde stelt dat een duurzaamheidstoets wordt uitgevoerd geen bespreking. Dat het perceel niet meer is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied - wat daar ook van zij - maakt niet dat de raad de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" had moeten toekennen. In dit kader is tevens van belang dat de raad geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk heeft willen maken, maar de bestaande legale situatie heeft beoogd vast te leggen. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Dat de raad in zoverre onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellante sub 11] is niet gebleken, nu de huidige bedrijfsvoering als zodanig is bestemd. Het betoog faalt. 32.
- Voor zover wordt aangevoerd dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid tot de bouw van een intensieve veehouderijstal waarvoor [appellante sub 11] voor de vaststelling van het plan een aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend, wordt als volgt overwogen. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De raad heeft in het voorliggende geval het uitgangspunt gehanteerd dat de voorgestane ontwikkeling alleen dan in het plan wordt verwerkt indien daarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden. De voorwaarde van afgeronde besluitvorming in de vorm van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen acht de Afdeling te vergaand. [appellante sub 11] heeft ruim voor de vaststelling van het plan in december 2012 een aanvraag ingediend voor de bouw van een nieuwe varkensstal. De Afdeling ziet aanleiding voor het oordeel dat ten tijde van de vaststelling van het plan sprake was van een voldoende concreet bouwplan waarover de raad in het kader van het voorliggende plan in dit geval een ruimtelijke afweging had kunnen en dienen te maken. Het betoog slaagt.
- [appellante sub 11] betoogt dat de raad de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" voor het perceel [locatie 10] ten onrechte en zonder motivering gewijzigd heeft vastgesteld, waardoor zij wordt beperkt in haar bedrijfsvoering. 33.
- Aan twee afzonderlijke gedeeltes van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 10] is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" ter grootte van in totaal ongeveer 300 m² toegekend. Het plan is in zoverre gewijzigd vastgesteld. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 4.
- 33.
- Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 heeft de raad als uitgangspunt gehanteerd dat permanente voorzieningen zoals erfverhardingen binnen het bestemmingsvlak worden gebracht. Ten behoeve van de op het perceel [locatie 10] bestaande en legale erfverharding is het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" vergroot ten opzichte van de omvang van het bouwvlak in het vorige plan. Niet is gebleken dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" ook gebouwen of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde staan. Gelet hierop en op hetgeen is overwogen onder 4.4 acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - erfverharding" uitsluitend erfverhardingen en een weegbrug heeft willen toestaan. [appellante sub 11] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hierdoor onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt beperkt. Het betoog faalt.
- Naar aanleiding van het betoog van [appellante sub 11] heeft de raad ter zitting toegelicht dat de bij besluit van 10 juli 2014 vergunde intensieve veehouderijstal bij een eerstvolgende planherziening zal worden ingepast. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 10] te Sint Anthonis, voor zover ter plaatse van de bij besluit van 10 juli 2014 vergunde varkensstal op het perceel niet de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
- De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellante sub 11] op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten. Het beroep van [appellant sub 12]
- Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. [appellant sub 12] betoogt dat zijn niet-grondgebonden melkrundveehouderij aan de [locatie 11] te Sint Anthonis ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Dit perceel heeft, net als in het ontwerpplan, de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 6", ter plaatse waarvan een grondgebonden melkrundveehouderij is toegestaan. [appellant sub 12] heeft echter geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 12] gestelde omstandigheid dat de begripsomschrijving van "grondgebonden melkrundveehouderij" gewijzigd is vastgesteld, nu hieronder net als in het ontwerpplan een grondgebonden bedrijf in de vorm van een melkrundveehouderij die op de huiskavel en de directe omgeving voldoende areaal grond ter beschikking heeft voor ruwvoerproductie en/of weidegang wordt verstaan. Wat onder voldoende areaal voor de ruwvoederproductie en weidegang in het plan moet worden verstaan is ongewijzigd vastgesteld. Gelet hierop is [appellant sub 12] door de gewijzigde vaststelling in zoverre niet in een nadeliger positie gebracht. [appellant sub 12] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Het beroep van [appellant sub 12] is niet-ontvankelijk. 36.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 12] geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 13]
- [appellante sub 13] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 12] te Landhorst ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de bestaande legale situatie niet is vastgelegd en dat zij wordt beperkt in haar uitbreidingsmogelijkheden. In het vorige plan mocht de intensieve veehouderijtak ter plaatse uitbreiden en was de omschakeling naar een niet-grondgebonden bedrijf bij recht toegestaan. De raad stelt voorts aan bestaande legale situaties wat betreft intensieve veehouderijen ten onrechte en in een te laat stadium de voorwaarde dat een duurzaamheidstoets, die onder het vorige plan niet gold, wordt uitgevoerd. [appellante sub 13] betoogt voorts dat de raad ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheden voor vormverandering en omschakeling in het plan heeft opgenomen, waardoor zij wordt beperkt in haar bedrijfsvoering. Daartoe voert zij aan dat het plan in zoverre niet overeenkomt met het consoliderend karakter van het plan en dat de raad het plan in zoverre vanuit het kostenaspect ten aanzien van de uit te voeren onderzoeken die aan de opname hiervan verbonden zouden zijn niet deugdelijk heeft gemotiveerd. 37.
- Het perceel [locatie 12] heeft de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - 6" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied". Dit bestemmingsvlak heeft een omvang van ongeveer 1,3 ha. Aan een gedeelte van dit bestemmingsvlak is de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 3.
- 37.
- Het perceel [locatie 12] had in het vorige plan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden, grondgebonden". Gelet hierop en op hetgeen is overwogen onder 3.3 heeft de raad in het voorliggende plan aan dit perceel de bestemming "Agrarisch - grondgebonden" toegekend. Op het perceel wordt een gemengd agrarisch bedrijf met een grondgebonden melkrundveehouderijtak en een intensieve varkenshouderijtak geëxploiteerd. Niet in geschil is dat de aanduiding "intensieve veehouderij" ter plaatse van de bestaande en vergunde stal ten behoeve van de intensieve veehouderijtak is gelegd, waardoor deze intensieve veehouderijtak als zodanig is bestemd. Voorts zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een intensieve veehouderijtak, gelet op artikel 5, lid 5.3, onder b, van de planregels binnen het gehele bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegestaan. Gelet hierop heeft [appellante sub 13] niet aannemelijk gemaakt dat de bestaande en vergunde situatie op het perceel niet als zodanig is bestemd en behoeft het betoog dat de raad aan bestaande legale situaties ten onrechte de voorwaarde stelt dat een duurzaamheidstoets wordt uitgevoerd geen bespreking. Voor zover het plan volgens [appellante sub 13] ten onrechte niet voorziet in een uitbreiding ten behoeve van de intensieve veehouderijtak, is van belang dat de raad geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk heeft willen maken, maar de bestaande legale situatie heeft beoogd vast te leggen. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Dat de raad in dit geval onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellante sub 13] is niet gebleken, nu de huidige bedrijfsvoering als zodanig is bestemd. Het betoog faalt. 37.
- De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan ongeacht het consoliderende karakter van een bestemmingsplan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat de raad in afwijking van het vorige bestemmingsplan geen wijzigingsbevoegdheid voor vormverandering van het bestemmingsvlak en omschakeling naar een intensief veehouderijbedrijf in het plan heeft opgenomen, acht de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 3.3 niet onredelijk. Daarbij is van belang dat [appellante sub 13] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Het betoog faalt. 37.
- Het beroep van [appellante sub 13] is ongegrond. 37.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellante sub 13] geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 14]
- [appellante sub 14] betoogt dat de raad haar zienswijze over het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor haar perceel [locatie 13] te Landhorst, voor zover dit betrekking heeft op de revisievergunning van 8 augustus 2011, niet inhoudelijk heeft behandeld. 38.
- [appellante sub 14] heeft over het ontwerpplan tijdig een zienswijze over voornoemd planonderdeel naar voren gebracht. Dat de raad in de beantwoording van deze zienswijze in algemene zin hierop is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.
- [appellante sub 14] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor haar perceel [locatie 13] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de bestaande legale situatie niet is vastgelegd, nu het ter plaatse gevestigde bedrijf in hoofdzaak een intensieve veehouderij is, waarvoor op 8 augustus 2011 een revisievergunning is verleend. Bij brief van 13 oktober 2010 heeft het gemeentebestuur bovendien in principe besloten medewerking te verlenen aan een vormverandering van het bouwvlak, waarin het plan ten onrechte niet voorziet. Nu de aanduiding "intensieve veehouderij" strak om de bestaande legale bebouwing is gelegd, biedt het plan, anders dan het vorige bestemmingsplan, geen enkele uitbreidingsmogelijkheid voor de intensieve veehouderij en wordt zij beperkt in haar uitbreidingsplannen. 39.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het gemeentebestuur in 2010 onder voorwaarden bereid was mee te werken aan een vormverandering van het bouwvlak. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. 39.
- Het perceel [locatie 13] heeft de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied". Dit bestemmingsvl
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.